Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BK5994

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
04-12-2009
Datum publicatie
10-12-2009
Zaaknummer
10/602063-07
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2018:4490
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdenking medeplegen invoer van een partij cocaine van bijna 1700 kg vanuit Costa Rica verstopt in een partij koffie. Recht op contra-expertise; monsters bestemd voor contra-expertise vernietigd. Geen niet ontvankelijkheid openbaar ministerie en ook geen bewijsuitsluiting. Door externe deskundige worden testresultaten onderschreven, gelet hierop acht de rechtbank de testresultaten deugdelijk en bruikbaar voor het bewijs.

Vrijspraak: Verdachte handelt al jaren in koffie vanuit Costa Rica en zijn bemoeienissen met de invoer van deze container met cocaïne kunnen daaruit verklaard worden.

Tevens vrijspraak witwassen: hoewel de financiële en fiscale handel en wandel van verdachte te denken geeft, is er onvoldoende concreet bewijs dat verdachte daadwerkelijk (onder meer) fiscale fraude heeft gepleegd. Het witwas onderzoek heeft zich voornamelijk toegespitst op de betrokkenheid bij de invoer van cocaïne (hetgeen de rechtbank niet bewezen acht) de mogelijk belastingfraude is terzijde aangestipt, doch heeft onvoldoende diepgang op daaruit verstrekkende conclusies te trekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer : 10/602063-07

Datum uitspraak : 4 december 2009

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, zitting houdende te Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte 6],

[geboortedatum],

[adres].

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 29 september 2009, 30 september 2009, 2 oktober 2009, 4 november 2009,

5 november 2009 en 20 november 2009.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat - na wijziging van de tenlastelegging - terecht ter zake dat:

1.

hij op of omstreeks 12 september 2007 te Rotterdam en/of Maastricht en/of Eindhoven en/of Roermond en/of Weert, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 1674,96 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;

artikel 2 aanhef en onder A van de Opiumwet juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2007 tot en met 19 september 2007 te Rotterdam en/of Maastricht en/of Eindhoven en/of Roermond en/of Weert, in elk geval in Nederland en/of Costa Rica en/of Panama en/of Colombia, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van (ongeveer) 1674,96 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, - een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen,

mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of - zich en/of een ander of anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of - voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of een of meer mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar, althans ieder voor zich, toen en aldaar opzettelijk:

- een loods in Costa Rica gehuurd, en/of

- (vervolgens) in een aantal dozen de voormelde hoeveelheid cocaïne verstopt en/of doen verstoppen, en/of

- (vervolgens) het vervoer van de verdovende middelen georganiseerd, en/of

- (vervolgens) een (dek)lading koffie in gestapelde dozen op pallets in een container naar Nederland doen verschepen, en/of

- (vervolgens) in Nederland een loods en/of vorkheftruck gehuurd, en/of

- (vervolgens) opdracht gegeven en/of doen geven de voormelde container naar een loods in Weert te doen vervoeren, en/of

- (meermalen) (een) ontmoeting(en) gehad met betrekking tot het opzettelijk

binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of vervoeren van voornoemde verdovende middelen, en/of

- (meermalen) (een) telefoongesprek(ken) gevoerd met betrekking tot het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of vervoeren van voornoemde verdovende middelen, en/of

- (meermalen) (een) betaling(en) en/of overboeking(en) verricht en/of gedaan en/of ontvangen met betrekking tot de uitvoering van een of meer van die te plegen misdrijf/misdrijven

artikel 10A van de Opiumwet

3.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 12 september 2007 tot en met 19 september 2007 te Rotterdam en/of Maastricht en/of Eindhoven en/of Roermond en/of Weert, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk ongeveer 1 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd althans voorhanden

heeft gehad;

artikel 2 a/b van de Opiumwet juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht

4.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 14 december 2001 tot en met 25 september 2007 te Eindhoven en/of Veldhoven, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen een voorwerp,

te weten één of meerdere geldbedrag(en), bestaande uit

- 2000 euro en/of

- 700 euro en/of

- 530.050 euro

heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet en/of van dit/deze geldbedrag(en) gebruik gemaakt, en/of de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen of verhuld, dan wel heeft verborgen of verhuld wie de rechthebbende op dat/die voorwerp(en) was,

terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven voorwerp(en)

- onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

artikel 420bis Wetboek van Strafrecht;

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

5.1 Standpunt van de verdediging

De raadsman voert - in aansluiting op de raadsman van medeverdachte [verdachte 2] - aan dat het openbaar ministerie op een drietal gronden niet ontvankelijk dient te worden verklaard ten aanzien van de vervolging.

5.1.1 Vernietiging van de monsters

Het vernietigen van de voor contra-expertise bestemde partij monsters (vermeende) cocaïne getuigt volgens de raadsman van een onprofessionele werkwijze van de Nationale Recherche, van wie met name bij een omvangrijke strafzaak als de onderhavige waarbij grote belangen gemoeid zijn, verwacht mag worden dat zij met de nodige zorgvuldigheid te werk gaat. De vernietiging van de monsters houdt in dat de uitkomst van het deskundigenrapport waarin de testresultaten van de monsters worden beschreven niet langer door de verdediging kan worden betwist, hetgeen een inbreuk oplevert van de beginselen van een behoorlijke procesorde. Hierbij dient mede in aanmerking te worden genomen dat het deskundigenrapport essentieel is voor een mogelijke bewezenverklaring, aangezien de overige inhoud van het strafdossier geen wettig en overtuigend bewijs bevat waaruit kan worden afgeleid dat de in de zeecontainer aangetroffen stof cocaïne bevat.

De raadsman voert aan dat het openbaar ministerie verantwoordelijk kan worden gehouden voor de vernietiging van de monsters. Het vormverzuim is van dien aard dat gesteld kan worden dat het openbaar ministerie de belangen van de verdachte dermate heeft veronachtzaamd dat diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Overigens kan volgens de raadsman niet gesteld worden dat de belangen van verdachte in voldoende mate zijn gecompenseerd door het onderzoek dat NFI (Nationaal Forensisch Instituut) medewerker dr. Van de Berg naderhand ten aanzien van de bevindingen van drs. R. Jellema heeft uitgevoerd. Immers kan op grond hiervan niet worden nagegaan of het onderzoek van drs. R. Jellema op zich wel deugdelijk is uitgevoerd en met name of er geen verwisseling van de monsters heeft plaatsgevonden.

5.1.2 Onrechtmatig handelen van de douanebeambten

Daarnaast voert de raadsman aan dat de douanebeambten ten tijde van het aantreffen van de partij vermeende cocaïne, onrechtmatig zouden hebben gehandeld. De door de douane opgegeven aanleiding om de zeecontainer op verdovende middelen te onderzoeken - zoals weergegeven in het fycoformulier - is volgens de raadsman apert onjuist.

De persoon [naam] was immers al enige tijd geen bestuurder meer van de betreffende onderneming. Bovendien heeft hij geen antecedenten in het kader van de Opiumwet.

De aanvullende stukken van het openbaar ministerie doen vermoeden dat een tip vanuit Costa Rica de werkelijke aanleiding is geweest voor de doorzoeking van de betreffende zeecontainer, hetgeen volgens de raadsman wordt bevestigd door de wijze waarop er door de douane gericht is gezocht naar verdovende middelen.

Daarnaast kan op grond van de in het strafdossier aanwezige bewijsmiddelen worden aangetoond dat het onderzoek in de betreffende zeecontainer onmogelijk kan hebben plaatsgevonden op de manier zoals de douanebeambten dat in hun proces-verbaal hebben beschreven. Men name op videobeelden die zich in het strafdossier bevinden, is te zien dat de zeecontainer te weinig ruimte bevat om - zoals de beambten relateren - over de dozen heen naar achteren te klimmen en vervolgens de pallet af te bouwen. De omstandigheid dat de douanebeambten aantoonbaar onjuist hebben gerelateerd, maakt volgens de raadsman dat hun handelen onrechtmatig moet worden geacht.

Voorts dient de wijze waarop er door de douanebeambten in de zeecontainer stelselmatig en gericht naar verdovende middelen is gezocht, als een opsporingshandeling (doorzoeking ex. artikel 96c van het Wetboek van Strafvordering) te worden aangemerkt, waartoe de douane geen wettelijke bevoegdheid heeft. Nu er bovendien onvoldoende grond was voor een verdenking in het kader van een overtreding van de Opiumwet, heeft de doorzoeking niet alleen onbevoegd maar ook zonder wettelijke grondslag plaatsgevonden. Bovendien hebben de douanebeambten het subsidiariteitsbeginsel geschonden door voorafgaande aan de doorzoeking niet eerst een containerscan te doen.

Deze omstandigheden leveren volgens de raadsman een vormverzuim op ingevolge artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. In samenhang met hetgeen er voor het overige ten aanzien van het handelen van de douane is aangevoerd, houdt dit een dermate grove veronachtzaming van de belangen van verdachte in dat diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat het verweer met betrekking tot het handelen van de douanebeambten dient te worden gepasseerd, dan verzoekt de raadsman de rechtbank alsnog tot het oproepen van de desbetreffende douaniers, teneinde omtrent de gang van zaken te worden gehoord.

