Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BK2495

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
13-10-2009
Datum publicatie
06-11-2009
Zaaknummer
AWB 09/695
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BN4952, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser is weliswaar door de onrechtmatige gebiedsontzeggingen beperkt in zijn vrijheid om zich vrijelijk te verplaatsen en zijn verblijfsplaats te kiezen, maar de ontzeggingen betreffen slechts een beperkt gedeelte van de stad en hebben betrekking op tamelijk korte perioden. Niet is gesteld dat eiser specifiek voor hem van belang zijnde bestemmingen niet heeft kunnen bereiken of bepaalde activiteiten heeft moeten nalaten. Derhalve kan dan ook niet gezegd worden dat door de gebiedsontzeggingen sprake is van een ingrijpende aantasting van een fundamenteel recht met ernstige gevolgen. De beperking van eisers vrijheid is niet ernstig genoeg voor het toekennen van immateriële schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht, enkelvoudige kamer

Procedurenummer: AWB 09 / 695

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

[eiser] te Weert, eiser,

gemachtigde mr. G.J.C. van Buuren

tegen

de Burgemeester van de gemeente Weert, verweerder.

1. Procesverloop

1.1. Bij besluit van 15 april 2009 heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen de besluiten van 5 en 23 februari 2009, waarbij aan eiser gebiedsontzeggingen zijn opgelegd, gegrond verklaard en de opgelegde gebiedsontzeggingen herroepen. Verweerder heeft voorts schadevergoeding toegekend ten bedrage van € 98,00 als vergoeding van de eigen bijdrage in de kosten van juridische bijstand.

Tegen het besluit van 15 april 2009 is bij deze rechtbank beroep ingesteld.

1.2. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiser gezonden.

1.3. Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 17 september 2009, waar eiser is verschenen bij zijn gemachtigde mr. Van Buuren, voornoemd, en waar verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door J.P.M. Stribos.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 5 februari 2009 heeft verweerder eiser een gebiedsontzegging opgelegd voor de periode 5 februari 2009, 23.00 uur, tot 11 februari 2009, 23.00 uur. Bij besluit van 23 februari 2009 heeft verweerder eiser een gebiedsontzegging opgelegd voor de periode 23 februari 2009, 0.00 uur, tot 28 februari 2009, 23.59 uur. De gebiedsontzeggingen betreffen het centrum van Weert en zijn opgelegd vanwege lokaalvredebreuk en huisvredebreuk in verband met overtreding van een zogeheten collectief winkelverbod dat door een aantal samenwerkende winkelbedrijven in het stadscentrum en een winkelcentrum in Weert jegens eiser kenbaar is gemaakt. Tegen beide besluiten is door eiser een zienswijze ingediend en bezwaar gemaakt

2.2. In bezwaar is namens eiser aangevoerd dat bij hem niets bekend is van een collectief winkelverbod maar dat hij enkel een waarschuwing collectief winkelverbod heeft ontvangen. De gegeven gebiedsontzegging mist derhalve goede grond. Eiser heeft verweerder tevens verzocht schadevergoeding toe te kennen en vergoeding van de proceskosten.

2.3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard en de opgelegde gebiedsontzeggingen herroepen. Verweerder is gebleken dat het Secretariaat collectief winkelverbod veelplegers abusievelijk heeft geregistreerd dat aan eiser een collectief winkelverbod was opgelegd. De wegens vermeende overtredingen van dit verbod opgemaakte processen-verbaal zijn ten onrechte opgemaakt, waarmee de basis voor het opleggen van de gebiedsontzeggingen vervalt, aldus verweerder.

Verweerder heeft tevens vergoeding toegekend ten bedrage van € 98,00 als vergoeding van de eigen bijdrage in de kosten van juridische bijstand en acht aldus het geleden nadeel voldoende gecompenseerd.

2.4. Eiser heeft in beroep betoogd dat hij in aanmerking komt voor vergoeding van immateriële schade omdat hij door de gebiedsontzeggingen in zijn persoonlijke vrijheid is aangetast. Eiser is gedwongen verstoken gebleven van het centrum van de stad. Dit betekent een aanzienlijke beperking van zijn vrijheid, welke voor compensatie in aanmerking komt. Voor de hoogte van de gevorderde schadevergoeding heeft eiser aansluiting gezocht bij schadevergoeding wegens ten onrechte ondergane voorlopige hechtenis in die zin dat uitgegaan zou moeten worden van de helft van het daarvoor geldende normbedrag. Eiser is voorts van mening dat het bestreden besluit schending oplevert van het vierde protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: vierde protocol EVRM), waarbij is bepaald dat een ieder die wettig op het grondgebied van een Staat verblijft, binnen dat grondgebied recht heeft zich vrijelijk te verplaatsen en er vrijelijk zijn verblijfplaats te kiezen. Eiser verzoekt de rechtbank daarom verweerder te veroordelen tot schadevergoeding.

2.5. Nu in onderhavige zaak de gestelde schadeoorzaak betrekking heeft op de (ten onrechte) opgelegde gebiedsontzeggingen en tegen een besluit inzake het opleggen van een gebiedsontzegging beroep openstaat bij de bestuursrechter is de rechtbank derhalve bevoegd kennis te nemen van het onderhavige beroep. Nu de weigering deel uitmaakt van een besluit op bezwaar is het beroep bovendien ontvankelijk.

