Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BK2127

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
23-10-2009
Datum publicatie
05-11-2009
Zaaknummer
2007/1391
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

AWB 07/1391 Samenvatting

In de betreffende zaak gaat het om een aanslag voor baatbelasting in verband met de aanleg van een rioleringssysteem voor de afvoer van vuil water / regenwater op een bedrijventerrein. De aanslag heeft betrekking op het belastingjaar 2006.

De gemeente heeft in een aantal gevallen de voor de onroerende zaken getroffen voorzieningen, zo is in de procedure gesteld, reeds langs privaatrechtelijke weg verhaald. Het betreft hier de onroerende zaken die de gemeente na de bekendmaking van het bekostigingsbesluit heeft verkocht als bouwrijpe grond. Degenen die op deze manier reeds privaatrechtelijk hadden bijgedragen, zijn door verweerder vrijgesteld van de te betalen baatbelasting. In beroep zijn namens eiseres diverse gronden aangevoerd, onder meer is aangevoerd dat het kostenverhaal via enerzijds de heffing van baatbelasting en anderzijds het aangaan van overeenkomsten (de privaatrechtelijke weg) heeft geleid tot verschillende tarieven en een willekeurige mate van verhaal. De heffingsambtenaar heeft onder meer aangevoerd dat ook in de gronduitgifte door de gemeente baatbelasting is verdisconteerd, alleen was deze toen in de aankoopprijs van de bouwrijpe grond begrepen.

In haar heropeningsbeslissing van 15 september 2008 heeft de rechtbank gewezen op een arrest van de Hoge Raad van 3 mei 1978 (BNB 1978/142) . Uit dat arrest volgt – kort gezegd – dat voorkomen moet worden dat voor wat betreft de bijdrage in kosten, onaanvaardbare verschillen ontstaan tussen vergelijkbare, van de voorzieningen profijt trekkende onroerende goederen, naar gelang ter zake van het goed kosten zijn of worden voldaan krachtens overeenkomst dan wel, zoals in de onderhavige zaak, baatbelasting wordt geheven. Ter motivering van de stelling dat van een zodanig onaanvaardbaar verschil geen sprake was, heeft verweerder diverse malen berekeningen overgelegd. De rechtbank heeft echter, ook na de tweede behandeling ter zitting waarop verweerder wederom in de gelegenheid is gesteld een en ander toe te lichten, geen andere conclusie kunnen trekken dan dat verweerder achteraf fictief heeft berekend welk gedeelte kan worden geacht als baatbelasting te zijn opgebracht door de verkoop van bouwrijpe grond. Dat dit een fictieve berekening is, blijkt ook uit het feit dat verweerder die berekening heeft gemaakt aan de hand van de heffingssystematiek zoals die is vastgelegd in de Verordening. Dat daadwerkelijk (inmiddels) het berekende bedrag is opgebracht via de verkoop van bouwrijpe grond is ook anderszins niet gebleken. Verweerder heeft dan ook niet inzichtelijk gemaakt dat er via de verkoopprijs en de verkoopovereenkomsten een bijdrage in de kosten van het rioleringsstelsel is betaald of nog zal worden betaald, zodat de rechtbank niet anders heeft kunnen concluderen dan dat er een onaanvaardbaar verschil is tussen degenen in het gebate gebied die voor de baatbelasting zijn aangeslagen en degenen die in datzelfde gebied bouwrijpe grond hebben gekocht zonder verplichting tot het betalen van baatbelasting. Het vorenstaande brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat de betreffende Verordening op de heffing en invordering van baatbelasting onverbindend is te achten. De rechtbank is dan ook niet meer toegekomen aan de beoordeling van de overige geschilpunten tussen partijen. Op grond van het vorenstaande is het beroep van eiseres gegrond bevonden en zijn de uitspraak op bezwaar alsmede de daaraan ten grondslag liggende aanslag vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-2426
Belastingblad 2009/1553

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht, meervoudige kamer

Procedurenummer: AWB 07 / 1391

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres] BV),

te Echt-Susteren, eiseres,

gemachtigde mr. G.A.M. van de Wouw,

tegen

de heffingsambtenaar van de gemeente Echt-Susteren, verweerder.