5.1.3 Onzorgvuldig handelen van het openbaar ministerie

Voorts voert de raadsman aan dat het openbaar ministerie gedurende het onderzoek ter terechtzitting stelselmatig processtukken te laat aan de procespartijen heeft verstrekt. Tevens zou het openbaar ministerie niet voortvarend te werk zijn gegaan en onvoldoende inspanningen hebben verricht om gehoor te geven aan opdrachten die haar door de rechtbank zijn verstrekt. Zodoende heeft de verdediging zich onvoldoende tegen de aanklacht van het openbaar ministerie kunnen verweren, waardoor ernstig tekort is gedaan aan de belangen van de verdachte en diens recht op een eerlijke behandeling van de zaak.

Tenslotte heeft het openbaar ministerie tot twee maal toe in strijd met de wettelijke regelgeving de verbaliseringsplicht geschonden. Het betreft het bezoek dat de Nationale Recherche heeft gebracht aan de Costa Ricaanse politie, alsmede de voorbespreking met het NFI waarbij vanuit het openbaar ministerie de zaaksofficier en de parketsecretaris betrokken waren. Een dergelijke handelwijze is volgens de raadsman in strijd met het beginsel van “equality of arms”. Immers de inhoud van deze gesprekken zijn hiermee aan het zicht van de rechtbank en de verdediging onttrokken.

Deze, alsmede de hiervoor aangedragen gronden dienen volgens de raadsman dan ook te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

5.1.4 Standpunt van de officier van justitie

5.1.5 Vernietiging van de monsters

Ingevolge de jurisprudentie van de Hoge Raad worden er hoge eisen gesteld aan een niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in het geval van een vormverzuim. In elk geval dient het een onherstelbaar vormverzuim te betreffen, hetgeen alleen aan de orde is bij de vernietiging van de voor contra-expertise bestemde partij monsters (vermeende) cocaïne. Of een verzoek tot contra-expertise dient te worden ingewilligd is volgens de Hoge Raad afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Hierbij dient onder meer in aanmerking te worden genomen de gronden waarop het verzoek steunt, het belang van het gevraagde tegenonderzoek, de omstandigheid dat het verzoek op een zodanig tijdstip is gedaan dat een tegenonderzoek feitelijk nog mogelijk is en de vraag of het verzoek niet eerder door de verdediging had kunnen worden gedaan.

Nu de verdediging ten aanzien van de onderhavige strafzaak heeft verzuimd de (inhoudelijke) gronden en het belang aan te geven waarop het verzoek tot een contra-expertise is gestoeld, het verzoek eerst gedaan is op een tijdstip dat dit feitelijk niet meer kon worden uitgevoerd en het verzoek in een eerder stadium door de verdediging had kunnen worden gedaan, kan volgens de officier van justitie niet worden aangenomen dat de verdediging een recht op contra-expertise toekwam.

Mocht desalniettemin een recht op contra-expertise worden aangenomen dan blijkt nergens dat het openbaar ministerie in deze doelbewust dan wel met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte heeft gehandeld. Het openbaar ministerie is er steeds vanuit gegaan dat de monsters nog altijd beschikbaar waren, hetgeen ook kan worden afgeleid uit de proceshouding van het openbaar ministerie ten tijde van het door de verdediging gedane verzoek. Het openbaar ministerie heeft zich op geen enkele manier tegen een contra-expertise verzet en aangegeven haar volledige medewerking te zullen verlenen.

Overigens heeft het enkele feit dat de contra-expertise niet meer kon worden uitgevoerd vanwege de vernietiging van de monsters niet zonder meer tot gevolg dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De verdediging is volgens de officier van justitie voldoende gecompenseerd, zodat verdachte hierdoor niet in zijn belangen is geschaad. Er heeft een tegenonderzoek plaatsgevonden door een deskundige, te weten NFI medewerker dr. Van de Berg waarbij de verdediging de mogelijkheid is geboden vragen te stellen. Daarnaast zijn de deskundigen drs. R. Jellema en E. Colmsee in het bijzijn van de verdediging door de rechter-commissaris gehoord en is de verdediging bovendien in de gelegenheid gesteld ter terechtzitting dr. Van de Berg en drs. R. Jellema nogmaals te bevragen. Aan de hand van de bevindingen van dr. Van de Berg kan volgens de officier van justitie geconcludeerd worden dat het onderzoek ten aanzien van de partij monsters (vermeende) cocaïne op een deugdelijke wijze door het laboratorium van drs. R. Jellema is uitgevoerd en de onderzoeksresultaten derhalve betrouwbaar kunnen worden geacht.

5.1.6 Onrechtmatig handelen van de douane

Voor wat betreft de door de raadsman gestelde onrechtmatigheden ten aanzien van het handelen van de douane en de gevolgen hiervan voor de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, voert de officier van justitie het volgende aan.

Het feit dat in het register van de Kamer van Koophandel de persoon [naam] op enig moment niet meer vermeld stond als bestuurder van de betreffende onderneming, houdt niet automatisch in dat dit ten tijde van de invoer van de cocaïne ook als zodanig in het betreffende register stond aangegeven.

Dergelijke gegevens kunnen volgens de officier van justitie met terugwerkende kracht worden ingevoerd.

Verder biedt het dossier geen enkele ondersteuning voor het feit dat de Nederlandse autoriteiten in deze een tip zouden hebben ontvangen van de Costa Ricaanse autoriteiten.

De douane heeft in het kader van de Algemene wet bestuursrecht bepaalde controlebevoegdheden. De beambten hebben volgens de officier van justitie gedurende het onderzoek van de zeecontainer deze bevoegdheden niet overschreden en zodoende rechtmatig gehandeld. Immers, ingevolge artikel 8j van de Opiumwet juncto artikel 5:18, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht heeft de douane in het kader van haar controlebevoegdheid in zake de Opiumwet de bevoegdheid zaken te onderzoeken, aan opneming te onderwerpen en daarvan monsters te nemen. Ingevolge het tweede lid van het betreffende artikel is zij bevoegd hiertoe de verpakking te openen. Bovendien heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 2 oktober 2007 bepaald dat er voor een dergelijke controlebevoegdheid geen verdenking ingevolge het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht is vereist. Naar Nederlands recht waren er in elk geval voldoende feiten en omstandigheden aanwezig die een redelijk vermoeden van schuld opleverden, op grond waarvan de container ook in het kader van de Opiumwet had kunnen worden doorzocht.

5.1.7 Onzorgvuldig handelen van het openbaar ministerie

Voor hetgeen er door de raadsman in deze is aangevoerd, kan gesteld worden dat mochten er van de zijde van het openbaar ministerie al fouten zijn gemaakt, deze gedurende het onderzoek ter terechtzitting zijn hersteld. Verdachte is hierdoor verder niet in zijn belangen geschaad.

Het contact met het NFI was ingegeven vanwege het feit dat het openbaar ministerie constateerde dat er met het vernietigen van de monsters een verdedigingsbelang was geschonden. Om het nadeel te compenseren heeft het openbaar ministerie contact opgenomen met het NFI met de vraag wat zij in deze zouden kunnen betekenen.

Gelet op het vorenstaande kan hetgeen de raadsman heeft aangevoerd geen gevolgen hebben voor de ontvankelijkheid het openbaar ministerie.

5.1.8 Overwegingen van de rechtbank

5.1.9 Vernietiging van de monsters

Ten aanzien van de vernietiging van de voor de contra-expertise bestemde partij monsters (vermeende) cocaïne en de gevolgen hiervan voor de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat er in deze een recht van de verdediging op contra-expertise bestond. Vanwege de vernietiging van de monsters bleek de contra-expertise feitelijk niet uitvoerbaar. De rechtbank stelt vast dat er daardoor sprake is van een onherstelbaar vormverzuim van de zijde van het openbaar ministerie.

Naar het oordeel van de rechtbank leidt een dergelijk onherstelbaar vormverzuim slechts tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie indien er sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een goede procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan. In dit geval is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van zo’n situatie.

Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank af dat zeer onzorgvuldig handelen ten grondslag heeft gelegen aan de vernietiging van de partij monsters, welk handelen echter er niet op was gericht om doelbewust dan wel met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte zijn procesvoering op enigerlei wijze te benadelen, althans zulks is niet gebleken.

