Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BK3950

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
20-11-2009
Datum publicatie
20-11-2009
Zaaknummer
04/860380-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Nu niet uit te sluiten is dat verdachte als gevolg van een black-out het bewustzijn heeft verloren, volgt vrijspraak voor overtreding van artikel 6WVW 1994 en o.v.a.r. voor overtreding van artikel 5 WVW 1994.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Wegenverkeerswet 1994 8
Wegenverkeerswet 1994 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Jwr 2010/14
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector strafrecht

Parketnummer : 04/860380-09

Datum uitspraak: 20 november 2009

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [plaats] op [datum],

wonende te [plaats], [adres]

1.Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 november 2009.

2.De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

hij op of omstreeks 02 mei 2008 te [plaats], in elk geval in de gemeente [naam], als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, [merk]), daarmede rijdende over de weg, de Rijkweg N271 (gaande in de richting Venlo) en gekomen ter hoogte van het kruispunt van die weg en de Rijksweg A77, - welke Rijksweg N271 bestond uit 2 rijbanen, welke rijbanen werden gescheiden door een middenberm en welke rijbaan, gezien zijn, verdachtes, rijrichting, bestond uit een linkerrijstrook voor het terplaatse linksafslaande verkeer en twee rijstroken voor het terplaatse rechtdoorgaande verkeer, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

- na het gebruik van amfetamine, in elk geval een middel op de bij de Opiumwet vermelde lijst I, en/of met een snelheid van ongeveer 80 km per uur, in elk geval met een hogere snelheid dan de terplaatse toegestane maximumsnelheid -

te rijden over de rechterrijstrook, welke was bestemd voor het terplaatse rechtdoorgaand verkeer, terwijl, het gezien, zijn, verdachtes, richting voor dat kruispunt in zijn richting gekeerd staand driekleurig verkeerslicht rood licht uitstraalde,

en (vervolgens) een zich voor hem, verdachte, op die door hem gevolgde rijstrook voor het rood uitstralend driekleurig verkeerslicht stilstaand motorrijtuig (personenauto, [merk]) van achteren te naderen en vervolgens niet danwel niet voldoende te anticiperen op die verkeerssituatie en/of de snelheid van het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig niet tijdig en/of voldoende aan te passen aan de verkeerssituatie en/of niet tijdig tot stilstand te komen en/of niet behoorlijk uit te wijken, tengevolge waarvan hij, verdachte, met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig in aanrijding of botsing is gekomen met die personenauto ([merk]) door welk verkeersongeval [slachtoffer], zijnde de bestuurster van die [merk], zwaar lichamelijk letsel (pijnklachten linkerschouder en/of een ontstoken slijmbeurs) of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994:

bij onderzoek bleek hij te verkeren onder een zodanige invloed van amfetamine waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

(artikel 6 juncto 175 lid 3 Wegenverkeerswet 1994)

Althans indien terzake het vorenstaande geen veroordeling zou volgen:

a.

hij op of omstreeks 02 mei 2008 te [plaats], in elk geval in de gemeente [naam], als bestuurder van een voertuig, (personenauto, [merk]), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten amfetamine, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;

(artikel 8 Wegenverkeerswet 1994)

b.

hij op of omstreeks 02 mei 2008 te [plaats], in elk geval in de gemeente [naam], als bestuurder van een voertuig (personenauto, [merk]), daarmee rijdende op de weg, de Rijkweg N271 (gaande in de richting Venlo) en gekomen ter hoogte van het kruispunt van die weg en de Rijksweg A77, - welke Rijksweg N271 bestond uit 2 rijbanen, welke rijbanen werden gescheiden door een middenberm en welke rijbaan, gezien zijn, verdachtes, rijrichting, bestond uit een linkerrijstrook voor het terplaatse linksafslaande verkeer en twee rijstroken voor het terplaatse rechtdoorgaande verkeer, en toen aldaar- na het gebruik van amfetamine, in elk geval een middel op de bij de Opiumwet vermelde lijst I, en/of met een snelheid van ongeveer 80 km per uur, in elk geval met een hogere snelheid dan de terplaatse toegestane maximumsnelheid - heeft gereden over de rechterrijstrook, welke was bestemd voor het terplaatse rechtdoorgaand verkeer,

terwijl, het gezien, zijn, verdachtes, richting voor dat kruispunt in zijn richting gekeerd staand driekleurig verkeerslicht rood licht uitstraalde, en (vervolgens) een zich voor hem, verdachte, op die door hem gevolgde rijstrook voor het rood uitstralend driekleurig verkeerslicht stilstaand motorrijtuig (personenauto, [merk]) van achteren is genaderd en vervolgens niet danwel niet heeft geanticipeerd op die verkeerssituatie en/of de snelheid van het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig niet tijdig en/of voldoende heeft aangepast aan de verkeerssituatie en/of niet tijdig tot stilstand is gekomen en/of niet behoorlijk is uitgeweken, tengevolge waarvan hij, verdachte, met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig in aanrijding of botsing is gekomen met die personenauto ( [merk]) door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op de weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op de weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