1. Procesverloop

1.1. Eiseres is door verweerder bij beschikking van 30 juni 2006 aangeslagen voor een bedrag van (in totaal) EUR [bedrag 1], zijnde baatbelasting, voor de aanleg van een rioleringssysteem voor de afvoer van vuil water / regenwater. De aanslag heeft betrekking op het belastingjaar 2006.

1.2. Tegen voornoemde beschikking heeft de toenmalige gemachtigde van eiseres,

mr. L.L.F. Wassen, advocaat te Roermond, bij brief van 8 augustus 2006, binnengekomen bij verweerder op 9 augustus 2006, bezwaar gemaakt. Het bezwaar is aangevuld bij schrijven van 20 oktober 2006.

1.3. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 13 augustus 2007 de voornoemde aanslag gehandhaafd.

1.4. Voornoemde mr. Wassen heeft daartegen bij brief van 20 september 2007, ontvangen ter griffie op diezelfde datum, beroep ingesteld. Het beroep is aangevuld bij schrijven van 1 november 2007.

1.5. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.6. Het eerste onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2008, alwaar eiseres zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. Wassen en de in de aanhef genoemde

mr. Van de Wouw. Namens verweerder is verschenen G.E.M.A. Wagemans, bijgestaan door mr. M.M. Franse, drs. S. van de Ruit, J.J.M.G. Steskens en L.G.A.M. Kanters.

1.7. Bij beslissing van 5 september 2008 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en verweerder in de gelegenheid gesteld een nadere toelichting te geven op het al dan niet in rekening brengen van baatbelasting via exploitatie-overeenkomsten en/of via de gronduitgifte en op welke wijze en tot welk bedrag dat dan zou zijn gebeurd. Ook is aan verweerder gevraagd toe te lichten waarom in bepaalde overeenkomsten het heffen van baatbelasting is uitgesloten en wat de eventuele consequenties daarvan waren.

1.8. Verweerder heeft bij schrijven van 8 oktober 2008 op de heropeningsbeslissing gereageerd.

1.9. Van de zijde van eiseres zijn daarop een brief van 23 oktober 2008 en een brief van 27 november 2008 bij de rechtbank ingediend.

1.10. Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2009, alwaar eiseres zich heeft doen vertegenwoordigen door haar gemachtigde en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door G.E.M.A. Wagemans, bijgestaan door mr. M.M. Franse, J.J.M.G. Steskens en L.G.A.M. Kanters.

2. Wettelijk kader

2.1. In artikel 222 van de Gemeentewet is als volgt bepaald.

“1. Ter zake van de in een bepaald gedeelte van de gemeente gelegen onroerende zaak die gebaat is door voorzieningen die tot stand worden of zijn gebracht door of met medewerking van het gemeentebestuur, kan van degenen die van die onroerende zaak het genot hebben krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, een baatbelasting worden geheven, waarbij de aan de voorzieningen verbonden lasten geheel of gedeeltelijk worden omgeslagen. Indien de aan de voorzieningen verbonden lasten ter zake van een onroerende zaak krachtens overeenkomst zijn of worden voldaan, wordt de baatbelasting ter zake van die onroerende zaak niet geheven.

2. Voordat met het treffen van voorzieningen wordt aangevangen, wordt door de raad besloten in welke mate de aan die voorzieningen verbonden lasten door middel van een baatbelasting zullen worden verhaald. Een besluit als bedoeld in de eerste volzin bevat een aanduiding van het gebied waarbinnen de gebate onroerende zaak is gelegen. Het besluit wordt bekend gemaakt overeenkomstig artikel 139.

3. Of een onroerende zaak is gebaat wordt beoordeeld naar de toestand op een in de belastingverordening te bepalen tijdstip, dat is gelegen uiterlijk een jaar nadat de voorzieningen geheel zijn voltooid.

4. (..)

5. (..)”

2.2. In de raadsvergadering van 25 juli 1998 heeft de raad van de toenmalige gemeente Echt besloten over te gaan tot de revitalisering van bedrijventerrein “De Loop”.

2.3. Bij raadsbesluit van 17 december 1998 heeft de raad van de gemeente Echt het bekostigingsbesluit De Loop vastgesteld. Bij dit besluit is een aanduiding van het gebied gevoegd waarbinnen de gebate onroerende zaken zijn gelegen. Het besluit is bekendgemaakt door middel van publicatie in “’t Weakblaad” van 23 december 1998.

