Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BK5776

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
08-12-2009
Datum publicatie
09-12-2009
Zaaknummer
04/860578-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Doorknippen remkabel van in parkeervak geparkeerde auto. In casu geen poging doodslag, wel poging zware mishandeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector strafrecht

Parketnummer : 04/860578-09

Datum uitspraak: 8 december 2009

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats],

ter terechtzitting opgegeven postadres: [adres].

1.Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 24 november 2009.

2.De tenlastelegging

De verdachte staat na wijziging van de tenlastelegging terecht ter zake dat:

1.

hij op of omstreeks 20 augustus 2009 in de gemeente Venlo tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een fiets, in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte

en/of zijn mededader(s) die fiets onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht

door middel van braak en/of welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld tegen [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te

bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan

zichzelf en/of zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij

het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld hierin bestond(en) dat

verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

die [slachtoffer 2] heeft geslagen;

(artikel 312 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 11 maart 2009 in de gemeente Venlo

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk

[slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of een ander of anderen van het

leven te beroven,

met dat opzet een remleiding van de bedrijfsauto, gekentekend [kenteken], van

voornoemde [slachtoffer 3] heeft door, althans kapot geknipt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 287 juncto 45 Wetboek van Strafrecht)

Althans indien terzake het vorenstaande onder 2 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 11 maart 2009 in de gemeente Venlo

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 3]

en/of [slachtoffer 4] en/of een ander of anderen, opzettelijk zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet en remleiding van de bedrijfsauto, gekentekend [kenteken], van

voornoemde [slachtoffer 3] heeft door, althans kapot geknipt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 302 juncto 45 Wetboek van Strafrecht)

Althans indien terzake het vorenstaande onder 2 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 11 maart 2009 in de gemeente Venlo opzettelijk en wederrechtelijk een bedrijfsauto, gekentekend [kenteken], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

(artikel 350 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op of omstreeks 25 februari 2009 in de gemeente Venlo,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fles champagne,

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [supermarkt], in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

(artikel 310 jo. 47 Wetboek van Strafrecht)

4.

hij op of omstreeks 8 augustus 2009 in de gemeente Venlo met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (dames)fiets (merk:

Peugeot, type: Country), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan een ander of anderen dan aan hem verdachte;

(artikel 310 Wetboek van Strafrecht)

5.

hij op of omstreeks 8 augustus 2009 in de gemeente Venlo, in elk geval in

Nederland, een portemonnee met inhoud (met onder andere een bankpasje ten name

van [slachtoffer 5] en/of een buskaart en/of een geldbedrag) en/of een

toilettas met inhoud (diverse make-upartikelen) heeft verworven en/of

voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de

verwerving en/of het voorhanden krijgen van voornoemde portemonnee en/of

voornoemde toilettas wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat

het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

(artikel 416 subsidiair 417bis Wetboek van Strafrecht)

Althans indien terzake het vorenstaande onder 5 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 7 augustus 2009 in de gemeente Venlo met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee met inhoud (met

onder andere een bankpasje ten name van [slachtoffer 5] en/of een buskaart

en/of een geldbedrag) en/of een toilettas met inhoud (diverse

make-upartikelen), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[slachtoffer 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

(artikel 310 Wetboek van Strafrecht)

Althans indien terzake al het vorenstaande onder 5 geen veroordeling zou volgen:

hij in of omstreeks de periode van 7 augustus 2009 tot en met 8 augustus 2009,

althans op of omstreeks 8 augustus 2009 in de gemeente Venlo opzettelijk

een portemonnee met inhoud (met onder andere een bankpasje ten name van [slachtoffer 5] en/of een buskaart en/of een geldbedrag) en/of een toilettas met

inhoud (diverse make-upartikelen), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten

als vinder, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

(artikel 321 Wetboek van Strafrecht).