2.6. In het verweerschrift heeft verweerder zich (primair) op het standpunt gesteld dat een causaal verband ontbreekt tussen het onrechtmatig genomen besluit en de gestelde schade. Eiser heeft geen beschikbare maatregelen genomen om de schade te beperken of te voorkomen, aangezien hij heeft nagelaten om, in het kader van zijn recht om zienswijzen in te dienen, expliciet te wijzen op het ontbreken van een definitief winkelverbod.

2.6.1. De rechtbank begrijpt verweerders standpunt in die zin dat verweerder van mening is dat eiser niet heeft voldaan aan de schadebeperkingsplicht en derhalve geen aanspraak op schadevergoeding kan maken.

2.6.2. Uit vaste jurisprudentie komt naar voren dat schade geleden als gevolg van een onjuist besluit niet voor vergoeding in aanmerking komt als de aanvrager zelf niet tijdig de voor de besluitvorming benodigde informatie verschaft die hij kan verschaffen. Verschaft de aanvrager niet de relevante gegevens en bieden de verstrekte gegevens geen aanknopingspunt om de volledigheid of juistheid ervan te betwijfelen, dan kan het bestuursorgaan met recht weigeren de schade te vergoeden voor zover de onjuistheid van het besluit verband houdt met het ontbreken van relevante gegevens.

2.6.3. De zienswijzen waar verweerder op doelt zijn de zienswijzen zoals die zijn opgetekend naar aanleiding van het aan eiser voorgehouden voornemen tot het opleggen van de gebiedsontzeggingen. De rechtbank stelt vast dat de zienswijze met betrekking tot de gebiedsontzegging over de periode 5 februari 2009 tot 11 februari 2009 niet door eiser is ondertekend voor akkoord en dat beide zienswijzen verschillende handschriften dragen. In de wél voor akkoord ondertekende zienswijze heeft eiser aangegeven dat hij niet weet waar hij wel of niet mag komen. De rechtbank stelt voorts vast dat beide zienswijzen door verweerder zijn neergelegd is een verslag aan de hand van drie voorgedrukte standaard vragen, waaronder niet de vraag of er sprake is van een winkelverbod. De rechtbank is van oordeel dat op deze gebrekkige wijze afgenomen en opgetekende zienswijzen niet als grondslag kunnen dienen voor verweerders standpunt dat eiser heeft nagelaten expliciet te wijzen op het ontbreken van een definitief winkelverbod. Derhalve kan niet worden gezegd dat eiser niet heeft voldaan aan de schadebeperkingsplicht

2.7. Verweerder heeft in het verweerschrift (subsidiair) het standpunt ingenomen dat aan de schadeclaim immateriële schade wegens aantasting van de persoonlijke vrijheid een deugdelijke onderbouwing ontbreekt. Eiser komt volgens verweerder ook daarom niet in aanmerking voor vergoeding van immateriële schade.

2.7.1. Bij het beantwoorden van de vraag of er voldoende aanleiding bestaat om immateriële schadevergoeding toe te kennen, moet naar vaste rechtspraak zoveel mogelijk aansluiting worden gezocht bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht. Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft een benadeelde overeenkomstig artikel 6:106, eerste lid, van het BW recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De wetgever heeft daarbij het oog gehad op ernstige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer alsook op andere persoonlijkheidsrechten van de betrokkene. Uit jurisprudentie van de civiele rechter waarvan met name de arresten van de Hoge Raad van 9 juli 2004

(NJ 2005,391) en 15 maart 2005 (NJ 2006, 606) is op te maken dat voorwaarde voor de toekenning van smartengeld ingeval van schending van een fundamenteel recht is dat er sprake is van een ingrijpende inbreuk, welke zich bijvoorbeeld kan voordoen bij een beperking van de vrijheid of de zelfbeschikking die voor de benadeelde ernstige gevolgen heeft.

2.7.2. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser weliswaar door de onrechtmatige gebiedsontzeggingen beperkt in zijn vrijheid om zich vrijelijk te verplaatsen en zijn verblijfsplaats te kiezen, maar de ontzeggingen betreffen slechts een beperkt gedeelte van de stad en hebben betrekking op tamelijk korte perioden. Niet is gesteld dat eiser specifiek voor hem van belang zijnde bestemmingen niet heeft kunnen bereiken of bepaalde activiteiten heeft moeten nalaten. Derhalve kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet gezegd worden dat door de gebiedsontzeggingen sprake is van een ingrijpende aantasting van een fundamenteel recht met ernstige gevolgen. De beperking van eisers vrijheid is niet ernstig genoeg voor het toekennen van immateriële schadevergoeding.

2.8. Gelet op voorgaande overwegingen dient het beroep van eiser voor ongegrond te worden gehouden.

2.9. De ongegrondverklaring van het beroep houdt in dat het verzoek van eiser om verweerder te veroordelen in de kosten van de gevoerde procedures dient te worden afgewezen.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. T.M. Schelfhout, in tegenwoordigheid van L.M.W. Ottenheim als griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2009.

w.g. L.M.W. Ottenheim,

griffier w.g. mr. T.M. Schelfhout,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 13 oktober 2009

Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.