Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BK4679

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
25-11-2009
Datum publicatie
27-11-2009
Zaaknummer
04/850551-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling art. 6 WVW 1994 ondanks voorrangsfout bestuurder andere auto.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2010/6
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector strafrecht

Parketnummer : 04/850551-09

Datum uitspraak : 25 november 2009

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboortedatum en plaats],

wonende te [adres en woonplaats]

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 11 november 2009.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1.

hij op of omstreeks 29 september 2007 in de gemeente [gemeente] als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bestelauto, Mercedes Vito), daarmede rijdende over de weg, de [straatnaam 1] zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, het kruispunt gevormd door voornoemde weg en de [straatnaam 2] - zijnde wegen van gelijke orde - met een snelheid van tenminste 64 km/u en ten hoogste 84 km/u, in elk geval met een veel hogere dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 30 km/u te naderen en (vervolgens) op te rijden, op het moment dat een voor hem, verdachte, van links over die [straatnaam 2] komende personenauto (Ford Focus) reeds dicht was genaderd, waardoor hij, verdachte, met het door hem bestuurde motorrijtuig in botsing of aanrijding is gekomen met die personenauto, door welk verkeersongeval

- [slachtoffer 1] (zijnde een inzittende van die personenauto) zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersentrauma en een oogkasfractuur rechts, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan

en/of

- [slachtoffer 2] (zijnde een inzittende van die personenauto) zwaar lichamelijk letsel, te weten een fractuur rechteroogkas, een fractuur bekken, een fractuur rechteronderbeen, een gescheurde urineleider en een nierkneuzing, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan

en/of

- [slachtoffer 3] (zijnde een inzittende van die personenauto) zwaar lichamelijk letsel, te weten een sleutelbeenbreuk rechts, een hersenschudding, een bloeding van het spinnewebvlies en een spraakstoornis, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan

en/of

- [slachtoffer 4] (zijnde de bestuurder van die personenauto) zwaar lichamelijk letsel, te weten een fractuur 12e borstwervel, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

art. 6 Wegenverkeerswet 1994;

Althans indien ter zake het vorenstaande onder 1 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 29 september 2007 in de gemeente [gemeente] als bestuurder van een voertuig (bestelauto, Mercedes Vito), daarmee rijdende op de [straatnaam 1], het kruispunt gevormd door voornoemde weg en de [straatnaam 2] -zijnde wegen van gelijke orde- met een snelheid van tenminste 64 km/u en ten hoogste 84 km/u, in elk geval met een veel hogere dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 30 km/u is genaderd en (vervolgens) opgereden, op het moment dat een voor hem, verdachte, van links over die [straatnaam 2] komende personenauto (Ford Focus) reeds dicht was genaderd, waardoor hij, verdachte, met het door hem bestuurde motorrijtuig in botsing of aanrijding is gekomen met die personenauto,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op de weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op de weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art. 5 Wegenverkeerswet 1994;

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen

7.1. Standpunten van de officier van justitie en de verdediging.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 11 november 2009 gevorderd dat het primair ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde.

De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat vaststaat dat verdachte te hard heeft gereden, maar dat niet vaststaat hoeveel te hard. Dit kan ook niet uit het NFI-rapport worden afgeleid of uit de verklaring van getuige [getuige 1]. Getuigen verklaren dat ook de Ford Focus te hard heeft gereden. Daarbij maakt de bestuurder van de Ford Focus ook nog een voorrangsfout. De vraag is dan of de voorrangs- en snelheidsfout van de andere bestuurder, of de snelheidsovertreding van verdachte het meest heeft bijgedragen aan het ontstaan van de aanrijding en de gevolgen daarvan. Nu daarover grote twijfel bestaat, dient verdachte te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde.

7.2. Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

(Samenvatting van de) bewijsmiddelen en standpunten van de rechtbank:

De verbalisanten [verbalisanten 1 en 2] gaan op 29 september 2007 naar een ongeval op de kruising [straatnaam 2]/[straatnaam 1] te [gemeente]. Ter plaatse zien zij dat een bedrijfsvoertuig Mercedes Vito, kleur grijs met kenteken [kenteken] en een personenauto Ford Focus, kleur zwart met Belgisch kenteken [kenteken] bij de aanrijding betrokken zijn.