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3.De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4.De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5.De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6.Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7.Bewijsoverwegingen

7.1.Standpunten van de officier van justitie en de verdediging.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 24 november 2009 gevorderd dat

het onder 1, 2 primair, 3, 4 en 5 meer subsidiair ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

Ten aanzien van feit 2 heeft zij -zakelijk weergegeven- aangevoerd dat verdachte door doelbewust de remleiding van de auto door te knippen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat een ander zou komen te overlijden. Het is een feit van algemene bekendheid dat het rijden in een auto met kapotte remleiding levensgevaarlijk is. Dat de auto op het parkeerterrein stapvoets reed, doet daar niet aan af nu ook dan een botsing tussen een auto en een voetganger grote gevolgen kan hebben. De officier van justitie is gelet op het vorenstaande van mening dat het primair ten laste gelegde (poging tot doodslag) wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Zij heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van het Gerechtshof Den Bosch met LJN-nummer AZ2667.

Ten aanzien van feit 3 heeft de officier van justitie aangevoerd dat zij geen reden heeft om te twijfelen aan hetgeen de verbalisanten hebben verklaard, temeer nu zij nuchter waren en verdachte en de medeverdachte alcohol hadden gedronken.

Voorts heeft de officier van justitie ten aanzien van feit 5 meer subsidiair aangevoerd dat verdachte aangifte had moeten doen van het vinden van de goederen, met name van de portemonnee. Verdachte heeft deze spullen niet uit zichzelf aan de politie gegeven en zei zelfs in eerste instantie dat ze van hem waren.

De raadsvrouw van verdachte heeft -zakelijk weergegeven- het navolgende aangevoerd.

Ten aanzien van feit 1: Het feit dat verdachte de fiets heeft gestolen kan wettig en overtuigend bewezen worden verklaard, evenals dat verdachte [slachtoffer 2] heeft geslagen. Nu [slachtoffer 2] verdachte echter niet belemmerde in de diefstal, heeft verdachte het geweld niet aangewend om die diefstal mogelijk te maken. Hij heeft enkel geslagen uit irritatie. Het betreffen derhalve twee losstaande feiten (diefstal en mishandeling). Verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde diefstal met geweldpleging.

Ten aanzien van feit 2: Verdachte heeft bekend dat hij de remleiding van de auto heeft doorgeknipt. Hij heeft dit echter gedaan in een opwelling en had niet het opzet op de dood of zwaar lichamelijk letsel van een ander. Verdachte wist dat de gevolgen van zijn handeling beperkt zouden zijn. In dit concrete geval moest de auto eerst achteruit rijden op een nauwe plaats, zodat dat slechts stapvoets kon. De auto moest vervolgens remmen voordat hij vooruit kon wegrijden. Een eventuele botsing met deze minimale snelheid zou dus niet kunnen leiden tot de dood of zwaar lichamelijk letsel. Dat zou wellicht wel het geval kunnen zijn indien er een voetganger liep, maar uit het dossier is niet gebleken dat dit het geval was of dat het gevaar daartoe bestond. Nu verdachte derhalve niet bewust de aanmerkelijk kans heeft aanvaard op de dood of zwaar lichamelijk letsel bij een ander, dient hij te worden vrijgesproken van het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde. Het meer subsidiair ten laste gelegde kan naar de mening van de raadsvrouw wel wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

Ten aanzien van feit 3: Hetgeen de verbalisanten volgen het proces-verbaal hebben gezien, komt niet overeen met hetgeen verdachte en de medeverdachte hebben verklaard. Bovendien hebben de verbalisanten de naam van de medeverdachte onjuist vermeld. De verbalisanten hebben omschreven dat zij [medeverdachte] in de winkel zagen, terwijl dit daadwerkelijk verdachte betrof. Verdachte heeft de champagne in de winkel bij de uitgang geplaatst en is via de kassa’s naar buiten gelopen. Later heeft [medeverdachte] de fles mee naar buiten genomen. De verklaringen van de verbalisanten zijn dus vreemd, terwijl de verklaringen van verdachte geloofwaardig zijn. De verbalisanten hebben omschreven dat zij twee mannen voor het raam van de winkel zagen staan en dat later een van de mannen met een verdikking onder zijn jas naar buiten kwam. Deze omstandigheden zijn onvoldoende om tot een redelijke verdenking te komen en het lijkt er dus op dat de verbalisanten later naar die redelijke verdenking toe hebben geredeneerd door meer omstandigheden te noteren.

