Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BK5595

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
02-12-2009
Datum publicatie
07-12-2009
Zaaknummer
96791 / JE RK 09-1368
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

1:254 BW;ondertoezichtstelling; ernstige ex-partnerproblematiek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector civielrecht

Zaak-/rolnummer: 96791 / JE RK 09-1368

Beschikking van 02 december 2009 betreffende een jeugdbeschermingsmaatregel

in de zaak van

[minderjarige], geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 2004, hierna te noemen de minderjarige.

De kinderrechter merkt naast de minderjarige en verzoeker als belanghebbenden aan:

- [de moeder], de moeder,

wonende te [woonplaats],

[adres],

- [de vader], de vader,

wonende te [woonplaats],

[adres],

- Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, hierna ook aan te duiden als de stichting,

mede kantoorhoudende te 5804 BV Venray,

Noorderhof 14.

Het ouderlijk gezag wordt uitgeoefend door de ouders [de moeder] en [de vader].

1. Het verloop van de procedure

1.1. De raad voor de kinderbescherming te Roermond heeft op 26 oktober 2009 een verzoekschrift met bijlage(n) ingediend, strekkende tot ondertoezichtstelling van voornoemde minderjarige.

1.2. Bij de rechtbank is binnengekomen een brief d.d. 20 november 2009, met bijlagen, zijdens de moeder.

1.3. Op 24 november 2009 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De griffier heeft daarvan aantekening gehouden.

Bij de behandeling zijn verschenen:

- de moeder, bijgestaan door mr. R.J. Skála;

- de vader;

- [M]; namens de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,

- [I], namens de raad voor de kinderbescherming (hierna de raad).

1.4. Namens de moeder zijn ter zitting pleitaantekeningen overgelegd.

2. De vaststellingen en overwegingen

2.1. Namens de raad voor de kinderbescherming is ter zitting verklaard dat [de minderjarige] bedreigd wordt in haar ontwikkeling. De moeder gaat met [de minderjarige] langs steeds weer nieuwe hulpverleninginstanties en artsen om aan te kunnen tonen dat er iets aan de hand is met [de minderjarige] vanwege het feit, dat zij omgang met haar vader heeft. Volgens de raad zijn er geen aanwijzingen dat er met [de minderjarige] in dit opzicht iets mis zou zijn.

De raad is van mening dat de moeder dient te stoppen met haar consultaties van steeds weer nieuwe artsen, gedragsdeskundigen en/of hulpverleningsinstanties. De moeder benadert steeds weer nieuwe instanties, totdat zij merkt dat die niet meer onvoorwaardelijk achter haar standpunt staan, waarna zij de contacten met die instanties abrupt pleegt te stoppen. Dit patroon herhaalt zich telkens opnieuw. [de minderjarige] wordt door de moeder “ziek zijn” aangepraat. De raad is verder van oordeel dat de omgang tussen [de minderjarige] en haar vader, die door de rechter is opgelegd, maar door de moeder vrijwel onmiddellijk weer is stopgezet, in het belang van [de minderjarige] zo snel mogelijk weer moet worden gestart. De moeder lijkt de vader in het leven van [de minderjarige] geheel buiten spel te willen zetten en laat hem geen ruimte om een band met [de minderjarige] op te bouwen. De raad maakt zich zorgen vanwege het feit dat [de minderjarige] denkbeeldige ziekte of probleemgedrag wordt aangepraat, om dat als argument te gebruiken voor het stopzetten van de door de rechter opgelegde omgang met haar vader.

2.2. De vader heeft ter zitting verklaard dat hij zo snel mogelijk weer contact met zijn dochter wil hebben. Hij heeft de afgelopen jaren aan alles wat er van hem gevraagd werd voldaan en overal aan meegewerkt, teneinde omgang met zijn dochter [de minderjarige] te mogen hebben, maar het is steeds de moeder die met nieuwe verzonnen argumenten komt, waarom die omgang geen doorgang kan vinden.

De vader maakt zich veel zorgen over [de minderjarige]. Volgens de vader voert de moeder van haar kant een ex-partnerstrijd tegen hem en gebruikt [de minderjarige] als argument in die strijd. Hij is van mening dat dit [de minderjarige] ernstige schade toebrengt, nog afgezien van het feit dat [de minderjarige], die volgens hem in dit opzicht niets mankeert, nodeloos door haar moeder langs allerlei artsen, gedragsdeskundigen en hulpverleningsinstanties wordt gezeuld, hetgeen uiteraard voor [de minderjarige] onnodig belastend is. Hij stemt daarom dan ook in met het verzoek van de raad om ondertoezichtstelling.

