Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BK3511

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
17-11-2009
Datum publicatie
17-11-2009
Zaaknummer
04/860032-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

schudden van een zeer jonge baby bewezen verklaard gelet op de aard van het letsel, geen zichtbaar letsel van ander op het kind uitgeoefend geweld en ontkennende verdachte. strafmaatvaststelling. in dossier geen aanwijzingen omtrent de beweegredenen voor het schudden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector strafrecht

Parketnummer : 04/860032-09

Datum uitspraak: 17 november 2009

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren [geboortedatum],

wonende te [adres].

1.Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 november 2009.

2.De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

zij op of omstreeks 20 maart 2008 in de gemeente Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] ([geboortedatum]) van het leven te beroven, met dat opzet deze [slachtoffer] gewelddadig/krachtig door elkaar heeft geschud, dan wel anderszins geweld heeft uitgeoefend op het hoofd althans het lichaam van [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

artikel 287 jo. 45 Wetboek van Strafrecht

althans indien terzake het vorenstaande onder 1 geen veroordeling zou volgen:

zij op of omstreeks 20 maart 2008 in de gemeente Venlo aan [slachtoffer] ([geboortedatum]) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (schedel- en/of hersentrauma) heeft toegebracht, door deze [slachtoffer] opzettelijk gewelddadig/krachtig door elkaar te schudden, dan wel anderszins geweld uit te oefenen op het hoofd althans lichaam van [slachtoffer], zulks terwijl het misdrijf werd begaan tegen haar kind;

artikel 302/304 van het Wetboek van Strafrecht

althans indien terzake al het vorenstaande onder 1 geen veroordeling zou volgen:

zij op of omstreeks 20 maart 2008 in de gemeente Venlo opzettelijk mishandelend [slachtoffer] ([geboortedatum]) gewelddadig/krachtig door elkaar heeft geschud, dan wel anderszins geweld heeft uitgoefend op het hoofd althans lichaam van [slachtoffer] tengevolge waarvan deze [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel (schedel- en/of hersentrauma), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden, zulks terwijl het misdrijf werd begaan tegen haar kind;

artikel 300/304 van het Wetboek van Strafrecht.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3.De geldigheid van de dagvaarding

De verdediging heeft aangevoerd dat de tenlastelegging nietig dient te worden verklaard voor wat betreft de zinsnede “anderszins geweld heeft uitgeoefend”. Volgens de verdediging kan met deze zinsnede zeer uiteenlopende handelingen worden aangeduid en is deze zinsnede onvoldoende feitelijk, nu noch uit de verdere tekst van de tenlastelegging, noch uit het dossier voldoende duidelijk blijkt welke gedraging verdachte op dit punt verweten wordt. Volgens de verdediging is daarmee onduidelijk waartegen zij zich op dit punt dient te verdedigen.

De officier van justitie heeft deze stelling bestreden. Naar de mening van de officier van justitie valt voormelde zinsnede niet verder te specificeren en zou daarmee de dagvaarding ook niet duidelijker worden. Naar haar mening blijkt uit de dagvaarding en het dossier duidelijk tegen welke aantijging verdachte zich dient te verdedigen.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende duidelijk omschreven waarvan de verdachte verdacht wordt en biedt de tenlastelegging voldoende aanknopingspunten om de verdediging van de verdachte te voeren, zoals ook tijdens de behandeling ter terechtzitting is gebleken. De gewraakte passage is kennelijk bedoeld als vangnet voor het geval dat in de loop van de behandeling van de zaak een andere toedracht zou blijken en deze is voor zo’n geval voldoende op de feiten toegesneden om zich ertegen te kunnen verdedigen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is ook voor het overige gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4.De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5.De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6.Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7.Bewijsoverwegingen

7.1.Standpunten van de officier van justitie en de verdediging.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 3 november 2009 gevorderd dat het primair ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Aangehecht aan dit vonnis is de pleitnota, overgelegd door de raadsvrouwe ter terechtzitting.

De verdediging is van mening dat op basis van de diverse verklaringen van de in deze zaak betrokken medici niet kan worden vastgesteld dat verdachte bij [slachtoffer] was toen het letsel bij hem ontstond en dat verdachte derhalve dient te worden vrijgesproken van al het aan haar ten laste gelegde. De verdediging wijst op de verklaringen van [naam] van het AMK en van kinderarts [naam], op grond waarvan tot een andere conclusie over het tijdstip waarop het letsel ontstaan zou zijn gekomen zou moeten worden dan de conclusie die deskundige Bilo trekt, terwijl de conclusie van deskundige Bilo omtrent de timing van het letsel op onvoldoende objectieve feiten is gebaseerd.

