Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BK5928

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
04-12-2009
Datum publicatie
10-12-2009
Zaaknummer
10/602061-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen invoer van een partij cocaine van bijna 1700 kg vanuit Costa Rica verstopt in een partij koffie. Recht op contra-expertise; monsters bestemd voor contra-expertise vernietigd. Geen niet ontvankelijkheid openbaar ministerie en ook geen bewijsuitsluiting. Door externe deskundige worden testresultaten onderschreven, gelet hierop acht de rechtbank de testresultaten deugdelijk en bruikbaar voor het bewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer : 10/602061-07

Datum uitspraak : 04 december 2009

Tegenspraak, overeenkomstig artikel 279 Wetboek van Strafvordering

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, zitting houdende te Roermond.

in de zaak tegen:

[verdachte 1],

[geboortedatum],

[adres],

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 29 september 2009, 30 september 2009, 2 oktober 2009, 4 november 2009,

5 november 2009 en 20 november 2009.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1.

hij op of omstreeks 12 september 2007 te Rotterdam en/of Maastricht en/of Eindhoven en/of Roermond en/of Weert, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 1674,96 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;

artikel 2 aanhef en onder A van de Opiumwet juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2007 tot en met 19 september 2007 te Rotterdam en/of Maastricht en/of Eindhoven en/of Roermond en/of Weert, in elk geval in Nederland en/of Costa Rica en/of Panama en/of Colombia, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of

binnen het grondgebied van Nederland brengen van (ongeveer) 1674,96 kilogram cocaïne,

in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, - een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of - zich en/of een ander of anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of - voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit,

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of een of meer mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar, althans ieder voor zich, toen en aldaar opzettelijk:

- een loods in Costa Rica gehuurd, en/of

- (vervolgens) in een aantal dozen de voormelde hoeveelheid cocaïne verstopt en/of doen verstoppen, en/of

- (vervolgens) het vervoer van de verdovende middelen georganiseerd, en/of

- (vervolgens) een (dek)lading koffie in gestapelde dozen op pallets in een container naar Nederland doen verschepen, en/of

- (vervolgens) in Nederland een loods en/of vorkheftruck gehuurd, en/of

- (vervolgens) opdracht gegeven en/of doen geven de voormelde container naar een loods in Weert te doen vervoeren, en/of

- (meermalen) (een) ontmoeting(en) gehad met betrekking tot het opzettelijk

binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of vervoeren van voornoemde verdovende middelen, en/of

- (meermalen) (een) telefoongesprek(ken) gevoerd met betrekking tot het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of vervoeren van voornoemde verdovende middelen, en/of

- (meermalen) (een) betaling(en) en/of overboeking(en) verricht en/of gedaan en/of ontvangen met betrekking tot de uitvoering van een of meer van die te plegen misdrijf/misdrijven

artikel 10A van de Opiumwet

3.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 12 september 2007 tot en met 19 september 2007 te Rotterdam en/of Maastricht en/of Eindhoven en/of Roermond en/of Weert, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk ongeveer 1 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd althans voorhanden

heeft gehad;

artikel 2 a/b van de Opiumwet juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

De raadsvrouw bepleit, in aansluiting op de raadsman van medeverdachte [verdachte 5], de partiële nietigheid van de bij de dagvaarding onder 2 ten laste gelegde pleegplaats, “in elk (geval) in Nederland”. Aangezien dit gedeelte van de tenlastelegging achter de pleegplaatsen Costa Rica en/of Panama en/of Colombia is geplaatst, dient de tenlastelegging op dit punt als innerlijk tegenstrijdig te worden aangemerkt. Immers, daar waar gesteld wordt dat gedragingen in elk geval in Nederland plaatsvinden, kunnen deze niet in het buitenland worden verricht.

De rechtbank is van oordeel dat het onder 2 ten laste gelegde aldus moet worden verstaan dat de pleegplaats “in elk geval in Nederland” behoort te worden ingelast achter de pleegplaatsen Rotterdam, Maastricht, Eindhoven, Roermond en Weert en de huidige redactie derhalve als een kennelijke verschrijving dient te worden aangemerkt. Hetgeen de raadsvrouw hiertoe aanvoert kan dan ook niet tot partiële nietigheid leiden.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

5.1 Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw voert aan dat het openbaar ministerie op een tweetal gronden niet ontvankelijk dient te worden verklaard ten aanzien van de vervolging.

5.1.1 Criminal charge

Het uitvaardigen van een Europees Arrestatiebevel jegens verdachte d.d. 25 september 2007, is volgens de raadsvrouw te beschouwen als een criminal charge op grond waarvan de persoon [verdachte 1] officieel als verdachte had moeten worden aangemerkt. Door pas op 15 juli 2008 schriftelijk te kennen te geven dat verdachte verder zou worden vervolgd, heeft het openbaar ministerie in de ogen van de raadsvrouw het fair trial beginsel geschonden, op grond waarvan de officier van justitie niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Door deze handelwijze is de verdediging immers lange tijd (bijna een jaar) verstoken geweest van het procesdossier waardoor zij verdachte onvoldoende heeft kunnen bijstaan en had zij geen inspraak tijdens de terechtzittingen die toentertijd hebben plaatsgevonden. Daarnaast was de raadsvrouw niet eerder in staat om een verzoek tot contra-expertise te doen en heeft zij dit verzoek eerst kunnen indienen op een moment dat de monsters reeds waren vernietigd. Het openbaar ministerie heeft in deze doelbewust gehandeld. De officier van justitie heeft de raadkamer zowel op 2 november 2007 als ook op 17 april 2008 opzettelijk onjuist geïnformeerd door te verzwijgen dat er een Europees arrestatiebevel jegens verdachte was uitgevaardigd.

Een dergelijk handelen levert in de ogen van de raadsvrouw een onherstelbaar vormverzuim op van de zijde van het openbaar ministerie, hetgeen als een ernstige inbreuk kan worden aangemerkt op de beginselen van een goede procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan.

5.1.2 Vernietiging van de monsters

Voorts voert de raadsvrouw aan dat het vernietigen van de voor contra-expertise bestemde partij monsters (vermeende) cocaïne een dermate doelbewuste en grove schending van de belangen van verdachte inhoudt dat het openbaar ministerie dientengevolge niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Het betreft een vormverzuim van de zijde van het openbaar ministerie dat niet meer kan worden hersteld.

Het verzoek is overigens in tegenstelling tot hetgeen de officier van justitie beweert wel degelijk onderbouwd en ook tijdig door de verdediging ingediend.

5.2 Standpunt van de officier van justitie

5.2.1 Criminal charge

Het Europees aanhoudingsbevel is volgens de officier van justitie niet als een criminal charge aan te merken. Een dergelijk bevel is louter bestemd voor de autoriteiten die het betreft en komt verder niet ter kennis van verdachte dan wel de rechterlijke macht. Op enig moment is uit proceseconomische overwegingen besloten om tot de vervolging van verdachte over te gaan. Hierdoor kon de raadsvrouw van verdachte deelnemen aan de Rogatoire commissie naar Costa Rica. Volgens de officier van justitie is hier geen sprake van een vormverzuim doch betreft het een opportuniteitskeuze van het openbaar ministerie. Voor zover deze gang van zaken al als een vormverzuim kan worden aangemerkt, is het nadeel dat verdachte hierdoor heeft in voldoende mate gecompenseerd. De verdediging is in de gelegenheid gesteld om alle verzoeken te doen die zij wenselijk achtte.

5.2.2 Vernietiging van de monsters

Ingevolge de jurisprudentie van de Hoge Raad worden er hoge eisen gesteld aan een niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in het geval van een vormverzuim. In elk geval dient het een onherstelbaar vormverzuim te betreffen, hetgeen alleen aan de orde is bij de vernietiging van de voor contra-expertise bestemde partij monsters (vermeende) cocaïne. Of een verzoek tot contra-expertise dient te worden ingewilligd is volgens de Hoge Raad afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Hierbij dient onder meer in aanmerking te worden genomen de gronden waarop het verzoek steunt, het belang van het gevraagde tegenonderzoek, de omstandigheid dat het verzoek op een zodanig tijdstip is gedaan dat een tegenonderzoek feitelijk nog mogelijk is en de vraag of het verzoek niet eerder door de verdediging had kunnen worden gedaan.

Nu de verdediging ten aanzien van de onderhavige strafzaak heeft verzuimd de (inhoudelijke) gronden en het belang aan te geven waarop het verzoek tot een contra-expertise is gestoeld, het verzoek eerst gedaan is op een tijdstip dat dit feitelijk niet meer kon worden uitgevoerd en het verzoek in een eerder stadium door de verdediging had kunnen worden gedaan, kan volgens de officier van justitie niet worden aangenomen dat de verdediging een recht op contra-expertise toekwam.

Mocht desalniettemin een recht op contra-expertise worden aangenomen dan blijkt nergens dat het openbaar ministerie in deze doelbewust heeft gehandeld dan wel met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte. Het openbaar ministerie is er steeds vanuit gegaan dat de monsters nog altijd beschikbaar waren, hetgeen ook kan worden afgeleid uit de proceshouding van het openbaar ministerie ten tijde van het door de verdediging gedane verzoek. Het openbaar ministerie heeft zich op geen enkele manier tegen een contra-expertise verzet en aangegeven haar volledige medewerking te zullen verlenen.

Overigens heeft het enkele feit dat de contra-expertise niet meer kon worden uitgevoerd vanwege de vernietiging van de monsters niet zonder meer tot gevolg dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De verdediging is volgens de officier van justitie voldoende gecompenseerd, zodat verdachte hierdoor niet in zijn belangen is geschaad. Er heeft een tegenonderzoek plaatsgevonden door een deskundige, te weten NFI medewerker dr. Van de Berg waarbij de verdediging de mogelijkheid is geboden vragen te stellen.

Daarnaast zijn de deskundigen en E. Colmsee in het bijzijn van de verdediging door de rechter-commissaris gehoord en is de verdediging bovendien in de gelegenheid gesteld ter terechtzitting dr. Van de Berg en drs. R. Jellema nogmaals te bevragen. Aan de hand van de bevindingen van dr. Van de Berg kan volgens de officier van justitie geconcludeerd worden dat het onderzoek ten aanzien van de partij monsters (vermeende) cocaïne op een deugdelijk wijze door het laboratorium van drs. R. Jellema is uitgevoerd en de onderzoeksresultaten derhalve betrouwbaar kunnen worden geacht.

5.3 Overwegingen van de rechtbank

5.3.1 Criminal charge

Voor wat betreft hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd over het nadeel dat verdachte heeft ondervonden van het feit dat hij pas in een laat stadium als verdachte is aangemerkt en de gevolgen die dit dient te hebben voor de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank heeft op 10 juni 2009 vastgesteld dat er sprake was van een criminal charge in de zin van het EVRM op het moment dat het Europees aanhoudingsbevel van kracht was. Verdachte had in de raadkamerprocedure als verdachte moeten worden aangemerkt. De rechtbank heeft destijds overwogen dat dit verzuim niet kan leiden tot niet ontvankelijkheid van de officier van justitie omdat de beweerdelijke achterstand door de mini-instructie is hersteld. Ook hetgeen door de raadsvrouw ter gelegenheid van de inhoudelijke behandeling is aangevoerd noopt naar het oordeel van de rechtbank niet tot een niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. De rechtbank volgt de raadsvrouw niet in haar stelling dat het beginsel van fair play ernstig en doelbewust is geschonden omdat vanwege het laat verstrekken van de processtukken de verdediging niet eerder een verzoek tot contra-expertise kon doen. Weliswaar is verdachte in dezelfde positie geraakt als de medeverdachten doordat op het moment van het verzoek de monsters reeds waren vernietigd, doch dat daaraan opzettelijk doelbewust handelen van de zijde van het openbaar ministerie ten grondslag heeft gelegen kan niet worden vastgesteld, te meer daar het Europees arrestatiebevel zich ook ten tijde van de raadkamerbehandeling in het dossier bevond. De rechtbank ziet wel aanleiding hiermee rekening te houden bij de strafoplegging.

5.3.2 Vernietiging van de monsters

Ten aanzien van de vernietiging van de voor de contra-expertise bestemde partij monsters (vermeende) cocaïne en de gevolgen hiervan voor de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat er in deze een recht van de verdediging op contra-expertise bestond. Vanwege de vernietiging van de monsters bleek de contra-expertise feitelijk niet uitvoerbaar. De rechtbank stelt vast dat er daardoor sprake is van een onherstelbaar vormverzuim van de zijde van het openbaar ministerie.

Naar het oordeel van de rechtbank leidt een dergelijk onherstelbaar vormverzuim slechts tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie indien er sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een goede procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan. In dit geval is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van zo’n situatie.

Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank af dat zeer onzorgvuldig handelen ten grondslag heeft gelegen aan de vernietiging van de partij monsters, welk handelen echter er niet op was gericht om doelbewust dan wel met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte zijn procesvoering op enigerlei wijze te benadelen, althans zulks is niet gebleken.

Om zoveel mogelijk tegemoet te komen aan de belangen van verdachte heeft er een beoordeling plaatsgevonden van het onderzoek van drs. R. Jellema door NFI medewerker dr. Van de Berg, waarbij de verdediging in de gelegenheid is gesteld schriftelijk vragen aan deze deskundige te stellen. Bovendien zijn de deskundigen E. Colmsee en drs. R. Jellema in het bijzijn van de verdediging door de rechter-commissaris gehoord en is de verdediging tevens in de gelegenheid gesteld om dr. Van de Berg en drs. R. Jellema ter terechtzitting te bevragen. De rechtbank is van oordeel dat er weliswaar geen contra-expertise in de feitelijke zin van het woord heeft plaatsgevonden, doch dat hiermee wel een duidelijk beeld is ontstaan van de werkzaamheden die drs. R. Jellema heeft verricht en de waarde die aan zijn bevindingen kan worden toegekend. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat verdachte in voldoende mate is gecompenseerd voor het feit dat de voor de contra-expertise bestemde partij monsters is vernietigd.

Gelet op het vorenstaande kan hetgeen er door de raadsvrouw in deze is aangedragen dan ook geen gevolgen hebben voor de ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Uit onderzoek is de rechtbank gebleken dat verdachte Nederlander is, dat het onder 2 ten laste gelegde feit door de Nederlandse strafwet als misdrijf wordt beschouwd en dat op dat feit door de wet van Costa Rica, waar het onder meer zou zijn begaan, straf is gesteld.

De rechtbank is verder niet gebleken van omstandigheden die van invloed zijn op de ontvankelijkheid van de officier van justitie. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen

7.1 Standpunten van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 30 september 2009 gevorderd dat het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen zal worden verklaard.

7.2 Standpunt van de verdediging ter zake cocaïne

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden aangetoond dat de op 13 september 2007 in de zeecontainer aangetroffen partij wit poeder, cocaïne bevat. Hiertoe voert de raadsvrouw het volgende aan.

- Gelet op de onderzoeksresultaten en hetgeen E. Colmsee hierover heeft verklaard, kan niet uitgesloten worden geacht dat de in de zeecontainer aangetroffen stof pseudo-allococaïne bevat. Een contra-expertise is derhalve geïndiceerd om de identiteit van de stof vast te kunnen stellen.

Aangezien een contra-expertise niet meer mogelijk is, dienen de onderzoeksresultaten van het laboratorium van drs. R. Jellema van de bewijsvoering te worden uitgesloten, hetgeen tot vrijspraak van het ten laste gelegde dient te leiden.