(artikel 5 Wegenverkeerswet 1994)

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3.De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4.De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5.De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6.Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7.Bewijsoverwegingen

7.1.Standpunten van de officier van justitie en de verdediging.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 6 november 2009 gevorderd dat

het primair ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard. Naar de mening van de officier van justitie kan de situatie waarin verdachte zich ten tijde van het ongeval bevond hem worden aangerekend. Verdachte is, hoewel hij zich niet goed voelde en terwijl hij tevoren amfetamine had gebruikt, toch met zijn auto gaan rijden, waardoor hem het ontstane ongeval kan worden toegerekend. De officier van justitie acht sprake van aanmerkelijke schuld bij verdachte.

De verdediging heeft zich – zoals weergegeven in de overgelegde pleitaantekeningen – op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Kort gezegd heeft de raadsman aangegeven dat het ongeval niet aan de schuld van verdachte is te wijten, aangezien sprake is geweest van een black-out, die het gevolg kan zijn van een mogelijke diabetesaanval of een epileptische aanval. Naar de mening van de raadsman kan niet bewezen worden dat het ongeval heeft plaatsgevonden als gevolg van drugsgebruik door verdachte. Ook het feit dat verdachte 10 km/u te hard zou hebben gereden rechtvaardigt naar de mening van de raadsman niet de conclusie dat als verdachte 70 in plaats van 80 km/u zou hebben gereden het ongeval niet zou hebben plaatsgevonden. De raadsman heeft geconcludeerd tot vrijspraak van hetgeen verdachte is ten laste gelegd, aangezien dit niet wettig kan worden bewezen.

7.2.Vrijspraakoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair is ten laste gelegd.

De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hieronder opgenomen overwegingen alsmede in de hieronder opgenomen motivering van de bewezenverklaring, verwijzen naar de doorlopende paginanummering van het in de wettelijke vorm door de regiopolitie Limburg Noord, district Venray opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL 2352/08-007279, gedateerd 10 april 2009 en de daarbij behorende bijlagen.

Uit het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse blijkt dat op 2 mei 2008 een verkeersongeval heeft plaatsgevonden op de T-kruising, gevormd door de wegen Rijksweg N271 en de afrit Rijksweg A77 te [plaats], waarbij de bestuurster van de [merk auto] stilstond voor het verkeerslicht op de rechter rijstrook van de Rijksweg N271 en verdachte met de voorzijde van zijn auto ([merk]) met een snelheid van 80 km/u tegen de achterzijde van de [merk auto] is gebotst. Ter plaatse gold een maximumsnelheid van 70 km/u. Er werden geen rem-/blokkeersporen op de betreffende rijbaan aangetroffen voor de botsplaats. Ten tijde van het ongeval was het droog en helder weer. Uit de verklaringen van de [getuige 1] en de [getuige 2] komt naar voren dat verdachte, zonder te remmen, achterop de [merk auto] is gereden. Verdachte is met volle snelheid (80 km/u) tegen de [merk auto] aan gereden. Uit onderzoek is komen vast te staan dat in het bloed van verdachte 0,17 mg/l amfetamine is aangetroffen.

In zijn algemeenheid valt naar het oordeel van de rechtbank niet aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Daarvoor zijn verschillende factoren van belang, zoals onder meer de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Daarbij verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen, van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Uit de behandeling ter terechtzitting is gebleken dat verdachte lijdt aan diabetes type I. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij voorafgaand aan het verkeersongeval niet eerder een black-out heeft gehad en dat hij zich weliswaar niet goed voelde toen hij als bestuurder in de auto stapte, maar dat hij daarom – gelet op zijn diabetes – naar het nabij gelegen tankstation wilde rijden om wat te gaan eten.

De rechtbank neemt de juistheid van deze mededeling van verdachte aan, nu de onjuistheid daarvan niet is gebleken.

Naar het oordeel van de rechtbank voert de raadsman terecht aan dat niet is uit te sluiten dat verdachte een hypo of hyper heeft gehad als gevolg van zijn diabetes en dat het ongeval daardoor is veroorzaakt.

Op grond van het feit dat verdachte nooit eerder een black-out heeft gehad als gevolg van zijn diabetes, hoefde verdachte, naar het oordeel van de rechtbank, redelijkerwijs niet te verwachten dat hij het risico liep dat hij een black-out zou krijgen en het derhalve niet verantwoord was dat hij een auto zou gaan besturen. De rechtbank acht daarom het bestanddeel “schuld” niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal derhalve van het primair ten laste gelegde feit worden vrijgesproken.