Verder blijkt volgens de verdediging niet uit het dossier dat de vader van [slachtoffer] echt goed heeft gekeken naar [slachtoffer] toen hij ’s ochtends opstond om naar zijn werk te gaan en men kan dus niet zeker zijn van het feit dat er toen nog niets met [slachtoffer] aan de hand was.

Verder is de verdediging van mening dat het vereiste opzet niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, aangezien de wijze van ontstaan van het letsel niet vaststaat, een eerder incident niet uitgesloten kan worden, verdachte consequent ontkent en verdachte geen motief voor het ten laste gelegde heeft.

7.2.Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De genoemde geschriften zijn slechts gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

[slachtoffer] is geboren op 19 januari 2008, bij een zwangerschapsduur van 28 4/7 week. Zijn ouders zijn [vader slachtoffer] en verdachte [naam]. Op zondag [datum] is [slachtoffer] uit het ziekenhuis ontslagen, hij was toen 36 weken en 5 dagen oud. Het ging perfect met hem. Op 20 maart 2008 wordt [slachtoffer] echter in comateuse toestand naar het Vie Curie Ziekenhuis gebracht. Verdachte verklaart over de nacht van 20 maart 2008 dat zij [slachtoffer] rond 04.00 uur wakker heeft gemaakt, dat zij hem toen een flesje heeft gegeven en heeft verschoond, hij was heel rustig. [vader slachtoffer] verklaart dat hij in de nacht van 19 op 20 maart bij het geven van de fles van 04.00 uur mee is opgestaan. Hij hield [slachtoffer] op schoot terwijl verdachte zijn flesje klaar maakte. Verdachte verklaart verder dat in de ochtend van 20 maart de wekker van haar man, [vader slachtoffer] om 06.00 uur ging. Hij is toen opgestaan en heeft de dagelijkse dingen gedaan. [vader slachtoffer] heeft haar later verteld dat hij ook nog even bij [slachtoffer] heeft gekeken. [vader slachtoffer] heeft verklaard op 20 maart 2008 rond 6:45 uur te zijn vertrokken naar zijn werk, hetgeen blijkens de verklaring van verdachte strookt met de normale gang van zaken in huize [slachtoffer]. [vader slachtoffer] heeft verklaard dat er niemand anders in huis was die ochtend en dat hij de woning heeft afgesloten na vertrek.

Zelf werd verdachte rond 07.30 of 07.45 uur wakker. Nadat zij wakker is geworden, is zij naar [slachtoffer] toe gelopen. Zij heeft hem uit zijn bedje gehaald omdat hij een beetje huilde. Zij heeft zijn temperatuur opgenomen en hem tevens verschoond. Hierna is zij een flesje gaan maken, [slachtoffer] lag toen op de commode. Toen zij terug liep naar [slachtoffer] zag hij grauw en blauw. Vervolgens heeft verdachte haar moeder gebeld. Haar moeder, die op tien meter afstand in de woonwagen naast die van verdachte woont, was heel snel ter plaatse. Vervolgens heeft verdachte het alarmnummer 112 gebeld. Het gesprek met 112 nam een aanvang om 08.12 uur. Op advies van de centralist van de meldkamer heeft de moeder van verdachte [slachtoffer] mond op mond beademing gegeven, verdachte zelf heeft hartmassage toegepast. Om 08.17 uur wordt het gesprek beëindigd, omdat de eerste ambulance inmiddels arriveerde. In deze ambulance zaten [naam] als chauffeur en [naam] als verpleegkundige. [naam] constateert dat de baby bleek en slap was en geen ademhaling had.