- Er is ernstige reden om te twijfelen aan de zorgvuldigheid waarmee het politielaboratorium van drs. R. Jellema de onderzoeken ten aanzien van de monsters (vermeende) cocaïne heeft uitgevoerd en wel op de volgende gronden:

1. kwaliteitswaarborgen in de zin van interne en externe controle ontbraken volledig;

2. het laboratorium is niet ISO-gecertificeerd en niet geaccrediteerd;

3. er wordt door drs. R. Jellema een andere maatstaf gehanteerd voor de berekening van het aantal te testen monsters dan bij het NFI;

4. drs. R. Jellema hanteert een (verouderde) werkwijze die dateert uit de jaren ’80;

5. volgens E. Colmsee kan niet uitgesloten worden geacht dat er door een vervuilde detector afwijkingen in de metingen zijn ontstaan;

6. er wordt binnen het laboratorium gebruik gemaakt van monsters die niet gecertificeerd zijn;

7. de registratie van het ontvangen materiaal is gebrekkig, met name voor wat betreft gegevens omtrent gewicht en verpakking.

Nu gelet op het vorenstaande de kwaliteit van het onderzoek in deze onvoldoende vast is komen te staan en contra-expertise niet meer mogelijk is, dienen de onderzoeksresultaten van de bewijsvoering te worden uitgesloten op grond waarvan verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

7.3 Standpunt van de verdediging ter zake opzet

De raadsvrouw heeft subsidiair- indien het vorenstaande niet tot vrijspraak kan leiden - aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte wetenschap heeft gehad van het feit dat cocaïne was verstopt tussen de lading koffie. Voorts bepleit de raadsvrouw, onder verwijzing naar de verklaring van [getuige 3] d.d. 20 november 2008, dat de cocaïne mogelijk niet door verdachte of één van de medeverdachten, maar door een derde aan de lading koffie is toegevoegd.

Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het procesdossier voorhanden is, waaruit blijkt dat er sprake zou zijn van een georganiseerd verband tussen verdachte en de medeverdachten en dat hij betrokken is geweest bij de handelingen zoals die in het kader van strafbare voorbereidingshandelingen onder 2 ten laste zijn gelegd.

Met betrekking tot feit 3 heeft de raadsvrouw van verdachte aangevoerd dat er geen wetenschap bij verdachte bestond ten aanzien van de in de container aanwezige cocaïne.

7.4 Bewijsmiddelen en nadere overwegingen van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de navolgende bewijsmiddelen. De hieronder vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Met betrekking tot het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde

Aantreffen verdovende middelen in de Rotterdamse haven d.d. 13 september 2007

Op 13 september 2007 is door de Douane in Rotterdam in het kader van een fysieke controle een onderzoek verricht naar de inhoud van een container die zou zijn beladen met 360 kartons koffie. Deze container, voorzien van nummer HXLU 309090-4, is op

12 september 2007 met het schip genaamd ms. CMA CMG Castilla vanuit Costa Rica Nederland binnengebracht. De controle werd verricht door twee speurhondenbegeleiders.

De douaniers [verbalisant 1] en [verbalisant 2], ambtenaren van de Belastingdienst/Fiod-ECD, relateren dat zij middels een fysiek opname formulier (“een fycoformulier”) van de afdeling Pre-arrival het verzoek hebben gekregen om voornoemde container te controleren. Douanier [verbalisant 2] heeft zijn narcoticaspeurhond genaamd “Rudi” nabij en om de container laten zoeken. De speurhond vertoonde geen reactie op de container. Vervolgens heeft douanier [verbalisant 2] de op de container aanwezige verzegeling verwijderd. De douaniers zagen dat de lading bestond uit tien pallets met ieder 36 bruine dozen. De dozen waren gevuld met zakjes met het opschrift café arabica van het merk Café Negro afkomstig uit Costa Rica. Om de lading beter te bekijken zijn de douaniers over de dozen naar de achterkant van de container gekropen en zijn daar begonnen met het afbouwen van een pallet. Tijdens deze afbouw werkzaamheden zag [verbalisant 1] dat er in sommige dozen minder zakken koffie zaten dan in andere dozen. Bij controle van de op één na onderste laag, zag [verbalisant 1] dat de dozen weer geheel gevuld waren met koffie.

[verbalisant 1] zag bij de controle van deze doos, dat er een vreemd pakket onder de koffie lag. Hierop heeft [verbalisant 1] met zijn zakmes geprikt in voornoemd pakket. Hij zag dat een wit poeder aan zijn zakmes bleef kleven. [verbalisant 1] heeft hier een kleine hoeveelheid van voornoemd poeder getest middels een “narcotest disposal testbuisje nummer 13” (hierna: Narco-disposakit). Deze test is bestemd om een bepaalde stof te testen op de inhoud van cocaïne. De test reageerde positief, middels een blauwe verkleuring.

Vervolgens hebben de douaniers de narcoticaspeurhonden genaamd ‘Rudi’ en ‘Condor’ afzonderlijk in en om de container laten zoeken. Speurhond ‘Rudi’ gaf een positieve melding aan de achterkant van de container, terwijl ‘Condor’ een positieve melding aan de voorkant van de container gaf. Douaniers [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben daarna in opdracht van piketteamleider [naam], de container, met de daarin aanwezige goederen en een nog onbekende hoeveelheid vermoedelijk verdovende middelen, in beslag genomen.

De container is daarna over gebracht naar de douane controle loods gelegen op het terrein van de European Combine Terminals te Rotterdam. De container is daar gesloten en verzegeld (met nummer 02901514) en vervolgens overgedragen aan douanier [verbalisant 3], werkzaam bij het Hit and Run Container team (hierna: het Harc-Team).

De verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] werkzaam bij voornoemd Harc-Team relateren dat zij op 13 september 2007, omstreeks 18.30 uur de container met nummer HXLU 309090-4 hebben overgenomen van verbalisant [verbalisant 1]. Vervolgens is de container gelost. Alle 360 kartons, die waren verdeeld over tien pallets, zijn door de X-ray en handmatig gecontroleerd op eventuele bijpak van goederen, niet zijnde koffie. Bij de eerste twee pallets, die vooraan bij de deur van de container stonden, werden geen onregelmatigheden gevonden. Bij de overige acht pallets toonden de X-ray-beelden een afwijkende kleur bij de twee onderste twee lagen kartons in vergelijking met de bovenste vier lagen kartons. Deze bleken bij weging ook beduidend zwaarder te zijn. In 94 kartons werd een groot vierkant pakket aangetroffen, dat met plastic was omwikkeld. De verbalisanten relateren dat hen ambtshalve bekend is dat deze manier van verpakken gebruikelijk is bij verdovende middelen. Deze pakketten waren onderverdeeld in kleinere pakketten. De inhoud van enkele kleine pakketten zijn getest door de speurhondengeleiders van de Douane Rotterdam middels de Narco-disposakit. De testen wees uit dat de inhoud van de pakketten vermoedelijk cocaïne betrof. In totaal hebben [verbalisant 3] en [verbalisant 4] 1504 van dergelijke kleine pakketten aangetroffen, welke vervolgens in beslag zijn genomen. Alle pakketten zijn open gesneden ter vaststelling van de inhoud, dit betrof allemaal een witte substantie. Het brutogewicht van de in beslag genomen pakketten werd na weging bepaald op 1.674,96 kilogram. Per groot pakket werd uit een willekeurig klein pakket een monster genomen. In totaal zijn er 94 monsters genomen. Elk afzonderlijk monster werd hierna onderverdeeld in een A- en een B-monster.

Deze monsters zijn verpakt in gripzakjes en gemerkt met de nummers 1.1A tot en met 8.10A en 1.1B tot en met 8.10B. In totaal zijn er derhalve 188 gripzakjes bemonsterd.

De overdracht en tests van de verdovende middelen

Op 14 september 2007 zijn 1499 pakketten van de 1504 pakketten door de verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 3] overgebracht naar de N.V. Afvalverwerking te Rotterdam. Aldaar zijn deze 1499 pakketten overgedragen door verbalisant [verbalisant 5] en onder toezicht door deze [verbalisant 5] gestort in de verbrandingsoven. De overige vijf kleine pakketten en de 188 gripzakjes zijn overgebracht naar de vestiging van de Belastingdienst/Fiod-ECD te Rotterdam. Verbalisant [verbalisant 5] heeft de vijf kleine pakketten en 188 gripzakjes ingeslagen in de kluis van de Belastingdienst/Fiod-ECD te Rotterdam.

Op maandag 17 september 2007 werd de container HLXU 309090-4 bij de Douane Controle Loods - onder toezicht van douanier [verbalisant 6], ambtenaar van de Belastingdienst/ Fiod-ECD - gevuld met de tien pallets met daarop 360 kartons. Dit zijn de pallets en de kartons waarop op 13 september 2007 de pakketten met vermoedelijk verdovende middelen zijn aangetroffen. Op 18 september 2007 is de container herverzegeld, waarna de container werd teruggeplaatst bij het containerbedrijf ECT vestiging Home Terminal te Rotterdam. Na overleg met officier van justitie mr. G. Rip, werd de zaak voor nader onderzoek en afhandeling overgedragen naar de Nationale Recherche. Gelet op deze overdracht zijn de vijf apart gehouden pakketten en de 188 gripzakjes op 18 september 2007 eveneens aan de Nationale Recherche ter beschikking gesteld.

Verbalisant met nummer “[nummer]” verbonden aan de Nationale Recherche relateert dat hij op 18 september 2007 de vier pakketten en de 188 gripzakjes heeft ontvangen van douanier [verbalisant 7], werkzaam bij het Harc-Team. Het vijfde pakket is op last van officier van justitie mr. A.R.E. Schram teruggeplaatst in één van de dozen van de container HLXU-309090-4. De doos waarin het betreffende pakket is geplaatst, werd door verbalisant “[nummer]” gemarkeerd met een blauwe balpen. Daarnaast zijn de kartons waaruit de verdovende middelen zijn gehaald, gevuld met hout en stenen met ongeveer een gelijk gewicht als de in beslag genomen 1674,96 kilo met vermoedelijk cocaïne. De kilo met vermoedelijk cocaïne zou gecontroleerd worden afgeleverd, waardoor aldus een uitgestelde inbeslagneming zou worden bewerkstelligd.

De lading van voornoemde container is op 19 september 2007 gelost bij een loods gelegen aan de [adres 1] te Weert. Uit de observatie die de Nationale Recherche heeft gehouden bij de loods, blijkt dat drie personen - die later worden geïdentificeerd als medeverdachten [verdachte 4], [verdachte 5] en [verdachte 3] - de lading tussen 11.11 uur en 11.30 uur hebben gelost in de loods gelegen aan de [adres 1] te Weert. Omstreeks 14.16 uur zijn er geen personen meer in de buurt van de loods aanwezig. Vervolgens wordt omstreeks 21.55 uur besloten om de loods binnen te treden ter doorzoeking. Bij deze doorzoeking is de achtergebleven kilo met vermoedelijk cocaïne aangetroffen in de door de politie gemerkte doos. Vanaf het moment dat de container werd opgehaald tot en met het moment van de doorzoeking in de loods zijn de container en de dozen onder de controle geweest van een observatieteam.

Zowel de kilo cocaïne die door verbalisant [verbalisant 8] na de doorzoeking op 19 september 2007 in beslag is genomen , als de overige pakketten - zijnde de pakketten uit de pakketten die behoren bij de in beslag genomen partij met een brutogewicht van 1674,96 kilo, maar dan zonder de vijf pakketten en 188 gripzakjes - die reeds op 14 december 2007 zijn vernietigd bij de Afvalverwerking Rotterdam , zijn onder [bedrijf van verdachte 2] te Weert,

de huurder van de loods aan de [adres 1] te Weert , in beslag genomen.

De Nationale Recherche heeft de kilo cocaïne samen met de vier pakketten en 188 gripzakjes, die verbalisant met nummer “[nummer]” op 18 september 2007 van het Harc-team heeft ontvangen, op 21 september 2007 overgebracht en aangeboden aan een medewerker van laborant , werkzaam bij de Forensische Opsporing van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland. Deze overdracht is geschied, om de identiteit van de betreffende stof vast te stellen. relateert in een proces-verbaal met betrekking tot de overdracht van het materiaal, dat het laboratorium de betreffende onderzoeksopdracht pas op 24 september 2007 van verbalisant “[nummer]”van de Nationale Recherche heeft ontvangen. heeft ter zitting van 29 september 2009 verklaard dat de pakketten en de gripzakjes reeds op vrijdagmiddag 21 september 2007 zijn ontvangen, maar dat het “front-office” de opdracht pas op maandag 24 september 2007 heeft ingeboekt. Dit gebeurde vaker indien een onderzoeksaanvraag op vrijdagmiddag nog binnenkwam. Door is vervolgens op 25 september 2007 een onderzoek verricht naar de vijf pakketten (code 3178410A) met een gewicht van 5,03 kilogram en naar zestien monsters van de 188 gripzakjes (code 3178410B). Uit het verrichte onderzoek bleek dat alle 21 monsters cocaïne bevatten. Dit resultaat is op 27 september 2007 telefonisch doorgegeven aan het onderzoeksteam.

Drs. R. Jellema relateert dat hij het materiaal heeft overgedragen aan de Nationale Recherche. Verbalisant met nummer “[nummer]” van de Nationale Recherche relateert dat hij op 1 oktober 2007 de 188 plastic zakjes heeft overgenomen van drs. R. Jellema.

De verbalisant heeft toen de zakjes met daarin de cocaïne bij het onderzoeksteam opgeslagen. Op 28 januari 2008 hebben verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 9] vervolgens 5,14 kilogram cocaïne opgehaald bij het laboratorium van drs. R. Jellema. Deze cocaïne werd eveneens opgeborgen in de kluis van het onderzoeksteam. Op 30 januari 2008 hebben verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 10] zowel de 188 gripzakjes als de 5,14 kilogram cocaïne ter vernietiging naar het afvalbedrijf van de gemeente Amsterdam gebracht. De cocaïne werd door verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 10] in de verbrandingsoven van het afvalbedrijf gegooid.

Met betrekking tot het verschil tussen de door gewogen 5,03 kilogram cocaïne en de 5,14 kilogram cocaïne die door verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 9] zijn opgehaald bij het laboratorium van drs. R. Jellema, relateert verbalisant met nummer “[nummer]” dat hij op 9 juli 2007 een gesprek heeft gehad met drs. R. Jellema. Drs. R. jellema heeft ten overstaan van de verbalisant verklaard dat hij, bij binnenkomst in het laboratorium, het witte poeder heeft gewogen zonder verpakkingsmateriaal. Het nettogewicht, was - overeenkomstig het opgemaakte rapport - 5,04 kilogram. Na het door hem verrichte onderzoek naar het witte poeder, is dit poeder in een plastic zak gestopt en samen met een zwaar omhulsel gewogen. Dit gewicht wordt genoteerd op een label en in de zak gestopt, waarna het omhulsel dicht wordt geseald. Het brutogewicht dat derhalve is gewogen in de onderhavige zaak was - overeenkomstig het label - 5.14 kilogram. Verbalisant met nummer “[nummer]”heeft ter controle tevens een soortgelijk plastic omhulsel gewogen, hetgeen een gewicht van 105 gram bleek te hebben. Het gewicht van een losse plastic zak heeft verbalisant met nummer “[nummer]” niet gewogen.

De verbalisant heeft drs. R. Jellema ook foto’s laten zien van de bewuste zak van ongeveer vijf kilo. Blijkens de foto van deze zak, zat er op de betreffende zak een label met X-pol nummer 2007254926 , zijnde een nummer dat binnen de justitieketen wordt gebruikt bij de overdracht van in beslag genomen goederen . Dit nummer is identiek aan het X-pol nummer dat in het proces-verbaal van drs. R. Jellema is vermeld met betrekking tot de overdracht van de onderzoeksopdracht.