7.3.Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het subsidiair onder a en b ten laste gelegde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De hieronder vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Ten aanzien van het subsidiaire feit onder a en b:

Verdachte verklaart dat hij op 2 mei 2008 te [plaats] heeft gereden in zijn personenauto, [merk], op de Rijksweg N271 richting de verkeerslichten ter hoogte van de A77. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij enkele dagen voor 2 mei 2008 amfetamine had gebruikt.

Ten aanzien van het subsidiaire feit onder a:

Uit het proces-verbaal en uit het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse blijkt dat het verkeersongeval heeft plaatsgevonden op 2 mei 2008 op de T-kruising, gevormd door de wegen Rijksweg N271 en de afrit Rijksweg A77 te [plaats], waarbij verdachte als bestuurder van een personenauto, [merk], betrokken was. Er heeft blijkens eerstgenoemd proces-verbaal een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid sub b van de Wegenverkeerswet 1994 plaatsgevonden. Uit het deskundigenrapport is komen vast te staan dat in het bloed van verdachte 0,17 mg/l amfetamine is aangetroffen.

Ten aanzien van het subsidiaire feit onder b:

Vast staat dat verdachte op 2 mei 2008 te [plaats] als bestuurder van een personenauto, [merk] heeft gereden op de Rijksweg N271, gekomen ter hoogte van het kruispunt van die weg en de Rijksweg A77 bij een verkeersongeval betrokken was. Het proces-verbaal geeft een situatieomschrijving met betrekking tot de plaats van het ongeval, de rijbanen en het feit dat het verkeer op deze kruising werd geregeld met driekleurige verkeerslichten. Uit het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse blijkt dat het verkeersongeval heeft plaatsgevonden op de T-kruising, gevormd door de wegen Rijksweg N271 en de afrit Rijksweg A77 te [plaats], waarbij een personenauto [merk] stilstond voor het verkeerslicht op de rechter rijstrook van de Rijksweg N271 en verdachte met de voorzijde van zijn auto ([merk]) met een snelheid van 80 km/u tegen de achterzijde van de [merk auto] is gebotst. Ter plaatse gold een maximumsnelheid van 70 km/u. Er werden geen rem-/blokkeersporen op de betreffende rijbaan aangetroffen voor de botsplaats. Ten tijde van het ongeval was het droog en helder weer. Uit de verklaringen van de [getuige 1] en de [getuige 2] komt naar voren dat verdachte, zonder te remmen, achterop de voor het verkeerslicht stilstaande [merk auto] is gereden. Verdachte is met volle snelheid (80 km/u) tegen de [merk auto] aan gereden. Uit onderzoek is komen vast te staan dat in het bloed van verdachte 0,17 mg/l amfetamine is aangetroffen.

Gelet op het NFI-rapport dat in verdachtes bloed amfetamine is aangetroffen en dat ten tijde van de bloedafname de rijvaardigheid waarschijnlijk negatief beïnvloed was, acht de rechtbank dit subsidiaire feit onder a en b genoegzaam bewezen. Niet hoeft vast te staan dat sprake is van feitelijk gevaarlijk of niet aan de verkeerssituatie aangepast rijgedrag

(HR 1 juni 2004, NJ 2004, 438).

7.4.Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair, onder a en b ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

a.

hij op 02 mei 2008 te [plaats], als bestuurder van een voertuig, (personenauto, [merk]), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten amfetamine, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;

b.

hij op 02 mei 2008 te [plaats], als bestuurder van een voertuig (personenauto, [merk]), daarmee rijdende op de weg, de Rijkweg N271 (gaande in de richting Venlo) en gekomen ter hoogte van het kruispunt van die weg en de Rijksweg A77, - welke Rijksweg N271 bestond uit 2 rijbanen, welke rijbanen werden gescheiden door een middenberm en welke rijbaan, gezien zijn, verdachtes, rijrichting, bestond uit een linkerrijstrook voor het terplaatse linksafslaande verkeer en twee rijstroken voor het terplaatse rechtdoorgaande verkeer, en toen aldaar - na het gebruik van amfetamine, in elk geval een middel op de bij de Opiumwet vermelde lijst I, en met een snelheid van ongeveer 80 km per uur, - heeft gereden over de rechterrijstrook, welke was bestemd voor het terplaatse rechtdoorgaand verkeer, terwijl, het gezien, zijn, verdachtes, richting voor dat kruispunt in zijn richting gekeerd staand driekleurig verkeerslicht rood licht uitstraalde, en vervolgens een zich voor hem, verdachte, op die door hem gevolgde rijstrook voor het rood uitstralend driekleurig verkeerslicht stilstaand motorrijtuig (personenauto, [merk]) van achteren is genaderd en vervolgens niet danwel niet heeft geanticipeerd op die verkeerssituatie en de snelheid van het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig niet tijdig en/of voldoende heeft aangepast aan de verkeerssituatie en niet tijdig tot stilstand is gekomen en niet behoorlijk is uitgeweken, tengevolge waarvan hij, verdachte, met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig in botsing is gekomen met die personenauto ( [merk]) door welke gedragingen van verdachte gevaar op de weg werd veroorzaakt, en het verkeer op de weg werd gehinderd.

