Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BK3530

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
13-11-2009
Datum publicatie
17-11-2009
Zaaknummer
AWB 09 / 918
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft een verzoek ontheffing van het verbod op werktijdverkorting ingediend voor een twaalftal oproepkrachten in dienst bij het zusterbedrijf, maar heeft geen arbeidsovereenkomst ex artikel 7:610, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek met de twaalf oproepkrachten. Voorts heeft eiseres bij het indienen van het ontheffingsverzoek uitsluitend haar eigen bedrijfsgegevens vermeld. Verweerder heeft na verlening van de ontheffing werktijdverkorting ontdekt dat eiseres geen arbeidsovereenkomst ex artikel 7:610, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek heeft met de twaalf oproepkrachten. Eiseres kan niet als werkgever in de zin van artikel 1, eerste lid, onder c van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 worden beschouwd. Ook de holding waartoe eiseres behoort, kan niet als werkgever in de zin van artikel 7:610, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek worden beschouwd, nu ook de holding geen arbeidsovereenkomst ex artikel 7:610, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek heeft met de twaalf oproepkrachten. Nu eiseres uitsluitend haar eigen (bedrijfs)gegevens in het verzoek werktijdverkorting heeft verwerkt, kan van een wijziging van de naamstelling ook geen sprake zijn. Verweerder heeft dus terecht de verleende ontheffing werktijdverkorting ingetrokken. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht, meervoudige kamer

Procedurenummer: AWB 09 / 918

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

[eiseres] te [plaatsnaam], eiseres,

gemachtigde drs. I.J.W. Hanssen

tegen

de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, namens deze, de Directeur-Generaal Werk, verweerder,

1. Procesverloop

1.1. Bij besluit van 28 april 2009 heeft verweerder de eerder aan eiseres verleende ontheffing van het verbod op werktijdverkorting ingetrokken. Eiseres heeft tegen het intrekkingbesluit bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is door verweerder ongegrond verklaard en eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

1.2. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan eiseres gezonden.

1.3. Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 6 oktober 2009, waar eiseres is verschenen bij haar gemachtigde, drs. I.J.W. Hanssen, en waar verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. C.M. Speer.

2. Overwegingen

2.1. Op 19 maart 2009 heeft eiseres een verzoek werktijdverkorting op basis van de Verlengde bijzondere beleidsregels ontheffing verbod op werktijdverkorting 2008 bij verweerder ingediend. In dit verzoek werktijdverkorting heeft eiseres zichzelf als werkgever opgegeven voor een twaalftal oproepkrachten. Verweerder heeft na eerst ontheffing te hebben verleend, dit besluit weer ingetrokken. Met betrekking tot het intrekkingbesluit heeft verweerder overwogen dat na verlening van de ontheffing is vast komen te staan, dat de op de aanvraag betrekking hebbende werknemers niet bij eiseres in dienst zijn, maar vanuit een andere onderneming bij eiseres zijn gedetacheerd.

2.2. Werkgever in de zin het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945

2.2.1. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen in geschil is de vraag of eiseres zich als werkgever in de zin van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 en de Verlengde bijzondere beleidsregels ontheffing verbod op werktijdverkorting 2008 mocht beschouwen terzake van het twaalftal oproepkrachten waarvoor zij werktijdverkorting heeft aangevraagd.

2.2.2. De rechtbank overweegt in dit verband als volgt. Ingevolge artikel 8, derde lid van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 is verweerder voorwaardelijk of onvoorwaardelijk, bevoegd om voor bepaalde werknemers of groep werknemers, ontheffing van het verbod op werktijdverkorting te verlenen. Hiervoor is vereist dat de werkgever die de ontheffing nastreeft, een verzoek bij verweerder indient én dat die werkgever vóór 21 maart 2009 geconfronteerd is met ‘een acute en zware terugval in de omzet, die een gevolg is van de financiële crisis 2008’ (artikel 1, eerste lid van de Verlengde bijzondere beleidsregels ontheffing verbod op werktijdverkorting 2008).