De aanhouding van verdachte zonder redelijke verdenking heeft derhalve onrechtmatig plaatsgevonden. Gelet hierop dient bewijsuitsluiting plaats te vinden en dient verdachte te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 4 en 5: De verbalisanten zagen verdachte met een fiets, waarvan hij het achterwiel optilde. Toen de verbalisanten hem vroegen of de fiets zijn eigendom was, hadden zij hem eerst de cautie moeten geven. Dit betreft een vormverzuim. Nu verdachte echter later- na het geven van de cautie- een soortgelijke verklaring heeft afgelegd betreffende feit 4, hoeft onder feit 4 aan dit vormverzuim geen gevolg te worden verbonden.

Na de onrechtmatige aanhouding van verdachte is bij verdachte de portemonnee en het toilettasje aangetroffen. Er dient dus bewijsuitsluiting plaats te vinden en verdachte dient van feit 5 te worden vrijgesproken. Subsidiair is de raadsvrouw van mening dat verdachte van het onder 5 primair en subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, nu daarvoor onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is. Verdachte heeft immers verklaard dat hij de spullen heeft gevonden. Ten aanzien van het onder 5 meer subsidiair ten laste gelegde heeft zij aangevoerd dat voor het ‘anders dan door misdrijf onder zich hebben’ nodig is een toevertrouwen, of een rechtsverhouding waaruit noodzakelijkerwijs voortvloeit dat verdachte de voorwerpen onder zich had. Daarvan is hier geen sprake, nu verdachte de spullen heeft gevonden. Ook van deze variant dient verdachte te worden vrijgesproken.

Naar aanleiding van het verweer van de raadsvrouw ten aanzien van feit 4 heeft de officier van justitie voorts aangevoerd dat het niet geven van de cautie aan verdachte geen belangenschending van verdachte betekent, aangezien verdachte dit feit ook ter terechtzitting heeft bekend. Ten aanzien van feit 5 is verdachte wel de cautie gegeven, zodat het verweer van de raadsvrouw niet opgaat, aldus de officier van justitie.

7.2.Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het onder 1, 2 subsidiair, 3, 4 en 5 meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De hieronder vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Ten aanzien van feit 1 :

Op 20 augustus 2009 heeft [slachtoffer 1] aangifte gedaan van diefstal van haar fiets. Nadat zij door een collega was gewaarschuwd dat iemand haar fiets aan het stelen was, is ze met collega’s naar buiten gerend. Ze zag daar een man met een wit t-shirt op haar fiets zitten. Aangeefster en haar collega’s riepen dat de man van de fiets moest afblijven. De man zette de fiets neer en rende weg. Het hangslot van de fiets was vernield.

Voorts heeft [slachtoffer 2] aangifte gedaan van mishandeling. Hij heeft verklaard dat hij zich op 20 augustus 2009 in het Monseigneur Nolenspark te Venlo bevond samen met [getuige 1]. Hij zag twee Poolse mannen aankomen, waarvan één op een soort wielrenfiets zat. Deze man droeg een grijs shirt, de andere man droeg een wit shirt. De man met het grijze shirt liep naar een fiets en haalde een betontang uit zijn broek. Hij knipte het kabelslot van een fiets die vast zat aan het hekwerk, kapot. [slachtoffer 2] heeft tegen de man gezegd dat hij moest stoppen, waarna de man zijn vinger op zijn lippen legde. [slachtoffer 2] heeft nogmaals gezegd dat de man de fiets moest laten staan. De man kwam op hem af lopen en maakte een slaande beweging richting zijn gezicht. Hij raakte hem op zijn rechterwang. De man liep terug naar de fiets en knipte het slot door. De man met het witte shirt pakte de fiets, tilde het achterwiel op en liep weg.

