Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BK4827

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
07-10-2009
Datum publicatie
30-11-2009
Zaaknummer
AWB 09/484
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De beslissing inzake beëindiging van het recht op schuldhulpverlening, alsmede de daaraan voorafgaande toekenning is gebaseerd op de Verordening Schuldhulpverlening Gemeente Venray 2007 (de Verordening). De bevoegdheid tot het vaststellen van deze Verordening heeft verweerder ontleend aan de artikelen 108, eerste l9 lid en 149, van de Gemeentewet. Uit de Verordening vloeien voor de bij de Verordening bepaalde kring van personen aanspraken en verplichtingen voort.

De beslissing tot beëindiging dient te worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht, enkelvoudige kamer

Procedurenummer: AWB 09 / 484

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

[appellanten] te Venray, eisers,

gemachtigde mr. A.C.J. Lina

tegen

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Venray, verweerder.

1. Procesverloop

1.1. Bij besluit van 10 maart 2009 heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het besluit van 22 oktober 2008, waarbij verweerder het aan eisers toegekende recht op schuldhulpverlening heeft beëindigd, ongegrond verklaard.

Tegen het besluit van 10 maart 2009 is bij deze rechtbank beroep ingesteld.

1.2. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eisers gezonden.

1.3. Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 27 augustus 2009, waar eisers niet in persoon zijn verschenen, doch zich hebben laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door J. Frenk. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen om de publiekrechtelijke grondslag van het bestreden besluit nader toe te lichten.

1.4 Verweerder heeft bij brief van 27 augustus 2009 zijn standpunt nader onderbouwd. Na hiervan kennis genomen te hebben, heeft de gemachtigde van eisers op 31 augustus 2009 toestemming verleend om uitspraak te doen zonder nadere zitting. Van de zijde van verweerder is op 28 september 2009 eveneens toestemming als bedoeld in artikel 8:64, lid 5 van de Awb verleend, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten en de uitspraak heeft bepaald op heden.

2. Overwegingen

2.1 De rechtbank heeft -ambtshalve- allereerst aan de orde gesteld of de brief van

22 oktober 2008, die aan de onderhavige procedure ten grondslag ligt, aangemerkt kan worden als een besluit in de zin van artikel 1:3, lid 1 van de Awb. Ingevolge voormeld artikellid wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

2.2 De als primair besluit aangemerkte brief van 22 oktober 2008, waarbij het recht op schuldhulpverlening voor eisers wordt beëindigd, alsmede de daaraan voorafgaande toekenning van 18 april 2008 heeft verweerder gebaseerd op de “Verordening Schuldhulpverlening Gemeente Venray 2007”. Blijkens de nader ingezonden informatie berust deze Verordening op de bevoegdheden zoals neergelegd in de artikelen 108, lid 1 en 149 van de Gemeentewet. De rechtbank acht hiermee de publiekrechtelijke grondslag gegeven.

2.3 Voorts is de rechtbank van oordeel dat uit de Verordening ook in de thans aan de orde zijnde stabilisatiefase reeds aanspraken en verplichtingen voortvloeien voor de aanvrager. Zo vermeldt het derde lid van artikel 4 van de Verordening dat door het College van burgemeester en wethouders een beslissing wordt genomen over de aanvraag en dat hierbij wordt beslist over het recht op schuldhulpverlening. Dit recht op schuldhulpverlening behelst in deze fase in ieder geval inventarisatie en begeleiding door (ambtenaren van) verweerder. Bij toekenning van een recht op schuldhulpverlening volgen daaruit voor de aanvrager -onder meer- de verplichtingen zoals neergelegd in het vierde lid van artikel 6 van de Verordening. Het vorenstaande maakt dat aan de toekenning- en beëindigingsbeslissing enig rechtsgevolg niet kan worden ontzegd. Verweerder heeft eisers dan ook terecht in hun bezwaar ontvangen.

2.4 Voor hetgeen, in het kader van het recht op bijstand, aan deze procedure voorafging verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 6 maart 2007 en de uitspraak van deze rechtbank van 17 oktober 2008, welke uitspraken zich onder de gedingstukken B.1 en B.2 in dit dossier bevinden.

2.5 Bij besluit van 18 april 2008 heeft verweerder eisers meegedeeld dat zij recht hebben op schuldhulpverlening. Verweerder heeft tevens meegedeeld dat dit recht vooralsnog inhoudt dat onderzocht zal worden welke vorm van schuldhulpverlening in de situatie van eisers het meest geschikt is en dat eisers hierover een aparte beschikking krijgen zodra een schuldregeling tot stand is gekomen.