2.4. Volgens het bekostigingsbesluit zal maximaal f 5.300.000,= aan kosten voor het tot stand brengen van voorzieningen in het gebied omvattende de revitalisering van het bedrijventerrein De Loop, door middel van het heffen van baatbelasting op de genothebbenden van de gebate onroerende zaken worden verhaald. De voorzieningen omvatten in ieder geval een rioleringssysteem voor de afvoer van vuil water en regenwater, onder andere bestaande uit:

- rioleringswerken;

- overlaatconstructie;

- pompput en pomp;

- vertragingsbekken; en

- alle in verband met de aanleg noodzakelijke werkzaamheden voor voorbereiding, toezicht

en uitvoering van de aanleg van het rioleringssysteem.

2.5. Met betrekking tot de betaling van de in het bekostigingsbesluit genoemde bijdragen heeft de gemeente, volgens het bij het voornoemde besluit behorende raadsvoorstel, in een aantal gevallen de kosten van de voorzieningen voor de onroerende zaken reeds langs privaatrechtelijke weg verhaald. Het betreft hier de onroerende zaken die de gemeente na de bekendmaking van het bekostigingsbesluit heeft verkocht als bouwrijpe grond. Degenen die op deze manier reeds privaatrechtelijk hadden bijgedragen, zijn door verweerder vrijgesteld van de te betalen baatbelasting.

2.6. Op 24 maart 2005 heeft de oplevering van de laatste fase van de revitalisering van het bedrijventerrein door de aannemer plaatsgevonden.

2.7. Bij raadsbesluit van 3 november 2005 heeft de raad van de gemeente Echt-Susteren de “Verordening op de heffing en invordering van baatbelasting De Loop” (hierna: de Verordening) vastgesteld. Deze verordening is bekendgemaakt door middel van plaatsing in ’t Weakblaad van 17 november 2005. Als datum van ingang van de heffing is in de verordening 1 januari 2006 opgenomen.

2.7.1. In artikel 1 van deze Verordening is als volgt bepaald.

“Deze verordening verstaat onder

a. een onroerende zaak:

1. een gebouwd eigendom;

2. een ongebouwd eigendom:

3. (…)”

2.7.2. In artikel 2, eerste lid, van deze verordening is het belastbaar feit omschreven.

“Onder de naam “baatbelasting De Loop” wordt in de vorm van een heffing ineens een directe belasting geheven ter zake van de onroerende zaken, gelegen in de gemeente binnen de rode omlijning op de bij deze verordening behorende en als zodanig gewaarmerkte kaart, die op 1 december 2005 zijn gebaat door de in het derde lid genoemde voorzieningen, die tot stand zijn of worden gebracht door of met medewerking van het gemeentebestuur en die ingevolge de geldende bestemmingsplannen zijn aangewezen voor: bedrijfsdoeleinden, bedrijfsdoeleinden met open opslag, bedrijfsdoeleinden met perifere detailhandel, woondoeleinden, horecadoeleinden, nutsvoorzieningen, asfaltcentrale, kleine bedrijven met bijbehorende erven, industrie.”

2.7.3. Artikel 3 omschrijft de belastingplicht.

“De belasting wordt geheven van degene, die van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 2, eerste lid, het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht (lid 1).

Voor de toepassing van het eerste lid wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die op het tijdstip van de heffing dan wel, indien de belasting wordt geheven in de vorm van een jaarlijkse belasting, bij de aanvang van het belastingjaar als zodanig in de kadastrale registratie is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is (lid 2).

Indien de lasten die zijn verbonden aan de voorzieningen genoemd in artikel 2, tweede lid, ter zake van een onroerende zaak krachtens overeenkomst zijn of worden voldaan, wordt de belasting ter zake van die onroerende zaken niet geheven (lid 3).”

2.7.4. Artikel 4 van de Verordening bepaalt dat de maatstaf van heffing het aantal volle vierkante meters oppervlakte van de onroerende zaak is dat op grond van de bestemmingsplannen volledig mag worden bebouwd.