Voorts is [getuige 2] als getuige gehoord. Zij heeft verklaard dat ze twee mannen zag; één met een wit t-shirt en één met een grijs t-shirt. De mannen hadden een grote tang bij zich. Later zag ze de man met het grijze shirt op een fiets zitten.

Blijkens het proces-verbaal bevindingen is door verbalisant [verbalisant 1] op 24 augustus 2009 nader onderzoek ingesteld. Hij heeft gesproken met [getuige 1]. [getuige 1] vertelde hem dat hij op 20 augustus 2009 in het park zat, toen hij zag dat twee Polen een fiets wilden stelen. Een van [getuige 1] vrienden zei tegen de Polen dat ze dat niet moesten doen. Een van de Polen legde zijn wijsvinger op zijn mond om daarmee te zeggen “mondje dicht”. De vriend van [getuige 1] had toch nog iets gezegd, wat waarschijnlijk de reden was dat die vriend een klap in zijn gezicht kreeg. [getuige 1] had die klap niet gezien, maar wel gehoord.

Ter terechtzitting heeft verdachte bekend dat hij op 20 augustus 2009 te Venlo een fiets heeft weggenomen door met een betonschaar het slot door te knippen.

Verdachte heeft verklaard dat hij de diefstal alleen heeft gepleegd.

De rechtbank is op grond van de bovenomschreven bewijsmiddelen van oordeel dat feit 1 wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Dat verdachte (de man met het grijze t-shirt) de diefstal van de fiets heeft gepleegd in vereniging met een ander (de man met het witte t-shirt), blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit de verklaringen van de aangeefster [slachtoffer 1], de aangever [slachtoffer 2], de getuige [getuige 2] en het proces-veraal bevindingen betreffende de verklaring van [getuige 1].

Ten aanzien van het verweer dat verdachte [slachtoffer 2] niet heeft geslagen met het oogmerk de diefstal makkelijk te maken doch uit frustratie, overweegt de rechtbank dat dit verweer naar haar oordeel geen doel kan treffen. Immers, uit de verklaring van [slachtoffer 2] en de verklaring van [getuige 1] blijkt dat [slachtoffer 2] verdachte heeft aangesproken op het feit dat hij de fiets wilde stelen. Verdachte legde zijn vinger op zijn lippen teneinde ervoor te zorgen dat [slachtoffer 2] zijn mond zou houden. Toen [slachtoffer 2] vervolgens nogmaals verdachte aansprak, sloeg verdachte hem. Gelet op deze gang van zaken is het naar het oordeel van de rechtbank duidelijk dat [slachtoffer 2] verdachte in de diefstal wilde belemmeren, waarna verdachte hem sloeg teneinde de diefstal gemakkelijk te maken. Nu verdachte reeds was begonnen met de diefstal van de fiets toen hij [slachtoffer 2] sloeg, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de diefstal vergezeld werd van geweld.

Ten aanzien van feit 2 :

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting (“Het klopt dat ik op 11 maart 2009 in Venlo de remleiding van een bedrijfsauto heb doorgeknipt. Ik wist dat dit de remleiding betrof.”) en bij de politie ;

- de aangifte van [slachtoffer 3] ;

- de verklaring van de getuige [getuige 3] ;

- de verklaring van de getuige [slachtoffer 4] ;

- het proces-verbaal technisch onderzoek verkeer ;

- het proces-verbaal technisch onderzoek aan tang .

De rechtbank overweegt ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde als volgt.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de remleiding van de auto heeft doorgeknipt. Omdat de auto op een parkeerplaats stond, kon de chauffeur volgens verdachte niet zonder te remmen wegrijden. Hij wist dat de chauffeur het meteen zou merken op de parkeerplaats en dat hij niet de openbare weg kon oprijden alvorens te remmen.