2.2.3. Artikel 1, aanhef en sub c, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 bepaalt, voor zover voor deze zaak relevant, dat in dit besluit onder werkgever wordt verstaan: de werkgever zoals bedoeld in artikel 7:610, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW). De werkgever bedoeld in artikel 7:610, eerste lid van het BW is de werkgever die een arbeidsovereenkomst met een werknemer aangaat, waarbij de werknemer zich verbindt in dienst van de werkgever tegen betaling van loon gedurende zekere tijd, arbeid te verrichten. In de Beleidsregels ontheffing verbod op werktijdverkorting 2004 is niet ingegaan op het begrip ‘werkgever'. In de toelichting bij deze beleidsregels wordt slechts aangegeven dat ingeleend personeel (bijvoorbeeld uitzendkrachten) niet gerekend wordt tot de arbeidscapaciteit die een werkgever ter beschikking staat.

2.2.4. In artikel 2, zevende lid van de Verlengde bijzondere beleidsregels ontheffing verbod op werktijdverkorting 2008 is ter zake het begrip ‘werkgever’ aanvullend bepaald dat bij de toepassing van deze bijzondere beleidsregels wordt uitgegaan van de werkgever die als ondernemer wordt aangemerkt op grond van artikelen 3.4 of 3.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Op grond van artikel 3.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt als ondernemer aangemerkt de belastingplichtige voor rekening van wie een onderneming wordt gedreven en die rechtstreeks wordt verbonden voor verbintenissen betreffende die onderneming. Ingevolge artikel 3.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt eveneens als een ondernemer aangemerkt de beoefenaar van een zelfstandig beroep.

2.2.5. Allereerst merkt de rechtbank op dat de aanvullende bepaling van artikel 2, zevende lid van de Verlengde bijzondere beleidsregels ontheffing verbod op werktijdverkorting 2008 geen afwijkende definitie behelst van het begrip werkgever, maar een nadere invulling vormt van de eisen zoals geformuleerd in artikel 1 sub c van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945. Hieruit volgt dat de werkgever als bedoeld in artikel 7:610, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) tevens ingevolge artikel 3.4 of 3.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001 als ondernemer is aan te merken.

2.2.6. De rechtbank stelt vast dat eiseres voldoet aan het bepaalde in artikel 2, zevende lid van de Verlengde bijzondere beleidsregels ontheffing verbod op werktijdverkorting 2008 juncto artikel 3.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Eiseres kan echter ten aanzien van de oproepkrachten waarvoor zij een verzoek werktijdverkorting heeft ingediend, niet als een werkgever in de zin van artikel 1, aanhef, eerste lid, onder c van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 juncto artikel 7:610, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek worden beschouwd. Immers, een arbeidsovereenkomst tussen eiseres en de betreffende oproepkrachten ontbreekt.

2.2.7. Eiseres heeft gesteld dat de bestaande relatie tussen [eiseres] en [bedrijf 1] in acht genomen dient te worden. Eiseres heeft uittreksels uit het handelsregister verstrekt waaruit blijkt dat zowel [eiseres] als [bedrijf 1] deel uitmaken van het bedrijf [bedrijf 2] en betoogd dat eiseres vanwege die relatie als werkgever in de zin van de Verlengde bijzondere beleidsregels ontheffing verbod op werktijdverkorting 2008 beschouwd had moeten worden. De rechtbank verwijst in dit verband naar hetgeen reeds overwogen onder 2.2.1 tot en met 2.2.6 en de onmiskenbaar duidelijke bewoordingen van de regeling. Die laat geen ruimte om op grond van verwevenheid van [eiseres] en [bedrijf 1] werknemers in dienst bij de ene B.V. aan te merken als werknemers in dienst van de andere.

2.2.8. Op grond van voorgaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat verweerder eiseres terecht niet als werkgever van de twaalf oproepkrachten waarvoor zij ontheffing van het verbod op werktijdverkorting heeft aangevraagd, heeft beschouwd. Deze beroepsgronden treffen derhalve geen doel.

2.3. Wijziging tenaamstelling verzoek werktijdverkorting

2.3.1. Eiseres heeft tevens gesteld dat verweerder heeft nagelaten om de tenaamstelling van het verzoek werktijdverkorting te wijzigen van “[eiseres]” in “[bedrijf 1]”.

De rechtbank overweegt in dit verband dat het wijzigen van de tenaamstelling van het verzoek werktijdverkorting van eiseres van “[eiseres]” in “[bedrijf 1]”, niet kan worden gelijkgesteld met een gewijzigd verzoek werktijdverkorting voor de betreffende 12 oproepkrachten. Immers, ook bij een gewijzigd verzoek werktijdverkorting geldt dat het verzoek volledig dient te zijn. Nu eiseres het verzoek werktijdverkorting slechts heeft voorzien van haar eigen omzetgegevens, ontbraken de omzetgegevens van “[bedrijf 1]”. Gelet op het voorgaande meent de rechtbank dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [bedrijf 1] zelf een compleet verzoek werktijdverkorting had behoren in te dienen.