2.7.5. In artikel 5 van de Verordening is het belastingtarief neergelegd:

“De belasting bedraagt voor onroerende zaken als bedoeld in artikel 2, tweede lid,

onderdeel a, voor elke vierkante meter van de heffingsmaatstaf EUR 4,48 (lid 1).

De belasting bedraagt voor onroerende zaken als bedoeld in artikel 2, tweede lid,

onderdeel b, voor elke vierkante meter van de heffingsmaatstaf EUR 7,56 (lid 2).

2.7.6. Zoals blijkt uit het voorgaande is op de bij de verordening behorende kaart aangegeven welke onroerende zaken zijn gebaat. De percelen van eiseres, op de kaart gelegen binnen vlak 18, zijn gelegen in het gebate gebied.

3. Geschil

3.1. In beroep zijn namens eiseres de volgende gronden aangevoerd.

3.1.1. De onroerende zaken van eiseres zijn niet gebaat bij de door verweerder aangebrachte voorzieningen. De voorzieningen moeten worden gekwalificeerd als verricht achterstallig onderhoud, waarvoor geen verhaal door middel van het heffen van baatbelasting mogelijk is. Dat de onroerende zaken niet gebaat zijn, blijkt volgens de gemachtigde van eiseres verder uit het uitblijven van een waardeverhogend effect van de voorzieningen op de onroerende zaken.

3.1.2. De aanleg van het rioleringstelsel is een verplichting die voortvloeit uit artikel 10.33 van de Wet milieubeheer. Hetgeen verweerder heeft gedaan door middel van het aanbrengen van de voorzieningen, valt daarmee onder het “normaliseren” van de situatie, waarvan de kosten niet via de baatbelasting verhaald kunnen worden.

3.1.3. In vergelijkbare gevallen in de gemeente Echt-Susteren (aanleg riolering binnen de bebouwde kom) is geen baatbelasting geheven, maar zijn de lasten over de gemeenschap verdeeld.

3.1.4. Niet alle “gebate” zakelijk gerechtigden zijn aangeslagen, onder andere de percelen grenzend aan de Molenbeek, de woningen aan de Slagmolenweg en [pand 3] zijn buiten de heffing van baatbelasting gelaten. De gemachtigde van eiseres ziet hierin een reden gelegen om de verordening onverbindend te achten.

3.1.5. Het kostenverhaal via enerzijds de heffing van baatbelasting en anderzijds het aangaan van overeenkomsten (de privaatrechtelijke weg) heeft tot verschillende tarieven en een willekeurige mate van verhaal geleid.

3.1.6. Er is een forser rioleringssysteem aangelegd dan noodzakelijk was, hetgeen voor eiseres meer kosten met zich heeft gebracht.

3.1.7. Er zijn op eiseres kosten verhaald die buiten het gebate gebied zijn gemaakt.

3.1.8. De heffingsmaatstaf van de baatbelasting is rechtsonzeker, willekeurig en onredelijk, nu in de verordening een omschrijving van het begrip “bebouwd” ontbreekt.

Bij de meeste percelen op het bedrijventerrein zijn de bebouwingsmogelijkheden bij lange na niet benut, dus worden de percelen met bebouwing onevenredig belast. Daarnaast is de bebouwing ook beperkt in mogelijkheden, hetgeen niet is onderkend door verweerder.

3.1.9. De kaart bij de verordening is niet correct. De vlakken 8, 9 en 10 staan als gebaat gebied aangegeven, maar beschikten al over een voorziening.

3.1.10. Het advies van de VNG over de (concept-)verordening is niet door verweerder gevolgd. Daarin is, volgens de gemachtigde van eiseres, ook een reden gelegen de verordening onverbindend te verklaren.

3.2. Verweerder heeft het volgende standpunt ingenomen.

3.2.1. De aangebrachte voorzieningen zijn aan te merken als voorzieningen in de zin van artikel 222, eerste lid, van de Gemeentewet, omdat het complex van voorzieningen nieuw is aangelegd en er geen sprake is van het vervangen van bestaande (gemeentelijke) voorzieningen. De aanleg van de voorzieningen is niet aan te merken als het “wegwerken” van achterstallig onderhoud. Van baat is sprake indien de onroerende zaak door het complex van voorzieningen in een voordeliger positie is komen te verkeren (in vergelijking met de oorspronkelijke toestand). Niet beoogd is dat de baatbelasting wordt geheven ter zake van een waardestijging van de onroerende zaken als gevolg van de door de gemeente getroffen voorzieningen.