Ook bij de politie heeft verdachte verklaard dat de auto achteruit moest rijden vanaf de parkeerplaats, hetgeen stapvoets moest gebeuren, en dat de chauffeur meteen bemerkt zou hebben dat de remmen het niet deden. [slachtoffer 4] , de chauffeur van de auto, heeft verklaard dat toen hij weer in de auto stapte en deze achteruit reed, er een auto aankwam waardoor hij moest remmen. Hij merkte meteen dat de remmen het niet deden.

Ook de getuige [getuige 3] , die automonteur is en door [slachtoffer 3] was gebeld om naar de auto te komen kijken, heeft verklaard dat de leiding in de breedte bijna doormidden was, wat je met rijden meteen zou moeten merken.

Gelet op de situatie ter plaatse (het betrof een parkeerplaats, de chauffeur moest eerst

-stapvoets- achteruit rijden en remmen alvorens hij vooruit kon rijden en de parkeerplaats kon verlaten) en de wijze waarop verdachte de kabel heeft doorgeknipt (zodanig dat dit voor de chauffeur bij het rijden meteen merkbaar was) is de rechtbank van oordeel dat er geen aanmerkelijke kans bestond dat een ander tengevolge van het handelen van verdachte zou komen te overlijden. Naar het oordeel van de rechtbank is derhalve niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de dood van een ander, zodat verdachte van het onder 2 primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde is de rechtbank van oordeel dat verdachte door doelbewust de remleiding van de auto door te knippen, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat een voetganger of voetgangers zwaar lichamelijk letsel zou(den) oplopen. Immers op een parkeerplaats bij een supermarkt is de kans aanwezig dat voetgangers bekneld zouden kunnen raken tussen de auto waarvan verdachte de remkabel had doorgeknipt en een andere auto. Ook kan een aangereden voetganger ongelukkig ten val komen. Voor een voetganger, zijnde een kwetsbare verkeersdeelnemer, kan dit naar het oordeel van de rechtbank zwaar lichamelijk letsel tot gevolg hebben. Dit gevaar voor zwaar lichamelijk letsel bestond naar het oordeel van de rechtbank niet voor de in de tenlastelegging vermelde [slachtoffer 3], nu hij zich niet ter plaatse bevond, noch voor [slachtoffer 4], die zich in de auto bevond.

Ten aanzien van feit 3 :

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting (“het klopt dat ik op 25 februari 2009 te Venlo samen met een ander een fles champagne heb weggenomen bij de [supermarkt] te Venlo”);

- de verklaring van de medeverdachte [ ] ;

- de aangifte van [aangever] ;

- het proces-verbaal bevindingen .

Blijkens het proces-verbaal bevindingen zagen de verbalisanten, die zich op 25 februari 2009 bevonden op de parkeerplaats van de supermarkt [supermarkt] te Venlo, twee mannen door de ruit van de supermarkt naar binnen kijken. De mannen liepen naar de ingang van de winkel en één van de mannen bleef bij de ingang van de winkel staan, terwijl de andere man naar binnen liep. Ze zagen dat de man in de winkel een fles uit het schap pakte en deze onder zijn jas verborg. De man hield zijn jas dicht, zodat de fles niet meer zichtbaar was. De man verliet vervolgens de winkel zonder de fles af te rekenen. Vervolgens verlieten de mannen gezamenlijk de winkel. De verbalisanten zagen dat één van de mannen een verdikking aan de linkervoorzijde van zijn jas had. De verbalisanten hebben de mannen aangehouden en na het geven van de cautie heeft de man desgevraagd een fles champagne uit zijn jas gehaald.