Om zoveel mogelijk tegemoet te komen aan de belangen van verdachte heeft er een beoordeling plaatsgevonden van het onderzoek van drs. R. Jellema door NFI medewerker dr. Van de Berg, waarbij de verdediging in de gelegenheid is gesteld schriftelijke vragen aan deze deskundige te stellen. Bovendien zijn de deskundigen E. Colmsee en drs. R. Jellema in het bijzijn van de verdediging door de rechter-commissaris gehoord en is de verdediging tevens in de gelegenheid gesteld om dr. Van de Berg en drs. R. Jellema ter terechtzitting te bevragen. De rechtbank is van oordeel dat er weliswaar geen contra-expertise in de feitelijke zin van het woord heeft plaatsgevonden, doch dat hiermee wel een duidelijk beeld is ontstaan van de werkzaamheden die drs. R. Jellema heeft verricht en de waarde die aan zijn bevindingen kan worden toegekend. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat verdachte in voldoende mate is gecompenseerd voor het feit dat de voor de contra-expertise bestemde partij monsters is vernietigd.

Gelet op het vorenstaande kan hetgeen door de raadsman in deze is aangedragen dan ook geen gevolgen hebben voor de ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Voor zover de raadsman aanvoert dat dr. Van de Berg weliswaar de onderzoeksresultaten kan beoordelen, doch op grond hiervan niet kan worden aangetoond dat het onderzoek op zich deugdelijk door drs. R. Jellema is uitgevoerd (vervuiling van de gebruikte apparatuur, verwisseling van de partij monsters), volstaat de rechtbank hier met de constatering dat uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting niet valt op te maken dat er zich te dien aanzien onregelmatig hebben voorgedaan. Hetgeen door de raadsman hierover is aangevoerd kan dan ook niet tot een ander oordeel leiden. Voor de nadere overwegingen ter zake verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hiertoe onder de bewijsvoering zal overwegen.

5.1.10 Onrechtmatig handelen van de douane

Voor wat betreft het door de raadsman aangevoerde vermeend onrechtmatig handelen van de douane en de gevolgen hiervan voor de ontvankelijkheid van de officier van justitie overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank heeft op grond van de processtukken en het verhandelde ter terechtzitting geen reden om aan te nemen dat de betreffende douanebeambten opzettelijk onjuist hebben gerelateerd over de aanleiding om de betreffende zeecontainer te onderzoeken op de aanwezigheid van verdovende middelen. Immers, ingevolge artikel 8j van de Opiumwet juncto artikel 5:18, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht heeft de douane in het kader van haar controlebevoegdheid in zake de Opiumwet de bevoegdheid zaken te onderzoeken, aan opneming te onderwerpen en daarvan monsters te nemen. Ingevolge het tweede lid van het betreffende artikel is zij bevoegd hiertoe de verpakking te openen.

Bovendien heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 2 oktober 2007 ( LJN: BA 7911) bepaald dat voor de in artikel 8j bedoelde controlebevoegdheid niet is vereist dat er sprake is van een verdenking ter zake van enig strafbaar feit.

De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat de douanebeambten bevoegd waren de betreffende zeecontainer op de aanwezigheid van verdovende middelen te onderzoeken op de wijze waarop zij daar in het onderhavige geval uitvoering aan hebben gegeven.

Daarbij merkt de rechtbank op dat ware er sprake geweest van een tip van de Costaricaanse autoriteiten, zoals door de verdediging gesuggereerd, ook als gevolg van artikel 9 Opiumwet een doorzoekingsbevoegdheid van de container zou hebben bestaan. De douanebeambten hadden er dan ook geen enkel belang bij om onjuist te relateren.

Daarnaast voert de raadsman aan dat de douane aantoonbaar onjuist heeft gerelateerd over de wijze waarop zij het onderzoek in de betreffende container heeft uitgevoerd. De rechtbank is van oordeel dat aan de hand van de videobeelden niet kan worden vastgesteld dat de douane de gang van zaken onjuist in het proces-verbaal heeft weergegeven aangezien er op deze beelden te zien is dat er aan de bovenkant tussen de pallets en de zeecontainer nog voldoende ruimte resteert om over de pallets heen te kruipen. Voor het overige heeft de rechtbank ook hier geen enkele concrete aanwijzing om aan te nemen dat de douane de zaken in deze verkeerd heeft voorgespiegeld. Immers, zij had ook op enige andere manier bij de betreffende dozen kunnen komen, namelijk door de container geheel uit te laden en de dozen één voor één af te stapelen.

Voorts ziet de rechtbank niet in op grond waarvan de douane een containerscan had dienen te verkiezen boven het onderzoek zoals dit door haar is uitgevoerd. Beide manieren dienen er toe te controleren of er zich in de zeecontainer geen andere goederen bevinden dan volgens de desbetreffende papieren aangegeven en kunnen gelet op de aard van het te onderzoeken object als gelijkwaardige onderzoekshandelingen worden aangemerkt. Het subsidiariteitsbeginsel is naar het oordeel van de rechtbank in deze dan ook niet geschonden.

5.1.11 Onzorgvuldig handelen door het openbaar ministerie

Voor wat betreft hetgeen door de raadsman is aangevoerd ten aanzien van het stelselmatig te laat inbrengen van de stukken en het in onvoldoende mate verrichten van inspanningen teneinde aan de door de rechtbank verstrekte opdrachten te voldoen, overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank is van oordeel dat het openbaar ministerie weliswaar op meerdere momenten op een ongunstig moment, namelijk kort voor de terechtzitting processtukken aan de verdediging heeft verstrekt, doch dat er voor de rechtbank geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat dit opzettelijk ter benadeling van verdachte is gedaan. Voor zover de verdediging hierdoor is benadeeld, is dit door de rechtbank gecompenseerd door de verdediging extra tijd te gunnen voor de bestudering van de stukken. In zoverre dit onnodige vertraging heeft opgeleverd zal door de rechtbank bij de strafmaat rekening hiermee worden gehouden in het kader van de overschrijding van de redelijke termijn. Daar waar de rechtbank heeft vastgesteld dat de officier van justitie te weinig inspanningen heeft verricht ten aanzien het opsporen van ‘[getuige 1]’ en ‘[getuige 2]’ is de rechtbank van oordeel dat de verdediging in voldoende mate is gecompenseerd doordat de rechtbank, evenals de officier van justitie, de verklaring van [getuige 4] op dit punt zal uitsluiten van de bewijsvoering.

Voor wat betreft de door de raadsman aangevoerde schending van de verbaliseringsplicht overweegt de rechtbank dat zij van oordeel is dat de door de raadsman bedoelde gesprekken niet als een opsporingshandeling kunnen worden aangemerkt en er derhalve ook geen sprake kan zijn van een vormverzuim aan de zijde van het openbaar ministerie.

Immers is de rechtbank gedurende het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat deze gesprekken louter oriënterend van aard zijn geweest en dat hier geen onderzoekshandelingen uit zijn voortgevloeid waarover ingevolge de wettelijke bepalingen gerelateerd had dienen te worden.

De rechtbank is gelet op het vorenstaande van oordeel dat hetgeen de raadsman heeft aangevoerd geen gevolgen kan hebben voor de ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Uit onderzoek is de rechtbank gebleken dat verdachte Nederlander is, dat het onder 2 ten laste gelegde feit door de Nederlandse strafwet als misdrijf wordt beschouwd en dat op dat feit door de wet van Costa Rica, waar het onder meer zou zijn begaan, straf is gesteld.

De rechtbank is verder niet gebleken van omstandigheden die van invloed zijn op de ontvankelijkheid van de officier van justitie. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen

7.1 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 30 september 2009 gevorderd dat het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen zal worden verklaard.

7.2 Standpunt van de raadsman

De raadsman voert in aansluiting op het verweer van een medeverdachte aan dat niet kan worden aangetoond dat de op 13 september 2007 in de zeecontainer aangetroffen partij wit poeder, cocaïne bevat. Hiertoe voert de raadsman het volgende aan.

- Het handelen van de douane dient als onrechtmatig te worden aangemerkt (zoals hierboven onder 5 vermeld staat) met als gevolg dat al hetgeen hieruit is voortgevloeid van de bewijsvoering dient te worden uitgesloten;

- Het vernietigen van de voor contra-expertise bestemde partij monsters vermeende cocaïne dient ingevolge het bepaalde in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering te worden aangemerkt als een onherstelbaar vormverzuim met als gevolg dat de testresultaten van de onderzochte monsters van de bewijsvoering moeten worden uitgesloten;

- Er is ernstige reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de onderzoeksresultaten van het politielaboratorium van drs. Jellema en wel op de volgende gronden:

1. kwaliteitswaarborgen in de zin van interne en externe controle ten aanzien de in het laboratorium uitgevoerde werkzaamheden ontbraken volledig;

2. het laboratorium is niet ISO-gecertificeerd en niet geaccrediteerd, hetgeen noodzakelijk is voor het waarborgen van de “chain of custody”. Er kan derhalve niet met zekerheid worden gesteld dat de geteste monsters ook daadwerkelijk de monsters betreffen die door de Nationale Recherche in het

kader van het onderhavige onderzoek bij het politielaboratorium zijn afgegeven;

3. het laboratorium staat bekend om zijn (te) snelle werkwijze;

4. het betreft geen onafhankelijk onderzoek doordat het door een politiedeskundige van het politielaboratorium is uitgevoerd;

5. de werkverdeling tussen drs. Jellema en E. Colmsee roept de nodige twijfels op;

6. er werden tegelijkertijd monsters in verschillende zaken op cocaïne getest;

7. er zijn gelet op het door drs. Jellema berekende aantal te testen monsters uiteindelijk te weinig monsters getest;

8. volgens E. Colmsee kan niet uitgesloten worden geacht dat er door een vervuilde detector afwijkingen in de metingen zijn ontstaan;

9. het analyseformulier van de B-serie is niet door drs. Jellema geparafreerd.