Overwegingen van de rechtbank in-zake de cocaïne

Werkwijze laboratorium

De verdediging voert aan dat zij de uitkomsten van de testresultaten van de partij (vermeende) cocaïne in twijfel trekt aangezien zij de werkwijze binnen het laboratorium van drs. R. Jellema - kortgezegd - beneden de maat acht en deze derhalve van het bewijs dienen te worden uitgesloten.

De rechtbank heeft gedurende het onderzoek ter terechtzitting geconstateerd dat de werkwijze van het laboratorium van drs. R. Jellema en de controle hierop van een andere orde is dan bijvoorbeeld een modern ingericht laboratorium als dat van het NFI.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat een gestandaardiseerde werkwijze, zoals bijvoorbeeld de ISO/IEC 17025-norm dat voorstaat, de door het laboratorium gehanteerde werkwijze weliswaar inzichtelijker en controleerbaarder maakt, doch dat de afwezigheid hiervan niet automatisch inhoudt dat de betrouwbaarheid van de door het laboratorium uitgevoerde testen hierdoor in twijfel moet worden getrokken. Voor een dergelijke vergaande conclusie dienen naar het oordeel van de rechtbank concrete aanwijzingen te bestaan.

Drs. R. Jellema en E. Colmsee hebben uitgebreid over de werkwijze binnen het laboratorium verklaard, welke werkwijze naar het oordeel van de rechtbank niet getuigt van enige mate van onzorgvuldigheid.

Dat volgens de verdediging de testresultaten mogelijk zouden zijn beïnvloed door een vervuilde detector acht de rechtbank niet aannemelijk aangezien drs. R. Jellema en E. Colmsee verklaren de apparatuur regelmatig (vier maal per jaar) te reinigen en er dat bij de testen altijd een referentiemateriaal meeloopt om mogelijke afwijkingen van de meetapparatuur zichtbaar te maken. Bovendien hebben zij beiden verklaard dat zij het uitgesloten achten dat de testresultaten zijn beïnvloed door vervuilde apparatuur. Het referentiemateriaal wordt daarnaast - zo verklaart drs. R. Jellema - regelmatig op inhoud getest zodat niet valt aan te nemen dat de testresultaten zijn beïnvloed door het gebruik van ondeugdelijk materiaal.

Verder is de rechtbank ook niet gebleken dat het laboratorium gebruik maakt van verouderde technieken. Dat drs. R. Jellema een ander betrouwbaarheidscriterium hanteert dan het NFI voor de berekening van het aantal te testen monsters heeft naar het oordeel van de rechtbank te maken met een ander inzicht hieromtrent en heeft verder niets van doen met de kwaliteit van het onderhavige onderzoek.

De omstandigheid dat drs. R. Jellema betrokken is bij de hercertificering van medewerkers van het NFI getuigt er naar het oordeel van de rechtbank van dat drs. R. Jellema op dit vakgebied als een deskundige wordt beschouwd die in elk geval het vertrouwen geniet van een organisatie als het NFI, die overigens wel gecertificeerd en geaccrediteerd is.

NFI medewerker dr. Van de Berg fungeert als medeondertekenaar bij het laboratorium van drs. R. Jellema, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank getuigt van het feit dat het NFI instaat voor de werkwijze en de resultaten van de door het laboratorium van drs. R. Jellema verrichte onderzoeken.

Daarnaast heeft NFI medewerker dr. Van de Berg de door het laboratorium van drs. R. Jellema uitgevoerde testmethoden en -resultaten aan een nader onderzoek onderworpen. Dr. Van de Berg geeft in zijn bevindingen hieromtrent aan dat de werkwijze die drs. R. Jellema heeft gehanteerd een gebruikelijke werkwijze betreft voor het onderzoek naar mogelijk verdovende middelen. De methode is vergelijkbaar met de werkwijze die door het NFI wordt gehanteerd. Deze methode is tevens conform internationale aanbevelingen. Over de testresultaten van drs. R. Jellema verklaart dr. Van de Berg het volgende. De conclusies zoals die staan aangegeven in het rapport van drs. R. Jellema zijn volgens de bevindingen van dr. Van de Berg hoogstwaarschijnlijk juist. Dr. Van de Berg maakt een voorbehoud omdat hij - zoals hij ter terechtzitting heeft verklaard - de testresultaten heeft beoordeeld aan de hand van het massaspectrum. Het massaspectrum zoals dat uit de testresultaten van drs. R. Jellema naar voren komt is identiek aan dat van cocaïne. Er zijn echter stoffen die een vergelijkbaar massaspectrum hebben als cocaïne zoals pseudo-allococaïne. Om het verschil te kunnen bepalen moet een analyse worden gemaakt van de retentietijd. De retentietijd van cocaïne verschilt duidelijk van pseudo-allococaïne.

De retentietijd kan dr. Van de Berg echter niet afleiden uit de grafieken van het onderzoek van drs. R. Jellema.

Uitgaande van de constatering van drs. R. Jellema dat de retentietijd van de onderzochte monsters overeenkwam met de retentietijd van de cocaïne uit het referentiemonster, volgt dat de onderzoeksmonsters cocaïne bevatten. Het betreft hier volgens dr. Van de Berg een puur wetenschappelijke discussie omdat de stof pseudo-allococaïne naar zijn weten in het maatschappelijk verkeer niet voorkomt. Hieruit leidt de rechtbank af dat dr. Van de Berg de testresultaten van onderschrijft en aan zijn voorbehoud geen consequenties hoeven te worden verbonden.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de belangen die met de onderhavige strafzaak gemoeid zijn (hoeveelheid aangetroffen cocaïne) het wellicht de voorkeur had verdiend dat de Nationale Recherche de monsters (vermeende) cocaïne ter onderzoek bij het NFI had aangeboden, doch dit neemt niet weg dat het onderzoek ten aanzien van de monsters naar haar oordeel op een deugdelijke wijze door het laboratorium van drs. R. Jellema is uitgevoerd en de testresultaten derhalve betrouwbaar en bruikbaar dienen te worden geacht voor het bewijs.

Hetgeen de raadsvrouw hiertoe heeft aangedragen kan dan ook niet tot bewijsuitsluiting leiden.

Pseudo-allococaïne

De verdediging bepleit dat op grond van de testresultaten de mogelijkheid open blijft dat de in de zeecontainer aangetroffen stof geen cocaïne maar pseudo-allococaïne betreft. De raadsvrouw refereert hierbij aan hetgeen door E. Colmsee bij de rechter-commissaris is verklaard en door drs. Jellema ter terechtzitting van 29 september 2009 is toegelicht.

Op basis van hetgeen de deskundigen Jellema en Van de Berg ter terechtzitting hebben verklaard, concludeert de rechtbank het volgende. De testen zijn uitgevoerd aan de hand van twee technieken, te weten de gaschromatografie en de massaspectrometrie.

Cocaïne en pseudo-allococaïne zijn op grond van het massaspectrum nauwelijks van elkaar te onderscheiden. Vanwege de sterke overeenkomsten tussen het massaspectrum van cocaïne en pseudo-allococaine kan het voorkomen dat bij het vergelijken van het massaspectrum van de te identificeren stof met referentiemassaspectra van een bibliotheek waarin beide stoffen zijn opgenomen, sterke overeenkomsten worden gevonden met zowel cocaïne als met pseudo-allococaine. Dit verklaart dat de software als testuitslag pseudo-allococaïne aangeeft terwijl er cocaïne wordt getest. Op grond van een verschillend chromatografiegedrag kunnen de stoffen met een gaschromotograaf vervolgens wel van elkaar worden onderscheiden. De retentietijd is de tijd die een stof nodig heeft om uit de gaschromotograaf te komen. Beide deskundigen hebben verklaard dat de retentietijd van cocaïne duidelijk verschilt van die van pseudo-allococaïne. Derhalve is deze dus bepalend voor de definitieve identificatie. Uit het rapport komt naar voren dat drs. R. Jellema beide technieken in deze heeft gebruikt om de samenstelling van de geteste stof te bepalen, die cocaïne bleek te zijn. Op grond van het vorenstaande kan naar het oordeel van de rechtbank uitgesloten worden geacht dat de door het laboratorium van drs. R. Jellema geteste stof pseudo-allococaïne betreft. Bovendien komt deze stof volgens de deskundigen ook niet voor in het maatschappelijk verkeer en kan uit de gehele gang van zaken rondom het transport worden afgeleid dat de lading een illegale stof betrof, waartoe pseudo-allococaïne niet behoort.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat op grond van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat de op 13 september 2007 in de zeecontainer aangetroffen partij wit poeder, cocaïne betrof. Bij dit oordeel heeft zij mede in aanmerking genomen dat:

- de hele gang van zaken rondom het transport van de zeecontainer er op duidde dat het een illegale lading betrof;

- de aangetroffen stof een wit poeder was;

- speurhonden aansloegen op de aanwezigheid van verdovende middelen in de zeecontainer;

- de narcotest heeft uitgewezen dat de aangetroffen stof cocaïne betrof;

- de testresultaten van het laboratorium van uitwezen dat de geteste monsters cocaïne bevatten;

- deze testresultaten nogmaals zijn beoordeeld door een deskundige van het NFI die de testresultaten als betrouwbaar heeft aangemerkt.

Op dit punt concludeert de rechtbank tevens dat met de enkele constatering dat er sprake is geweest van een verzuim door het wegraken van de monsters, kan worden volstaan.

Gang van zaken rond het lossen van de container d.d. 19 september 2009

Tussen 14 september 2007 en de levering van de container aan de [adres 1] te Weert zijn diverse telefoongesprekken afgeluisterd. De eerste tapgesprekken zijn gestart met de [verdachte 2], de bestuurder van [bedrijf van verdachte 2] te Weert.

Op 14 september 2007 om 12.38 uur heeft [verdachte 2] (met nummer [GSM nummer] ) uitgebeld met [medewerker vervoersbedrijf], een medewerkster van [vervoersbedrijf], zijnde de firma die de levering van de container afhandelde. Er wordt afgesproken dat de container op

18 september 2007 om 9.00 uur zal worden afgeleverd aan [verdachte 2].

Op 14 september 2007 om 20.51 uur vindt het eerste telefonische contact plaats tussen [verdachte 2] (met nummer [GSM nummer] ) en verdachte (met nummer [GSM nummer] ). Verdachte stuurt een sms inhoudende: “Dit is mijn nieuwe nummer sla dit op. Andere nummers zijn weg.”

Op 17 september 2007 om 7.27 uur belt [verdachte 2] (met nummer [GSM nummer]) vervolgens uit met verdachte (met nummer [GSM nummer]). In dit gesprek is, voor zover thans van belang, het volgende besproken:

“(…)

Verdachte: Hé [verdachte 2], je weet zeker dat morgenvroeg om negen uur was hè?

[verdachte 2]: Ja negen uur.

Verdachte: Oh nee, dat is goed. Ik zie je straks altijd nog. Ik bel je straks tegen de avond nog even op.

(…).”

Op 17 september 2007 tussen 10.14 uur en 12.20 uur vinden vier telefoongesprekken plaats tussen [verdachte 2] (met nummer [GSM nummer]) en [medewerker vervoersbedrijf], de medewerkster van [vervoersbedrijf]. Uit deze gesprekken blijkt dat kennelijk de betaling voor het transport van de container nog niet binnen is bij [vervoersbedrijf]. De container zal daardoor niet op

18 september 2007 worden geleverd. [verdachte 2] zegt toe dat hij achter de betaling aan zal gaan. Er wordt dan afgesproken dat de container op 19 september 2007 omstreeks 9.00 uur zal worden afgeleverd.

Vervolgens belt [verdachte 2] (met nummer [GSM nummer]) op 17 september 2007 om 13.25 uur uit met verdachte (met nummer [GSM nummer]). In dit gesprek is, voor zover thans van belang, het volgende besproken:

“(…)

[verdachte 2]: Uhm die hadden een dinge de 19de. Dus niet morgen, maar de 19de, 9.00 uur, dat is woensdag.

Verdachte: Dat kan toch niet.

[verdachte 2]: Wat, toch is het zo.

Verdachte: Voor morgen, heb je toch gedaan? Of niet.

[verdachte 2]: Voor morgen is het geadviseerd, maar het wordt de 19de, hebben ze doorgegeven.

Verdachte: Ah, dat meen je niet.

[verdachte 2]: Jawel, dat meen ik wel.

(…)”.

Op 17 september 2007 om 14.16 uur wordt er met het nummer dat in gebruik is bij verdachte (nummer [GSM nummer]) gebeld met [verdachte 2] (met nummer [GSM nummer]). [verdachte 2] spreekt dan met een vrouw die slecht Engels spreekt. In dit gesprek is, voor zover thans van belang, het volgende besproken:

“(…).

Vrouw: Yeah, maar wat is er met deze gebeurd, want we hebben het voor morgen gepland en nu zijn de plannen weer gewijzigd naar overmorgen, dus ik moet weten waarom. De reden waarom.

[verdachte 2]: Eh...de reden waarom.

Vrouw: De vrouw had je gezegd dat het woensdag zou zijn. Dus waarom is dat? Wat is er gewijzigd? Wat is er gebeurd?

[verdachte 2]: Nee, ze zei de eerste keer, was het woensdag. Nee ze zei de 19de.

Vrouw: 19de.

[verdachte 2]: Dinsdag de 19de.

Vrouw: Dinsdag de 19de, dat is morgen.

[verdachte 2]: Nee, nee.

Vrouw: Nee, nee, nee. Vandaag is het de 16de, nee, de 17de.

[verdachte 2]: De 17de.

Vrouw: Ik begrijp het, zij had de verkeerde datum doorgegeven. Zij had gezegd dinsdag de 19de, maar het is woensdag de 19de.

[verdachte 2]: Zij had vandaag door dat ze een fout had gemaakt.

Vrouw: O, dus zij had zich verontschuldigd, dat ze een fout had gemaakt.

[verdachte 2]: Ja.

Vrouw: Begrijpt het. Dit is iets normaals.

[verdachte 2]: Ja, alles is oké, wat dat betreft wel.

(…)”

Vervolgens wordt [verdachte 2] (met nummer [GSM nummer]) om 15.37 uur gebeld door [vervoersbedrijf] dat de container om 11.00 uur zal worden geleverd. [verdachte 2] (met nummer [GSM nummer]) stuurt daarna om 20.03 uur een sms met de tekst: “Alles doorgegeven is ok” naar verdachte (met nummer [GSM nummer]).

Op 18 september 2007 om 9.12 uur belt [verdachte 2] met (nummer [GSM nummer]) uit met verdachte. In dit gesprek is, voor zover thans van belang, het volgende besproken:

“Verdachte: Je maakt een mens wat schrik in je leven”.

[verdachte 2]: Er is tot half tien altijd bespreking. Ze zien elkaar straks 100 procent.

(…)”

Op dezelfde dag om 14.16 uur wordt er met het nummer dat in gebruik is bij verdachte (nummer [GSM nummer]) gebeld met [verdachte 2] (nummer [GSM nummer]). [verdachte 2] spreekt dan wederom met de vrouw die gebroken Engels spreekt. In dit gesprek is, voor zover thans van belang, het volgende besproken:

Vrouw: Is alles oké?

[verdachte 2]: Ja bedankt.

Vrouw: Wil je mij morgenochtend bellen als je wakker bent.

[verdachte 2]: Dat doe ik.

Vrouw: Ik wacht op je belletje

(…).

Om 17.33 uur stuurt [verdachte 2] (met nummer [GSM nummer]) vervolgens een sms naar het nummer van verdachte (met nummer [GSM nummer]) waarin [verdachte 2] vraagt hoe laat ze elkaar zien en wat nog belangrijker is waar.