Verdachte rijdt als bestuurder van de Mercedes Vito over de [straatnaam 1] in de richting van de [straatnaam 3] ([straatnaam 2]). Verdachte komt ter hoogte van genoemde kruising en ziet even voordat hij de kruising oprijdt licht van een andere personenauto. Dat licht kwam van links vanaf de [straatnaam 2].

[slachtoffer 4] is de bestuurder van de Ford Focus. [slachtoffer 4] verklaart dat hij op een geven moment op een kruising komt met een snelheid van 30-35 km/uur. Aan de rechterzijde van de weg bevindt zich een hoge haag. [slachtoffer 4] kijkt naar rechts, ziet niets aankomen en rijdt de kruising op, waarna een grote klap volgt. [slachtoffer 4] loopt tengevolge van het ongeval een fractuur aan de 12e borstwervel op.

[slachtoffer 4] verklaart dat in zijn Ford Focus nog 3 personen zitten. Slachtoffer [slachtoffer 2] zit naast [slachtoffer 4], slachtoffer [slachtoffer 1] zit achter [slachtoffer 4] en daarnaast zit slachtoffer [slachtoffer 3].

Slachtoffer [slachtoffer 1] zit linksachter in de door [slachtoffer 4] bestuurde personenauto. [slachtoffer 1] loopt ten gevolge van het ongeval een hersentrauma en een oogkasfractuur rechts, op.

Slachtoffer [slachtoffer 2] zit rechtsvoor in de personenauto. [slachtoffer 2] loopt tengevolge van het ongeval een fractuur rechteroogkas en oogafwijkingen, een 4 dubbel fractuur bekken, een fractuur rechteronderbeen en een gescheurde urineleider ter hoogte van schaambeen en een nierkneuzing op.

Slachtoffer [slachtoffer 3] zit rechtsachter in de personenauto. [slachtoffer 3] loopt tengevolge van het ongeval een sleutelbeenbreuk rechts, een hersenschudding, een bloeding van het spinnewebvlies en een spraakstoornis op.

Uit het proces-verbaal Verkeersongevalsanalyse blijkt dat de kruising van de [straatnaam 1] en de [straatnaam 2] een kruising van gelijkwaardige wegen is. De bestuurder van de personenauto Ford had voorrang moet verlenen aan de bestuurder van het busje.

Beide wegen liggen in de bebouwde kom van de gemeente [gemeente] en bevinden zich in een zogenaamde 30 km zone. Op de [straatnaam 2] op ongeveer 17 meter voor aanvang van het kruisingsvlak bevond zich een zogenaamde verkeersdrempel 30 km/h. Op 29 september 2007 om 20.06 uur was de straatverlichting in werking en het wegdek vochtig. Het zicht op elkaars rijrichting werd belemmerd door een hoge heg, voor de Ford rechts van de weg en voor de Mercedes links van de weg.

Aan het Nederlands Forensisch Instituut is gevraagd een crashuitwerking te maken met betrekking tot de snelheid van beide bestuurders en een vermijdbaarheid en verwijtbaarheid simulatie.

De deskundige van het Nederlands Forensisch Instituut berekent de snelheid, direct voorafgaande aan de botsing, van de Mercedes Vito op ten minste 64 km/u en ten hoogste 84 km/u, bij een betrouwbaarheidspercentage van 99%. De snelheid van de Ford Focus direct voorafgaande aan de botsing bedroeg ten minste 13 km/u en ten hoogste 36 km/u, bij een betrouwbaarheidspercentage van 99,0%.

De deskundige overweegt voorts:

“Vermijdbaarheidsbeschouwing: Interpretatie

Op de vraag wat ter plaatse een “veilige” snelheid is, moet allereerst worden opgemerkt dat ook bij inachtname van de toegestane snelheid bij het passeren van de kruising een zekere (onbekende) kans op een ongeval met (ernstig) letsel bestaat. In deze situatie, waarin de Ford voorrang zou moeten verlenen aan de Mercedes, is dat in feite de kans op een voorrangsfout van de Ford-bestuurder.