Ten aanzien van het verweer van de raadsvrouw dat de verbalisanten geen redelijke verdenking hadden jegens verdachte en de medeverdachte omdat de verbalisanten enkel hebben kunnen zien dat verdachte en de medeverdachte door het raam van de winkel keken en dat later één van de twee mannen een verdikking onder zijn jas had, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de inhoud van de door de verbalisanten op ambtsbelofte afgelegde verklaringen in het proces-verbaal van bevindingen. Wat er ook zij van een onjuiste naamsvermelding van de medeverdachte door de verbalisanten, hun relaas komt, wat betreft het feitelijk handelen, op wezenlijke punten overeen met de verklaring die verdachte heeft afgelegd. Indien er al van zou worden uitgegaan dat de verbalisanten enkel hebben gezien dat verdachte en de medeverdachte door het raam keken en dat later één van de twee een verdikking onder zijn jas had, dan is de rechtbank van oordeel dat ook enkel deze omstandigheden voldoende zijn om tot een redelijke verdenking te komen van winkeldiefstal door verdachte en de medeverdachte.

Gelet op de vorenstaande overwegingen heeft de aanhouding van verdachte en de medeverdachte naar het oordeel van de rechtbank niet onrechtmatig plaatsgevonden.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij in de winkel de champagne heeft gepakt en deze bij de uitgang van de winkel heeft neergezet. Hij heeft de winkel -zonder de fles- via de kassa’s verlaten. De mededader ging vervolgens de winkel in en gaf verdachte de fles bij de uitgang van de winkel aan. Ze hadden dit van tevoren zo afgesproken.

De medeverdachte [medeverdachte] [ ] heeft verklaard dat hij op 25 februari 2009 bij de [supermarkt] te Venlo samen met verdachte een fles champagne heeft meegenomen.

Gelet op de vorenstaande bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat feit 3 wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Ten aanzien van feit 4 :

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting (“het klopt dat ik op 8 augustus 2009 te Venlo een fiets heb weggenomen. De fiets was op slot”);

- het proces-verbaal van aanhouding .

Ten aanzien van feit 5 :

Ten aanzien van het verweer van de raadsvrouw dat de aanhouding van verdachte onrechtmatig heeft plaatsgevonden nu hem de cautie niet is medegedeeld en er derhalve bewijsuitsluiting dient plaats te vinden, overweegt de rechtbank als volgt. De verbalisanten zagen dat verdachte een fiets bij de bagagedrager vastpakte en het achterwiel optilde. Inderdaad is niet gebleken dat verdachte de cautie is gegeven, alvorens hij desgevraagd heeft verklaard dat hij niet de eigenaar van de fiets was en dat hij de fiets mee naar huis wilde nemen. De rechtbank is echter van oordeel dat gelet op de wijze waarop de verbalisanten verdachte hebben aangetroffen, te weten terwijl hij een afgesloten fiets bij het achterwiel optilde, zij ook zonder de verklaring van verdachte voldoende redelijke verdenking van een fietsendiefstal konden hebben, zodat de aanhouding van verdachte en daarmee het aantreffen van de in de tenlastelegging vermelde goederen niet onrechtmatig heeft plaatsgevonden.

Blijkens het proces-verbaal van aanhouding is verdachte op 8 augustus 2009 te Venlo op heterdaad aangehouden in verband met een fietsendiefstal. Op het politiebureau is de kleding van verdachte onderzocht door middel van een insluitingsfouillering. Tijdens deze fouillering werd een portemonnee bij verdachte aangetroffen met daarin een ziekenhuispasje en bankpasje van mevrouw [slachtoffer 5]. Tevens werd een toilettasje met make-up aangetroffen. Verdachte gaf aan dat de goederen van hem waren.

Blijkens de aangifte van [slachtoffer 5] is op 7 augustus 2009 te Venlo haar portemonnee (met bankpas, buskaart en ongeveer 15 euro) en toilettas (met make-up) weggenomen.

Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat hij denkt dat hij de portemonnee en toilettas met inhoud ergens in de stad heeft gevonden.