3.2.2. Onafhankelijk van het antwoord op de vraag of verweerder door de aanleg van het rioleringsstelsel op het bedrijventerrein uitvoering heeft gegeven aan zijn wettelijke verplichting ex artikel 10.33 van de Wet milieubeheer, bestaat, naar het standpunt van verweerder, de mogelijkheid van het heffen van de baatbelasting.

3.2.3. Binnen de gemeente Echt-Susteren zijn geen andere revitaliseringsprojecten gaande of onlangs gerealiseerd, hetgeen maakt dat de revitalisering van De Loop op zich staat. Er kan met betrekking tot het heffen van de baatbelasting dan ook geen parallel getrokken worden met een vergelijkbaar project.

3.2.4. Onroerende zaken die reeds waren aangesloten op de bestaande riolering, zijn niet in de baatbelasting betrokken. Tot deze onroerende zaken behoort ook [pand 3]. Naar de aard van de aangebrachte voorzieningen is verder het nut en de batende werking beperkt tot onroerende zaken die aan deze voorzieningen liggen en waar sprake is van bebouwing en/of de mogelijkheid bestaat tot verbouwing.

De onroerende zaken [panden] liggen echter niet direct aan de onderhavige voorzieningen, maar zijn op grote afstand (enige honderden meters) van het bedrijventerrein gelegen. Als gevolg daarvan zijn deze onroerende zaken niet gebaat bij de getroffen voorzieningen. Ook ten aanzien van de onroerende zaken die direct grenzen aan de Molenbeek geldt dat deze zaken op grond van de vigerende bestemming op peildatum

1 december 2005 niet zijn gebaat door het complex van de getroffen voorzieningen.

De betreffende onroerende zaken kenden op die peildatum namelijk een agrarische bestemming als gevolg waarvan deze zaken door de aanleg van de voorzieningen niet in een voordeligere positie zijn komen te verkeren.

3.2.5. Ook in de gronduitgifte door de gemeente na de datum van het bekostigingsbesluit is baatbelasting verdisconteerd, alleen was deze toen in de aankoopprijs van de bouwrijpe grond begrepen.

3.2.6. De aangebrachte voorzieningen zijn toegespitst op de plaatselijke situatie en niet gericht op uitbreiding van het bedrijventerrein. Van overdimensionering van het rioleringsstelsel is dan ook geen sprake.

3.2.7. Door middel van de onderhavige baatbelasting zijn enkel kosten verhaald die betrekking hebben op het aangelegde rioleringssysteem, zodat geen sprake is van het verhalen van kosten die niet verhaald mochten worden.

3.2.8. De gehanteerde heffingsmaatstaf is gekozen, omdat naar mate meer oppervlakte mag worden bebouwd, men potentieel meer gebruik kan maken van de riolering en dus meer profijt kan hebben van de riolering. De heffingsmaatstaf van de baatbelasting is daarmee, volgens verweerder, niet rechtsonzeker, willekeurig en onredelijk.

3.2.9. Verweerder heeft met betrekking tot dit punt onderkend dat enkele op de kaart aangeduide gebate gebieden reeds over een (eigen) voorziening beschikten.

3.2.10. Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat nu de VNG is ingeschakeld, het heffen van baatbelasting op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.

3.3. Bij de heropeningsbeslissing, zoals genoemd in 1.7, heeft de rechtbank, onder andere naar aanleiding van hetgeen op de eerste zitting aan de orde is gesteld, het geschil toegespitst op de vraag of de verordening, als bedoeld onder 2.7, onverbindend dient te worden verklaard omdat er, zoals door eiseres is gesteld, een onaanvaardbaar verschil is tussen het verhaal van de kosten van de getroffen voorzieningen via de publiekrechtelijke en via de privaatrechtelijke weg. In dat kader is aan verweerder de vraag voorgelegd hoe het verhaal via de privaatrechtelijke weg heeft plaatsgevonden en, indien dit bij de gronduitgifte is geschied, hoe uit de betreffende overeenkomsten is te herleiden dat de baatbelasting daarin is verdisconteerd en tot welk bedrag dat is geschied. Aan verweerder is eveneens gevraagd of hij in dit geval het arrest van de Hoge Raad van 3 mei 1978 (BNB 1978/142) naar analogie van toepassing acht. Verder heeft de rechtbank aan verweerder voorgelegd dat in de overeenkomsten die met [naam 1] en [naam 2] zijn gesloten, het heffen van baatbelasting uitgesloten is. Verweerder is verzocht zich erover uit te laten of daarmee rekening is gehouden bij het bepalen van de te heffen baatbelasting en zo ja, hoe dan.