De instelling van een snelheidslimiet van 30 km/u betekent dus in feite de acceptatie van een zekere kans op een letselongeval. (NB met de term “acceptatie” wil ik niet de suggestie wekken dat het letselongeval niet toe te rekenen zou zijn). Het is dus niet zo dat er een rijsnelheid voor de Mercedes is te noemen waarbij de kruising intrinsiek veilig is.

De kans op een letselongeval neemt toe als de snelheid toeneemt. Als indicatie geldt dat binnen de bebouwde kom de kans op letsel meer dan verdubbelt bij een snelheidstoename van 5 km/u. Uitgaande van deze indicatie zou de bestuurder van de Mercedes, door een snelheidskeuze van minstens 64 km/u, de kans op een ongeval met een factor van meer dan 100 km/u (De rechtbank leest de toevoeging “km/u”als een kennelijke schrijffout) hebben doen toenemen. De (oorspronkelijke) kans dat de Ford bestuurder een voorrangsfout zou maken als de Mercedes niet te snel reed, valt daarbij vrijwel in het niet. Het getal 100 is in hoge mate indicatief, maar laat zien dat een snelheidsovertreding als vastgesteld voor de Mercedes de kans aanzienlijk vergroot dat bij passage van de kruising een ongeval zou ontstaan.

(…)

(…)

Conclusie.

Direct voorafgaande aan de botsing was de snelheid van de Mercedes Vito tenminste 64 km/u en ten hoogste 84 km/u.

Direct voorafgaande aan de botsing was de snelheid van de Ford Focus tenminste 13 km/u en ten hoogste 36 km/u.

Voor al deze grenswaarden geldt een betrouwbaarheid, geschat met behulp van de in dit rapport beschreven stochastische berekening, van 99%.

Met betrekking tot de vermijdbaarheid/verwijtbaarheid kan het volgende worden gesteld. Ook als de bestuurders zich aan de toegestane snelheid van (hier) 30 km/u, bestaat een zekere kans op een letselongeval. De snelheidskeuze van de bestuurder van de Mercedes, ten opzichte van de toegestane snelheid van 30 km/u, heeft deze kans aanzienlijk vergroot. Er zijn verschillende mechanismen denkbaar waarop de verhoogde snelheid tot verwezenlijking van het letselongeval kon bijdragen; een aantal relevante mechanismen zijn in deze rapportage verwoord. Het is echter fundamenteel onmogelijk om voor een afzonderlijk mechanisme te beoordelen of die daadwerkelijk een rol heeft gespeeld.”

De rechtbank merkt hierbij op dat, in tegenstelling tot wat in de conclusie van de deskundige is opgenomen, het betrouwbaarheidspercentage met betrekking tot de in de conclusie genoemde snelheden van de Ford Focus een betrouwbaarheidspercentage heeft van 99,5%.

De rechtbank neemt de overwegingen en conclusie uit het deskundigenrapport over en maakt die tot de hare. De rechtbank overweegt echter dat de deskundige het, in het hiervoor gestelde, heeft over de kans op het veroorzaken van een letselongeval. Het schuldvereiste van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 richt zich op de schuld aan het verkeersongeval en niet op de schuld aan het daaruit voortvloeiende letsel. De rechtbank is van oordeel dat de overwegingen van de deskundige met betrekking tot de kans op een letselongeval, in ieder geval inhouden eenzelfde kans op het veroorzaken van een aanrijding.

Uit voorgaande bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat er een ongeval heeft plaatsgevonden op de kruising tussen de [straatnaam 1] en de [straatnaam 2] te [gemeente]. Daarbij heeft de op de [straatnaam 2] rijdende bestuurder van de Ford Focus geen voorrang verleend aan de op de [straatnaam 1] rijdende en door verdachte bestuurde Mercedes Vito. De rechtbank stelt vast dat de Ford Focus kort voor de botsing een snelheid heeft gehad tussen de 13 en 36 km/u. Een snelheid die ligt in de buurt van de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 30 km/u. Verdachte heeft kort voor de botsing gereden met een snelheid tussen de 64 en 84 km/u. De rechtbank zal ten voordele van verdachte uitgaan van 64 km/u. Deze snelheid is ruim twee keer de ter plaatse toegestane snelheid.