Toen [slachtoffer] stabiel genoeg was voor vervoer is hij overgebracht naar het Vie Curie ziekenhuis in Venlo. Bij binnenkomst werd hij nog beademd met een masker en een ballon. Vrij kort daarna is hij geïntubeerd. [slachtoffer] was slap en comateus, zijn lichaamstemperatuur was 35,2 graden en zakte in korte tijd naar 32,7 graden. Zijn hartslag was te laag en ging, ondanks toegediende medicijnen onvoldoende omhoog. Het Hb-gehalte in het bloed bleek gemeten op 9.30 uur 4,4 te zijn. Aan [slachtoffer] werd een bloedtransfusie gegeven, maar hij bleef slap en comateus. Ook bleef beademing noodzakelijk. Vanwege voorgaande werd besloten [slachtoffer] over te plaatsen naar het Academisch Ziekenhuis in Maastricht. Uit de aldaar gemaakte CT-scan van de hersenen bleek dat er uitgebreide bloedingen waren in de hersenen. De bloedingen bevonden zich over de hele omtrek van het hoofd, vanaf het voorhoofd tot onder aan het achterhoofd. Voorts was er sprake van minimale bloedingen in het netvlies

Uit de medische rapportages blijkt dat [slachtoffer] ernstig gehandicapt is geraakt en dat hij nooit meer volledig zal herstellen van de opgelopen hersenschade. Reeds nu al loopt zijn lichamelijke en geestelijke ontwikkeling ver achter op wat normaal is voor een kind van zijn leeftijd. Vast staat dat hij zijn leven lang afhankelijk zal blijven van de zorg van anderen. Ter terechtzitting is door verdachte verklaard dat [slachtoffer] goed hoort, dat hij nog niet zelfstandig kan zitten en dat het nog de vraag is of hij enig gezichtsvermogen heeft.

Tegen de achtergrond van voorgaande bewijsmiddelen ziet de rechtbank zich onder meer gesteld voor de volgende vragen.

1) Kan worden vastgesteld wat de oorzaak is van het letsel dat tot de klinische noodsituatie bij [slachtoffer] heeft geleid?

2) Kan het tijdstip waarop het letsel is ontstaan worden vastgesteld?

3) Kan worden vastgesteld dat verdachte het letsel heeft toegebracht?

4) Indien kan worden vastgesteld dat verdachte het letsel heeft toegebracht, heeft verdachte dan opzet gehad op de dood van [slachtoffer] ?

De rechtbank zal ten behoeve van de duidelijkheid deze vragen en het standpunt van de verdediging dienaangaande in deze volgorde integraal behandelen.

1) De oorzaak van het letsel

Dr Bilo concludeert in zijn deskundigenrapport als volgt.

“De combinatie van bevindingen bij [slachtoffer] is met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid het gevolg van toegebracht (niet-accidenteel) hersenletsel type II (acuut encephalopathisch). Het letsel is waarschijnlijk ontstaan op basis van een repeterend acceleratie-deceleratietrauma, hoewel een contacttrauma niet volledig is uitgesloten.”

Ter terechtzitting is door dr [.] Bilo toegelicht dat ‘met een repeterend acceleratie-deceleratietrauma’ wordt gedoeld op wat in de volksmond ook wel wordt aangeduid als het “shaken baby syndroom”. Dit syndroom wordt veroorzaakt doordat een jonge baby herhaaldelijk met kracht wordt heen en weer geschud, waardoor acuut hersenletsel ontstaat en waardoor een hoog risico op overlijden van de baby ontstaat.

De verdediging heeft aangevoerd dat volgens dr Bilo ten aanzien van het ontstaan van het letsel dus niet kan worden gedifferentieerd tussen een repeterend acceleratie-deceleratietrauma en een contacttrauma en dat daarmee de wijze van het ontstaan van het letsel niet vaststaat. Deze stelling is gebaseerd op een tussenconclusie van dr Bilo op pagina 32 van zijn rapport. Deze tussenconclusie wordt echter op dezelfde pagina reeds in belangrijke mate weersproken, waar dr Bilo tevens concludeert dat een contacttrauma niet volledig is uitgesloten. Hij laat met andere woorden zeer weinig ruimte voor een andere oorzaak van het letsel dan boven genoemd repeterend acceleratie-deceleratietrauma.

Ter terechtzitting heeft dr Bilo verder toegelicht dat, indien het een contacttrauma is, dit alleen kan zijn veroorzaakt door het met grote snelheid raken van het hoofd aan een voorwerp of andersom. Een val van de commode of iets soortgelijks is onvoldoende om het geconstateerde letsel te veroorzaken. Ten slotte heeft dr Bilo nog nader toegelicht dat hij als deskundige voormeld voorbehoud moet maken omdat het, niettegenstaande het feit dat er geen specifiek uitwendig of inwendig letsel is geconstateerd bij [slachtoffer] dat op een contacttrauma wijst, desalniettemin niet mogelijk is om ex post op puur medisch-deskundige gronden een contacttrauma volledig uit te sluiten. Voor het wegnemen van de laatste twijfel is sectie nodig, die onmogelijk is nu het slachtoffer het incident heeft overleefd.