Nu gelet op het vorenstaande de kwaliteit van het onderzoek in deze onvoldoende vast is komen te staan en contra-expertise niet meer mogelijk is, dienen de onderzoeksresultaten van de bewijsvoering te worden uitgesloten.

Mocht de rechtbank desalniettemin een ander oordeel zijn toegedaan dan verzoekt de raadsman alsnog professor A.P.A. Broeders de kwaliteit van het laboratorium van drs. Jellema te laten beoordelen.

- gelet op de onderzoeksresultaten kan niet uitgesloten worden geacht dat de in de zeecontainer aangetroffen stof pseudo-allococaïne bevat;

- op grond van het aantal geteste monsters kan niet worden vastgesteld dat de hele partij cocaïne bevat;

- aan het door het NFI verrichte onderzoek dient geen enkele betekenis te worden toegekend vanwege de banden die er tussen dr. Van de Berg en drs. Jellema bestaan. Mede gelet ook op de voorbespreking die er tussen het openbaar ministerie en het NFI heeft plaatsgevonden is er geen sprake van een onafhankelijk onderzoek.

Daarnaast voert de raadsman aan dat verdachte niets met cocaïne van doen heeft en enkel bemoeienis heeft gehad met het transport in verband met de geleverde koffie. Verdachte is al jaren actief in de koffiehandel. Omdat hij zijn handel wilde over dragen is hij via medeverdachte [verdachte 1] in contact gekomen met medeverdachte [verdachte 2]. Alle introducties en andere handelingen die verdachte zowel in Nederland en Costa Rica heeft gedaan hadden betrekking op de overdracht van deze koffiehandel.

Met betrekking tot het witwassen voert de verdediging aan dat verdachte op een legale wijze aan zijn vermogen is gekomen, met name door de gelden die hij heeft overgehouden uit [naam radiostation]. Wellicht zou er op grond van de successiewetgeving en de Vermogensbelasting een vordering op verdachte kunnen bestaan, maar volgens de raadsman is het enkele plegen van belastingfraude onvoldoende om te kunnen komen tot bewezenverklaring van witwassen.

De raadsman concludeert dan ook tot een algehele vrijspraak

7.3 Bewijsmiddelen en nadere overwegingen van de rechtbank

Met betrekking tot het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde

Aantreffen verdovende middelen in de Rotterdamse haven d.d. 13 september 2007

Op 13 september 2007 is door de Douane in Rotterdam in het kader van een fysieke controle een onderzoek verricht naar de inhoud van een container die zou zijn beladen met 360 kartons koffie. Deze container, voorzien van nummer HXLU 309090-4, is op

12 september 2007 met het schip genaamd ms. CMA CMG Castilla vanuit Costa Rica Nederland binnengebracht. De controle werd verricht door twee speurhondenbegeleiders.

De douaniers [verbalisant 1] en [verbalisant 2], ambtenaren van de Belastingdienst/Fiod-ECD, relateren dat zij middels een fysiek opname formulier (“een fycoformulier”) van de afdeling Pre-arrival het verzoek hebben gekregen om voornoemde container te controleren. Douanier [verbalisant 2] heeft zijn narcoticaspeurhond genaamd “Rudi” nabij en om de container laten zoeken. De speurhond vertoonde geen reactie op de container. Vervolgens heeft douanier [verbalisant 2] de op de container aanwezige verzegeling verwijderd.

De douaniers zagen dat de lading bestond uit tien pallets met ieder 36 bruine dozen. De dozen waren gevuld met zakjes met het opschrift café arabica van het merk Café Negro afkomstig uit Costa Rica. Om de lading beter te bekijken zijn de douaniers over de dozen naar de achterkant van de container gekropen en zijn daar begonnen met het afbouwen van een pallet. Tijdens deze afbouw werkzaamheden zag [verbalisant 1] dat er in sommige dozen minder zakken koffie zaten dan in andere dozen. Bij controle van de op één na onderste laag, zag [verbalisant 1] dat de dozen weer geheel gevuld waren met koffie. [verbalisant 1] zag bij de controle van deze doos, dat er een vreemd pakket onder de koffie lag. Hierop heeft [verbalisant 1] met zijn zakmes geprikt in voornoemd pakket. Hij zag dat een wit poeder aan zijn zakmes bleef kleven. [verbalisant 1] heeft hier een kleine hoeveelheid van voornoemd poeder getest middels een “narcotest disposal testbuisje nummer 13” (hierna: Narco-disposakit). Deze test is bestemd om een bepaalde stof te testen op de inhoud van cocaïne. De test reageerde positief, middels een blauwe verkleuring.

Vervolgens hebben de douaniers de narcoticaspeurhonden genaamd ‘Rudi’ en ‘Condor’ afzonderlijk in en om de container laten zoeken. Speurhond ‘Rudi’ gaf een positieve melding aan de achterkant van de container, terwijl ‘Condor’ een positieve melding aan de voorkant van de container gaf.

Douaniers [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben daarna in opdracht van piketteamleider [naam], de container, met de daarin aanwezige goederen en een nog onbekende hoeveelheid vermoedelijk verdovende middelen, in beslag genomen. De container is daarna overgebracht naar de douane controle loods gelegen op het terrein van de European Combine Terminals te Rotterdam. De container is daar gesloten en verzegeld (met nummer 02901514) en vervolgens overgedragen aan douanier [verbalisant 3], werkzaam bij het Hit and Run Container team (hierna: het Harc-Team).

De verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] werkzaam bij voornoemd Harc-Team relateren dat zij op 13 september 2007, omstreeks 18.30 uur de container met nummer HXLU 309090-4 hebben overgenomen van verbalisant [verbalisant 1].

Vervolgens is de container gelost. Alle 360 kartons, die waren verdeeld over tien pallets, zijn door de X-ray en handmatig gecontroleerd op eventuele bijpak van goederen, niet zijnde koffie. Bij de eerste twee pallets, die vooraan bij de deur van de container stonden, werden geen onregelmatigheden gevonden. Bij de overige acht pallets toonden de X-ray-beelden een afwijkende kleur bij de twee onderste twee lagen kartons in vergelijking met de bovenste vier lagen kartons. Deze bleken bij weging ook beduidend zwaarder te zijn. In 94 kartons werd een groot vierkant pakket aangetroffen, dat met plastic was omwikkeld. De verbalisanten relateren dat hen ambtshalve bekend is dat deze manier van verpakken gebruikelijk is bij verdovende middelen.

Deze pakketten waren onderverdeeld in kleinere pakketten. De inhoud van enkele kleine pakketten zijn getest door de speurhondengeleiders van de Douane Rotterdam middels de Narco-disposakit. De test wees uit dat de inhoud van de pakketten vermoedelijk cocaïne betrof. In totaal hebben [verbalisant 3] en [verbalisant 4] 1504 van dergelijke kleine pakketten aangetroffen, welke vervolgens in beslag zijn genomen. Alle pakketten zijn open gesneden ter vaststelling van de inhoud, dit betrof allemaal een witte substantie.

Het brutogewicht van de in beslag genomen pakketten werd na weging bepaald op 1.674,96 kilogram. Per groot pakket werd uit een willekeurig klein pakket een monster genomen. In totaal zijn er 94 monsters genomen. Elk afzonderlijk monster werd hierna onderverdeeld in een A- en een B-monster. Deze monsters zijn verpakt in gripzakjes en gemerkt met de nummers 1.1A tot en met 8.10A en 1.1B tot en met 8.10B. In totaal zijn er derhalve 188 gripzakjes bemonsterd.

De overdracht en tests van de verdovende middelen

Op 14 september 2007 zijn 1499 pakketten van de 1504 pakketten door de verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 3] overgebracht naar de N.V. Afvalverwerking te Rotterdam. Aldaar zijn deze 1499 pakketten overgedragen door verbalisant [verbalisant 5] en onder toezicht door deze [verbalisant 5] gestort in de verbrandingsoven.

De overige vijf kleine pakketten en de 188 gripzakjes zijn overgebracht naar de vestiging van de Belastingdienst/Fiod-ECD te Rotterdam. Verbalisant [verbalisant 5] heeft de vijf kleine pakketten en 188 gripzakjes ingeslagen in de kluis van de Belastingdienst/Fiod-ECD te Rotterdam.