De raadsman heeft aangevoerd dat de schuld van verdachte en de medeschuld van verdachte dient te worden afgewogen tegen de gevolgen die dat heeft gehad voor de slachtoffers.

De rechtbank overweegt dat het schuldvereiste van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 betrekking heeft op de relatie tussen het gedrag en het ontstaan van het verkeersongeval en niet op de relatie tussen schuld en de gevolgen daarvan.

De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de raadsman.

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat, de bestuurder van de Ford Focus een voorrangsfout heeft gemaakt en mogelijk ook nog te hard de kruising op is gereden, en daardoor medeschuld heeft aan het ongeval. Dat verdachte te hard heeft gereden is juist, maar niet staat vast hoeveel te hard en hoeveel dat heeft bijgedragen aan de kans op een ongeval.

De rechtbank overweegt, dat in zijn algemeenheid geldt dat de eventuele aanwezigheid van medeschuld aan de zijde van de bestuurder van de Ford Focus, schuld aan de zijde van verdachte niet opheft. In uitzonderlijke gevallen kan dit anders zijn, doch de rechtbank is van oordeel dat een dergelijke situatie zich in het onderhavige geval niet voordoet, ondanks de omstandigheid dat de bestuurder van de Ford Focus een voorrangsfout heeft gemaakt. De berekening van de politie ten aanzien van de mogelijk gereden snelheid van de bestuurder van de Ford Focus, dwingt naar het oordeel van de rechtbank voorts niet tot de conclusie dat die bestuurder te hard heeft gereden.

Anders dan de raadsman heeft aangevoerd is de rechtbank van oordeel dat ook uit de getuigenverklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] niet is af te leiden dat de bestuurder van de Ford Focus bij het oprijden van de kruising een hogere snelheid heeft gehad dan door de deskundige van het NFI is berekend.

Getuige [getuige 2] bevindt zich op de [straatnaam 2] en ziet dat een donkere personenauto voorbij rijdt met in ieder geval een snelheid die boven de 30 km/u is. De getuige ziet later dat deze auto een aanrijding heeft gehad. Hieruit leidt de rechtbank af dat de getuige de aanrijding zelf niet gezien heeft en dat hij derhalve niets kan zeggen over de snelheid van de donkere auto ten tijde van de aanrijding.

De getuige [getuige 3] verklaart dat zij fietst over de [straatnaam 2] en de [straatnaam 1] over wil steken. De getuige stapt af om dat zij auto's aan hoorde komen. De getuige ziet dat de beide auto’s iets linksvoor van haar met elkaar in botsing komen. De getuige zegt dat zij het idee had dat zij de zwarte auto, in een flits heel snel voorbij zag komen. De getuige verklaart voorts dat zij niet meer weet welke auto uit welke richting kwam.

Hoewel de getuige vlakbij de aanrijding stond, acht de rechtbank de verklaring van deze getuige niet betrouwbaar, nu de getuige zegt niet meer te kunnen zeggen welke auto uit welke richting kwam en het derhalve mogelijk is dat zij de zwarte auto waarvan zij zegt dat die te hard heeft gereden heeft verwisseld met de grijze auto van verdachte.

Zoals hiervoor reeds is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de beoordeling van de schuld van verdachte aan het ongeluk alleen betrekking heeft op zijn eigen gedrag.