3.4. Verweerder heeft op de heropeningsbeslissing gereageerd door te verwijzen naar door de gemeenteraad van Echt goedgekeurde exploitatiebegrotingen uit 2002, 2003 en 2004, waarin is uitgegaan van een opbrengst van de baatbelasting van EUR [bedrag 2]. Deze opbrengst volgt uit een berekening, die op 20 oktober 1998 tot stand is gekomen. In de berekening is in de bedragen per m2 voor de gebate grond de (nog uit te geven) grond van de gemeente ook in aanmerking genomen. Ten aanzien van deze grond geldt dat de kosten van de aanleg van de riolering zijn opgenomen in de kosten voor het bouwrijp maken van de grond. Nu de kosten van de riolering reeds op deze manier in de nog uit geven grond van de gemeente zijn verdisconteerd, is ten aanzien van deze grond geen baatbelasting (meer) geheven. Rekening houdend met het bedrag van EUR [bedrag 2], dat via de baatbelasting verhaald zou dienen te worden, heeft verweerder - in zijn reactie op de heropenings-beslissing - vervolgens berekend dat EUR [bedrag 3] aan baatbelasting is verdisconteerd in de door de gemeente (nog) uit te geven gronden. Nu echter niet al deze gemeentelijke grond daadwerkelijk is (en zal worden) uitgegeven, is via de privaatrechtelijke weg feitelijk slechts ongeveer de helft van het bedrag aan berekende “baatbelasting” verhaald.

Ten aanzien van de overeenkomst met [naam 2], erkent verweerder dat geen baatbelasting is of zal worden geheven. De kosten zijn echter al verdisconteerd in de kosten van het bouwrijp maken van de betreffende gronden en in die zin was heffing van baatbelasting dan ook niet meer aan de orde.

Met betrekking tot de overeenkomst met [naam 1] heeft verweerder ten slotte aangegeven dat het perceel van [naam 1] zowel aangesloten is op de oude riolering als op de nieuwe riolering. Daarom heeft verweerder er voor gekozen dit perceel slechts voor 50% in de baatbelasting te betrekken.

3.5. Namens eiseres is op de reactie van verweerder gereageerd met de stelling dat de berekening van (een deel) van de baatbelasting achteraf heeft plaatsgevonden en dat verweerder ten aanzien van het gestelde verhaal via de gronduitgifte niet inzichtelijk heeft gemaakt of en zo ja, hoe de baatbelasting daadwerkelijk per overeenkomst in de koopsom is verwerkt. Dit versterkt het vermoeden van eiseres dat de berekening van de op die manier te verhalen baatbelasting eerst achteraf is gemaakt en, zo begrijpt de rechtbank deze stelling, een fictieve berekening betreft.

3.6. Vervolgens is er nog een nader stuk van de zijde van eiseres ingediend, waarin is ingegaan op de woningen [panden]. Deze woningen waren, volgens eiseres, gebaat bij de door verweerder aangelegde voorzieningen, terwijl beide woningen geen aanslag baatbelasting hebben ontvangen. Het gevolg daarvan dient volgens eiseres te zijn dat de verordening geacht moet worden onverbindend te zijn, nu de woningen [panden] ten onrechte niet in de baatbelasting zijn betrokken.

Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres een stuk van verweerder bijgevoegd, waarin verweerder aangeeft dat de woning aan de [pand 2] vanaf november 2006 (tijdelijk) op de riolering is aangesloten, maar dat deze niet in de baatbelasting is betrokken. Ten aanzien van [pand 1] heeft verweerder aangegeven dat deze niet is aangesloten op de riolering van bedrijventerrein “De Loop” en derhalve ook niet is aangeslagen in de baatbelasting.