Ten aanzien van de oorzaak van het letsel komt de rechtbank tot de conclusie dat het bij [slachtoffer] ontstane letsel toegedicht wordt aan een repeterend acceleratie-deceleratietrauma. De rechtbank overweegt daarvoor het navolgende. Bij [slachtoffer] is geen uitwendig letsel waargenomen aan zijn hoofd dat het gevolg zou zijn van een op zijn hoofd toegepast ernstig contact-trauma anders dan het repeterend acceleratie-deceleratietrauma. Een dergelijk uitwendig letsel had naar het oordeel van de rechtbank wel zichtbaar moeten zijn als in deze sprake zou zijn geweest van een ernstig contact-trauma. Vervolgens verklaren allen die bij de verzorging van [slachtoffer] betrokken waren tot het moment van het constateren van het letsel dat een dergelijk contact-trauma niet heeft plaatsgevonden. En voorts past het bij [slachtoffer] beschreven letsel, en meer in het bijzonder de bij [slachtoffer] geconstateerde petechiën (puntbloedinkjes) in de ogen, geheel bij letsel dat het gevolg is van het acceleratie-deceleratietrauma. Bij afwezigheid van een andere mogelijke oorzaak van het letsel kan de rechtbank op grond van het hiervoor overwogene niet tot een andere conclusie komen dan dat het bij [slachtoffer] geconstateerde letsel het gevolg is van toegebracht (niet-accidenteel) hersenletsel type II, veroorzaakt doordat [slachtoffer] opzettelijk gewelddadig/krachtig door elkaar is geschud. Uit de aard van de gedraging (het gedurende enkele seconden heen en weer schudden van een baby) volgt dat deze gedraging niet onbewust kan zijn veroorzaakt.

2) Het tijdstip van het ontstaan van het letsel

Dr Bilo concludeert voor wat betreft de timing van het letsel als volgt. “Het letsel dat geleid heeft tot de klinische noodsituatie is ontstaan kort (direct – minuten) voor het constateren van die klinische noodsituatie en na het laatste geconstateerde normale functioneren. Op grond van de nu bekende gegevens kan een eerder incident niet uitgesloten of aangetoond worden geacht”.

De verdediging heeft ook aangevoerd dat dr Bilo dus concludeert dat een eerder incident niet uitgesloten of aangetoond kan worden geacht en dat hij op basis van de feiten niet tot de conclusie heeft kunnen komen dat het letsel kort voor het constateren van de klinische noodsituatie is ontstaan.

De rechtbank deelt de mening van de verdediging niet dat de conclusies van dr Bilo met onvoldoende solide informatie worden gesteund en dat dr Bilo dus niet de conclusie over de timing van het letsel bij [slachtoffer] had mogen trekken die hij heeft getrokken.

Ter terechtzitting heeft dr Bilo toegelicht dat hij is gekomen tot de nauwkeurige timing van het incident dat het letsel bij [slachtoffer] heeft veroorzaakt op grond van de ernst van het letsel bij [slachtoffer]. Dit letsel was volgens dr Bilo van dien aard, dat er bij [slachtoffer] nagenoeg meteen een klinische noodsituatie moet zijn ontstaan. Dr Bilo verwees daarbij naar Bijlage 10 van zijn rapport.

Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding om de conclusies van dr Bilo als onvoldoende onderbouwd aan te merken, nu het rapport is gebaseerd op alle uitkomsten van de medische onderzoeken die bij [slachtoffer] zijn uitgevoerd, het uitvoerig en inzichtelijk is gemotiveerd, het rekenschap aflegt over mogelijke alternatieve scenario’s en het is gebaseerd op een compleet overzicht van de casus.