De rechtbank overweegt dat uit het voorgaande is gebleken dat verdachte in zijn Mercedes Vito over de [straatnaam 1] rijdt en de kruising met de [straatnaam 2], een kruising van gelijke wegen, nadert. Op de hoek van het kruispunt, voor verdachte links, belemmert een hoge heg het uitzicht op verkeer dat van links de kruising nadert. Verdachte nadert die kruising met een snelheid van minimaal 64 km/u. Verdachte heeft kennelijk de van links komende Ford Focus niet gezien, nu niet is gebleken dat verdachte daarop heeft geanticipeerd door zijn snelheid aan te passen, maar is met hoge snelheid die kruising opgereden. Het feit dat verdachte voorrang heeft op het van links komend verkeer, wil niet zeggen dat hij er op mag vertrouwen dat het van links komend verkeer voor hem de kruising vrijlaat of tijdig vrijmaakt. Verdachte had dan ook zijn snelheid dienen aan te passen aan de situatie ter plekke.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte, door deze onoverzichtelijke kruising met een te hoge snelheid te naderen en op te rijden de kans op een aanrijding in hoge mate heeft verhoogd. De rechtbank ziet in de verklaring van de getuige [getuige 1] een bevestiging van het rijgedrag van verdachte die avond. [getuige 1] ziet dat hij, rijdende over de [straatnaam 1], net voor de kruising met de [straatnaam 4], in de 30 km zone, door een busje, Mercedes Vito, kleur grijs, wordt voorbijgereden. Dit kruispunt ligt op ongeveer 350 meter (Bron: Google maps) van de plaats van het ongeval. Getuige [getuige 1] verklaart dat dit busje hem met zeker 80 km/u inhaalde en vol op de rem moest om een botsing met een voor [getuige 1] rijdende automobilist, die linksaf wilde slaan, te voorkomen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden, waardoor een verkeersongeval is ontstaan.

7.3. Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 29 september 2007 in [gemeente] als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bestelauto, Mercedes Vito), daarmede rijdende over de weg, de [straatnaam 1] zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend,

het kruispunt gevormd door voornoemde weg en de [straatnaam 2] -zijnde wegen van gelijke orde- met een snelheid van tenminste 64 km/u en ten hoogste 84 km/u, te naderen en (vervolgens) op te rijden, op het moment dat een voor hem, verdachte, van links over die [straatnaam 2] komende personenauto (Ford Focus) reeds dicht was genaderd, waardoor hij, verdachte, met het door hem bestuurde motorrijtuig in botsing of aanrijding is gekomen met die personenauto, door welk verkeersongeval

- [slachtoffer 1] (zijnde een inzittende van die personenauto) zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersentrauma en een oogkasfractuur rechts, werd toegebracht

en

- [slachtoffer 2] (zijnde een inzittende van die personenauto) zwaar lichamelijk letsel, te weten een fractuur rechteroogkas, een fractuur bekken, een fractuur rechteronderbeen, een gescheurde urineleider en een nierkneuzing, werd toegebracht

en

- [slachtoffer 3] (zijnde een inzittende van die personenauto) zwaar lichamelijk letsel, te weten een sleutelbeenbreuk rechts, een hersenschudding, een bloeding van het spinnewebvlies en een spraakstoornis, werd toegebracht

en

- [slachtoffer 4] (zijnde de bestuurder van die personenauto) zwaar lichamelijk letsel, te weten een fractuur 12e borstwervel, werd toegebracht.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

8.1. Kwalificatie

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op het navolgende strafbare misdrijf:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht, meermalen gepleegd.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 175 van de Wegenverkeerswet 1994.

9. De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10. De straffen en/of maatregelen

10.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 11 november 2009 met betrekking tot de op te leggen hoofdstraf en bijkomende straf gevorderd dat verdachte ter zake van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 240 uren bij niet goed voldoen te vervangen door hechtenis voor de duur van 120 dagen, alsmede een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 2 jaar.

10.2. Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft ten aanzien van de gevorderde straf aangevoerd dat, nu gepleit is voor vrijspraak van het primair ten laste gelegde, kan worden volstaan met een geheel voorwaardelijk gevangenisstraf en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid.

10.3. De overwegingen van de rechtbank

Verdachte heeft op 27 september 2007 met een ter plaatse veel te hoge snelheid een onoverzichtelijk kruispunt genaderd en is kennelijk zonder snelheid te verminderen het kruispunt opgereden. Verdachte is in botsing gekomen met een van links komende personenauto waarin vier personen zaten. Twee personen zaten klem in de auto en moesten daaruit worden bevrijd. Alle vier de inzittenden hebben zwaar lichamelijk letsel opgelopen, waaronder mogelijk blijvend letsel. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan. De rechtbank houdt voorts rekening met het feit dat verdachte kennelijk die avond haast had, gezien het feit dat verdachte kort voor het ongeval een bijna ongeluk had, waarbij volgens de getuige, verdachte ook te hard reed.