Op 25 september 2007 heeft er een doorzoeking plaats gevonden in het huis aan de [adres 3] te Weert. Verdachte heeft in dit huis zijn feitelijke woon- en verblijfplaats gehad. Tijdens deze zoeking zijn er beelden van een beveiligingscamera in beslag genomen. Op deze beelden is - onder meer - de voordeur en de oprit van het huis te zien. Uit de beelden die zijn opgenomen tussen 7.00:24 en 7.00:43 uur op 19 september 2007 is te zien dat verdachte en medeverdachte [verdachte 3] bij het perceel de [adres 3] aankomen in een witte Mercedes bestelbus met [kenteken]. Deze bus staat op naam van verdachte. Verdachte gaat daar zijn woning naar binnen. Medeverdachte [verdachte 3] stapt vervolgens in de witte bestelbus en rijdt weg.

Op 19 september 2007 is omstreeks 7.51 uur een observatie gestart die was gericht op de loods gelegen aan de [adres 1] te Weert. Tijdens deze observatie is te zien dat medeverdachte [verdachte 5] aanwezig is in de loods. Omstreeks 8.29 uur komt de voornoemde witte Mercedes bestelbus van verdachte aanrijden. Deze bus wordt de naastgelegen loods, [adres 2], ingereden. Deze loods wordt gehuurd door verdachte. Om 9.32 uur is te zien dat verdachte, met medeverdachte [verdachte 3] en een onbekende man, komt aanrijden met zijn donkerblauwe Audi voorzien van kenteken [kenteken].

Verdachte (met nummer [GSM nummer]) belt hierna, om 10.05 uur, uit met [verdachte 2] (met nummer [GSM nummer]). In dit gesprek is, voor zover thans van belang, het volgende besproken:

(…)

Verdachte: Hallo met [verdachte 1]. Het is nog niet daar hè.

[verdachte 2]: Nog niet daar?

Verdachte: Hoe kan dat dan?

[verdachte 2]: Ze hebben mij verteld negen uur.

Verdachte: Negen uur dan wachten we nog een half uur en dan bellen we dan terug.

[verdachte 2]: Ja doe ik.”

Om 10.14 uur belt verdachte (met nummer [GSM nummer]) uit met medeverdachte [verdachte 6] (met nummer [GSM nummer] ). In dit gesprek is, voor zover thans van belang, het volgende besproken:

“(…)

Verdachte: Hallo, hij is er nog niet, hè. Hij is er nog niet kan dat?

[verdachte 6]: Ja, dat zal altijd wel kunnen. Het is wel laat.

Verdachte: Nog een uur, moeten we hem laten bellen of niet?

[verdachte 6]: Nee.

Verdachte: Anders wachten we. Is goed.”

Om 10.20 uur wordt verdachte (met nummer [GSM nummer]) gebeld door [verdachte 2] (met nummer [GSM nummer]). In dit gesprek is, voor zover thans van belang, het volgende besproken:

“(…)

[verdachte 2]: Ik heb net gebeld, over een half uur moet hij absoluut bij hen zijn.

Verdachte: Is goed”.

(…)”.

Blijkens de observatie rijdt verdachte, nadat hij heeft gepraat met [verdachte 5], omstreeks 10.54 uur, met zijn donkerblauwe Audi van het industrieterrein weg.

Om 11.04 uur wordt verdachte (met nummer [GSM nummer]) gebeld door medeverdachte [verdachte 6] (met nummer [GSM nummer] ). In dit gesprek is, voor zover thans van belang, het volgende besproken:

“(…)

Verdachte: Nog niet hè, Heeft ie net gebeld een drie kwartier geleden en hebben ze gezegd dat hij binnen een half uur daar moet zijn. Anders kijken we wel even op het industrieterrein.

[verdachte 6]: Niet rond rijden, heeft geen zin. Dus had hij wel gebeld, had hij niet moeten doen, maar goed.

Verdachte: Wat hadden we dan moeten doen, is goed is goed.”

Om 11.07 uur wordt verdachte (met nummer [GSM nummer]) gebeld door [verdachte 2] (met nummer [GSM nummer]). In dit gesprek is, voor zover thans van belang, het volgende besproken:

“(…)

Verdachte: Ja, heb je al terug gebeld, nee, hè?

[verdachte 2]: Nee, nog niet.

Verdachte: Effe wachten daarmee hè [verdachte 2]. Wie krijg je eraan?Krijg je dat meisje eraan?

[verdachte 2]: De laatste keer wel. Ze had gezegd dat het verlaat was of zoiets.

Verdachte: Dan moeten we maar even wachten. We wachten al 2 -2 ½ uur, hè [verdachte 2]. We wachten tot 12 uur. Maar heb je het transportbedrijf zelf aan de lijn gehad?

[verdachte 2]: Nee, niet het bedrijf zelf.

Verdachte: Is goed dan wachten we nog maar even”.

Tijdens de observatie bij de loods gelegen aan de [adres 1] te Weert, wordt om 11.11 uur gezien dat een vrachtwagen met de oranje zeecontainer het terrein oprijdt en stopt ter hoogte van de loods. De container wordt door medeverdachten [verdachte 5], [verdachte 4] en [verdachte 3] leeggemaakt. Alle pallets uit de container worden in de loods geplaatst. Om 11.30 uur is de loods uitgeladen en verlaat de vrachtwagen het bedrijventerrein met de lege container. Vervolgens gaan zowel [verdachte 5], [verdachte 3] als [verdachte 4] apart van elkaar de loods [adres 1] binnen. Om 11.38 uur gaat [verdachte 4] de loods [adres 2] binnen. [verdachte 3] is op dat moment uit het zicht verdwenen. [verdachte 5] verlaat daarna de loods en rijdt weg met zijn geelkleurige Volkswagen Golf. Met deze Golf rijdt hij naar de A2, waarna hij niet meer onder observatie wordt gehouden.Om 12.01 uur komt vervolgens verdachte bij de loods in zijn donkerblauwe Audi, met kenteken [kenteken]. Verdachte voelt daar zowel aan de zijdeur van de loods [adres 1] als aan de zijdeur van de loods [adres 2]. Beide deuren blijken gesloten te zijn, waarna verdachte weer instapt en wegrijdt.

Vervolgens belt verdachte (met nummer [GSM nummer]) uit met [verdachte 6] (met nummer [GSM nummer]). In dit gesprek is, voor zover thans van belang, het volgende besproken:

“(…)

Verdachte: Hallo, dinge uh ik bel je binnen een half uur terug.

[verdachte 6]: Is gedaan?

Verdachte: Ja, de auto is gekeurd, die is al weg”.

Medeverdachte [verdachte 2] heeft met betrekking het lossen van deze container verklaard, dat hij bestuurder is van [bedrijf van verdachte 2] gevestigd te Weert. Hij wilde met deze vennootschap koffie vanuit Costa Rica naar Nederland verschepen. Via een persoon die [verdachte 2] ‘de Nederlander’ noemt, is hij in contact gekomen met een Costa Ricaanse koffieboer, genaamd [getuige 3]. ‘De Nederlander’ heeft hem geholpen met zijn contacten in Costa Rica en advies gegeven over opslag- en transportkosten. Tevens is hij in contact gebracht met een Costa-Ricaan genaamd [getuige 4]. [getuige 4] heeft een loods geregeld in Costa Rica en verpakte voor hem de koffie. De containers met koffie werden vervolgens vanuit de loods in Costa Rica naar de haven getransporteerd en vervolgens naar Rotterdam verscheept. De firma [vervoersbedrijf] zorgde ervoor dat de containers werden ingeklaard en getransporteerd naar de loods in Weert. Het lossen van de vracht is gebeurd door een persoon die [verdachte 2] in zijn verklaring ‘de losser’ noemt. [verdachte 2] verklaart dat er in totaal drie zendingen zijn geweest.

Met betrekking tot de derde zending, zijnde de zending die op 19 september 2007 is geleverd op de [adres 1] te Weert, heeft [verdachte 2] verklaard, dat deze op dezelfde wijze is gegaan als de eerdere twee zendingen. [verdachte 2] heeft verklaard dat ‘de Nederlander’ en ‘de losser’ van het tijdstip waarop de container zou arriveren op de hoogte heeft gesteld. Daarnaast is er nog contact geweest met een contact van ‘de Nederlander’. [verdachte 2] noemt deze persoon in zijn verklaring ‘de derde persoon’. Deze ‘derde persoon’ heeft hem ervan op de hoogte gesteld dat er bij de volgende container best iets anders tussen zou kunnen zitten dan alleen koffie. [verdachte 2] mocht van ‘de derde persoon’ daarover met niemand spreken. [verdachte 2] heeft verklaard dat hij er niet lang over na hoefde te denken, om te bedenken wat er vanuit Costa Rica naast koffie zou worden verscheept. Hij dacht dat er met de lading koffie, cocaïne zou worden meegestuurd. ‘De derde persoon’ heeft [verdachte 2] op het hart gedrukt dat de zaken met betrekking tot de koffie goed geregeld diende te worden.

Medeverdachte [verdachte 6] heeft verklaard dat hij de persoon is geweest die de import van koffie vanuit Costa Rica heeft overgedragen aan verdachte. Daarnaast heeft [verdachte 6]

- onder meer - [verdachte 2] in contact gebracht met [getuige 3] en [getuige 4]. De rechtbank is derhalve van oordeel dat daar waar [verdachte 2] verklaart over ‘de Nederlander’ medeverdachte [verdachte 6] wordt bedoeld.

Medeverdachte [verdachte 5] heeft verklaard dat hij regelmatig voor [verdachte 2] heeft gewerkt. [verdachte 2] heeft hem de sleutel van de loods in Weert gegeven en de afspraak gemaakt dat [verdachte 2] hem zou bellen indien er spullen bij de loods zouden worden afgeleverd, teneinde de vracht dan te lossen. Op 19 september 2007 is de laatste keer geweest dat hij een container voor [verdachte 2] heeft gelost. Hij moest een heftruck huren en de lading lossen. Rond 11.00 uur kwam de lading, deze heeft hij samen met anderen gelost. De rechtbank is gelet op deze verklaring van [verdachte 5] van oordeel dat daar waar [verdachte 2] verklaart over ‘de losser’, medeverdachte [verdachte 5] wordt bedoeld.

[verdachte 2] heeft verklaard dat er voorafgaand aan de levering van de container tevens contact is geweest met ‘een derde persoon’. Deze ‘derde persoon’ was een contact van [verdachte 6]. Uit de hierboven weergegeven tapgesprekken blijkt dat verdachte nauw contact heeft onderhouden met [verdachte 2] met betrekking tot de levering van de litigieuze container. Daarnaast heeft verdachte eveneens telefonisch contact onderhouden met [verdachte 6] met betrekking tot de levering van de container. [verdachte 6] heeft verklaard dat verdachte een kennis van hem is, die hij al langere tijd kent. Toen [verdachte 6] te kennen heeft gegeven aan verdachte dat hij wilde stoppen met de import van koffie vanuit Costa Rica, heeft verdachte [verdachte 2] naar voren heeft geschoven als mogelijke opvolger van [verdachte 6]. Voorts heeft [verdachte 6] verklaard dat verdachte zowel in Costa Rica als in Nederland actief betrokken is geweest bij de import van koffie vanuit Costa Rica. Tevens heeft [verdachte 6] op 19 september 2007 in de ochtend telefonisch contact met verdachte gehad over de ontstane problemen met de container. Gelet de hiervoor weergegeven tapgesprekken en de verklaringen van [verdachte 6] en [verdachte 2], in onderlinge verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat daar waar [verdachte 2] verklaart over ‘de derde persoon’, verdachte wordt bedoeld.

Taxirit d.d. 19 september 2007

[getuige 5] heeft verklaard over een taxirit direct na het lossen van de container. [getuige 5] heeft een eigen taxibedrijf in Weert genaamd [naam taxibedrijf]. Op 19 september 2007 heeft hij gedurende meerdere uren diverse personen in zijn taxi vervoerd. Met betrekking tot deze taxirit verklaart [getuige 5] als volgt.

Omstreeks 12.10 uur werd de taxicentrale gebeld met het verzoek om een taxi naar de [straat 1] in Weert te sturen. Vervolgens heeft [getuige 5] om 12.15 uur twee personen opgehaald op de hoek van de [straat 1] met de [straat 2] te Weert. [getuige 5] noemt deze personen in zijn verklaring ‘persoon één’ en ‘persoon twee’. ‘Persoon één’ herkent [getuige 5] op één van de foto’s die aan hem worden getoond van - onder meer - de verdachten in het Fuhler-onderzoek. Dit betreft de foto van verdachte. ‘Persoon twee’ herkent [getuige 5] niet. [getuige 5] kreeg de opdracht om naar de [straat 3] te rijden. Bij het [tankstation] heeft hij twee personen opgepikt met een buitenlands uiterlijk. Persoon drie noemt [getuige 5] in zijn verklaring ‘[naam]’of ‘[naam]’. De andere persoon noemt [getuige 5] “persoon vier”.

Verdachte heeft vervolgens aan [getuige 5] gevraagd om naar de [straat 4] in Weert te rijden. Op de [straat 4] is de ingang van het bungalowpark ‘[naam]’ gelegen. Nog voordat hij daar aangekomen was, zag hij op een parkeerterrein bij een spoorwegovergang drie personen staan. Op verzoek van verdachte is hij daar gestopt. De twee buitenlandse mannen, ‘[naam]’ en “persoon vier” zijn daar uitgestapt. ‘Persoon 3’ reageerde was zichtbaar opgefokt. Verdachte is eveneens uitgestapt. Na een discussie zijn ‘[naam]’, ‘persoon vier’ en een persoon die [getuige 5] ‘persoon vijf’ noemt, weer in de taxi ingestapt. Verdachte bleef achter met de overige twee mannen op de parkeerplaats. ‘Persoon vijf’ heeft [getuige 5] de opdracht gegeven om naar de [straat 5] te rijden. ‘Persoon vijf’ herkent [getuige 5] op één van de foto’s die aan hem worden getoond van - onder meer - de verdachten in het Fuhler-onderzoek. Dit betreft de foto van medeverdachte [verdachte 4].

Op de [straat 5], moest [getuige 5] rustig rijden ter hoogte van de growshop. Vervolgens kreeg hij de opdracht om naar de [straat 3] rijden. Tijdens deze rit hoorde hij ‘[naam]’ en medeverdachte [verdachte 4] praten over een heftruck. Ook hoorde hij [verdachte 4] praten over papier en dozen. Tijdens het gesprek tussen ‘[naam]’ en [verdachte 4], heeft ‘[naam]’ meermalen gesproken over “Wood”. Ook heeft ‘[naam]’ gezegd: “I mean it’s wood” of “It’s Wood”. ‘Persoon 3’ reageerde zichtbaar opgefokt. Op de [straat 3] kreeg [getuige 5] de opdracht om langzaam te rijden. Vervolgens kreeg [getuige 5] de opdracht om weer naar de [straat 5] te rijden. Halverwege vroeg [verdachte 4] aan [getuige 5] om weer om te keren en naar de [straat 3] te rijden. Ter plaatse heeft [getuige 5] wederom rustig gereden ter hoogte van het [tankstation]/de growshop. Daarna heeft [verdachte 4] hem gevraagd om terug naar de [straat 5] te rijden.

Toen [getuige 5] op weg was naar de [straat 5], heeft ‘persoon vier’ aan hem gevraagd of hij naar het station kon rijden. Bij het station is “[naam]” uitgestapt. [verdachte 4] heeft daarna de opdracht gegeven om naar de [straat 5] te rijden. Ter hoogte van de coffeeshop werd hem verteld dat hij door moest rijden. Hierna kreeg [getuige 5] voortdurend aanwijzingen met betrekking tot de route die hij moest volgen. [getuige 5] zag in zijn spiegel dat hij werd gevolgd door een Volvo. Ter hoogte van de [straat 6] sloeg [getuige 5] linksaf, waarna de Volvo rechtsaf draaide en de andere kant op reed. Daarna moest [getuige 5] wederom naar de [straat 5] rijden. Vervolgens heeft [getuige 5] de opdracht gekregen om weer terug te rijden naar de [straat 4].