2.3. Door en namens de moeder is geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.

De moeder vindt de rapportage en het advies van de raad voor de kinderbescherming onacceptabel. Zij is van mening dat er geen sprake is van een ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige]. [de minderjarige] is na de stopzetting door haar van de omgangsregeling met haar vader weer een blij kind. Volgens de moeder is er iets gebeurd tijdens de omgangsmomenten. De moeder kan niet begrijpen dat de psychologen zonder [de minderjarige] gezien te hebben, kunnen concluderen dat er alleen sprake is van ouderproblematiek. [de minderjarige] heeft onder meer een luisterend oor nodig en wordt op deze manier niet geholpen. De oorzaken voor de problemen die er met [de minderjarige] zijn worden niet weggenomen. Volgens de moeder wordt er alleen aan symptoombestrijding gedaan. Verder heeft de moeder te kennen gegeven dat het verzoek om ondertoezichtstelling alleen is gedaan om de omgangsregeling met de vader van [de minderjarige], die de rechter naar haar mening ten onrechte heeft opgelegd, af te dwingen en daar mag die onder toezichtstelling niet voor worden gebruikt.

2.4. Uit de overgelegde bescheiden en uit hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht blijkt naar het oordeel van de kinderrechter, dat de voorwaarde, in artikel 1:254, lid 1, Burgerlijk Wetboek, voor ondertoezichtstelling gesteld, is vervuld.

De kinderrechter is van oordeel dat er daarbij geen sprake is van een zogenaamde omgangsondertoezichtstelling, zoals door en namens de moeder is aangevoerd. De kinderrechter is gebleken dat er ernstige zorgen zijn omtrent de ontwikkeling van [de minderjarige].

Uit de rapportage van de raad voor de kinderbescherming komt naar voren dat de school van [de minderjarige] heeft aangegeven, dat [de minderjarige] veel last heeft van het conflict tussen beide ouders.

De rechtbank is van oordeel dat uit de rapportage van de raad blijkt dat [de minderjarige], door de hevige strijd tussen haar ouders, die al jaren aan de gang is en die zeer belastend voor haar is, wordt bedreigd in haar sociale en emotionele ontwikkeling.

Bovendien heeft de moeder ter zitting enerzijds gesteld dat [de minderjarige] naar haar mening niet in haar ontwikkeling wordt bedreigd en dat er daarom ook geen onder toezichtstelling nodig is, terwijl anderzijds blijkt dat de moeder tal van hulpverleningsinstanties is afgelopen om die ervan te overtuigen dat er met [de minderjarige] iets ergs aan de hand is en hen om hulp te vragen, om, zodra die instanties een standpunt innemen, dat niet met haar eigen opvattingen strookt, de contacten af te breken en weer nieuwe instanties te benaderen om hulp voor [de minderjarige]. De rechtbank is van oordeel dat [de minderjarige] hierdoor op een onaanvaardbare wijze wordt belast met wat, naar het zich laat aanzien, als ernstige ex-partnerproblemiek moet worden aangeduid.

[de minderjarige] wordt daarnaast ook nog bedreigd in haar ontwikkeling doordat het haar feitelijk steeds onmogelijk wordt gemaakt, zulks in weerwil van eerdere rechterlijke uitspraken, op een normale wijze contact te onderhouden met haar vader. De loyaliteit van [de minderjarige] ten opzichte van haar moeder, het bij haar feitelijk aanwezige negatieve beeld van haar vader en de onmogelijkheid met haar vader op een normale manier in contact te komen vormen daarnaast eveneens een bedreiging voor haar ontwikkeling.

De kinderrechter is van oordeel dat zowel [de minderjarige] als haar ouders ondersteuning en sturing van een gezinsvoogd nodig hebben, die de belangen van [de minderjarige] op de hiervoor genoemde gebieden behartigt en een verdere ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] afwendt.

3. De beslissing

De kinderrechter

3.1. stelt de minderjarige onder toezicht van de stichting voornoemd, voor een termijn van een jaar;

3.2. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is uitgesproken ter terechtzitting van 02 december 2009 door mr. R.H.A.M. Beaumont, kinderrechter, in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak kan beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze uitspraak is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening van de uitspraak of nadat de uitspraak hun op andere wijze bekend is geworden.