De rechtbank houdt in geringe mate rekening met de medeschuld van de bestuurder van de ander bij het ongeval betrokken auto. Deze valt, blijkens het rapport van de deskundige van het NFI in het niet, met de schuld van verdachte, die door zo hard te rijden de kans op een ongeval meer dan honderd keer heeft vergroot.

De rechtbank houdt voorts rekening met het feit dat verdachte blijkens het uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister niet eerder is veroordeeld en dat hij sinds het ongeval niet opnieuw ter zake verkeersmisdrijven en overtredingen met politie en justitie in aanraking is gekomen. De rechtbank gaat er van uit dat verdachte kennelijk lering heeft getrokken uit onderhavig feit.

De rechtbank is van oordeel dat een taakstraf in de vorm van een werkstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, een gepaste bestraffing vormt en in dit geval een bijdrage kan leveren aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

De rechtbank zal het aantal te werken uren onbetaalde arbeid stellen op 240 uren en bevelen dat, voor het geval de taakstraf niet naar behoren wordt verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen.

Verdachte verricht thans werkzaamheden als taxichauffeur en heeft aangevoerd daarvoor zijn rijbewijs nodig te hebben.

De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van verdachte een onvoorwaardelijke rijontzegging van langere duur rechtvaardigen. De rechtbank zal echter van de door de officier van justitie gevorderde 2 jaar onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid een gedeelte groot 1 jaar, voorwaardelijk opleggen. De rechtbank heeft daarbij rekening gehouden met het feit dat verdachte sinds het ongeval niet opnieuw ter zake verkeersdelicten met politie en justitie in aanraking is gekomen en met het feit dat onderhavig ongeval reeds meer dan 2 jaar geleden heeft plaatsgevonden.

De rechtbank legt hiermee een hogere werkstraf en ontzegging van de rijbevoegdheid op dan door de verdediging is bepleit, hetgeen daarin is gelegen dat de rechtbank het primair ten laste gelegde bewezen verklaart en de raadsman heeft gepleit voor bewezen verklaring van het subsidiair ten laste gelegde.

10.4. De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel.

[slachtoffer 1] wonende te [adres en woonplaats], heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor primair ten laste gelegde feit geleden immateriële schade.

[slachtoffer 1] voornoemd heeft de immateriële schade op een bedrag van € 5.000,00 gesteld, en wil die schade vergoed krijgen.

Namens de benadeelde partij is ter terechtzitting aangevoerd dat de benadeelde partij reeds een voorschot heeft ontvangen van de verzekering van de bestuurder van de Ford Focus, [slachtoffer 4], van € 2.500,00. Voorts is gebleken dat verdachte dan wel diens verzekering tot op heden niet aangesproken is. Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering al om die redenen niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. Ook is niet eenvoudig vast te stellen op welk bedrag de schade die door benadeelde is geleden gesteld dient te worden en in welke mate verdachte en de bestuurder van de Ford Focus daarvoor aansprakelijk zijn.

De rechtbank zal de benadeelde partij dan ook niet ontvankelijk in haar vordering verklaren en bepalen dat de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Nu de rechtbank geen inhoudelijk beslissing neemt op de vordering zal de rechtbank ook geen beslissing nemen met betrekking tot de proceskosten.

11. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht artikel 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 91;

Wegenverkeerswet 1994 artikel 6, 175, 179.

12. Beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een taakstraf, te weten een werkstraf voor de duur van 240 uren, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid;

beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast;

verstaat dat de taakstraf uiterlijk 1 jaar nadat dit vonnis onherroepelijk is geworden, zal zijn voltooid;

ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 2 jaren;

bepaalt dat van deze bijkomende straf 1 jaar niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende te [adres en woonplaats] niet-ontvankelijk in zijn vordering, aangezien de vordering naar het oordeel van de rechtbank niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding, met bepaling dat de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Vonnis gewezen door mrs. L.J.A. Crompvoets, A.H.M.J.F. Piëtte en W.A.H.J. Poppeliers, rechters, van wie mr. L.J.A. Compvoets voorzitter, in tegenwoordigheid van J.H.J. van Daal als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 25 november 2009.

Zijnde mr. W.A.H.J. Poppeliers buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.