Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BK5155

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
02-12-2009
Datum publicatie
04-12-2009
Zaaknummer
94807 / JE RK 09-925
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 1:264 BW; vervangende toestemming medische behandeling; begrip medische behandeling; artikel 3 IVRK.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector civielrecht

Zaak-/rolnummer: 94807 / JE RK 09-925

Beschikking van 2 december 2009 betreffende vervangende toestemming voor medische behandeling

op het verzoek van:

De Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,

gevestigd te 6041 HM Roermond, Mariagardestraat 64,

hierna te noemen de stichting,

in de zaak van

[de minderjarige], geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1999, hierna te noemen de minderjarige.

De rechtbank merkt naast de minderjarige en de Stichting als belanghebbende aan:

[de moeder],

wonende te [woonplaats], [adres],

hierna te noemen de moeder,

Het ouderlijk gezag wordt uitgeoefend door de moeder, [de moeder].

1. Het verloop van de procedure

1.1. Dit blijkt uit het volgende:

- het verzoekschrift binnengekomen bij de rechtbank op 9 juli 2009;

- de mondelinge behandeling, welke heeft plaatsgevonden op 28 juli 2009 en bij welke behandeling zijn verschenen:

- mevrouw [de moeder];

- de gezinsvoogdes;

- de brief van de Stichting van 4 augustus 2009

- de brief van de rechtbank aan de Stichting van 11 augustus 2009;

- het telefaxbericht van 14 augustus 2009 met als bijlage nogmaals de brief van de Stichting van 4 augustus 2009;

- de nadere mondelinge behandeling, welke heeft plaatsgevonden op 5 november 2009 en bij welke behandeling zijn verschenen:

- mevrouw [de moeder] en haar tolk [P];

- de gezinsvoogdes.

2. De vaststellingen en overwegingen

1.2. De minderjarige [de minderjarige] is laatstelijk bij beschikking van 6 oktober 2009 onder toezicht gesteld van de stichting en sedert juli 2007 met een machtiging uit huis geplaatst.

1.3. De stichting heeft de kinderrechter bij op 9 juli 2009 ingekomen verzoekschrift verzocht om, uitvoerbaar bij voorraad, vervangende toestemming te verlenen voor de noodzakelijke medische behandeling van de minderjarige [de minderjarige]. De gezaghebbende ouder

- de moeder - weigert om toestemming te geven voor de behandeling van [de minderjarige].

De vervangende toestemming wordt gevraagd voor opname en psychiatrisch onderzoek door de kinder- en jeugdpsychiater van de Mutsaersstichting te Venlo. De minderjarige heeft ernstige gedragsproblemen. De psychiater kan slechts onderzoek doen naar de onderliggende oorzaken van de problematiek indien de ouder met gezag hiervoor schriftelijk toestemming geeft, hetgeen de moeder weigert.

2.2.1. Bij schrijven van 11 augustus 2009 heeft de rechtbank de stichting in de gelegenheid gesteld haar verzoek nader (medisch) te onderbouwen.

Uit de door de stichting gegeven reactie blijkt dat reeds enkele jaren geleden uitgebreid psychiatrisch onderzoek bij [de minderjarige] heeft plaatsgevonden en dat de moeder destijds weigerde het advies op te volgen. Buiten de vastgestelde hechtingsproblematiek heeft [de minderjarige] last van stemmingswisselingen en extreme buien waarin ze uren aan een stuk buiten zichzelf schreeuwt en gilt. Daarnaast geeft [de minderjarige] aan dat ze een stemmetje in haar hoofd hoort. Het verzoek tot onderzoek wordt gesteund door school en de pleegouders. Hernieuwd onderzoek is absoluut noodzakelijk om de hulpverlening concrete handvatten te geven om [de minderjarige] de zorg en hulp te geven die ze hard nodig heeft. De moeder is zelf onder behandeling in verband met psychoses en is familiair belast met schizofrenie.

2. De moeder volhardt in haar weigering toestemming te verlenen voor de opname en

het onderzoek. De moeder is van mening dat het onderzoek bij haar dochter onrust zal veroorzaken en dat [de minderjarige] daardoor nog meer gedragsproblemen zal laten zien.

3. Indien de minderjarige onder toezicht is gesteld en de gezaghebbende ouder niet

wenst in te stemmen met een medische behandeling kent artikel 1:264 van het Burgerlijk Wetboek (BW) voor minderjarigen jonger dan 12 jaar een specifieke regeling. Deze regeling houdt in dat de kinderrechter op verzoek van de stichting, vervangende toestemming kan geven indien een medische behandeling noodzakelijk is om ernstig gevaar voor de gezondheid te voorkomen. Deze bepaling is bedoeld om noodzakelijke medische ingrepen ondanks de weigering van de ouder(s) toch te kunnen laten plaatsvinden.

3.1. De rechtbank stelt voorop dat deze diep in het gezag van de ouder(s) ingrijpende

maatregel slechts genomen mag worden indien is voldaan aan alle, in artikel 1:264 BW vereiste voorwaarden.

Nu de moeder weigert de vereiste toestemming te verlenen ziet de rechtbank zich in deze vooreerst voor de vraag gesteld of de beoogde behandeling ziet op een medische behandeling.

3.2. Wanneer een minderjarige medisch onderzoek of medische behandeling behoeft of wanneer hij moet worden opgenomen in een ziekenhuis, is in beginsel de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) van toepassing.

Voor een uitleg van het begrip medische behandeling sluit de rechtbank aan bij de begripsomschrijving daaromtrent in de WGBO.