2.6 Bij besluit van 22 oktober 2008 heeft verweerder het recht op schuldhulpverlening beëindigd. Bij het bestreden besluit heeft verweerder in heroverweging dit beëindigingsbesluit gehandhaafd. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat na de datum van het toekenningsbesluit in de zogeheten stabilisatiefase, gebleken is dat een aantal schuldeisers niet akkoord gaat met de betalingsvoorstellen, aangezien sprake is van fraudevorderingen. Daarmee is vast komen staan dat aan het toekenningsbesluit geen verdere uitvoering kon worden gegeven, nu aan een van de vereisten, te weten de instemming van alle schuldeisers, niet werd voldaan. Verweerder is van mening dat eisers aan het toekenningsbesluit geen in rechte te honoreren verwachting/vertrouwen kunnen ontlenen. Immers eerst na het toekenningsbesluit wordt de bemiddeling met de schuldeisers opgepakt. Alsdan kan blijken dat een of meerdere schuldeisers niet met de schuldbemiddelingscondities akkoord gaan, waardoor niet aan het unanimiteitsvereiste wordt voldaan zodat bemiddeling niet kan slagen. Het toekenningsbesluit schept voor verweerder een inspanningsverplichting en geen resultaatsverplichting, aldus verweerder.

2.7 In beroep hebben eisers aangevoerd dat verweerder reeds bij de toekenningsbeslissing alle informatie had, die van belang was bij de beoordeling van de vraag of eisers in aanmerking zouden kunnen komen voor schuldhulpverlening. Op basis van deze informatie heeft verweerder bij eisers het vertrouwen gewekt dat aanspraak gemaakt zou kunnen worden op schuldbemiddeling dan wel schuldhulpverlening. Dit vertrouwen kan niet achteraf worden geschaad. Verweerder dient dit opgewekte vertrouwen te honoreren, hetgeen met zich brengt dat eisers wel degelijk in aanmerking zouden moeten komen voor schuldbemiddeling dan wel schuldhulpverlening.

2.8 De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

2.9 Eisers hebben zich (enkel) beroepen op het vertrouwensbeginsel. De rechtbank is van oordeel dat dit beroep niet kan slagen.

2.10 Verweerder heeft weliswaar erkend dat in de aanvraagfase een fout is gemaakt door zonder (nadere) voorwaarden akkoord te gaan met de schuldhulpverlening, doch dit brengt nog niet met zich dat verweerder thans niet meer tot beëindiging zou mogen overgaan. Daarbij zij allereerst overwogen dat de rechtbank met verweerder van oordeel is dat er in de zogenaamde stabilisatiefase (slechts) sprake is van een inspanningsverplichting. In de Verordening is in artikel 1 onder s bepaald dat als stabilisatieperiode is aan te merken de periode gelegen tussen het moment waarop is vastgesteld dat voldaan wordt aan de voorwaarden voor het recht op schuldhulpverlening en dit recht schriftelijk wordt toegekend aan de schuldenaar en het moment waarop daadwerkelijk tot schuldregelen wordt overgegaan. Gedurende deze periode dient volledig inzicht te ontstaan in uitgaven en inkomsten en wordt de schuldenaar begeleid in het wijzigen van het uitgavenpatroon. Dat er sprake is van een inspanningsverplichting is als zodanig ook kenbaar verwoord in het toekenningsbesluit waar onder “Rechten” is opgenomen dat het recht op schuldhulpverlening vooralsnog inhoudt dat onderzocht zal worden welke vorm van schuldhulpverlening het meest geschikt is en dat zodra een schuldregeling tot stand is gekomen hierover een aparte beschikking wordt uitgereikt. Enige garantie op resultaat, in die zin dat concrete invulling zal worden gegeven aan een van de hulpverleningmogelijkheden zoals opgesomd in het eerste lid van artikel 6 van de Verordening, is daarmee niet gegeven. Reeds hierom kan niet worden gezegd dat de beëindiging is geschied in strijd met het vertrouwensbeginsel.

2.11 Voorts overweegt de rechtbank dat weliswaar niet is gebleken dat zich een van de in artikel 5 van de Verordening genoemde afwijzingsgronden, of van de in de toekenningsbeschikking en artikel 17 van de Verordening genoemde beëindigingsgronden zou voordoen, doch zulks laat onverlet dat verweerder in zijn algemeenheid een bevoegdheid toekomt om terug te keren op zijn schreden, indien een vergissing of omissie ten grondslag heeft gelegen aan een toegekende aanspraak. Juist is dat verweerders “Beleidsregels terugvordering en verhaal WWB” in het onderhavige geval reeds aan een minnelijke regeling in de weg stonden, gelet op de frauduleusheid van de vordering, doch dit feit brengt, anders dan eisers doen betogen, nog niet met zich dat verweerder, omdat hij geacht zou kunnen worden van dit feit al op de hoogte te zijn geweest ten tijde van de toekenningsbeslissing, de daaruit voortvloeiende aanspraken niet alsnog zou mogen beëindigen zonder dat daardoor het vertrouwensbeginsel zou worden geschonden. Zulks temeer niet, nu bij de inventarisatie is gebleken dat, niet slechts de gemeente als schuldeiser van een frauduleuze vordering niet wenste mee te werken aan een minnelijke regeling, maar een aantal andere schuldeisers evenmin bereid was mee te werken aan de door verweerder voorgestelde schuldbemiddelingscondities, omdat ook deze schulden als frauduleus waren te kwalificeren.

2.12 Op grond van bovenstaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. L.M.J.A. barones van Hövell tot Westerflier, in tegenwoordigheid van L.M.W. Ottenheim als griffier en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2009.

w.g. L.M.W. Ottenheim,

griffier w.g. mr. L.M.J.A. van Hövell tot Westerflier-Dassen,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 7 oktober 2009

Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.