De rechtbank deelt ook niet de mening van de verdediging dat op grond van de verklaringen van kinderarts [naam] en [naam] van het AMK moet worden geconcludeerd dat het letsel in elk geval eerder dan op 20 maart 2008 rond 7:45 uur moet zijn ontstaan. De kinderarts [naam] heeft in een aanvullende verklaring op zijn eerdere verhoor toegelicht dat voor de waargenomen forse Hb-daling bij [slachtoffer] anderhalf à twee uur nodig is geweest. De Hb-meting bij [slachtoffer] is omstreeks 9:30 uur verricht. De kinderarts acht het mogelijk dat [slachtoffer] gezond uit bed is gehaald om ongeveer 7:45 uur en dat het letsel daarna is ontstaan, mits het letsel is ontstaan vlak nadat [slachtoffer] gezond uit bed werd gehaald. Volgens hem kan in dat geval de Hb-daling met de waargenomen grootte namelijk verklaard worden door het sterke bloedverlies waarvan uit het medisch dossier van [slachtoffer] blijkt. Ook dr Bilo concludeert dat het lage Hb-gehalte verklaard kan worden op basis van de intracraniële (hersen) bloeding.

Voor wat betreft de mogelijke twijfel aan het tijdstip van het ontstaan van het letsel gebaseerd op de verklaring van [naam], overweegt de rechtbank dat zij haar mening over de timing van het letsel gebaseerd heeft op een consult met twee hematologen, die hun mening onder meer baseerden op de bij [slachtoffer] gemeten reticulocytenwaarden. Uit het rapport van dr Bilo blijkt echter dat het gebruik van ijzersupplementen invloed gehad kan hebben op de reticulocytenwaarden die zijn gemeten bij [slachtoffer], terwijl onduidelijk is of [naam] in het consult met de hematologen het gebruik van ijzersupplementen door [slachtoffer] heeft genoemd. Ze heeft het verstrekken van deze informatie niet genoteerd in haar eigen dossier en kan zich niet exact meer herinneren of ze deze informatie heeft verstrekt aan de hematologen. Daarnaast geeft dr Bilo ook voor de gestegen reticulocytenwaarde een verklaring die niet strijdt met een timing van het letsel op 20 maart 2008 rond 7:45 uur.

De rechtbank heeft ter terechtzitting nog veronderstellenderwijs aan dr Bilo de vraag voorgelegd of een mogelijk eerder trauma dan vlak voor de klinische noodsituatie met een langdurige kleine (hersen)bloeding over langere tijd (waardoor niet direct aan [slachtoffer] gezien kan worden dat hij letsel heeft opgelopen) tot een zelfde acuut optredend klinische noodsituatie kan leiden als in het onderhavige geval geconstateerd. Dr Bilo heeft een dergelijke toedracht voor het letsel uitgesloten geacht. Het letsel werd zodanig ernstig geacht dat een significant, direct waarneembare verslechtering van de gezondheid van [slachtoffer] het gevolg moet zijn geweest.

Op grond van de acute zeer ernstige klinische noodsituatie, het bij onderzoek geconstateerde massaal aanwezige letsel en het feit dat een eerder langzaam ‘voortwoekerend’ letsel ten gevolge van een eerder trauma uitgesloten moet worden geacht, is de rechtbank van oordeel dat het trauma dat geleid heeft tot de klinische noodsituatie bij [slachtoffer] heeft plaatsgevonden kort (direct – minuten) voor het constateren van die klinische noodsituatie en na het laatste geconstateerde normale functioneren.

3) De veroorzaker van het letsel:

Ten aanzien van de vraag wie het letsel aan [slachtoffer] heeft toegebracht, overweegt de rechtbank als volgt.

De vader van [slachtoffer] heeft verklaard op 20 maart 2008 rond 6:45 uur te zijn vertrokken naar zijn werk, hetgeen blijkens de verklaring van verdachte strookt met de normale gang van zaken in huize [slachtoffer]. De vader van [slachtoffer] heeft verklaard dat er niemand anders in huis was die ochtend en dat hij de woning heeft afgesloten na vertrek. De verdachte heeft verklaard ergens tussen 7:30 en 7:45 uur te zijn opgestaan en naar [slachtoffer] te zijn gegaan. Zij heeft hem toen verschoond en is vervolgens zijn flesje gaan klaarmaken terwijl hij nog op de commode lag. Toen zij terugkwam, was [slachtoffer] grauw en blauw. Verdachte heeft verklaard dat zij de voordeur van het slot heeft gehaald toen zij [slachtoffer]’s flesje ging klaarmaken.