8.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

8.1.Kwalificatie

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op de navolgende strafbare feiten:

T.a.v. subsidiair onder a:

overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (misdrijf);

Het feit is strafbaar gesteld bij artikel 176 van de Wegenverkeerswet 1994.

T.a.v. subsidiair onder b:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (overtreding).

Het feit is strafbaar gesteld bij artikel 177 van de Wegenverkeerswet 1994.

9.De strafbaarheid van verdachte

Met betrekking tot het subsidiair onder a bewezenverklaarde acht de rechtbank verdachte strafbaar, nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

Met betrekking tot het subsidiair onder b bewezenverklaarde overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de behandeling ter terechtzitting is gebleken dat verdachte lijdt aan diabetes type I.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij voorafgaand aan het verkeersongeval niet eerder een black-out heeft gehad en dat hij zich weliswaar niet goed voelde toen hij als bestuurder in de auto stapte, maar dat hij daarom – gelet op zijn diabetes – naar het nabij gelegen tankstation wilde rijden om wat te gaan eten.

De rechtbank neemt de juistheid van deze mededeling van verdachte aan, nu de onjuistheid daarvan niet is gebleken.

Naar het oordeel van de rechtbank voert de raadsman terecht aan dat niet is uit te sluiten dat verdachte een hypo of hyper heeft gehad als gevolg van zijn diabetes en dat het ongeval daardoor is veroorzaakt. Op grond van het feit dat verdachte nooit eerder een black-out heeft gehad als gevolg van zijn diabetes, hoefde verdachte, naar het oordeel van de rechtbank, redelijkerwijs niet te verwachten dat hij het risico liep dat hij een black-out zou krijgen en het derhalve niet verantwoord was dat hij een auto zou gaan besturen. De rechtbank is daarom van oordeel dat bij verdachte alle schuld aan het subsidiair onder b bewezenverklaarde ontbreekt. Verdachte zal derhalve van dit feit worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

10.De straffen en/of maatregelen

10.1.De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 6 november 2009 met betrekking tot de op te leggen hoofdstraf en bijkomende straf gevorderd dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 120 uur, subsidiair 60 dagen hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 9 maanden.

10.2.Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank ten aanzien van de gevorderde straf verzocht – bij bewezenverklaring – rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en slechts een voorwaardelijke straf op te leggen.

10.3.De overwegingen van de rechtbank

Bewezenverklaard is – kort gezegd – dat verdachte als bestuurder van een personenauto heeft gereden onder invloed van amfetamine. Verdachte is hiervoor strafbaar. In het bloed van verdachte is 0,17 mg/l amfetamine aangetroffen. Blijkens het uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister is verdachte niet eerder ter zake van overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 veroordeeld. Gelet op de hoeveelheid amfetamine die in het bloed van verdachte is aangetroffen, alsmede gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zal de rechtbank verdachte voor het subsidiaire feit onder a een geldboete van hierna te melden hoogte opleggen.

Bij de vaststelling van de geldboete heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van verdachte in een mate waarin dat nodig wordt geacht met het oog op een passende bestraffing van verdachte.

Verdachte wordt door die vaststelling in diens inkomen en vermogen niet onevenredig getroffen.

11. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 23, 24, 24c, 91.

Wegenverkeerswet 1994 art. 5, 8, 176.

12.Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair onder a en b ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert;

verklaart verdachte ter zake van het subsidiair onder a bewezenverklaarde strafbaar;

verklaart verdachte ter zake van het subsidiair onder b bewezenverklaarde niet strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het subsidiair onder a bewezenverklaarde tot een geldboete van € 300,--, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 6 dagen;

ontslaat verdachte ten aanzien van het subsidiair onder b bewezenverklaarde van alle rechtsvervolging;

Vonnis gewezen door mrs. E.P.J. Rutten, E.A.M. van Oorschot en C.C.W.M. Aretz, rechters, van wie mr. E.A.M. van Oorschot voorzitter, in tegenwoordigheid van C. van Est als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op

20 november 2009.

Mr. C.C.W.M. Aretz is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

typ: cve