2.4. Opgewekt vertrouwen

2.4.1. Eiseres heeft ook een beroep gedaan op opgewekt vertrouwen door verweerder. Eiseres heeft gesteld dat het verzoek werktijdverkorting in overleg met de medewerk(st)ers van verweerder is voorbereid en dat verweerder het verzoek als compleet heeft geaccepteerd en in behandeling heeft genomen. Nu verweerder het verzoek werktijdverkorting compleet heeft verklaard en in behandeling heeft genomen, meent eiseres dat verweerder het vertrouwen bij haar heeft gewekt dat het verzoek werktijdverkorting correct was ingediend. Dit vertrouwen is door verweerder nadien wederom bevestigd door aan eiseres een ontheffing van het verbod op werktijdverkorting te verlenen voor de periode 23 maart 2009 tot en met 3 mei 2009. Eiseres heeft op basis van de verleende ontheffing nadere afspraken gemaakt met de UWV en de twaalf oproepkrachten voor wie de werktijdverkorting is aangevraagd.

2.4.2. Ingevolge jurisprudentie (bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 6 maart 2009, LJN: BH6075) kan er slechts sprake zijn van een door een bestuursorgaan opgewekt gerechtvaardigd vertrouwen dat moet worden gehonoreerd, wanneer dat vertrouwen is opgewekt door ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke schriftelijke uitlatingen of gedragingen namens dat orgaan.

2.4.3. Eiseres heeft in zeer algemene bewoordingen aangegeven, dat het verzoek werktijdverkorting ‘in overleg met medewerk(st)ers van verweerder’ is voorbereid. Ter zitting heeft eiseres geen nadere terzake van dit punt relevante toelichting kunnen geven over de wijze waarop het vertrouwen door de medewerk(st)ers van verweerder is opgewekt. De rechtbank is daarom van oordeel dat aan het ‘in overleg met medewerk(st)ers van verweerder’ voorbereiden van het verzoek werktijdverkorting, geen ondubbelzinnige en/of onvoorwaardelijke schriftelijke uitlating of gedraging namens verweerder kan worden ontleend, waarop het opgewekte vertrouwen waarop eiseres zich beroept, kan worden gebaseerd.

2.4.4. Dit geldt eveneens voor de vaststelling door verweerder dat het door eiseres ingediend verzoek werktijdverkorting compleet is. De rechtbank meent dat de vaststelling dat het verzoek werktijdverkorting compleet is ingediend slechts het vertrouwen kan opwekken, dat verweerder het verzoek in behandeling zal nemen. Verweerder heeft dit vertrouwen gehonoreerd.

2.4.5. Eiseres heeft ten slotte nog gesteld vertrouwen te hebben ontleend aan de (eerdere) verlening van de ontheffing werktijdverkorting. Naar het oordeel van de rechtbank is van een door verweerder opgewekt vertrouwen op grond waarvan verweerder niet tot intrekking had mogen overgaan, echter geen sprake. Eiseres heeft namelijk, wetende dat er geen arbeidsovereenkomst tussen haar en de betreffende twaalf oproepkrachten bestond of bestaat, zichzelf op de aanvraag ontheffing verbod op werktijdverkorting als werkgever gepresenteerd. Eiseres heeft derhalve onjuiste gegevens aan verweerder verstrekt en dat moet aan eiseres worden toegerekend. De rechtbank is derhalve van oordeel dat van een door verweerder opgewekt, in rechte te honoreren, vertrouwen in casu geen sprake is. Ook deze beroepsgrond treft daarom naar oordeel van de rechtbank geen doel.

2.5. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat verweerder in redelijkheid de ten onrechte toegewezen ontheffing van het verbod op werktijdverkorting heeft kunnen intrekken. Ook deze beroepsgrond treft derhalve geen doel.

2.6. De rechtbank concludeert dat het beroep voor ongegrond dient te worden gehouden. Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

2.7. De rechtbank beslist als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mrs. P.J. Voncken (voorzitter), B.W.P.M. Corbey-Smits en J.V. Wawoe, in tegenwoordigheid van mr. F.A. Timmers als griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 november 2009

w.g. mr. F.A. Timmers,

griffier w.g. mr. P.J. Voncken,

voorzitter

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 13 november 2009

Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.