Op maandag 17 september 2007 werd de container HLXU 309090-4 bij de Douane Controle Loods - onder toezicht van douanier [verbalisant 6], ambtenaar van de Belastingdienst/Fiod-ECD - gevuld met de tien pallets met daarop 360 kartons. Dit zijn de pallets en de kartons waarop op 13 september 2007 de pakketten met vermoedelijk verdovende middelen zijn aangetroffen. Op 18 september 2007 is de container herverzegeld, waarna de container werd teruggeplaatst bij het containerbedrijf ECT vestiging Home Terminal te Rotterdam.

Na overleg met officier van justitie mr. G. Rip, werd de zaak voor nader onderzoek en afhandeling overgedragen naar de Nationale Recherche. Gelet op deze overdracht zijn de vijf apart gehouden pakketten en de 188 gripzakjes op 18 september 2007 eveneens aan de Nationale Recherche ter beschikking gesteld.

Verbalisant met nummer “[nummer]” verbonden aan de Nationale Recherche relateert dat hij op 18 september 2007 de vier pakketten en de 188 gripzakjes heeft ontvangen van douanier [verbalisant 7], werkzaam bij het Harc-Team. Het vijfde pakket is op last van officier van justitie mr. A.R.E. Schram teruggeplaatst in één van de dozen van de container HLXU-309090-4. De doos waarin het betreffende pakket is geplaatst, werd door verbalisant “[nummer]” gemarkeerd met een blauwe balpen. Daarnaast zijn de kartons waaruit de verdovende middelen zijn gehaald, gevuld met hout en stenen met ongeveer een gelijk gewicht als de in beslag genomen 1674,96 kilo met vermoedelijk cocaïne. De kilo met vermoedelijk cocaïne zou gecontroleerd worden afgeleverd, waardoor aldus een uitgestelde inbeslagneming zou worden bewerkstelligd.

De lading van voornoemde container is op 19 september 2007 gelost bij een loods gelegen aan de [adres 1] te Weert. Uit de observatie die de Nationale Recherche heeft gehouden bij de loods, blijkt dat drie personen - die later worden geïdentificeerd als medeverdachten [verdachte 4], [verdachte 5] en [verdachte 3] - de lading tussen 11.11 uur en 11.30 uur hebben gelost in de loods gelegen aan de [adres 1] te Weert. Omstreeks 14.16 uur zijn er geen personen meer in de buurt van de loods aanwezig. Vervolgens wordt omstreeks 21.55 uur besloten om de loods binnen te treden ter doorzoeking. Bij deze doorzoeking is de achtergebleven kilo met vermoedelijk cocaïne aangetroffen in de door de politie gemerkte doos. Vanaf het moment dat de container werd opgehaald tot en met het moment van de doorzoeking in de loods zijn de container en de dozen onder de controle geweest van een observatieteam.

Onder [bedrijf van verdachte 2] te Weert, de huurder van de loods aan de [adres 1] te Weert, is het volgende in beslag genomen:

• de op 19 september 2007 door verbalisant [verbalisant 8] in beslag genomen kilo cocaïne ;

• de overige pakketten - zijnde de pakketten uit de pakketten die behoren bij de in beslag genomen partij met een brutogewicht van 1674,96 kilo, met uitzondering van de vijf pakketten en 188 gripzakjes - die reeds op 14 december 2007 zijn vernietigd bij de Afvalverwerking Rotterdam .

De Nationale Recherche heeft de kilo cocaïne samen met de vier pakketten en 188 gripzakjes, die verbalisant met nummer “[nummer]” op 18 september 2007 van het Harc-team heeft ontvangen, op 21 september 2007 overgebracht en aangeboden aan een medewerker van laborant drs. R. Jellema, werkzaam bij de Forensische Opsporing van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland. Deze overdracht is geschied, om de identiteit van de betreffende stof vast te stellen. Drs. R. Jellema relateert in een proces-verbaal met betrekking tot de overdracht van het materiaal, dat het laboratorium de betreffende onderzoeksopdracht pas op 24 september 2007 van verbalisant “[nummer]”van de Nationale Recherche heeft ontvangen. Drs. R. Jellema heeft ter zitting van 29 september 2009 verklaard dat de pakketten en de gripzakjes reeds op vrijdagmiddag 21 september 2007 zijn ontvangen,

maar dat het “front-office” de opdracht pas op maandag 24 september 2007 heeft ingeboekt. Dit gebeurde vaker indien een onderzoeksaanvraag op vrijdagmiddag nog binnenkwam. Door drs. R. Jellema is vervolgens op 25 september 2007 een onderzoek verricht naar de vijf pakketten (code 3178410A) met een gewicht van 5,03 kilogram en naar zestien monsters van de 188 gripzakjes (code 3178410B). Uit het verrichte onderzoek bleek dat alle 21 monsters cocaïne bevatten. Dit resultaat is op 27 september 2007 telefonisch doorgegeven aan het onderzoeksteam.

Drs. R. Jellema relateert dat hij het materiaal heeft overgedragen aan de Nationale Recherche. Verbalisant met nummer “[nummer]” van de Nationale Recherche relateert dat hij op 1 oktober 2007 de 188 plastic zakjes heeft overgenomen van drs. R. Jellema. De verbalisant heeft toen de zakjes met daarin de cocaïne bij het onderzoeksteam opgeslagen. Op 28 januari 2008 hebben verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 9] vervolgens 5,14 kilogram cocaïne opgehaald bij het laboratorium van drs. R. Jellema. Deze cocaïne werd eveneens opgeborgen in de kluis van het onderzoeksteam. Op 30 januari 2008 hebben verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 10] zowel de 188 gripzakjes als de 5,14 kilogram cocaïne ter vernietiging naar het afvalbedrijf van de gemeente Amsterdam gebracht. De cocaïne werd door verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 10] in de verbrandingsoven van het afvalbedrijf gegooid.

Met betrekking tot het verschil tussen de door drs. R. Jellema gewogen 5,03 kilogram cocaïne en de 5,14 kilogram cocaïne die door verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 9] zijn opgehaald bij het laboratorium van drs. R. Jellema, relateert verbalisant met nummer “[nummer]” dat hij op 9 juli 2007 een gesprek heeft gehad met drs. R. Jellema. Drs. R. Jellema heeft ten overstaan van de verbalisant verklaard dat hij, bij binnenkomst in het laboratorium, het witte poeder heeft gewogen zonder verpakkingsmateriaal. Het nettogewicht, was - overeenkomstig het opgemaakte rapport - 5,04 kilogram. Na het door hem verrichte onderzoek naar het witte poeder, is dit poeder in een plastic zak gestopt en samen met een zwaar omhulsel gewogen. Dit gewicht wordt genoteerd op een label en in de zak gestopt, waarna het omhulsel dicht wordt geseald.

Het brutogewicht dat derhalve is gewogen in de onderhavige zaak was - overeenkomstig het label - 5.14 kilogram. Verbalisant met nummer “[nummer]”heeft ter controle tevens een soortgelijk plastic omhulsel gewogen, hetgeen een gewicht van 105 gram bleek te hebben. Het gewicht van een losse plastic zak heeft verbalisant met nummer “[nummer]” niet gewogen.

De verbalisant heeft drs. R. Jellema ook foto’s laten zien van de bewuste zak van ongeveer vijf kilo. Blijkens de foto van deze zak, zat er op de betreffende zak een label met X-pol nummer 2007254926 , zijnde een nummer dat binnen de justitieketen wordt gebruikt bij de overdracht van in beslag genomen goederen .

Dit nummer is identiek aan het X-pol nummer dat in het proces-verbaal van drs. R. Jellema is vermeld met betrekking tot de overdracht van de onderzoeksopdracht.

Overwegingen van de rechtbank in-zake cocaïne

Onrechtmatig handelen van de douane

De raadsman voert aan dat hij op grond van dezelfde overwegingen die zouden moeten leiden tot de niet-ontvankelijk verklaring van de officier van justitie, van oordeel is dat al hetgeen uit de handelingen van de douanebeambten is voortgevloeid van het bewijs dient te worden uitgesloten.

De rechtbank volstaat hier met de constatering dat er naar haar oordeel geen onrechtmatige handelingen van de zijde van de douanebeambten hebben plaatsgevonden. Hetgeen de raadsman hiertoe heeft aangevoerd kan dan ook niet tot bewijsuitsluiting leiden. Voor de overwegingen hiertoe verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hierover onder 5.3.2 (ontvankelijkheid van de officier van justitie) overwogen heeft. De rechtbank ziet op grond van deze overwegingen verder geen aanleiding om de douaniers alsnog te horen. De rechtbank wijst het daartoe strekkende verzoek van de raadsman dan ook af.