Op de parkeerplaats van het bungalowpark zag hij drie personen staan. Dit betroffen verdachte, ‘persoon twee’ en ‘[naam]’. Iedereen is uitgestapt. Daarna hebben de vijf personen aan de achterkant van een gebouwtje met elkaar gepraat. Enkele minuten later zijn verdachte en ‘persoon vier’ terug gelopen naar de taxi. Verdachte zei tegen [getuige 5] dat hij naar de [straat 5] moest rijden. Ter hoogte van de coffeeshop kreeg hij de opdracht om te stoppen ter hoogte van het tankstation. Daar zag hij een goudkleurige Volkswagen Golf staan. Verdachte is toen uitgestapt en de growshop ingelopen, daarna kwam hij teruggelopen met een man van vermoedelijk Marokkaanse afkomst. Deze persoon noemt [getuige 5] ‘persoon zes’. ‘Persoon zes’ en verdachte zijn toen in de taxi ingestapt.

[getuige 5] kreeg daarna de opdracht om naar de [straat 3] te gaan. ‘Persoon zes’ zei op de [straat 7]: “Ik ga er wel in” of woorden van soortgelijke strekking. Onderweg vroeg ‘persoon zes’ aan verdachte hoe hij die heftruck weg kreeg en waar dat verhuurbedrijf lag. Verdachte heeft hem toen aangekeken. Persoon zes zei vervolgens: “Die is gehuurd en moet vandaag terug. Hoe kom ik daar?”. Verdachte antwoordde toen: “Vlakbij over het water”.

Op de [straat 4] zag [getuige 5] dat de Volvo die hen eerder had gevolgd hem tegemoet reed. Alle hoofden van de inzittenden waren vervolgens gericht op de Volvo. Vervolgens zei verdachte direct tegen hem dat hij achterom terug moest rijden, hetgeen volgens [getuige 5] een bekende term is in Weert om via de [straat 8] en de [straat 9] terug te rijden naar de [straat 6]. Vervolgens moest [getuige 5] via “het landelijke gebied” terugrijden naar de [straat 4]. Bij de ingang van het bungalowpark stonden [verdachte 4] en nog twee personen. Iedereen is uitgestapt, waarna alle betrokken personen weer met elkaar hebben gepraat bij het gebouwtje. Na dit gesprek zijn ‘persoon zes’, ‘persoon vier’ en verdachte ingestapt in de taxi. Verdachte heeft [getuige 5] toen de opdracht gegeven om naar de [straat 5] te rijden.

Bij de growshop zijn ‘persoon zes’ en ‘persoon vier’ uitgestapt. Verdachte is blijven zitten in de taxi en heeft tegen [getuige 5] gezegd dat hij naar de [straat 3] moest rijden. Vervolgens moest [getuige 5] naar de [straat 4] rijden. Bij de ingang van het bungalowpark heeft hij wederom [verdachte 4] en de twee onbekende personen zien staan. Tevens stond daar een vrouw met een buitenlands uiterlijk. Deze vrouw herkent [getuige 5] op twee foto’s die aan hem worden getoond van - onder meer - de verdachten in het Fuhler-onderzoek. Dit betreffen de foto’s van [Costa Ricaanse 1]. Nadat de inzittenden met elkaar hebben gepraat achter het gebouwtje, zijn verdachte, [verdachte 4] en [Costa Ricaanse 1] in de taxi gestapt.

Verdachte heeft vervolgens gezegd dat hij naar de [straat 5] moest rijden. Aldaar moest [Costa Ricaanse 1] twee pakjes sigaretten kopen. Tijdens het wachten is [verdachte 4] naar de growshop gelopen. Toen [Costa Ricaanse 1] in het tankstation was, zei verdachte dat hij naar de [straat 3] moest rijden. [Costa Ricaanse 1] is niet meer ingestapt. Bij de [straat 3] keek verdachte naar de loodsen. Daarna moest [getuige 5] wederom naar de [straat 5] rijden. Bij de growshop moest hij van verdachte doorrijden naar de [straat 10] in Weert. [getuige 5] mocht niet rechtstreeks de [straat 10] inrijden. Daarna moest [getuige 5] naar de [straat 5] rijden. [verdachte 4] kwam toen naar buiten, waarna verdachte is uitgestapt.

De taxirit is voor een deel onder observatie gehouden door politieagenten van de Nationale Recherche. Deze zien dat om 12.53 uur medeverdachte [verdachte 5] op de [straat 5] ter hoogte van een tankstation uit de gele Volkswagen Golf is uitgestapt. De taxi is vervolgens aan komen rijden. Gezien wordt dat verdachte en een onbekende persoon zijn uitgestapt. Zowel [verdachte 5] als verdachte als de derde persoon zijn ingestapt, waarna de taxi begint te rijden. Om 13.04 uur wordt de observatie beëindigd, omdat [verdachte 5] en de onbekende derde duidelijk achterom kijken naar de observatieauto.

[verdachte 5] verklaart over deze taxirit dat hij bij een benzinestation in Weert een onbekende man tegen kwam. Deze man of een derde, zei tegen [verdachte 5] dat hij in de taxi moest stappen. Hij is toen met nog twee mannen in de taxi gaan rondrijden. [verdachte 5] heeft de mannen verteld dat hij hout en stenen heeft gevonden. [verdachte 5] heeft vervolgens gezegd dat hij terug moest naar zijn zaak en nog een heftruck moest terugbrengen. Vervolgens heeft de taxi [verdachte 5] weer afgezet bij zijn auto. De man is vervolgens met hem in de auto van zijn broertje, een goudkleurige Volkswagen Golf, meegereden. In de loods hebben ze een paar dozen opengemaakt om te zien wat er in de dozen zat. Voorts heeft [verdachte 5] verklaard dat één van de mannen die in de taxi zat, verdachte was. Hij kent verdachte vanuit Weert en Roermond. Hij heeft verdachte tevens gezien op de dag dat de container werd geleverd tussen negen uur en elf uur ‘s ochtends.

Deze verklaring vindt steun in de observatie die plaats vond bij de loods aan de [adres 1] te Weert. Daar wordt om 13.42 uur gezien dat [verdachte 5] en een onbekende persoon uit de goudkleurige Volkswagen Golf met kenteken [kenteken] stappen. Beiden gaan in de betreffende loods naar binnen.

Hout en stenen

Op 19 september om 19.12 uur wordt [verdachte 2] (met nummer [GSM nummer]) gebeld door [verdachte 5] (met nummer [GSM nummer] ). In dit gesprek is, voor zover thans van belang, het volgende besproken:

“(…)

[verdachte 5]: Hè, was ik daar aan het werk. Ik ben die dingen op aan het opstapelen, vind ik daar bakstenen en hout en zo.

[verdachte 2]: Mmmmmmm.

[verdachte 5]: Wat hout en stenen zit er in.

[verdachte 2]: Ja, dat klopt niet.

[verdachte 5]: Hebt er iemand niet betaald ofzo?

[verdachte 2]: Ik weet het niet.

[verdachte 5]: Of gewoon een pesterij of een flauwe grap of zo van iemand.

[verdachte 2]: ja

(…)

[verdachte 5]: waar we ons de laatste keer hebben gezien. Ben je daar zo?

[verdachte 2]: Ja.

[verdachte 5]: Dan ga ik je daar zo treffen man.”

Vervolgens wordt er op dezelfde dag om 21.55 uur de loods aan de [adres 1] te Weert doorzocht. Geconstateerd wordt dat er diverse dozen zijn uitgepakt. Tevens wordt de kilo cocaïne die in de gemerkte doos zat in beslag genomen.

Op 21 september 2007 om 15.13 uur belt [verdachte 2] (met nummer [GSM nummer]) met [verdachte 5] (met nummer [GSM nummer]). In dit gesprek is, voor zover thans van belang, het volgende besproken:

“(…)

[verdachte 5]: Ja, zeg jij maar hoe laat. Ik moet je heel dringend zien.

[verdachte 2]: Zeven uur.

[verdachte 5]: Zeven uur, oké, gaan we dadelijk wel zien.

(…).”

Tussen 21 september 2007 om 21.11 uur en 22 september 2007 om 13.01 uur vinden er diverse gesprekken plaats tussen [verdachte 2] (met nummer [GSM nummer]) en een vrouw die gebroken Engels spreekt. Deze vrouw belt met het nummer dat in gebruik is bij verdachte (nummer [GSM nummer]) en waarmee verdachte eerder contact heeft gehad met [verdachte 2] en [verdachte 6]. In deze gesprekken is, voor zover thans van belang, onder meer het volgende besproken.

21 september 2007 om 21.11 uur. [verdachte 2] wordt gebeld door de Engels sprekende vrouw.

“(…)

Vrouw: Je moet iets voor mij doen. Jij moet nu naar de “bodega” gaan. Je moet kijken. Iemand heeft jouw deur geblokkeerd. Ik wil dat jij daar nu gaat kijken en ik wacht op jouw belletje. Oké?

[verdachte 2]: Ja…zeg alsjeblieft nog eens wat ik precies doen moet.

Vrouw: Je moet nu naar de “bodega” in Weert. Je weet wel waar.

[verdachte 2]: Ja.

Vrouw: Je moet daar in de deur kijken of het waar is dat iemand jouw deur met hout of zoiets geblokkeerd heeft. Je moet nu voor mij gaan kijken en…

[verdachte 2]: Oké.

(…)

Vrouw: Je moet terugbellen op de telefoon waar je laatst ook naar hebt gebeld.

(…).”

Op 21 september 2007 om 21.16 uur belt [verdachte 2] (met nummer [GSM nummer]) met [verdachte 5] (met nummer [GSM nummer]). In dit gesprek is, voor zover thans van belang, het volgende besproken:

(…)

[verdachte 2]: Met mij, we zijn, ik ben net door een vriendinnetje van ons gebeld.

[verdachte 5]: Door een vriendje van ons?

[verdachte 2]: Door een vriendinnetje van ons.

[verdachte 5]: Ja?

[verdachte 2]: We moeten er eventjes naar toe gaan.

[verdachte 5]: Nu?

[verdachte 2]: Ja.

(…).”

21 september 2007 om 21.59 uur. [verdachte 2] belt uit met de Engels sprekende vrouw.

“[verdachte 2]: Iemand heeft ingebroken en er is een papier achtergelaten op de deur dat ze contact op moeten nemen met de politie.

Vrouw: Oké, kun je een foto nemen?

[verdachte 2]: Heb ik gedaan.

Vrouw: Oké, is het compleet, compleet?

[verdachte 2]: De foto is compleet.

Vrouw: Bedankt.

[verdachte 2]: Moeten we nu komen?

Vrouw: Ga je morgenochtend?

(…)

Vrouw: Ik bel je terug.”

21 september 2007 om 22.02 uur. [verdachte 2] wordt gebeld door de Engels sprekende vrouw.

“Vrouw: Heb je hout op de deur gezien of alleen maar papier? Hout op de deur. De deur was ingetrapt? Het glas was kapot? Alles was gebroken?

[verdachte 2]: Op de vloer.

Vrouw: En zie je op het papier dat de politie zegt, benader ons of zoiets.

(…)

Vrouw: Het nummer op het papier is van de politie, aha.

[verdachte 2]: Nee, nee, nee. Het is niet… nee, nee, dat heb ik niet gezegd. Het is niet een papier van de politie, maar op het papier staat dat ik contact op moet nemen want… een nummer in Amsterdam.

(…).”

21 september 2007 om 22.05 uur. [verdachte 2] wordt gebeld door de Engels sprekende vrouw.

“Vrouw: Wil je alstjeblieft dat nummer bellen en zeggen dat je zag dat je deur (open)gebroken was. Je moet ook vragen wat er gebeurd is met je pand, dat je deur opengebroken is, dat je het papier gelezen hebt en wat er is gebeurd. Dat je terug gekomen bent en zag wat er gebeurd is. Bel me terug.

[verdachte 2]: Ik ga ze benaderen en bel dan terug.

Vrouw: Ik bel over tien minuten terug.”

21 september 2007 om 22.07 uur. [verdachte 2] wordt gebeld door de Engels sprekende vrouw.

“Vrouw: Wil je naar binnen gaan om te kijken wat er gebeurd is en dan wat foto’s nemen?Ik wil zien en weten wat er gebeurd is. Je moet dat via de telefoon vertellen.

[verdachte 2]: Dat doe ik.

Vrouw: Ja, doen. Ik wacht erop.”

21 september 2007 om 22.21 uur. [verdachte 2] wordt gebeld door de Engels sprekende vrouw.

“Vrouw: Kan je naar binnen?

[verdachte 2]: Nee, want er zit een ander slot op.

Vrouw: Is het aan de binnenkant of aan de buitenkant gesloten?

[verdachte 2]: Nee, er zit een andere op. Mijn sleutel past er niet op.

Vrouw: Kun je dat nummer bellen?

[verdachte 2]: Dat ga ik nu meteen doen.

Vrouw: Bel mij als je klaar bent met dat telefoontje.”

21 september 2007 om 22.27 uur. [verdachte 2] belt uit met de Engels sprekende vrouw.

“(…)

Vrouw: Je moet dit nummer niet meer bellen. Ik heb je gezegd dat je (tot) morgenochtend om acht daar moet blijven/dat je morgenochtend om 8 uur daar naar binnen moet gaan. Wat er ook gebeurt.

[verdachte 2]: hm.

Vrouw: Jouw vriend, jouw vriend is eh… weet je, hij gaat op zoek naar alles, dus ik bel je morgen.

(…).”

22 september 2007 om 8.00 uur. [verdachte 2] wordt gebeld door de Engels sprekende vrouw.

“(…)

[verdachte 2]: Ik heb geen idee hoe ik daar naar binnen moet gaan.

Vrouw: Je moet toch echt naar binnen en mocht er iemand iets zeggen, dan moet je zeggen dat je deur opengebroken is en ook niet weet wat je anders moet doen, dat je erin moet om te kijken wat er met je spullen is gebeurd.

[verdachte 2]: Oké.

(…).”

22 september 2007 om 8.40 uur. [verdachte 2] wordt gebeld door de Engels sprekende vrouw.

“(…)

Vrouw: Ben je al binnen?

[verdachte 2]: Ja, we zijn binnen.

Vrouw: En?

[verdachte 2]: Ze zijn aan het checken.

(…)

Vrouw: Open alles, [verdachte 2], maak het open.

[verdachte 2]: Moet ik ook hier blijven?

Vrouw: Ja. Maak alles open, alles, alles.

[verdachte 2]: Oké.

(…).”

22 september 2007 om 9.10 uur. [verdachte 2] wordt gebeld door de Engels sprekende vrouw.

“(…)

Vrouw: Wat zie je?

[verdachte 2]: Ja, niets.

Vrouw: Geweldig… niets niets. Zijn ze nog aan het werk?

(…)

[verdachte 2]: Ja, één van hen.

Vrouw: En eh… heb je overal in gekeken?Heb je alles opengebroken?Heb je alles gedaan?

[verdachte 2]: Ja, we zijn er nu mee bezig.

Vrouw: Oké, als je overal mee klaar bent, overal...als je ziet…Wat je ook ziet, alsjeblieft, maak alles open en kijk overal in en bel mij terug. Ik bel jou terug. Ik bel jou terug.

(…).”

22 september 2007 om 9.25 uur. [verdachte 2] wordt gebeld door de Engels sprekende vrouw.

(…)

Vrouw: Vertel me wat je ziet?

[verdachte 2]: Niets.

(…)

[verdachte 2]: We moeten er nog vijf doen.

Vrouw: Hoeveel, [niet te verstaan].

(…)

Vrouw: En wat heb je gezien? Alleen stenen en [niet te verstaan].