Voor wat betreft hetgeen de verdediging heeft aangevoerd omtrent de verklaringen van verdachte dat [slachtoffer] die ochtend wat pips, rustig en moe was, overweegt de rechtbank dat dit geenszins overeenkomt met de te verwachten toestand van [slachtoffer] als hem reeds door een ander ernstig letsel was toegebracht voordat verdachte hem uit zijn bedje had gehaald. Uit de bewijsmiddelen en hetgeen is overwogen onder het kopje “Het tijdstip van het ontstaan van het letsel” volgt dat [slachtoffer] in dat geval zo niet reeds overleden, doch zeker reeds in een klinische noodsituatie was geweest. Dit geldt evenzeer als de vader niet goed had gekeken die ochtend en er al iets aan de hand was geweest met [slachtoffer] toen hij naar zijn werk vertrok. Ter terechtzitting heeft verdachte bovendien verklaard dat zij [slachtoffer] die ochtend nog heeft getemperatuurd en dat [slachtoffer] daar normaal op reageerde. Ook zijn temperatuur was normaal. Zij gaf aan tijdens de verschoning geen reden te hebben gehad om 112 te bellen.

De rechtbank concludeert hieruit dat verdachte de enige is die kort voor het constateren van de klinische noodsituatie bij [slachtoffer] aanwezig is geweest. In combinatie met hetgeen reeds is overwogen, noopt dit tot de conclusie dat niemand anders dan verdachte het geconstateerde letsel heeft veroorzaakt door [slachtoffer] herhaaldelijk en met kracht door elkaar te schudden.

4) Het opzet

Op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting is de rechtbank van oordeel dat er in deze geen sprake is van en dat er ook totaal niets wijst op zogenoemd ‘boos opzet’, van het doelbewust trachten [slachtoffer] van het leven te beroven. De rechtbank ziet zich derhalve gesteld voor de vraag of er wel sprake is van voorwaardelijk opzet. Daarvoor is vereist dat gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept. In hoeverre hiervan sprake is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Van deze aanmerkelijke kans moet verdachte ook wetenschap hebben gehad en zij moet die aanmerkelijke kans hebben aanvaard.

Zoals reeds is vastgesteld, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank [slachtoffer] herhaaldelijk en met kracht door elkaar te geschud, waardoor hij zeer zwaar letsel heeft opgelopen.

Een zeer jonge baby is erg kwetsbaar, omdat spieren en botten zich nog in belangrijke mate moeten ontwikkelen. Van groot belang is dan ook het in die fase relatief grote en zware hoofd te allen tijde goed te ondersteunen, omdat de baby dat vanwege de nog zwakke nekspieren niet zelf kan tillen/vastzetten. Een jonge baby door elkaar schudden, wat altijd met enige kracht gepaard gaat, brengt door het voluit, de maximale uitslag, heen en weer gaan van het hoofd de aanmerkelijke kans met zich dat hierdoor levensbedreigend hersen- en ander letsel ontstaat. Het door elkaar schudden is kortom levensgevaarlijk. Dit alles gold in het bijzonder voor [slachtoffer], die bij ontslag uit het ziekenhuis nog net geen 37 weken oud was en dus eigenlijk nog niet eens in zwangerschapsjargon voldragen was. De rechtbank is van oordeel dat de kans dat het schudden van een zeer jonge baby als hier het geval de dood veroorzaakt naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Verdachte heeft deze aanmerkelijke kans door [slachtoffer] door elkaar te schudden ook aanvaard. Immers, bepaalde gedragingen zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. Naar het oordeel van de rechtbank is het heftig schudden van een baby zo een gedraging. Van contra-indicaties voor deze vaststelling is uit het onderzoek ter terechtzitting geenszins gebleken. Daarnaast is het een feit dat in ziekenhuizen ouders van te vroeg geboren baby’s door de verpleging wijs gemaakt worden in de verzorging van de baby. Daarbij wordt ook altijd aandacht besteed aan de wijze waarop het hoofd van de baby ondersteund moet worden als de baby wordt opgepakt of wordt vastgehouden. Uit het dossier komt ook naar voren dat verdachte door de verpleging van het ziekenhuis over de verzorging van [slachtoffer] is voorgelicht.