Vernietiging van de monsters

De raadsman voert aan dat de vernietiging van de voor contra-expertise bestemde partij monsters op grond van het bepaalde in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering er toe dient te leiden dat de testresultaten van de monsters van de bewijsvoering dienen te worden uitgesloten.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de verdediging het verzoek tot tegenonderzoek tijdig heeft gedaan. Zoals de rechtbank reeds hiervoor onder 5.3.1. heeft overwogen is er sprake van een onherstelbaar vormverzuim. Het gevolg dat hieraan moet worden verbonden is van verschillende factoren afhankelijk, waaronder het belang dat de geschonden norm dient, de ernst van het verzuim, de mate van verwijtbaarheid, de ernst van het strafbare feit en de mate waarin de belangen van verdachte zijn geschonden. Het handelen dat aan dit verzuim ten grondslag heeft gelegen is naar het oordeel van de rechtbank weliswaar zeer onzorgvuldig doch kan niet worden aangemerkt als opzettelijk verwijtbaar gedrag van de zijde van de Nationale Recherche. Desalniettemin zijn de belangen van verdachte door dit vormverzuim geschonden, immers kan er geen uitvoering meer worden gegeven aan een contra-expertise. De rechtbank is niettemin van oordeel dat het vormverzuim niet tot bewijsuitsluiting noopt. Bij dit oordeel heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte in voldoende mate is gecompenseerd (zie overwegingen onder 5.3.1). Nu er in het strafdossier meerdere aanwijzingen zijn dat de aangetroffen stof cocaïne betreft, met name het gedrag van de narcoticaspeurhonden en de testuitslag van de douanebeambten, is het belang van een contra-expertise in het kader van de bewijsvoering niet doorslaggevend. Dit is mede bepalend voor de mate waarin verdachte in zijn belangen is geschonden. Het betreft hier bovendien een zeer ernstig strafbaar feit, hetgeen eveneens bij de belangenafweging is meegewogen.

Chain of evidence

De raadsman voert aan dat het goed mogelijk is dat er ergens een verwisseling van de partij monsters (vermeende) cocaïne heeft plaatsgevonden en derhalve niet met zekerheid gesteld kan worden dat de geteste monsters (vermeende) cocaïne ook daadwerkelijk afkomstig zijn van de aangetroffen partij wit poeder in de zeecontainer in de haven van Rotterdam.

Uit hetgeen onder de bewijsmiddelen staat weergegeven over de gang van zaken vanaf het moment van aantreffen van de partij (vermeende) cocaïne in de zeecontainer op 13 september 2007 tot aan het moment dat de monsters door de Nationale Recherche op 21 september 2007 bij het politielaboratorium van drs. R. Jellema zijn afgeleverd ( 5 pakketten van in totaal 5 kilogram wit poeder en 188 plastic zakjes wit poeder, bestaande uit een A en een B serie), leidt de rechtbank af dat deze monsters afkomstig zijn van de in de zeecontainer van Rotterdam op 13 september 2007 aangetroffen partij wit poeder. Immers kan de rechtbank aan de hand van dit relaas geen onregelmatigheden ontdekken op grond waarvan er een gerechtvaardigd vermoeden kan ontstaan dat er ergens in de keten een verwisseling van de partij monsters heeft plaatsgevonden.

Uit het onderzoeksrapport van drs. R. Jellema d.d. 25 september 2007 blijkt dat op 24 september 2007 de monsters zijn getest die op 24 september 2007 (rechtbank: moet zijn 21 september 2007) door een verbalisant van de Nationale Recherche, [nummer] - zijnde een verbalisant van de Nationale Recherche team 4, welk team blijkens het strafdossier in deze het strafrechtelijk onderzoek heeft verricht - bij het laboratorium van drs. R. Jellema zijn afgeleverd.

Uit de inhoud van het rapport van drs. R. Jellema blijkt tevens dat de testen zijn uitgevoerd op een partij monsters die 5 pakketten van in totaal 5 kilogram van een wit poeder bevat met daarnaast 188 plastic zakjes wit poeder bestaande uit een A en een B serie, welke omschrijving overeenkomt met de partij monsters die op 21 september 2007 door de Nationale Recherche bij het laboratorium van drs. R. Jellema is afgeleverd.

Voorts hebben zowel drs. R. Jellema als E. Colmsee bij de rechter-commissaris verklaard dat het gelet op de werkwijze binnen het laboratorium uitgesloten kan worden geacht dat er een verwisseling van de partij monsters dan wel verwisseling van testuitslagen heeft plaatsgevonden. Immers, het laboratorium is alleen toegankelijk voor drs. R. Jellema en E. Colmsee. De monsters worden daar - zo verklaart E. Colmsee bij de rechter-commissaris - bewaard in een kluis. De testen worden vervolgens door E. Colmsee of drs. R. Jellema ingeboekt en vrijwel meteen na inboeking afgewerkt. Alvorens met de ene partij wordt begonnen wordt eerst de andere partij afgewerkt.

Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank geen enkele aanleiding om te vermoeden dat er ergens een verwisseling van de partij monsters heeft plaatsgevonden en is de rechtbank van oordeel dat de testuitslagen zoals vermeld in het rapport van drs. R. Jellema betrekking hebben op de partij monsters die afkomstig zijn van de op 13 september 2007 in de haven van Rotterdam in de zeecontainer aangetroffen partij wit poeder.

Werkwijze laboratorium

Voorts voert de verdediging aan dat zij de uitkomsten van de testresultaten van de partij monsters (vermeende) cocaïne in twijfel trekt aangezien zij de werkwijze binnen het laboratorium van drs. R. Jellema - kortgezegd - beneden de maat acht en deze derhalve van het bewijs dienen te worden uitgesloten.

De rechtbank heeft gedurende het onderzoek ter terechtzitting geconstateerd dat de werkwijze van het laboratorium van drs. R. Jellema en de controle hierop van een andere orde is dan bijvoorbeeld een modern ingericht laboratorium als dat van het NFI. De rechtbank is evenwel van oordeel dat een gestandaardiseerde werkwijze, zoals bijvoorbeeld de ISO/IEC 17025-norm dat voorstaat de door het laboratorium gehanteerde werkwijze weliswaar inzichtelijker en controleerbaarder maakt,

doch dat de afwezigheid hiervan niet automatisch inhoudt dat de betrouwbaarheid van de door het laboratorium uitgevoerde testen hierdoor in twijfel moet worden getrokken. Voor een dergelijke vergaande conclusie dienen naar het oordeel van de rechtbank concrete aanwijzingen te bestaan.

Drs. R. Jellema en E. Colmsee hebben uitgebreid over de werkwijze binnen het laboratorium verklaard, welke werkwijze naar het oordeel van de rechtbank niet getuigt van enige mate van onzorgvuldigheid.

Dat volgens de verdediging de testresultaten mogelijk zouden zijn beïnvloed door een vervuilde detector acht de rechtbank niet aannemelijk aangezien drs. R. Jellema en E. Colmsee verklaren de apparatuur regelmatig (vier maal per jaar) te reinigen en dat er bij de testen altijd een referentiemateriaal meeloopt om mogelijke afwijkingen van de meetapparatuur zichtbaar te maken. Bovendien hebben zij beiden verklaard dat zij het uitgesloten achten dat de testresultaten zijn beïnvloed door vervuilde apparatuur.

Het referentie materiaal wordt daarnaast - zo verklaart drs. Jellema - regelmatig op inhoud getest zodat niet valt aan te nemen dat de testresultaten zijn beïnvloed door het gebruik van ondeugdelijk referentiemateriaal.

De omstandigheid dat de testen feitelijk door E. Colmsee werden uitgevoerd, terwijl drs. R. Jellema als de deskundige dient te worden aangemerkt, doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de kwaliteit van de testresultaten. Immers heeft ook E. Colmsee een relevante opleiding genoten en worden al zijn bevindingen uiteindelijk beoordeeld door drs. R. Jellema. Overigens is het analyseformulier van de monsters van de B serie niet geparafeerd omdat deze monster niet getest zijn en zijn er - blijkens het rapport van drs. R. Jellema - geen 16 maar 21 monsters door drs. R. Jellema getest. Verder is de rechtbank niet gebleken dat er haastig en daardoor onzorgvuldig te werk is gegaan door het laboratorium van drs. R. Jellema.

De omstandigheid dat drs. R. Jellema betrokken is bij de hercertificering van medewerkers van het NFI getuigt er naar het oordeel van de rechtbank van dat drs. R. Jellema op dit vakgebied als een deskundige wordt beschouwd die in elk geval het vertrouwen geniet van een organisatie als het NFI, die overigens wel gecertificeerd en geaccrediteerd is.

NFI medewerker dr. Van de Berg fungeert als medeondertekenaar bij het laboratorium van drs. R. Jellema, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank getuigt van het feit dat het NFI instaat voor de werkwijze en de resultaten van de door het laboratorium van drs. R. Jellema verrichte onderzoeken.

Daarnaast heeft NFI medewerker dr. Van de Berg de door het laboratorium van drs. R. Jellema uitgevoerde testmethoden en -resultaten aan een nader onderzoek onderworpen. Dr. Van de Berg geeft in zijn bevindingen hieromtrent aan dat de werkwijze die drs. R. Jellema heeft gehanteerd een gebruikelijke werkwijze betreft voor het onderzoek naar mogelijk verdovende middelen. De methode is vergelijkbaar met de werkwijze die door het NFI wordt gehanteerd. Deze methode is tevens conform internationale aanbevelingen. Over de testresultaten van drs. R. Jellema verklaart dr. Van de Berg het volgende.