3.7. Bij de tweede zitting is ten aanzien van het verhaal via de gronduitgifte door verweerder opgemerkt dat niet expliciet in de verkoopovereenkomsten was opgenomen dat er baatbelasting in was verdisconteerd. Nu de uitgifteprijzen echter wel zijn gebaseerd op het ten tijde van het opstellen van de begroting geraamde totaal van de kosten, acht verweerder daarmee de baatbelasting voldoende in de koopovereenkomsten versleuteld. Eiseres heeft in dat kader opgeworpen dat verweerder (nog steeds) niet heeft laten zien dat de systematiek van heffing van baatbelasting die ten aanzien van eiseres is gehanteerd gelijk is aan de systematiek die bij de berekening van de baatbelasting via de gronduitgifte is toegepast. Verweerder is, aldus eiseres, bij de berekening van het bedrag aan baatbelasting dat via de gronduitgifte ontvangen zou moeten worden steeds uitgegaan van ficties. Dat levert een grond op om de verordening onverbindend te verklaren. Ten aanzien van het

-door eiseres gestelde - ten onrechte niet betrekken van een aantal woningen in de baatbelasting heeft verweerder bij deze zitting opgemerkt dat de woningen aan de Slagmolenweg slechts tijdelijk aangesloten zijn of zijn geweest op de riolering van het bedrijventerrein “De Loop”. Eiseres heeft daarop gesteld dat de nu de woningen aldus gebaat zijn geweest en er geen baatbelasting is geheven, de verordening ook op deze grond onverbindend verklaard dient te worden.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. De rechtbank overweegt als volgt.

4.2. Anders dan namens eiseres is gesteld, is de rechtbank van oordeel dat de aanleg van een rioleringsstelsel niet kan worden gezien als het verrichten van achterstallig onderhoud. Dat de aanleg van een rioleringsstelsel een verplichting is ingevolge de Wet milieubeheer maakt evenmin dat gezegd moet worden dat er sprake is van het verrichten van achterstallig onderhoud. Voor zover een waardeverhogend effect van de voorzieningen op de onroerende zaken is uitgebleven, zoals is gesteld door eiseres, betekent dit op zichzelf bezien niet dat de onroerende zaken niet gebaat zijn door de aanleg van dat rioleringstelsel.

Los van de vraag of er sprake is geweest van vergelijkbare gevallen in de gemeente Echt-Susteren (aanleg riolering binnen de bebouwde kom) is het de gemeenteraad toegestaan om in dit verband een keuze te maken om de lasten van de aanleg van een rioleringstelsel

(al dan niet deels) te verhalen op eigenaren van onroerende zaken in het gebate gebied in plaats van die te verhalen op alle inwoners van een gemeente. Verder staat het een gemeente vrij om advies bij de VNG in te winnen over voor de gemeente relevante kwesties en vervolgens dat advies al dan niet te volgen. Er bestaat immers geen verplichting om een dergelijk advies op te volgen. Anders dan eiseres is de rechtbank verder van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de heffingsmaatstaf van de baatbelasting rechtsonzeker, willekeurig en onredelijk is, omdat in de verordening een omschrijving van het begrip “bebouwd” ontbreekt. Naar dezerzijds oordeel is op basis van het spraakgebruik duidelijk wat onder het begrip “bebouwd” moet worden verstaan en is in artikel 4 van de Verordening de maatstaf van de heffing duidelijk omschreven: “De maatstaf van de heffing is het aantal volle vierkante meters oppervlakte van de onroerende zaak dat op grond van de bestemmingsplannen volledig mag worden bebouwd.” Dat een andere maatstaf mogelijk zou zijn geweest, maakt niet dat de gehanteerde maatstaf onredelijk of willekeurig is te achten nu deze voor iedereen uitgaat van de maximaal mogelijke bebouwing volgens de bestemmingsplannen.

4.3. Met betrekking tot de resterende gronden van het beroep overweegt de rechtbank als volgt.

4.4. Verweerder heeft wisselend, althans voor de rechtbank niet duidelijk, verklaard welke woningen anders dan [pand 1] nu niet of wel, al dan niet tijdelijk, waren aangesloten op het rioleringsstelsel. Diezelfde onduidelijkheid is blijven bestaan ten aanzien van de vraag of het rioleringsstelsel al dan niet overgedimensioneerd is met het oog op eventuele uitbreidingsplannen van een bedrijventerrein nabij “de Loop”. Dat, zelfs na de mondelinge behandeling van het beroep ter zitting onduidelijkheid hierover is blijven bestaan, behoort tot de risicosfeer van verweerder, maar wat daarvan ook moge zijn, de rechtbank is van oordeel dat reeds om een andere reden het bestreden besluit niet in stand kan blijven.