Gelet op het vorenoverwogene heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij [slachtoffer] van het leven zou beroven, zodat aldus in voorwaardelijke zin haar opzet daarop gericht was. Dat dit gevolg niet is ingetreden is uitsluitend te danken aan omstandigheden buiten de wil van de verdachte. Het bellen van haar moeder, het bellen van 112 en het toepassen van hartmassage kan niet gezien worden als het terugtreden van verdachte, omdat toen er reeds sprake was van een voltooide poging. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van poging tot doodslag.

7.3.Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 20 maart 2008 in de gemeente Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] ([geboortedatum]) van het leven te beroven, met dat opzet deze [slachtoffer] gewelddadig/krachtig door elkaar heeft geschud, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

8.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

8.1.De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde is strafbaar nu niet is gebleken van enige van omstandigheid die de strafbaarheid aan het bewezenverklaarde doet ontvallen.

8.2.Kwalificatie

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare misdrijf op:

poging tot doodslag.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 287 juncto 45 van het Wetboek van Strafrecht.

9.De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10.De straffen en/of maatregelen

10.1.De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 3 november 2009 aangegeven dat zij verdachte verantwoordelijk houdt voor hetgeen [slachtoffer] is overkomen, maar dat zij bij gebreke aan rapportages over verdachte’s toerekeningsvatbaarheid en de door de officier van justitie veronderstelde hulp die verdachte zou moeten krijgen om een mogelijke recidive te voorkomen een aanhouding op zijn plaats zou zijn. Na verzet van de verdediging tegen een aanhouding van deze zaak en de beslissing van de rechtbank dat het dossier geen grondslag bood om rapportages te vragen aan psychiatrische en/of psychologische deskundigen en aan de reclassering heeft de officier van justitie met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van poging tot doodslag zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van 738 dagen, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 700 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 10 jaren, tijdens dewelke reclasseringstoezicht zal plaatsvinden, nader in te vullen door de reclassering zelf.

Daartoe heeft de officier van justitie onder meer overwogen dat het opsporingsonderzoek weliswaar lang geduurd heeft, maar dat dat is geweest ter wille van de nodige zorgvuldigheid die deze zaak in het bijzonder vereist en daarom niet mag leiden tot strafvermindering.

De officier van justitie overweegt verder dat verdachte een nog jonge vrouw is, die beperkt intelligent is. Weliswaar is er sprake van een ernstig feit, maar de ouders hebben zich ook sindsdien steeds voluit ingezet voor het kind. Ze gaat er vanuit dat de verdachte uit onmacht heeft gehandeld en is van mening dat dat anders bestraft dient te worden dan een doelbewust handelen. Zij stelt dat verdachte weliswaar niet terug zou moeten gaan naar de gevangenis, maar dat er tegelijkertijd ook rekening gehouden moet worden met de kans dat verdachte opnieuw een kind zal krijgen. De noodzaak een later kind te beschermen rechtvaardigt in haar ogen een bijzonder lange proeftijd met reclasseringstoezicht.

10.2.Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak van al het ten laste gelegde bepleit en heeft verder geen standpunt ingenomen ten aanzien van de door de officier van justitie gevorderde straf.

10.3.De overwegingen van de rechtbank

Voor wat betreft de bepaling van de strafmaat overweegt de rechtbank als volgt.

Jonge baby's zijn uiterst kwetsbare mensjes die geheel op de goede zorgen van hun ouders of verzorgers zijn toegewezen. Gezien de ontkenning van verdachte blijft het gissen naar de aanleiding van verdachtes handelen, omdat het dossier ook geen enkel inzicht geeft waaruit het gebeurde verklaard kan worden. De verpleging van het ziekenhuis waar [slachtoffer] tot het moment dat hij naar huis kon heeft verbleven geeft aan dat zij vertrouwen hadden in de zorg die [slachtoffer] van zijn moeder zou krijgen. Het is de rechtbank bekend dat in een zeer groot percentage waarbij een baby slachtoffer wordt van een door een van zijn verzorgenden toegebracht trauma de baby te karakteriseren is als een zogenaamde ‘huilbaby’. Uit het dossier komt echter naar voren dat [slachtoffer] geen kenmerkende huilbaby was. Het inbakeren dat bij [slachtoffer] na zijn geboorte was toegepast in het ziekenhuis was, zo verklaarde verdachte, geen remedie tegen het excessief huilen, maar om het ‘fladdergedrag’ van een te vroeg geborene tegen te gaan. Dr Bilo onderschreef dit ter terechtzitting. Verder blijkt uit het dossier dat juist de twee nachten voor het gebeurde (hij heeft maar vier nachten thuis geslapen, zodat ook geen sprake kan zijn van door slaapgebrek uitzonderlijk vermoeide ouders) hij al beter doorsliep dan daarvoor. De rechtbank houdt het met name vanwege de verklaringen van de verpleging van het ziekenhuis er - gelijk de officier van justitie - op dat verdachte in onmacht het letsel bij [slachtoffer] heeft toegebracht. Dat neemt echter niet weg dat bij het ouderschap hoort dat men zich te allen tijde onthoudt van handelen dat het kind lichamelijke of geestelijke schade kan berokkenen. Op de plicht zich te allen tijde te onthouden van gedrag dat een kind tot schade is heeft verdachte grove inbreuk gepleegd. Zoals ook hierboven is vermeld, blijkt uit de medische rapportages dat [slachtoffer] ernstig gehandicapt geraakt is en dat hij nooit meer volledig zal herstellen van de opgelopen hersenschade. Reeds nu al loopt zijn lichamelijke en geestelijke ontwikkeling ver achter op wat normaal is voor een kind van zijn leeftijd. Vast staat dat hij zijn leven lang afhankelijk zal blijven van de zorg van anderen.