De conclusies zoals die staan aangegeven in het rapport van drs. R. Jellema zijn volgens de bevindingen van dr. Van de Berg hoogstwaarschijnlijk juist. Dr. Van de Berg maakt een voorbehoud omdat hij - zoals hij ter terechtzitting heeft verklaard - de testresultaten heeft beoordeeld aan de hand van het massaspectrum. Het massaspectrum zoals dat uit de testresultaten van drs. R. Jellema naar voren komt is identiek aan dat van cocaïne. Er zijn echter stoffen die een vergelijkbaar massaspectrum hebben als cocaïne zoals pseudo-allococaïne. Om het verschil te kunnen bepalen moet een analyse worden gemaakt van de retentietijd. De retentietijd van cocaïne verschilt duidelijk van pseudo-allococaïne. De retentietijd kan dr. Van de Berg echter niet afleiden uit de grafieken van het onderzoek van drs. R. Jellema.

Uitgaande van de constatering van drs. R. Jellema dat de retentietijd van de onderzochte monsters overeenkwam met de retentietijd van de cocaïne uit het referentiemonster, volgt dat de onderzoeksmonsters cocaïne bevatten. Het betreft hier volgens dr. Van de Berg een puur wetenschappelijke discussie omdat de stof pseudo-allococaïne naar zijn weten in het maatschappelijk verkeer niet voorkomt. Hieruit leidt de rechtbank af dat dr. Van de Berg de testresultaten van drs. R. Jellema onderschrijft en aan zijn voorbehoud geen consequenties hoeven te worden verbonden.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de belangen die met de onderhavige strafzaak gemoeid zijn (hoeveelheid aangetroffen cocaïne) het wellicht de voorkeur had verdiend dat de Nationale Recherche de monsters (vermeende) cocaïne ter onderzoek bij het NFI had aangeboden, doch dit neemt niet weg dat het onderzoek ten aanzien van de monsters naar haar oordeel op een deugdelijke wijze door het laboratorium van drs. R. Jellema is uitgevoerd en de testresultaten derhalve betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs dienen te worden geacht. Hetgeen de raadsman hiertoe heeft aangedragen kan dan ook niet tot bewijsuitsluiting leiden. Nu de rechtbank op grond van het vorenstaande tot de conclusie is gekomen dat het door drs. R. Jellema uitgevoerde onderzoek deugdelijk is, ziet zij verder geen aanleiding om een deskundige als professor A.P.A. Broeders de kwaliteit van het laboratorium te laten onderzoeken, nu niet de kwaliteit van het laboratorium als zodanig in deze zaak van belang is, maar enkel de kwaliteit van het onderzoek. Het verzoek van de raadsman hiertoe wordt dan ook door de rechtbank afgewezen.

Onafhankelijkheid van het onderzoek

De raadsman voert aan dat nu het onderzoek binnen de eigen gelederen heeft plaatsgevonden (politielaboratorium) het testresultaat niet meer als objectief kan worden aangemerkt en derhalve van het bewijs dient te worden uitgesloten. De rechtbank acht een dergelijke aanname niet zonder meer gerechtvaardigd. Immers worden er door of vanwege de politie op allerlei gebieden testen verricht en onderzoeken gedaan waarvan de resultaten uiteindelijk voor de bewijsvoering worden gebezigd.

Er zijn verder geen omstandigheden aan te wijzen op grond waarvan kan worden aangetoond dat drs. R. Jellema zich op enigerlei wijze bij de uitvoering van zijn werkzaamheden door zijn opdrachtgever heeft laten beïnvloeden, welke overigens ook niet door de verdediging zijn aangevoerd. Bovendien heeft drs. R. Jellema, als deskundige de eed afgelegd en verklaard zijn taak naar eer en geweten te zullen verrichten.

Het onderzoek door het NFI

Het door de raadsman gestelde dat de onderlinge verbanden tussen dr. Van de Berg en drs. R. Jellema onmogelijk tot een objectieve beoordeling van de testresultaten van drs. R. Jellema kan leiden, wordt door de rechtbank eveneens niet onderschreven.

Uit de bevindingen van dr. Van de Berg kan op geen enkele wijze worden afgeleid dat hij zich partijdig zou hebben opgesteld. Daarnaast heeft dr. Van de Berg als gerechtelijk deskundige verklaard zijn taak naar eer en geweten te zullen verrichten

Pseudo-allococaïne

De verdediging bepleit dat op grond van de testresultaten de mogelijkheid open blijft dat de in de zeecontainer aangetroffen stof geen cocaïne maar pseudo-allococaïne betreft. De raadsman refereert hierbij naar hetgeen dr. Van de Berg hierover ter terechtzitting heeft aangegeven.

Op basis van hetgeen de deskundigen Jellema en Van de Berg ter terechtzitting hebben verklaard, concludeert de rechtbank het volgende. De testen zijn uitgevoerd aan de hand van twee technieken, te weten de gaschromatografie en de massaspectrometrie.

Cocaïne en pseudo-allococaïne zijn op grond van het massaspectrum nauwelijks van elkaar te onderscheiden.

Vanwege de sterke overeenkomsten tussen het massaspectrum van cocaïne en pseudo-allococaine kan het voorkomen dat bij het vergelijken van het massaspectrum van de te identificeren stof met referentiemassaspectra van een bibliotheek waarin beide stoffen zijn opgenomen, sterke overeenkomsten worden gevonden met zowel cocaïne als met pseudo-allococaine. Dit verklaart dat de software als testuitslag pseudo-allococaïne aangeeft terwijl er cocaïne wordt getest. Op grond van een verschillend chromatografiegedrag kunnen de stoffen met een gaschromotograaf vervolgens wel van elkaar worden onderscheiden. De retentietijd is de tijd die een stof nodig heeft om uit de gaschromotograaf te komen. Beide deskundigen hebben verklaard dat de retentietijd van cocaïne duidelijk verschilt van die van pseudo-allococaïne. Derhalve is deze dus bepalend voor de definitieve identificatie. Uit het rapport komt naar voren dat drs. R. Jellema beide technieken in deze heeft gebruikt om de samenstelling van de geteste stof te bepalen, die cocaïne bleek te zijn. Op grond van het vorenstaande kan naar het oordeel van de rechtbank uitgesloten worden geacht dat de door het laboratorium van drs. R. Jellema geteste stof pseudo-allococaïne betreft. Bovendien komt deze stof volgens de deskundigen ook niet voor in het maatschappelijk verkeer en kan uit de gehele gang van zaken rondom het transport worden afgeleid dat de lading een illegale stof betrof, waartoe pseudo-allococaïne niet behoort.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat op grond van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat de op 13 september 2007 in de zeecontainer aangetroffen partij wit poeder, cocaïne betrof. Bij dit oordeel heeft zij mede in aanmerking genomen dat:

- de hele gang van zaken rondom het transport van de zeecontainer er op duidde dat het een illegale lading betrof;

- de aangetroffen stof een wit poeder was;

- speurhonden aansloegen op de aanwezigheid van verdovende middelen in de zeecontainer;

- de narcotest heeft uitgewezen dat de aangetroffen stof cocaïne betrof;

- de testresultaten van het laboratorium van drs. R. Jellema uitwezen dat de geteste monsters cocaïne bevatten;

- deze testresultaten nogmaals zijn beoordeeld door een deskundige van het NFI die de testresultaten als betrouwbaar heeft aangemerkt.

Op dit punt concludeert de rechtbank tevens dat met de enkele constatering dat er door het wegraken van de monsters sprake is geweest van een verzuim kan worden volstaan.

7.4 Vrijspraakoverwegingen van de rechtbank

Op grond van de inhoud van het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan. Bij dit oordeel heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte doende is geweest met het onderhavige transport koffie waarin de verdovende middelen zijn aangetroffen. Verdachte heeft ten behoeve van de invoer van de koffie zijn contacten in Costa Rica overgedragen aan de medeverdachten. Tevens heeft hij een grote rol gespeeld bij het zoeken naar een geschikte loods voor de medeverdachten in Costa Rica.

Uit het strafdossier blijkt overigens dat verdachte al langer contacten onderhield (en handel dreef) met medeverdachte [verdachte 1], die door de rechtbank als een van de sleutelfiguren ten aanzien van het onderhavige transport cocaïne wordt aangemerkt.

Bovendien heeft verdachte de gang van zaken rond het onderhavige transport intensief gevolgd. Uit de inhoud van de tapgesprekken blijkt dat hij regelmatig telefonisch contact hierover heeft gehad met zijn medeverdachten, waarbij de rechtbank zich niet aan de indruk kan onttrekken dat er door verdachte in bedekte termen over het transport werd gesproken. Verder blijkt uit het bewijsmateriaal dat verdachte zich in Weert bevond op het moment dat de betreffende container werd gelost.