Ten aanzien van het onder primair en subsidiair ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt. Nu verdachte heeft verklaard dat hij de in de tenlastelegging vermelde goederen heeft gevonden en zich in het dossier geen bewijsmiddelen bevinden die tot een ander oordeel leiden en waaruit kan worden afgeleid dat verdachte ten tijde van de verwerving van de goederen wist althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de goederen van misdrijf afkomstig waren, zal verdachte worden vrijgesproken van het onder 5 primair en subsidiair ten laste gelegde.

Gelet op de vorenstaande bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat het onder 5 meer subsidiair ten laste gelegde wel wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Verdachte heeft verklaard dat hij de goederen heeft gevonden. Nu verdachte blijkens het proces-verbaal van aanhouding tegen de verbalisanten voorts heeft verklaard dat de goederen van hem waren, is de rechtbank van oordeel dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte de goederen niet onder zich hield voor een ander, maar dat hij zich de spullen had toegeëigend.

7.3.Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 subsidiair, 3, 4 en 5 meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 20 augustus 2009 in de gemeente Venlo tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een fiets, toebehorende aan [slachtoffer 1], waarbij verdachte en zijn mededader die fiets onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak en welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat verdachte die [slachtoffer 2] heeft geslagen;

2.

hij op 11 maart 2009 in de gemeente Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een ander of anderen, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een remleiding van de bedrijfsauto, gekentekend [kenteken], heeft door geknipt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op 25 februari 2009 in de gemeente Venlo, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fles champagne,

toebehorende aan [supermarkt];

4.

hij op 8 augustus 2009 in de gemeente Venlo met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (dames)fiets (merk: Peugeot, type: Country), toebehorende aan een ander dan aan hem verdachte;

5.

hij in de periode van 7 augustus 2009 tot en met 8 augustus 2009 in de gemeente Venlo opzettelijk een portemonnee met inhoud (met onder andere een bankpasje ten name van [slachtoffer 5] en een buskaart en een geldbedrag) en een toilettas met inhoud (diverse make-upartikelen), toebehorende aan [slachtoffer 5], welke goederen verdachte anders dan door misdrijf, te weten als vinder, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

8.1.Kwalificatie

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op de navolgende strafbare misdrijven:

T.a.v. feit 1:

diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die

diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het misdrijf onder 1 is strafbaar gesteld bij artikel 312 juncto 310 van het Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. feit 2 subsidiair:

poging tot zware mishandeling.

Het misdrijf onder 2 subsidiair is strafbaar gesteld bij artikel 302 juncto 45 van het Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. feit 3:

diefstal door twee of meer verenigde personen.

Het misdrijf onder 3 is strafbaar gesteld bij artikel 311 juncto 310 van het Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. feit 4:

diefstal.

Het misdrijf onder 4 is strafbaar gesteld bij artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. feit 5 meer subsidiair:

verduistering.

Het misdrijf onder 5 meer subsidiair is strafbaar gesteld bij artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht.

9.De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10.De straffen en/of maatregelen

10.1.De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van de feiten 1, 2 primair, 3, 4 en 5 meer subsidiair zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 18 maanden, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Zij heeft daartoe -zakelijk weergegeven- aangevoerd dat het er op lijkt dat verdachte naar Nederland is gekomen om strafbare feiten te plegen. Zodra verdachte geen werk heeft, pleegt hij vermogensdelicten. Verdachte geeft [slachtoffer 3] de schuld van het feit dat hij geen werk heeft en hij wilde daarom wraak nemen op [slachtoffer 3] (feit 2). Deze houding van verdachte is zeer kwalijk. Met name het onder 2 (primair) ten late gelegde feit acht de officier van justitie een zeer ernstig feit.

De officier van justitie heeft voorts rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte geen documentatie heeft in Nederland en dat hij in Polen vijf kinderen heeft die hij moet onderhouden. Een reclasseringsrapport betreffende verdachte is niet voorhanden.