[verdachte 2]: Alleen bakstenen en stenen. Stenen, hout, wat dan ook.

Vrouw: Stenen, hout en ..

[verdachte 2]: Stenen, hout en weet ik veel.

Vrouw: En zie je koffie?

[verdachte 2]: Ja, natuurlijk.

Vrouw: En stenen en hout.

(…).”

22 september 2007 om 9.38 uur. [verdachte 2] wordt gebeld door de Engels sprekende vrouw.

“(...)

Vrouw: Hoe zijn de dingen?

[verdachte 2]: Ja nog steeds hetzelfde. Niets, nada nul.

Vrouw: En beneden in de bodem?

[verdachte 2]: Ja, ook. Het is hetzelfde liedje.

(…).”

22 september 2007 om 9.49 uur. [verdachte 2] belt uit naar de Engels sprekende vrouw.

“(…)

[verdachte 2]: Die andere jongen zegt dat hij wil stoppen, want er is niets…eh…alleen maar bakstenen en stenen.

Vrouw: Dat interesseert me niet. Ik wil dat de mensen alles openmaken.

(…).”

22 september 2007 om 10.00 uur. [verdachte 2] wordt gebeld door de Engels sprekende vrouw.

“(…)

Vrouw: De laatste?

[verdachte 2]: Ja.

Vrouw: En…eh…zie je…laat mij je wat vragen. Je ziet koffie [niet te verstaan] alleen maar hout en stenen?

[verdachte 2]: In sommige dozen zit natuurlijk koffie, maar in heel veel maar in heel veel meer zitten hout en stenen.

Vrouw: Hm.

[verdachte 2]: Dus die boer heeft ons belazerd.

(…).”

22 september 2007 om 10.26 uur. [verdachte 2] belt uit naar de Engels sprekende vrouw.

“(…)

[verdachte 2]: We hebben alles gecheckt.

Vrouw: Ja.

[verdachte 2]: Niets.

Vrouw: Ja.

[verdachte 2]: Alleen maar stenen.

Vrouw: Oké.

(…)

Vrouw: Oké. Je gaat nu naar je huis. Je doet alles dicht. Je checkt nu alles. Dus je gaat weg en ik bel je later terug.

[verdachte 2]: Die andere jongen is al weg, weet je.

Vrouw: Oké.

(…).”

Medeverdachte [verdachte 5] heeft met betrekking tot de ontdekking van de stenen en het hout verklaard dat hij op 19 september 2007 tien pallets heeft gelost uit de vrachtwagen en in de loods heeft gezet. [verdachte 5] voelde dat er een verschil in gewicht zat tussen de verschillende dozen. Hij heeft toen een paar dozen opengemaakt. [verdachte 5] zag toen dat er hout en stenen in de dozen zaten. Vervolgens heeft hij [verdachte 2] gebeld, omdat hij dacht dat ze waren opgelicht. Voorts heeft [verdachte 5] verklaard dat hij tevens is gebeld door een vrouw in de Engelse taal. De vrouw wilde uitleg over de aangetroffen hout en stenen, omdat zij [verdachte 2] niet geloofde. Vervolgens zijn [verdachte 2] en [verdachte 5] samen naar de loods gegaan. Daar zag [verdachte 5] dat de deur kapot was. [verdachte 2] heeft ter plaatse foto’s gemaakt van de loods.

Medeverdachte [verdachte 2] heeft verklaard dat hij op 19 september 2007 is gebeld door ‘de losser’. ‘De losser’ vertelde hem dat er stenen en hout bij de zending koffie zaten. Hij heeft hierna de opdracht gekregen van iemand die in contact stond ‘met de derde persoon’ om naar de loods te gaan. Hij is samen met ‘de losser’ naar de loods gegaan en trof daar een plank aan voor de ruit van de deur. Op de deur zat een briefje met een telefoonnummer van de politie. Hij heeft contact opgenomen met dat nummer, maar hij kreeg geen gehoor. Tevens heeft hij contact opgenomen met de politie in Weert. De politie zou hem terugbellen, maar hij heeft niets meer gehoord. Op 20 september 2007 is [verdachte 2] niet in de loods geweest. Op 21 september 2007 werd hem telefonisch medegedeeld dat hij om 8.00 uur bij de loods moest zijn. [verdachte 2] is toen met een onbekende man in de loods geweest. De man heeft toen alle dozen opengemaakt en zag toen dat de dozen voornamelijk gevuld waren met hout en stenen.

Deze verklaringen vinden steun in de situatie zoals deze is aangetroffen tijdens de tweede doorzoeking van de loods aan de [adres 1] te Weert d.d. 25 september 2007. Te zien was dat sinds het binnentreden op 19 september 2007 een andere situatie was ontstaan. Van alle dozen was het plastic verwijderd, de dozen waren van de pallets afgehaald en daarna weer gedeeltelijk op enkele pallets gezet. In vergelijking met de eerder aangetroffen situatie op 19 september 2007 was te zien dat nagenoeg alle dozen waren geopend en verplaatst. Ook waren er pakken koffiebonen geopend en over de vloer uitgestrooid.

Parijs d.d. 22 september 2007

Op 22 september 2007 om 11.56 uur wordt [verdachte 2] gebeld door de Engels sprekende vrouw.

“(…)

Vrouw: Luister naar mij nu. Je moet wat kleren pakken en je paspoort. Je moet hier naartoe komen. We moeten vliegen en dat weet je.

[verdachte 2]: Waar? Waar moet ik heen?

Vrouw: Eh.. Je moet je kleren meenemen voor een warm land en ook je paspoort. En je moet vandaag komen.

(…)

Vrouw: Je moet met [verdachte 5] komen. En verder vertel ik je echt pas later wat voor een land je kleren moet klaarleggen. Pak wat kleren en je paspoort, oké?

[verdachte 2]: oké.

(…).”

22 september 2007 om 12.23 uur. [verdachte 2] wordt gebeld door de Engels sprekende vrouw.

“(…)

Vrouw: Hé luister. Je moet gaan… Je moet terug gaan en dan moet je wat voorbeelden pakken, zoals eh…wat dingen, zoals de stenen en hij moet al het papierwerk pakken en de [niet te verstaan]

(…)

Vrouw: En alle brieven die je hebt. Al het bewijs, Alles. Ik heb het allemaal nodig.

[verdachte 2]: Ja.

Vrouw: Alles wat als bewijs kan dienen, moet je meenemen.

(…)

[verdachte 2]: Ik zal alles doen, maar dit is belachelijk. We gaan een grote fout maken, maar oké. Oké.

Vrouw: Wat?

[verdachte 2]: Ik denk dat we nu een fout maken, maar oké. Kunnen we elkaar zien?

Vrouw: Eh?

[verdachte 2]: Kunnen we elkaar zien?

Vrouw: Ja, maar de mensen hebben het bewijs nodig en de mensen hebben die steen nodig.

[verdachte 2]: Ja, ja. Oké dat geef ik je. Dat is absoluut geen probleem.

Vrouw: Oké.

[verdachte 2]: Maar ik ga eerst die andere ophalen, die andere jongen ophalen.

(…).”

22 september 2007 om 12.27 uur. [verdachte 2] wordt gebeld door de Engels sprekende vrouw.

“Vrouw: Heeft [verdachte 5] jou gebeld?

[verdachte 2]: Nee niemand heeft mij gebeld.

Vrouw: [verdachte 5] zal je bellen en je moet samen met [verdachte 5] naar dat pand toe.

(…)”.

22 september 2007 om 15.54 uur. [verdachte 2] wordt gebeld door de Engels sprekende vrouw.

“(…)

Vrouw: Excuses, ik bel je vandaag wel erg veel. Ik wil dat je de politie in Weert belt en vraagt of zij iets van het pand weten.

[verdachte 2]: Dat heb ik al gedaan. Natuurlijk heb ik dat al gedaan, want dat is het meest logische om te doen. Als ik niet zou bellen, dan zouden ze het dom vinden.

Dat was één van de eerste dingen die ik moest doen.

Vrouw: En de politie weet niets?

[verdachte 2]: Nee, die doen niets, eh die weten niets.

(…)

Vrouw: Dus je bent naar de politie geweest, maar die weten niets.

[verdachte 2]: Nee.

(…)

Vrouw: Hoe laat kom je naar hier?

[verdachte 2]: Over vijf à tien minuten zie ik mijn andere vriend en dan gaan we weg.

Vrouw: Ik bel later terug .

Op 22 september 2007 om 16.11 uur belt verdachte (met nummer [GSM nummer] ) uit met medeverdachte [verdachte 6] (met nummer [GSM nummer] ). In dit gesprek is, voor zover thans van belang, het volgende besproken:

Verdachte: Heb je het al gehoord?

[verdachte 6]: Ja.

(…)

Verdachte: Kan het verwisseld zijn geworden?

[verdachte 6]: Ik geloof daar niet in.

Verdachte: Maar wat dan, dan hadden ze toch al moeten komen dan?

[verdachte 6]: Dat dacht ik ook, dan had je niet gezeten waar je nu zit. Ik had bijna een hartaanval gekregen van je bent weg.

Verdachte: Nee nee nee, maar alles is tot zover goed en dan dit. Ik ben gistermorgen nog daar geweest en ze hebben alles nagekeken en er was helemaal niets aan de hand, er zaten allemaal stenen en zoiets in. Ja, en die ene man was daar ’s avonds ook nog geweest, want die heb ik van de week ’s avonds even laten komen, want ik begreep er geen bal van en hij ook niet. Die had van een ander weer gehoord dat er bouwspul was. En die zei dat kan niet! Dat is zo!

(…)

[verdachte 6]: Hebben ze daarachter tijd voor gehad?

Verdachte: Nee, dat is niet mogelijk, de auto reden ons na en de hele route [niet te verstaan].

[verdachte 6]: Ik vind het onverklaarbaar. Ik ben blij dat ik je toch nog even spreek.

Verdachte: Ik kan alles in gaan leveren nu.

[verdachte 6]: Nee, dat bedoel ik niet, ik ben blij dat ik je even spreek, want ik dacht al heel iets anders.

Verdachte: Nee, maar er is wel wat ergens nou hoor, iedereen moet er achter zien te komen, ze geven mij gewoon de schuld.

[verdachte 6]: Er was toch iemand bij hier?

Verdachte: Ja, maar iedereen geeft me de schuld, het kan toch niet, het kan toch niet. Maar ik zie vanavond. Ik bel je effe op dit nummer.”

Op 23 september 2007 om 12.18 belt [verdachte 2] (met nummer [GSM nummer]) uit met [verdachte 6] (met nummer [GSM nummer]). In dit gesprek is, voor zover thans van belang,

het volgende besproken:

(…)

[verdachte 2]: Jaaaa, we zijn gisteren dik duizend kilometer gereden… om te praten. En toen was er niemand. Ja…of we allemaal naar de andere kant gingen.

[verdachte 6]: ha ha.

(…)

[verdachte 6]: Nee, maar ik vind het allemaal wel een vreemde zaak, vind je niet?

[verdachte 2]: Ja, goed, het is gewoon niet correct…en euh, maar ja goed…ik denk dat jij weet wat ik denk.

[verdachte 6]: Ja, ik heb wel zo’n vermoeden.

[verdachte 2]: Dus euh ik … bij het schaakspellen zijn er pionnen en ik ben geen pion.

[verdachte 6]: Ja, daarom en ik denk dat we gewoon in de boot zijn genomen…

[verdachte 2]: Ja, door wie dan ook hè.

(…)”.

[verdachte 2] heeft hieromtrent verklaard dat hij - nadat hij met de onbekende man in de loods is geweest - wederom is opgebeld door ‘het contact van de derde persoon’. Deze persoon heeft hem verteld dat hij naar de andere kant moest. [verdachte 2] heeft verklaard dat hiermee Costa Rica werd bedoeld. [verdachte 2] wilde niet naar Costa Rica, omdat er kennelijk iets mis was gegaan met een transport van cocaïne en hij bang was dat hij daar om het leven zou worden gebracht. Vervolgens kreeg hij de opdracht om met ‘de losser’ en iedereen die met de verdwijning van de cocaïne te maken had naar Parijs te gaan. [verdachte 2] is toen op 22 september 2007 met ‘de losser’ in zijn auto naar Frankrijk gereden. Uiteindelijk zijn ze naar het [Hotel] in Frankrijk gestuurd. Op de parkeerplaats van dit hotel heeft [verdachte 2] gesproken met de persoon die hem de telefonische opdrachten heeft gegeven en twee onbekende personen. Hij heeft deze personen zowel de foto’s van de loods, het papier van de politie dat op de deur van de loods zat en twee stukken hout die hij in zijn auto had meegenomen laten zien. [verdachte 2] en ‘de losser’ kregen de schuld van deze personen. Deze personen vonden dat zij de problemen op moesten lossen en vertelde dat zij iemand erbij gingen halen. ‘De losser’ en [verdachte 2] moesten blijven slapen in het hotel, maar dat wilden verdachte en ‘de losser’ niet. Vervolgens zijn verdachte en ‘de losser’ weggereden, omdat zij bang waren dat iets met hen ging gebeuren.

Deze verklaring komt overeen met de verklaring van medeverdachte [verdachte 5]. [verdachte 5] heeft verklaard dat hij mee is geweest met [verdachte 2] naar Parijs. Op de parkeerplaats heeft hij twee getinte mannen en een getinte vrouw ontmoet. Deze personen begonnen tegen hen te schreeuwen. Met de vrouw heeft hij eerder telefonisch contact gehad, zij wilde toen uitleg over de aangetroffen hout en stenen.

De verklaringen van [verdachte 5] en [verdachte 2] vinden steun in het feit dat na de aanhouding van [verdachte 2] op 25 september 2007, een aantal identieke houtblokken zoals deze in de dozen waren gestopt ter vervanging van de cocaïne, alsmede de brief van de politie op de deur van de loods en de transportgegevens van [vervoersbedrijf] zijn aangetroffen in de auto van [verdachte 2].

[Costa Ricaanse 1]

Tijdens de doorzoeking die op 25 september 2007 is verricht in één van de huizen van verdachte, de [adres 4] te Weert, is een bagagelabel van een vliegtuigreis gevonden in een prullenbak. Op dat bagagelabel staat de tekst “[naam]”. Uit informatie van de Koninklijke Marechaussee, afdeling Bureau Recherche Informatie, blijkt dat dit label afkomstig is van een stuk bagage dat op de 27ste van een willekeurige maand in San José (Costa Rica) aan boord van een vliegtuig is gegaan voor een vlucht via Madrid naar Amsterdam, met aankomst in Amsterdam op de 28ste van dezelfde maand. Het betreft de vlucht van San José naar Madrid met vluchtnummer IB6321 en de vlucht van Madrid naar Amsterdam met vluchtnummer IB3250. Uit de passagiersgegevens van de luchtvaartmaatschappij Iberia, blijkt dat verdachte en [Costa Ricaanse 1] op 28 augustus 2007 samen van Madrid naar Amsterdam zijn gevlogen .

Tevens heeft er een doorzoeking plaatsgevonden op 25 september 2007 in de woning gelegen aan de [adres 3] te Weert (waar ook [verdachte 1] verbleef). Tijdens deze doorzoeking zijn er camerabeelden van een beveiligingscamera in beslag genomen. De digitale camerabeelden zijn op 2 oktober 2007 opgenomen en op een harde schijf opgeslagen. Van deze camerabeelden is een foto getoond aan getuige [getuige 5]. [g[getuige 5] verklaart na het zien van deze foto, dat dit de vrouw is waarover hij heeft verklaard in zijn getuigenverklaring van 20 september 2007.