Verdachte heeft een verklaring afgelegd voor deze intensieve bemoeienis met de gang van zaken rondom het onderhavige transport. Verdachte verklaart dat hij een belang had hierbij omdat hij over deze partij koffie commissie zou ontvangen. Deze verklaring wordt, zo blijkt uit het strafdossier, door andere personen bevestigd.

De rechtbank overweegt dat een bepaalde mate van betrokkenheid in deze gerechtvaardigd is, doch dat de door verdachte ten toon gespreide belangstelling bij het onderhavige transport niet geheel strookt met het door hem opgegeven belang. Hierbij is in aanmerking genomen dat voor het transport reeds bekend was hoeveel koffie er getransporteerd zou worden en wat de commissie zou bedragen. Het transport op zichzelf was dan ook minder interessant voor verdachte. Daarnaast zijn de verklaringen van verdachte rondom de gang van zaken ten aanzien van het transport ook niet altijd consistent (met name voor wat betreft zijn verhaal over de auto die medeverdachte [verdachte 1] die dag aan hem zou leveren). De door verdachte afgelegde verklaringen kunnen naar het oordeel van de rechtbank evenwel niet als kennelijk leugenachtig worden aangemerkt.

Het geheel in aanmerking genomen is de rechtbank van oordeel dat het strafdossier doet vermoeden dat het belang van verdachte bij de betreffende container groter is geweest dan hij doet voorkomen, doch dat het strafdossier onvoldoende concrete aanwijzingen bevat die verdachte direct in verband brengen met de invoer van de hoeveelheid cocaïne die bij de partij koffie is aangetroffen. Nu op grond van het voorhanden zijnde bewijsmateriaal niet kan worden aangetoond dat verdachte daadwerkelijk betrokken is geweest bij de invoer van cocaïne vanuit Costa Rica naar Nederland, dient verdachte te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde gedragingen.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde

Verdachte wordt onder 4 ten laste gelegd dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag ad. € 532.750,--. Naar het oordeel van de rechtbank is verdachte (zoals hiervoor is overwogen) niet aantoonbaar betrokken geweest bij de invoer van cocaïne vanuit Costa Rica naar Nederland, zodat er geen gronden zijn om aan te nemen dat deze gelden voortkomen uit een misdrijf dat verdachte zou hebben gepleegd in het kader van de Opiumwet.

Van de zijde van het openbaar ministerie wordt daarnaast gesteld dat verdachte verzuimd heeft deze gelden bij de (Nederlandse) belastingdienst op te gegeven en dat er derhalve (tevens) sprake zou zijn van een fiscaal delict.

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het plegen van belastingfraude wel degelijk een misdrijf is dat valt onder de delictsomschrijving van de witwaswetgeving. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Hoge Raad van 7 oktober 2008 (LJN: BD2774).

Met betrekking tot de vraag of verdachte belastingfraude heeft gepleegd en zich dientengevolge mede schuldig heeft gemaakt aan witwassen overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte heeft wisselende verklaringen afgelegd ten aanzien van het ten laste gelegde feit. Verdachte heeft (ondermeer) verklaard dat deze gelden reclamegelden betreffen die hij heeft ontvangen in de periode dat hij participeerde in het radiostation [naam radiostation] te België. Hier zou hij zo’n 3 miljoen gulden aan overgehouden hebben.

Later verklaart hij dat een deel van het geld tevens bestond uit een erfenis van zijn overleden moeder.

Verdachte verklaart dat hij hierover geen aangifte successierechten heeft gedaan omdat hij niet wilde dat de veel jongere Turkse echtgenoot van zijn moeder achter het bestaan van dit geldbedrag kwam.

Over het faillissement verklaart verdachte dat hij pas veel later, toen het faillissement inmiddels weer wegens gebrek aan baten was opgeheven, er achter kwam dat hij ooit failliet was verklaard. Wel weet verdachte dat de schuld die kennelijk aanleiding was het faillissement aan te vragen te maken had met de huur van een beursstand ten behoeve van [naam radiostation]. Volgens verdachte was die vordering al betaald en was hij niet van zins twee keer te betalen.

In het dossier zijn aanwijzingen te vinden dat verdachte de facto heeft samengewoond met zijn Nederlandse vriendin. Verdachte verklaart dat hij veelvuldig bij zijn vriendin in Nederland heeft verbleven (het in de kluis aangetroffen geld heeft volgens verdachte ook jarenlang in een koffer in haar woning gestaan). Ook heeft hij een tijdlang bij zijn zoon in Nederland ingeschreven gestaan, teneinde zijn paspoort te kunnen verlengen. Hieruit ontstaat een ernstig vermoeden dat verdachte ingezetene in Nederland was en uit dien hoofde belastingplichtig.

Uit het strafdossier blijkt dat door de officier van justitie gegevens bij de belastingdienst zijn opgevraagd inzake verdachte met betrekking tot de inkomstenbelasting 1993 en 1994 én over de Inkomstenbelasting en alle overige informatie waaronder de ondernemingen waarbij verdachte betrokken is vanaf 1 januari 2005 (AC 0078 tot en met AC 0084).

De rechtbank gaat er van uit dat de belastingdienst aan deze vordering verstrekking gegevens heeft voldaan. Echter, in het dossier bevinden zich geen (bron)documenten of processen verbaal van de belastingdienst.

Desalniettemin relateren de verbalisanten dat verdachte zijn IB aangiftes over 1993 en 1994 heeft ingestuurd naar de belastingdienst en daarbij géén opgave heeft gedaan van enig vermogen in Nederland dan wel België. Ook relateren de verbalisanten dat [verdachte 6] bekend is bij de belastingdienst in 1993 en 1994. Onduidelijk is welk antwoord de belastingdienst heeft gegeven met betrekking tot de periode na 1 januari 2005. Heeft verdachte over die periode wel of niet aangifte gedaan? Over de jaren 1995 tot en met 2004 is geen informatie opgevraagd, terwijl deze periode wel van belang kan zijn in het kader van de bewijsvraag in onderhavige zaak.

Wel verklaren de verbalisanten ambtshalve te weten dat verdachte sinds 8 augustus 2005 betrokken is bij [naam bedrijf] en dat verdachte in 1993 failliet is verklaard, welk faillissement in 1994 is opgeheven wegens gebrek aan baten.

De verklaring van verdachte roept bij de rechtbank vele vragen op.

Gelet op de verklaring van verdachte met betrekking tot [naam radiostation] vraagt de rechtbank zich af, of de fiscale afwikkeling in België hiervan wel volgens de regels heeft plaatsgevonden, nu [naam radiostation] een Vereniging Zonder Winstoogmerk was en de daarin gegenereerde gelden naar alle waarschijnlijkheid niet zonder fiscaal af te rekenen naar een privé persoon kunnen worden overgeheveld. Ook beschikte verdachte in 1993 en 1994 naar eigen zeggen wel over een vermogen van zo’n drie miljoen gulden, maar is zijn in 1993 uitgesproken faillissement in 1994 opgeheven wegens gebrek aan baten. Hierdoor ontstaat een verdenking dat verdachte faillissementsfraude heeft gepleegd.

Ook de afwikkeling van de erfenis van de moeder van verdachte geeft te denken.

Feit is echter dat het onderzoek naar de witwasverdenking in deze zaak voornamelijk gebaseerd is op de handel in harddrugs (welke de rechtbank niet bewezen acht).

Weliswaar is een eventuele belastingfraude zijdelings aangestipt, maar dit onderzoek heeft op fiscaal gebied onvoldoende diepgang om daaruit verstrekkende conclusies te trekken.

Het strafdossier biedt derhalve onvoldoende bewijsmiddelen om vast te kunnen stellen of verdachte in relatie tot dit geldbedrag de Belastingwet dan wel een andersoortige wet heeft overtreden, waardoor hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan het witwassen van gelden. Op grond hiervan dient verdachte dan ook te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

7.5 Teruggave

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat in beslag genomen is:

- een bedrag van € 524.550,-;

- een bedrag van € 5.500,-;

- een bedrag van € 700,-;

- een bedrag van € 2000,-;

- diverse bankafschriften;

- een huurovereenkomst van een safeloket;

- acht elastieken.

Nu met betrekking tot dit voorwerpen niet (meer) wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering, dient dit voorwerpen te worden teruggegeven aan verdachte.

8. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

gelast de teruggave van de onder 7.3 vermelde in beslag genomen voorwerpen, te weten:

- een bedrag van € 524.550,-;

- een bedrag van € 5.500,-;

- een bedrag van € 700,-;

- een bedrag van € 2000,-;

- diverse bankafschriften;

- een huurovereenkomst van een safeloket;

- acht elastieken,

aan verdachte;

heft op de - geschorste - voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Vonnis gewezen door mrs. M.J.A.G. van Baal, M.B.T.G. Steeghs en

M.J.H. van den Hombergh, rechters, van wie mr. M.B.T.G. Steeghs voorzitter, in tegenwoordigheid van mrs. P.C.W. Gubbels-Willems en R.P. van der Pijl als griffiers en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 4 december 2009.