10.2.Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de gevorderde straf aangevoerd dat indien verdachte wordt veroordeeld, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf waarvan de duur gelijk is aan het voorarrest afdoende is, eventueel in combinatie met een werkstraf. De raadsvrouw heeft verzocht om verdachte tevens een voorwaardelijke straf op te leggen, zodat verdachte zich kan bewijzen. Een onvoorwaardelijke gevangenisstaf zou een drama zijn voor verdachtes familie in Polen.

De reclassering heeft geen contact kunnen maken met verdachte, maar niet duidelijk is of zij hem op het juiste adres hebben benaderd. Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat alle ten laste gelegde feiten zijn gepleegd onder invloed van alcohol. Verdachte drinkt nu geen alcohol meer. Verdachte is niet naar Nederland gekomen om strafbare feiten te plegen. Hij heeft altijd zoveel mogelijk gewerkt en alle banen die hij kon krijgen aangegrepen.

10.3.De overwegingen van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een diefstal met geweldpleging, een tweetal diefstallen, een verduistering en een poging tot zware mishandeling. Vooral dit laatste feit acht de rechtbank zeer kwalijk, nu verdachte -gedreven door woede en wraakgevoelens omdat [slachtoffer 3] geen werk voor hem had- doelbewust de remleiding van een auto heeft doorgeknipt en daardoor bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat voorbijgangers (die er niks mee te maken hadden) zwaar lichamelijk letsel konden oplopen.

Voorts houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte gedurende een periode van vijf maanden meermalen vermogensdelicten heeft gepleegd.

Anders dan de officier van justitie neemt de rechtbank echter niet aan dat verdachte naar Nederland is gekomen om strafbare feiten te plegen, maar om te werken en zodoende zijn gezin in Polen te kunnen onderhouden.

Ten voordele van verdachte houdt de rechtbank voorts rekening met het feit dat verdachte blijkens het uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister niet eerder in Nederland is veroordeeld.

De rechtbank is van oordeel dat met het oog op een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lagere straf dan de hierna vermelde onvoorwaardelijke vrijheidsstraf.

De rechtbank stelt de duur van de op te leggen gevangenisstraf lager dan door de officier van justitie is gevorderd, nu naar het oordeel van de rechtbank de persoonlijke omstandigheden van verdachte onvoldoende in de eis van de officier van justitie tot uitdrukking komen. Bovendien komt de rechtbank tot een lagere straf, nu verdachte wordt vrijgesproken van feit 2 primair, zijnde het meest ernstige feit.

10.4.Teruggave aan verdachte

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat onder verdachte in beslag genomen zijn een aantal stukken gereedschap met de beslagnummers: 30071, 30073, 30074, 30075, 30076, 30078, 30079, 30080, 30081, 30083, 30085, 30086 en 30087

(betreffende alle inbeslaggenomen stukken gereedschap, m.u.v. de kniptang met

beslagnummer 30072, waarvan verdachte afstand heeft gedaan).

Nu met betrekking tot deze voorwerpen niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering, dienen deze voorwerpen te worden teruggegeven aan degene aan wie deze toebehoren, te weten verdachte.

11.Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 27, 45, 57, 302, 310, 311, 312, 321.

12.Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 2 primair en het onder 5 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 subsidiair, 3, 4 en 5 meer subsidiair ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 9 maanden;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

gelast de teruggave aan verdachte van de (in verband met feit 3) inbeslaggenomen stukken

gereedschap met beslagnummers: 30071, 30073, 30074, 30075, 30076, 30078, 30079,

30080, 30081, 30083, 30085, 30086, 30087

(betreffende alle inbeslaggenomen stukken gereedschap, m.u.v. de kniptang met

beslagnummer 30072, waarvan verdachte afstand heeft gedaan).

Vonnis gewezen door mrs. M.J.A.G. van Baal, V.P. van Deventer en

E.A.M. van Oorschot, rechters, van wie mr. V.P. van Deventer voorzitter, in

tegenwoordigheid van mr. I.E.A. van Eijk-Bronkhorst als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 8 december 2009.