[getuige 5] heeft in deze verklaring verklaard dat hij op 26 september 2007 op zijn mobiele telefoon werd gebeld door een accentloos Nederlands sprekende man. De man zei tegen hem: “Je komt nu naar Vinkenveen, [Hotel]”. Aangekomen bij het hotel kwam een vrouw aanlopen die hij direct herkende als de enige vrouw die inzittende is geweest tijdens de taxirit op 19 september 2007. Tijdens de taxirit naar Amsterdam heeft de vrouw een gesprek gevoerd in een onbekende taal. Zij maakte zich toen kenbaar als “[Costa Ricaanse 1]”.

Naar aanleiding van voornoemde getuigenverklaring is op 20 september 2007 mevrouw [getuige 6], hoofd van de receptie van het [Hotel] hotel te Vinkenveen, gehoord. De naam van [Costa Ricaanse 1] kwam voor in de gegevens van haar klantenbestand. Tevens heeft zij een kopie van het paspoort van [Costa Ricaanse 1] geboren op 12 november 1978 te Bogota overgelegd. De foto van het kopie van het paspoort vertoont grote gelijkenis met de foto die is genomen naar aanleiding van de beelden van de beveiligingscamera.

Gelet op het hiervoor overwogene - in onderling verband en samenhang bezien - is de rechtbank van oordeel dat het bagagelabel dat is aangetroffen in de prullenbak van verdachte toebehoorde aan [Costa Ricaanse 1], dat deze [Costa Ricaanse 1] is te zien op de beelden van een bewakingscamera gemaakt op het perceel de [adres 3] te Weert en dat de vrouw waarover getuige [getuige 5] heeft verklaard tijdens zijn getuigenverklaringen [Costa Ricaanse 1] is.

Gebleken is dat verdachte samen met [Costa Ricaanse 1] op 27 augustus 2009 vanuit San José, via Madrid, op 28 augustus 2007 Nederland is ingereisd.

De vriendin van verdachte, [getuige 7], heeft verklaard dat verdachte de week voor 28 augustus 2007 weg is gegaan. Op haar verjaardag op 29 augustus 2007, is verdachte weer thuis gekomen. Op vrijdag 31 augustus 2007, de dag waarop [getuige 7] haar verjaardag vierde, kwam verdachte naar de verjaardag met [Costa Ricaanse 1]. [getuige 7] heeft verklaard dat deze vrouw zich voor heeft gesteld als [Costa Ricaanse 1] en een aantal keer bij hen heeft overnacht.

Uit de verklaring van [getuige 5] naar aanleiding van de taxirit van 19 september 2007 blijkt dat hij tijdens deze taxirit diverse keren is gestopt bij de ingang van bungalowpark ‘[naam]’ aan de [straat 4] in Weert. Aldaar zijn diverse buitenlandse personen in- en uitgestapt, waaronder [Costa Ricaanse 1]. Na telefonisch contact is gebleken dat er geen personen met een Spaanse of Zuid-Amerikaanse naam rond die periode een bungalow hebben geboekt . [getuige 8], directrice van het bungalowpark, heeft in het computersysteem wel getraceerd dat verdachte een bungalow heeft geboekt en betaald voor de periode van een week, namelijk 17 september 2007 tot en met 24 september 2007. [getuige 8] redeneerde dat deze personen pas op 18 september 2007 in de betreffende bungalow hebben overnacht, omdat er op die avond voor vijf personen lakens, die er kennelijk niet waren, zijn gehaald. Op maandag 24 september 2007 is de bungalow weer verlaten.

[getuige 5] heeft verklaard dat hij op 26 september 2007 omstreeks 14.00 uur is gebeld door een accentloos Nederlands sprekende man, die hem de opdracht heeft gegeven om naar het [Hotel] in Vinkeveen te komen. Deze verklaring vindt steun in de factuurgegevens van de hotelkamer waar [Costa Ricaanse 1] heeft verbleven op 26 september 2009. Er is gebleken dat er op de betreffende datum is gebeld met het bedrijf van getuige [getuige 5], [naam taxibedrijf] Taxi te Weert. [getuige 5] moest [Costa Ricaanse 1] naar Amsterdam brengen. In Amsterdam heeft [getuige 5] samen met [Costa Ricaanse 1] op een terras gezeten. Op een gegeven moment kwamen een negroïde persoon en de persoon die [getuige 5] herkende als de inzittende van de taxirit op 19 september 2007 en die hij “[naam]” noemt, op hen afgelopen. [Costa Ricaanse 1] is toen met deze personen weggelopen, terwijl [getuige 5] op het terras is blijven zitten. Na een half uur à drie kwartier kwam [Costa Ricaanse 1] terug. Vervolgens heeft [getuige 5] [Costa Ricaanse 1] weer afgezet bij het [Hotel] hotel in Vinkenveen. Op de terugreis heeft [Costa Ricaanse 1] na een telefoongesprek gezegd: “They don’t believe me.”

Op 27 september 2007 heeft [Costa Ricaanse 1] met [getuige 5] gebeld met het verzoek om haar wederom in het hotel in Vinkeveen te komen halen. [Costa Ricaanse 1] heeft hem gevraagd om naar de [straat 11] in Roermond te rijden. [Costa Ricaanse 1] is daar een zijstraatje ingelopen, waarna [getuige 5] een uur heeft gewacht. Toen zij terug kwam zag [getuige 5] dat zij twee velletjes papier in haar handen had.

Ter hoogte van Eindhoven voerde [Costa Ricaanse 1] een telefoongesprek. [getuige 5] zag dat ze een uitdraai van de site www.nieuwsweert.nl in haar handen had. Hij hoorde [Costa Ricaanse 1] over de telefoon zeggen:“double u” double u”“ie” en “punto” waardoor hij het idee kreeg dat zij www.nieuwsweert.nl probeerde te spellen. Naar aanleiding van deze verklaring heeft verbalisant met nummer “[nummer]” op 12 december 2007, de website www.nieuwsweert.nl geraadpleegd. In het archief van deze website is een link te vinden met als titel: “1674 kilo cocaïne in loods Weert”. Uit onderzoek is gebleken dat dit persbericht rond 27 september 2007 op de voornoemde internetsite heeft gestaan.

Tevens is gebleken uit nader onderzoek dat verdachte in Costa Rica contact heeft gehad met [Costa Ricaanse 1]. [Costa Ricaanse 1] wordt door [getuige 4] herkend en omschreven als de vrouw of vriendin van verdachte. Daarnaast vinden er in 2007 diverse transacties plaats, waarbij verdachte geld overmaakt naar [Costa Ricaanse 1] vanuit Nederland naar Costa Rica.

Gelet op de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang en verband, blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte zowel in Costa Rica als in Nederland in de periode rondom de verscheping van de container naar Nederland en in de periode rond de doorlevering van de litigieuze container op 19 september 2007, in nauw contact heeft gestaan met [Costa Ricaanse 1]. Tevens blijkt uit deze bewijsmiddelen dat [Costa Ricaanse 1] deel heeft genomen aan de taxirit van 19 september 2007, contact heeft gehad met buitenlandse personen betrekking tot de vermissing van de verdovende middelen en door deze derden ter verantwoording is geroepen naar aanleiding van de vermissing van de verdovende middelen.

De rechtbank is gelet op voormelde bewijsmiddelen eveneens van oordeel dat daar waar [verdachte 2] in zijn verklaring spreekt over een ‘contact van de derde persoon’, zijnde de persoon die hem telefonische opdrachten heeft gegeven en naar Parijs heeft ontboden en daar waar [verdachte 5] in zijn verklaring spreekt over een getinte vrouw die hem heeft gebeld naar aanleiding van de vondst van de stenen en het hout en die hem heeft ontboden naar Parijs, [Costa Ricaanse 1] wordt bedoeld. [Costa Ricaanse 1] is derhalve tevens de vrouw die in gebroken Engels spreekt en heeft gebeld met [verdachte 5] en [verdachte 2] met het nummer dat in gebruik was bij verdachte ([GSM nummer]).

Costa Rica

Aan de hand van de gegegevens van de in beslag genomen opdrachtformulieren van de firma [vervoersbedrijf] is onderzoek gedaan naar de door het bedrijf [bedrijf van verdachte 2] afgeleverde en verstuurde zendingen. Uit de administratie van [vervoersbedrijf] blijkt dat er, naast de container die op 12 september 2007 is geïmporteerd, twee eerdere zendingen van [bedrijf van verdachte 2] vanuit Costa Rica naar Nederland zijn verscheept. Deze zendingen zijn op 27 juni 2007 en 9 augustus 2007 geïmporteerd.

Uit nader onderzoek is gebleken dat verdachte en diverse medeverdachten in de periode rond de verzendingen van de containers in Costa Rica zijn geweest. Uit de vluchtgegevens kan, voor zover van belang, worden afgeleid dat:

In de maand april 2007

[verdachte 6] en [Costa Ricaanse 1] zijn op 1 april 2007 Costa Rica ingereisd. Verdachte is op

23 april 2007, vanuit Panama, Costa Rica ingereisd.

In de maand mei 2007

Op 11 mei 2007 is [verdachte 6], vanuit Panama, Costa Rica ingereisd. Verdachte is op

18 mei 2007, vanuit Panama, Costa Rica ingereisd. [verdachte 2] is de daarop volgende dag Costa Rica ingereisd.

In de maand juni 2007

Op 19 juni 2007 is [verdachte 6], vanuit Panama, Costa Rica ingereisd. Op 23 juni 2007 is [Costa Ricaanse 1], vanuit Panama, Costa Rica ingereisd. Verdachte is op 28 juni 2007 vanuit Costa Rica vertrokken.

In de maand juli 2007

Op 1 juli 2007 zijn [verdachte 6], verdachte en [verdachte 3] Costa Rica ingereisd. Verdachte, [Costa Ricaanse 1] en [verdachte 3] reizen vervolgens op 6 juli 2007 door naar Panama.

In de maand augustus 2007

Op 17 augustus 2007 is [Costa Ricaanse 1] Costa Rica ingereisd. Verdachte is op

19 augustus 2007 Costa Rica ingereisd. Daarnaast zijn [verdachte 6] en [verdachte 2] op

23 augustus 2007 Costa Rica ingereisd. [Costa Ricaanse 1] is vervolgens evenals verdachte en [verdachte 6] op 25 augustus 2007 doorgereisd naar Panama.

Geldtransacties

Tevens blijkt uit informatie van de [bank] en van de Financial Intelligence Unit (FIU) Nederland dat de partner van verdachte, onder meer, op 12 januari 2007, 17 januari 2007 en 25 januari 2007 vanuit Nederland geld heeft overgemaakt naar verdachte. Daarnaast is gebleken dat verdachte, onder meer, op 2 januari 2007, 14 februari 2007,

13 april 2007 en 15 mei 2007 vanuit Nederland geld heeft overgemaakt naar [Costa Ricaanse 1] in Costa Rica.

In het proces-verbaal van [bank] wordt tevens gerelateerd dat [Costa Ricaanse 1] en een vrouw genaamd [Costa Ricaanse 2] op 25 juni 2007 elk een bedrag van 3.761.950,00 colonnes (€5.754,74) hebben ontvangen van verdachte en [verdachte 3]. Op

27 juni 2007 zijn [Costa Ricaanse 1] [Costa Ricaanse 2], [verdachte 3] en verdachte verschenen bij de [bank] om twee uit Nederland, van de partner van verdachte, afkomstige overboekingen van elk van 2.584.250,00 colonnes (totaal bedrag € 7.920,08) in ontvangst te nemen. De uitbetaling van deze bedragen zijn geweigerd, omdat het geldbedrag gesplitst was om bepaalde procedures te omzeilen.

In Costa Rica heeft getuige [getuige 4] drie verklaringen afgelegd. Eén verklaring heeft hij afgelegd nadat hij zich vrijwillig had gemeld bij de Costa Ricaanse politie op 3 oktober 2007. [getuige 4] had via een krantenbericht in Costa Rica vernomen dat er in Nederland tussen een lading koffie uit Costa Rica, cocaïne was aangetroffen. [getuige 4] vermoedde dat dit mogelijk de lading was die hij in Costa Rica heeft ingeladen. De tweede verklaring heeft [getuige 4] afgelegd bij de CostaRicaanse politie d.d. 20 november 2008. Op diezelfde dag heeft hij tevens in Costa Rica in tegenwoordigheid van de rogatoire commissie zijn derde verklaring afgelegd.

[getuige 4] heeft verklaard dat hij ongeveer vier jaar geleden voor het eerst contact heeft gehad met [verdachte 6]. Hij heeft [verdachte 6] leren kennen toen hij als ober werkte in [Hotel] te Heredia. [verdachte 6] heeft vanaf die tijd regelmatig in dit hotel verbleven. Medio februari 2007 heeft [getuige 4] aan [verdachte 6] gevraagd of hij werk had voor zijn zoon. De zoon van [getuige 4] heeft gedurende een maand dozen koffie voor [verdachte 6] verpakt.

Een maand later heeft [verdachte 6] aan [getuige 4] te kennen gegeven dat hij voornemens was om te stoppen met de export van koffie vanuit Costa Rica. [verdachte 6] zou [getuige 4] in contact brengen met een andere persoon die de export van koffie naar Nederland wilde voortzetten. In mei of juni 2007 werd [getuige 4] voorgesteld aan [verdachte 2].

[verdachte 6] heeft tegen [getuige 4] gezegd dat [verdachte 2] naast koffie, ook andere Costa Ricaanse producten als sierplanten en dergelijke, wilde exporteren. Hiervoor was een grote loods nodig. [verdachte 6] heeft [getuige 4] vervolgens de opdracht gegeven om een geschikte loods te zoeken. De twee loodsen die [getuige 4] had gevonden vond [verdachte 6] niet veilig genoeg. Daarna is het contact met betrekking tot de loods verlopen via [verdachte 1]. [getuige 4] heeft verklaard dat deze [verdachte 1] een contact was van [verdachte 6], die werd vergezeld door [Costa Ricaanse 1], zijn Colombiaanse vrouw of vriendin.

[getuige 4] had een derde loods gevonden, maar deze vond [verdachte 1] niet veilig genoeg. Vervolgens heeft [verdachte 1] zelf een loods in Heredia geregeld. Het huurcontract werd op naam van [getuige 4] gesteld. Naast [getuige 4] beschikte alleen [verdachte 1] over een sleutel van de loods. In deze loods is één lading met koffie aangekomen, dat was medio juni of juli 2007, de andere ladingen met koffie zijn rechtstreeks vanaf de koffieleverancier verscheept.

[getuige 4] heeft verklaard dat hij is aangenomen om koffie, die in zakken van één kilo zou worden aangeleverd, in dozen te doen en vervolgens te verzegelen. Toen de lading koffie in juli 2007 binnenkwam was deze echter al verpakt in dozen en verzegeld met een doorzichtige strook plakband. [verdachte 1] was boos op [getuige 3], omdat de koffie in reeds verzegelde dozen binnen was gekomen. [getuige 4] mocht de dozen van [verdachte 1] nog niet op de pallets pakken, maar moest wachten op nadere instructies van [verdachte 2]. Toen [verdachte 2] anderhalve week later aankwam, heeft hij de opdracht gegeven aan [getuige 4] om de dozen op de pallets te stapelen en om vervolgens om de stapels folie te wikkelen.