Artikel 7:446 BW bepaalt - voorzover hier van belang – dat onder handelingen op het gebied van de geneeskunst wordt verstaan alle verrichtingen - het onderzoeken en het geven van raad daaronder begrepen - ertoe strekkende een persoon van een ziekte te genezen, een persoon voor het ontstaan van een ziekte te behoeden of zijn gezondheidstoestand te beoordelen. Tot de handelingen moet tevens worden gerekend het in het kader daarvan verplegen en verzorgen.

De WGBO regelt voorts de relatie tussen de hulpverlener en de patiënt. De hulpverlener kan een arts, maar ook een inrichting of een ziekenhuis zijn. Voor verrichtingen ter uitvoering van de behandelingsovereenkomst geldt als uitgangspunt de toestemming van de patiënt. Met betrekking tot minderjarigen jonger dan 12 jaar komt de beslissingsbevoegdheid over de medische behandeling geheel toe aan de gezaghebbende ouder(s).

3.3. De rechtbank stelt vast dat het onderhavige verzoek van de stichting tot onderzoek en opname moet worden geduid als medische behandeling in de zin van de WGBO.

3.4. Voorts heeft de rechtbank de vraag te beantwoorden of de medische behandeling noodzakelijk is om ernstig gevaar voor de gezondheid te voorkomen.

Ter toetsing van die vraag heeft de stichting aan te geven waarin het ernstig gevaar bestaat, casu quo wat de gevolgen voor de gezondheid van de minderjarige zullen zijn als de voorgenomen medische behandeling achterwege blijft.

De rechtbank stelt vast dat de stichting in haar verzoek noch in haar nadere reactie

met de nodige (medische) bescheiden dan wel (medische) verklaringen aannemelijk heeft gemaakt dat de medische behandeling - in de vorm van opname en onderzoek - noodzakelijk is om ernstig gevaar voor de gezondheid van de minderjarige te voorkomen.

Indien geen ernstig gevaar dreigt kan vervangende toestemming niet worden gegeven. Dat onderzoek absoluut noodzakelijk zou zijn om de hulpverlening concrete handvatten te geven om [de minderjarige] de zorg en hulp te geven die ze hard nodig heeft, geeft geen antwoord op de voorwaarden die de wet stelt aan het verlenen van vervangende toestemming.

Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat, op grond van nationaalrechtelijke bepalingen, het verzoek van de stichting voor afwijzing in aanmerking komt.

3.5. In situaties als de onderhavige, waarbij artikel 1:264 BW toepassing mist omdat niet aannemelijk is gemaakt dat er een noodzaak tot medische behandeling is om ernstig gevaar voor de gezondheid van het kind te voorkomen, kan de vraag worden gesteld of artikel 3 van het Internationaal verdrag voor de rechten van het kind (hierna te noemen: IVRK) met zich brengt dat in het belang van het kind toch vervangende toestemming voor een behandeling dient te worden gegeven, zo deze in het belang van het kind wenselijk zou worden geacht.

Artikel 3, lid 1, van het IVRK bevat een algemene richtlijn voor de uitleg en tenuitvoerlegging van het verdrag die van verstrekkende betekenis is. Het geeft aan dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind een eerste overweging dienen te vormen. Het belang van het kind heeft overigens geen absolute voorrang boven andere belangen ("a primary consideration").

Het is de vraag of de door de stichting gevraagde maatregel in relatie tot het belang van het kind maakt, dat het gezagsrecht van de ouder in dit geval dient te wijken voor de door de stichting noodzakelijk geachte medische behandeling.

De wetgever heeft onderkend dat bij een uithuisplaatsing van langere duur de

weigering van instemming van de gezaghebbende ouder voor een medische behandeling negatieve gevolgen kan hebben voor de ontwikkeling van een minderjarige.

Op 18 juli 2009 is bij de Tweede Kamer ingediend het wetsvoorstel tot herziening van kinderbeschermingsmaatregelen (Kamerstukken II 2008/09, 32015).

Teneinde bepaalde essentiële belemmeringen voor de ontwikkeling van minderjarigen weg te nemen wordt het mogelijk gemaakt dat de kinderrechter, op verzoek de uitoefening van het gezag, (onder meer) op het punt van de medische behandeling, laat uitoefenen door de stichting.

Artikel 3, IVRK toepassende op het onderhavige geval heeft de rechtbank het belang

van de minderjarige bij een medische behandeling en een ongestoord verblijf van de minderjarige in het pleeggezin af te zetten tegen een inbreuk op het gezag van de ouder.

Gehoord alle ter terechtzitting aanwezige belanghebbenden en gelet op de inhoud van de processtukken is de rechtbank van oordeel dat de door de stichting verzochte vervangende toestemming voor een medische behandeling in het belang van de minderjarige [de minderjarige] dient te worden toegewezen. De stichting heeft voldoende aangetoond dat hernieuwd onderzoek noodzakelijk is om de hulpverlening concrete handvatten te geven om [de minderjarige] de zorg en hulp te geven die ze nodig heeft. De moeder, die niet de huidige opvoeder en verzorger van [de minderjarige] is, heeft de rechtbank onvoldoende kunnen overtuigen dat met niets doen het belang van [de minderjarige] meer is gediend. Voorkomen moet worden dat [de minderjarige] voor het huidige pleeggezin onhandelbaar wordt met alle gevolgen voor [de minderjarige] van dien.

2. De beslissing

De rechtbank:

2.1. wijst toe de door de stichting verzochte vervangende toestemming.

Deze beslissing is gegeven door mrs. P.C.G. Brants, mr. G.P.C. Dijkshoorn-Sleebe, en

mr. M.M.T. Coenegracht, allen kinderrechter, en ter openbare terechtzitting van 2 december 2009 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.