4.5. In haar heropeningsbeslissing van 15 september 2008 heeft de rechtbank gewezen op voornoemd arrest van de Hoge Raad van 3 mei 1978. Uit dat arrest volgt – kort gezegd – dat voorkomen moet worden dat voor wat betreft de bijdrage in kosten, onaanvaardbare verschillen ontstaan tussen vergelijkbare, van de voorzieningen profijt trekkende onroerende goederen, naar gelang ter zake van het goed kosten zijn of worden voldaan krachtens overeenkomst dan wel, zoals in de onderhavige zaak, baatbelasting wordt geheven.

Ter motivering van de stelling dat van een zodanig onaanvaardbaar verschil geen sprake was, heeft verweerder diverse malen berekeningen overgelegd. De rechtbank heeft echter, ook na de tweede behandeling ter zitting waarop verweerder wederom in de gelegenheid is gesteld een en ander toe te lichten, geen andere conclusie kunnen trekken dan dat verweerder achteraf fictief heeft berekend welk gedeelte kan worden geacht als baatbelasting te zijn opgebracht door de verkoop van bouwrijpe grond. Dat dit een fictieve berekening is, blijkt ook uit het feit dat verweerder die berekening heeft gemaakt aan de hand van de heffingssystematiek zoals die is vastgelegd in de Verordening. Dat daadwerkelijk (inmiddels) een bedrag ad EUR 265.264,= is opgebracht via de verkoop van bouwrijpe grond is ook anderszins niet gebleken. Verweerder heeft dan ook niet inzichtelijk gemaakt dat er via de verkoopprijs en de verkoopovereenkomsten een bijdrage in de kosten van het rioleringsstelsel is betaald of nog zal worden betaald, zodat de rechtbank niet anders kan concluderen dat er een onaanvaardbaar verschil is tussen degenen in het gebate gebied die voor de baatbelasting zijn aangeslagen en degenen die in datzelfde gebied bouwrijpe grond hebben gekocht zonder verplichting tot het betalen van baatbelasting. Het vorenstaande brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat de Verordening op de heffing en invordering van baatbelasting De Loop onverbindend is te achten. De rechtbank komt dan ook niet meer toe aan de beoordeling van overige geschilpunten tussen partijen.

4.6. Op grond van het vorenstaande wordt het beroep van eiseres gegrond bevonden door de rechtbank. Derhalve zal de rechtbank ook de uitspraak op bezwaar vernietigen en alsmede de daaraan ten grondslag liggende aanslag van 30 juni 2006.

5. Proceskosten en griffierecht

5.1. De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden twee en een half punten, met een waarde van EUR 322,= per punt, toegekend: 1 voor het beroepschrift en 1 voor het verschijnen ter zitting van

26 augustus 2008 en 0,5 voor het verschijnen ter nadere zitting op 10 maart 2009.

Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1.

5.2. De rechtbank zal verder bepalen dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht, te weten EUR 285,=, aan eiseres dient te vergoeden.

6. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak op bezwaar alsmede de daaraan ten grondslag liggende aanslag;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres (wegens kosten van rechtsbijstand) ten bedrage van EUR 805,=;

gelast dat verweerder het betaalde griffierecht van EUR 285,= vergoedt aan eiseres.

Aldus gedaan door mrs. F.H. Machiels als voorzitter en E.J. Govaers en F.L.G. Geisel als leden in tegenwoordigheid van mr. K.M.J. van der Vorst als griffier en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2009.

w.g. mr. K.M.J. van der Vorst,

griffier

w.g. mr. F.H. Machiels,

rechter

Voor eensluidend afschrift,

de (wnd.) griffier,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 23 oktober 2009.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ te ’s-Hertogenbosch. Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep .

Partijen kunnen ook beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ‘s-Gravenhage. Dit is echter alleen mogelijk indien de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.