[getuige 4] verklaart dat hij de lading op een zondag klaar moest hebben om te exporteren. [verdachte 2] heeft aan hem gevraagd om op de zaterdag daarvoor mee te gaan met een toeristisch uitstapje, omdat hij Costa Rica wilde leren kennen. Naast [verdachte 2] zouden [verdachte 1], [Costa Ricaanse 1] en nog twee Nederlanders meegaan. Eén van deze Nederlanders herkent hij op de foto’s met - onder meer- de verdachten van het Fuhler-onderzoek die aan hem worden getoond. Dit betreffen foto’s van medeverdachte [verdachte 3]. Toen hij om half zes ’s ochtends in [Hotel] in San José aankwam, hebben [verdachte 1] en [Costa Ricaanse 1] zich afgemeld, omdat ze verkouden waren. De andere Nederlanders zeiden eveneens dat zij niet mee wilden gaan. Alleen [verdachte 2] en [getuige 4] zijn vervolgens met een minibusje met chauffeur op pad gegaan. Onderweg naar de vulkaan Poàs werd [verdachte 2] tegen een uur of negen gebeld door [verdachte 1]. [getuige 4] heeft toen aan [verdachte 2] gevraagd, waarom [verdachte 1] heeft gebeld. [verdachte 2] heeft toen te kennen gegeven dat [verdachte 1] in de loods was. [verdachte 2] en [getuige 4] hebben vervolgens nog tot tien uur ’s avonds rondgereden en gegeten.

De dag daarna is [getuige 4] naar de loods gegaan om de container te laden. Toen hij bij de loods aankwam, werd hij opgewacht door [verdachte 3] en de andere Nederlander. Bij het openen van de loods bleek dat de dozen niet meer op de plaats stonden waar [getuige 4] ze had achtergelaten. Er was meer plasticfolie gewikkeld om de dozen die op de pallets stonden. Eén van de Nederlanders heeft toen gezegd dat [verdachte 1] dat heeft gedaan, zodat de dozen niet van de pallet zouden vallen. Vervolgens heeft [getuige 4] samen met de twee Nederlanders en de bewaker van de loods, de pallets in de container geladen.

Tijdens de verklaring die [getuige 4] heeft afgelegd tijdens de rogatoire commissie

d.d. 20 november 2008 naar Costa Rica is hij geconfronteerd met de foto’s van - onder meer - de verdachten in het Fuhler-onderzoek. Als aan hem een foto worden getoond waarop [verdachte 2] staat afgebeeld, verklaart [getuige 4] dit zijn opdrachtgever [verdachte 2] is. Als aan hem foto’s worden getoond waarop [Costa Ricaanse 1] staat afgebeeld, verklaart [getuige 4] dit de vrouw is die hij in zijn verklaring [Costa Ricaanse 1] noemt, zijnde de vrouw die [verdachte 1] vergezelde. Als hem de foto’s waarop verdachte staat afgebeeld worden getoond, verklaart [getuige 4] dat dit de persoon is die hij in zijn verklaringen [verdachte 1] noemt. Als aan hem een foto van [verdachte 6] wordt getoond, dan verklaart [getuige 4] dat dit de persoon is die hij in zijn verklaring [verdachte 6] noemt. Voorts verklaart [getuige 4] dat de persoon die op foto 1 van fotomap 2 en op foto 4 van fotomap 3 staat afgebeeld één van de Nederlanders was die ook in Costa Rica is geweest. Op beide foto’s staat [verdachte 3] afgebeeld.

Overwegingen van de rechtbank ter zake opzet

Uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat een groep personen waaronder verdachte betrokken is geweest bij de invoer van cocaïne vanuit Costa Rica naar Nederland. De betrokkenheid van verdachte blijkt met name uit de actieve rol van verdachte bij het huren van de loods in Heredia (Costa Rica), alwaar de onderhavige partij koffie werd afgeleverd en opnieuw (door verdachte) verpakt. Verdachte was overigens de enige persoon, die naast getuige [getuige 4], beschikte over een sleutel van deze loods.

Voorts heeft verdachte rondom de levering van de container nauwe (telefonische) contacten hierover onderhouden met de betrokkenen en was hij ten tijde van de levering van de container in Weert voortdurend in de buurt van de loods. Als blijkt dat de container niet de gewenste inhoud heeft, is verdachte met overige betrokkenen aanwezig bij een onderhoud dat hierover plaatsvindt gedurende een taxirit die op z’n minst als uiterst merkwaardig kan worden aangemerkt. Hierbij is ook een Zuid-Amerikaanse vrouw aanwezig ([Costa Ricaanse 1]) met wie verdachte nauwe contacten onderhield. Medeverdachten worden later door diezelfde vrouw over de inhoud van de container in Parijs ter verantwoording geroepen. De vergaande interesse in en de actieve betrokkenheid van verdachte rondom de betreffende container, alsmede de aard van zijn gedragingen zijn naar het oordeel van de rechtbank niet te herleiden (zoals de raadsvrouw beweert) tot de import van een legale lading met koffie, met welke lading hij overigens verder niets van doen had. (De koffie werd immers geïmporteerd door en ten behoeve van het bedrijf van medeverdachte [verdachte 2]). Immers valt in dit verband niet in te zien waarom de lading koffie eerst door tussenkomst van de loods van verdachte naar Nederland werd verscheept, hij met andere betrokkenen (dure) reizen naar Costa Rica maakte om de lading verzendklaar te maken, hij veelvuldig contact onderhield omtrent het verloop van het transport en hij nauwe contacten onderhield met Zuid-Amerikaanse personen aan wie verantwoording moest worden afgelegd toen in de lading koffie hout en stenen in plaats van koffie werden aangetroffen.

Bovendien blijkt uit de verklaringen van medeverdachte [verdachte 2] dat verdachte aan [verdachte 2] te kennen heeft gegeven dat er in de betreffende lading best iets anders zou kunnen zitten dan alleen koffie en dat hij daarover met niemand mocht praten.

Uit het vorenstaande in onderling verband en samenhang bezien leidt de rechtbank af dat verdachte niet alleen bepaalde activiteiten heeft verricht rondom de invoer van een partij koffie maar hij er tevens wetenschap van had dat er cocaïne in de betreffende lading aanwezig was. Hiermee heeft verdachte zich naar het oordeel van de rechtbank schuldig gemaakt aan de invoer van verdovende middelen naar Nederland en de voorbereidingshandelingen daartoe.

Hiermee weerlegt de rechtbank de verweren van de raadsvrouw.

7.5 Vrijspraakoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat partiële vrijspraak dient te volgen van het aantal ten laste gelegde kilo’s cocaïne.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge de door het NFI gehanteerde richtlijn hadden er uitgaande van de 1504 verpakkingen (1674,96 kg.), 28 monsters getest dienen te worden om met een betrouwbaarheid van 95% zekerheid vast te kunnen stellen dat tenminste 90% van alle verpakkingen cocaïne bevat. Drs. R. Jellema heeft zijn berekening van het aantal te testen monsters gebaseerd op een geringere hoeveelheid aangetroffen cocaïne (94 kg.), waarbij hij bovendien een andere richtlijn hanteert ten aanzien van het betrouwbaarheidscriterium (99/80), welke maatstaf eerder overigens ook door het NFI werd gebruikt. Drs. R. Jellema heeft als gevolg hiervan in plaats van 28 monsters 21 monsters getest op de aanwezigheid van cocaïne. Nog los van de vraag welke richtlijn in deze als uitgangspunt dient te worden genomen, kan in ieder geval worden vastgesteld dat drs. R. Jellema zijn berekening van het aantal te testen monsters heeft gebaseerd op een hoeveelheid cocaïne die niet overeenkwam met de werkelijke hoeveelheid aangetroffen cocaïne.

Gelet hierop als ook op de omstandigheid dat het ten laste gelegde gewicht een bruto gewicht betreft, zal de rechtbank verdachte (partieel) vrijspreken van het exacte aantal ten laste gelegde kilo’s cocaïne. Vanwege het feit dat een substantieel deel van monsters is getest en het verpakkingsmateriaal geen wezenlijk onderdeel van het gewicht uitmaakt, gaat de rechtbank bij de bewezenverklaring uit van een hoeveelheid cocaïne, waarbij zij opmerkt dat het gaat om een zeer grote hoeveelheid.

7.6 Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 12 september 2007 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;

2.

hij in de periode van 01 januari 2007 tot en met 19 september 2007 te Rotterdam en Weert, in elk geval in Nederland en Costa Rica, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk afleveren, vervoeren en binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en te bevorderen,

- anderen heeft getracht te bewegen om die feiten mede te plegen en om daartoe gelegenheid, middelen en inlichtingen te verschaffen, en

- zich en anderen gelegenheid en middelen en inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen, en

- voorwerpen en vervoermiddelen en gelden voorhanden heeft gehad, waarvan hij en zijn mededaders wisten of ernstige reden hadden te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit,

immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders tezamen en in vereniging met elkaar, toen en aldaar opzettelijk:

- een loods in Costa Rica gehuurd, en

- in een aantal dozen de voormelde hoeveelheid cocaïne verstopt en/of doen verstoppen, en

- het vervoer van de verdovende middelen georganiseerd, en

- een (dek)lading koffie in gestapelde dozen op pallets in een container naar Nederland doen verschepen, en

- in Nederland een loods en vorkheftruck gehuurd, en

- vervolgens opdracht gegeven de voormelde container naar een loods in Weert te doen vervoeren, en

- meermalen telefoongesprekken gevoerd met betrekking tot het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en afleveren en vervoeren van voornoemde verdovende middelen, en

- een betaling verricht met betrekking tot de uitvoering van één of meer van die te plegen misdrijven;

3.

hij in de periode van 12 september 2007 tot en met 19 september 2007 te Rotterdam en Weert, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk ongeveer 1 kilogram cocaïne van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I heeft afgeleverd en vervoerd.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. De kwalificatie

De rechtbank is van oordeel dat het ten laste van verdachte bewezenverklaarde (onder 1, 2 en 3) betreft de noodzakelijke voorbereidingshandelingen van de invoer van cocaïne, de daadwerkelijke invoer van cocaïne en vervolgens de doorlevering van deze cocaïne binnen Nederland. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de drie feiten voortgekomen uit één ongeoorloofd wilsbesluit, namelijk het naar een loods in Weert vervoeren van een container met cocaïne afkomstig uit Costa Rica, en is er derhalve sprake van een voortgezette handeling ingevolge artikel 56 van het Wetboek van Strafrecht.

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op:

de voortgezette handeling van:

2.

medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van een feit als bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet door, - een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, mede te plegen of daarbij behulpzaam te zijn;

en

1.

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 aanhef en onder A van de Opiumwet gegeven verbod;

en

3.

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 aanhef en onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Het misdrijf onder 2 is strafbaar gesteld bij artikel 10a van de Opiumwet juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Het misdrijf onder 1 is strafbaar gesteld bij artikel 10 van de Opiumwet juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Het misdrijf onder 3 is strafbaar gesteld bij artikel 10 van de Opiumwet juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10. De straffen en/of maatregelen

10.1 De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 4 november 2009 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren.

De officier van justitie heeft bij de bepaling van de gevorderde straf onder meer in aanmerking genomen de rol van verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde en de ernst van de strafbare feiten.

10.2 De overwegingen van de rechtbank

De verdachte heeft samen met anderen per zeeschip een container met een deklading koffie met daarin een zeer grote hoeveelheid cocaïne uit Costa Rica in Nederland gebracht. Met name gelet op de betrokkenheid van verdachte bij de ten laste gelegde feiten en de aard van de contacten die hij onderhield met Zuid-Amerikaanse personen die naar het oordeel van de rechtbank als sleutelfiguren kunnen worden gezien, concludeert de rechtbank dat verdachte in deze een aanzienlijke rol had.

Invoer van cocaïne, in het bijzonder van enorme hoeveelheden zoals bij het onderhavige transport, is een delict dat in hoge mate bijdraagt aan de handel in en het gebruik van cocaïne. Cocaïne levert, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren op voor de gezondheid van die gebruikers. In het bijzonder geldt dit voor personen in uitgaanscentra, waar jongeren in een uitgelaten stemming extra kwetsbaar zijn en niet zelden op georganiseerde wijze worden aangespoord tot het gebruik van dergelijke middelen, waarvan de consequenties voor de gezondheid onder omstandigheden ernstig kunnen zijn en op langere termijn niet te overzien. Het is ook een feit van algemene bekendheid dat gebruikers hun verslaving vaak door diefstal of ander crimineel handelen trachten te bekostigen, waardoor aan de samenleving ernstige schade wordt berokkend. Ook gaat invoer van hoeveelheden cocaïne als in deze zaak, waar sprake is van een straatwaarde van vele tientallen miljoenen Euro´s, gepaard met zware, niets ontziende en ontwrichtende criminaliteit.

De bewezenverklaarde feiten rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank, in het bijzonder gelet op de enorme hoeveelheid cocaïne die is ingevoerd en de aanzienlijke rol van verdachte hierbij, het opleggen van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank bepaalt de gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren.

De rechtbank houdt echter ten voordele van verdachte rekening met het feit dat in de onderhavige zaak de uit artikel 6 EVRM voortvloeiende redelijke termijn, welke is gaan lopen op 25 september 2007 de datum waarop het Europees arrestatiebevel is uitgevaardigd, met de duur van ruim twee maanden is overschreden, alsmede met het gegeven dat verlaat officieel tot de vervolging van verdachte is overgegaan. De rechtbank houdt bij de strafoplegging hiermee rekening, in die zin dat zij twee maanden zal aftrekken van voornoemde straf.

Naar het oordeel van de rechtbank is deze straf passend en in overeenstemming met de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, alsmede met de persoon van verdachte zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

10.3 Teruggave

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat in beslag genomen zijn:

- een kwitantie van Saco de Café;

- een dvd;

- Bankbescheiden Rabobank;

- een Laptop

- een memorecorder

- een gsm zaktelefoon merk Alcatel;

- een gsm zaktelefoon merk LG chocolate;

- diverse papieren met aantekeningen;

- een huistelefoon met oplader merk Philips;

- een doos met aantekeningen;

- een doosje ten behoeve van Samsung telefoon;

- telefoonkaartgegevens;

- een aantekenblok;

- Samsung doosje met ur's;

- een geheugenkaart;

- een telefoonkaart met gegevens;

- bewakingsopname apparatuur met afstandsbediening;

- een zaktelefoon merk Nokia;

- twee cd’s;

- telefoondoos Motorola;

- een zaktelefoon Panasonic met oplader;

- een telefoondoos Nokia;

- een briefje met gsm KPN nummer en pukcode;

- een briefje met twee delen Parinor;

- vier papieren bescheiden;

- een kofferlabel;

- een dvd;

- een vijl.

Nu met betrekking tot deze voorwerpen niet (meer) wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering, dienen deze voorwerpen te worden teruggegeven aan verdachte.

11. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

10, 47, 56 en 91 van het Wetboek van Strafrecht;

2, 10, 10A van de Opiumwet.

12. Beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van negen jaar en 10 maanden;

gelast de teruggave van:

- een kwitantie van Saco de Café;

- een dvd;

- Bankbescheiden Rabobank;

- een Laptop

- een memorecorder

- een gsm zaktelefoon merk Alcatel;

- een gsm zaktelefoon merk LG chocolate;

- diverse papieren met aantekeningen;

- een huistelefoon met oplader merk Philips;

- een doos met aantekeningen;

- een doosje ten behoeve van Samsung telefoon;

- telefoonkaartgegevens;

- een aantekenblok;

- Samsung doosje met ur's;

- een geheugenkaart;

- een telefoonkaart met gegevens;

- bewakingsopname apparatuur met afstandsbediening;

- een zaktelefoon merk Nokia;

- twee cd’s;

- telefoondoos Motorola;

- een zaktelefoon Panasonic met oplader;

- een telefoondoos Nokia;

- een briefje met gsm KPN nummer en pukcode;

- een briefje met twee delen Parinor;

- vier papieren bescheiden;

- een kofferlabel;

- een dvd;

- een vijl,

aan verdachte;

beveelt de gevangenneming met ingang van heden.

Vonnis gewezen door mrs. M.J.A.G. van Baal, M.B.T.G. Steeghs en

M.J.H. van den Hombergh, rechters, van wie mr. M.B.T.G. Steeghs voorzitter, in tegenwoordigheid van mrs. P.C.W. Gubbels-Willems en R.P. van der Pijl als griffiers en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 4 december 2009.