Naast de grote gevolgen voor [slachtoffer] zelf, heeft verdachtes handelen ook grote gevolgen voor in de eerste plaats de vader van [slachtoffer] en voor alle anderen die [slachtoffer] lief hebben. De vader van [slachtoffer] heeft slechts 3 dagen thuis kunnen genieten van hem, nadat deze na zijn vroeggeboorte op [geboortedatum] eindelijk op [datum] gezond uit het ziekenhuis was ontslagen. Hij zal [slachtoffer] nooit meer zien opgroeien als een normaal kind en de rest van zijn leven te maken hebben met de zorg voor een zwaar gehandicapt kind. Ook [slachtoffer]'s overige naaste familie is zwaar getroffen door dit feit.

Ook staat vast dat zaken als deze buiten de naaste kring rondom het slachtoffer onrust wekken en dat de maatschappij verwacht dat er een passend antwoord op komt.

In soortgelijke zaken wordt in de regel, uiteraard afhankelijk van de precieze omstandigheden van het geval, een gevangenisstraf tot 3 jaren opgelegd, doorgaans met een substantiële voorwaardelijke component, teneinde ook hulpverlening mogelijk te maken.

De rechtbank overweeg dat de verdachte 38 dagen in voorarrest heeft gezeten en dat bij toewijzing van de eis van de officier van justitie de tijd dat zij daadwerkelijk in hechtenis zal zitten voor dit feit niet meer zal zijn dan die 38 dagen. De rechtbank vindt dit in geen verhouding staan tot de ernst van het feit. Op een opzettelijke poging tot doodslag op een jonge baby, past, ook bij voorwaardelijke opzet, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van substantiële duur.

Naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf dient er, zoals ook de officier van justitie heeft gevorderd, een voorwaardelijke gevangenisstraf te worden opgelegd met een proeftijd, ten einde te voorkomen dat verdachte zich opnieuw schuldig maakt aan enig strafbaar feit en teneinde verdachte via de reclassering hulp en steun te bieden. Zodra het de reclassering in nadere contacten duidelijk wordt welke steun in de vorm van een behandeling o.i.d. in deze noodzakelijk is, kan de reclassering de rechtbank verzoeken de bijzondere voorwaarden die gekoppeld worden aan de voorwaardelijke straf te wijziging.

Omdat de rechtbank ook van oordeel is dat bij verdachte er zonder hulp en steun een groot risico bestaat dat zij, wellicht weer uit onmacht, tot ernstige strafbare feiten geraakt jegens personen acht de rechtbank een zeer lange proeftijd op zijn plaats.

11.Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 27, 45, 287

12.Beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van drie jaren;

beveelt dat van deze gevangenisstraf twee jaren niet zullen worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op 5 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende die proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die hem zullen worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland, arrondissement Roermond, zolang deze instelling dit noodzakelijk acht, met opdracht aan de Reclassering aan de verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze bijzondere voorwaarde;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Vonnis gewezen door mrs. L.P. Bosma, W.A.H.J. Poppeliers en I.S. Peskens, rechters, van wie mr. L.P. Bosma voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Zwiers als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 17 november 2009.