Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BK2053

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
04-11-2009
Datum publicatie
04-11-2009
Zaaknummer
04/850958-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In de maanden november/december 2008 en januari 2009 werd Roermond en omgeving opgeschrikt door een groot aantal gewapende overvallen op onder andere tankstations, supermarkten, fritures, een restaurant, een woning en een dierenkliniek waarbij sprake was van een grotere en steeds wisselende dadergroep, welke golf van gewapende overvallen veel commotie heeft veroorzaakt en met name voor de slachtoffers en andere ondernemers in die betreffende branches een bijzonder gevoel van onveiligheid teweeg heeft gebracht (Hyena onderzoek).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector strafrecht

Parketnummer : 04/850958-08

Parketnummer : 04/850220-07 (tul)

Datum uitspraak: 4 november 2009

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte 5],

geboren [geboortedatum],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in [detentie adres].

1.Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 3 juli 2009 (voortgezet op 6 juli 2009), 26 augustus 2009 en 12 oktober 2009 (voortgezet op 21 oktober 2009).

2.De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

hij op of omstreeks 07 december 2008 in de gemeente Roermond, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening hebben/heeft weggenomen een kassalade inhoudende ongeveer 350,= EURO, in elk geval enig goed en/of bedrag aan geld, geheel of ten dele toebehorende aan cafetaria [benadeelde 4] en/of [slachtoffer 12], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 12], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s), hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin heeft bestaan dat:

- verdachte en/of één van zijn mededaders met een hamer in zijn hand op de

vitrine en/of het werkblad van cafetaria [benadeelde 4] is gesprongen en

deze hamer boven, zijn, verdachtes, hoofd heeft gehouden en/of met deze

hamer voorover heeft gehangen in de richting van genoemde [slachtoffer 12] en/of

- verdachte en/of één van zijn mededaders een pistool, in elk geval een op

een vuurwapen gelijkend voorwerp, op voornoemde [slachtoffer 12] heeft gericht,

in elk geval heeft getoond;

art. 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3.De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4.De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5.De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6.Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7.Bewijsoverwegingen

7.1.Standpunten van de officier van justitie en de verdediging.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 12 oktober 2009 gevorderd dat

het ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde bij gebreke van wettig en eveneens overtuigend bewijs.

7.2.Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen .

Op zondag 7 december 2008 tussen 21.55 uur en 22.00 uur vond er een gewapende overval plaats op cafetaria/frituur [benadeelde 4] aan[adres] te Roermond, waarvan [slachtoffer 12] (eigenaresse van deze cafetaria) aangifte doet. Zij verklaart dat kort voor sluitingstijd, omstreeks 21.55 uur, vier personen de snackbar binnenkomen, die allen donker gekleed zijn. Terwijl één van deze jongens in de deuropening blijft staan, richt een andere jongen bij binnenkomst een wapen op haar en springt een andere jongen met een hamer in zijn hand op de vitrine en het werkblad (waar zij staat) en houdt de hamer boven zijn hoofd terwijl hij voorover hangt. De jongen met het pistool bedient zich van de kassa en weet met zijn pistool de kassalade uit de kassa te krijgen. Deze jongen met het pistool gaat er met de kassalade, waarin ongeveer € 350,00 aan contant geld zat, vandoor en vervolgens rennen de jongens weg.

Verbalisanten [verbalisant 11] en [verbalisant 12] krijgen op 7 december 2008 omstreeks 22.00 uur

via de meldkamer te horen dat zojuist een gewapende overval op de frituur aan de [adres] te Roermond heeft plaatsgevonden, waarbij sprake zou zijn van vier in het zwart geklede (gemaskerde) daders, die te voet gevlucht waren in de richting van de [adres] in de wijk de Kemp te Roermond. Zij vatten post in de struiken van de nabijgelegen spoorlijn van de IJzeren Rijn en een paadje tussen de wijk De Kemp en de wijk Donderberg. Kort nadat zij daar post gevat hebben, zien de verbalisanten vier personen over deze spoorlijn lopen die (voldoen aan het signalement en) allemaal in het donker gekleed zijn. Nadat één van hen kennelijk het dienstvoertuig heeft zien staan en “Politie” roept,

zien de verbalisanten dat de vier personen zich onmiddellijk omdraaien en wegrennen in de richting waar zij vandaan kwamen, de wijk Kitskensberg.

Meteen nadat de verbalisanten hun bevindingen mobilofonisch hebben doorgegeven, zien zij collega’s [verbalisant 13] en [verbalisant 14] in hun dienstvoertuig aan komen rijden en wijzen zij de richting waarin de vier personen zijn weggerend. Kort hierna horen de verbalisanten dat de collega’s [verbalisant 13] en [verbalisant 14] één van deze personen hebben aangehouden als verdachte van voornoemde gewapende overval.

Om 22.20 uur wordt door de verbalisanten een persoon onder het viaduct van voornoemde IJzeren Rijn aangetroffen, die door verbalisant [verbalisant 11] wordt herkend als de hem ambtshalve bekende [verdachte 1], welke eveneens als verdachte van de gewapende overval wordt aangehouden.

Verbalisanten [verbalisant 13] en [verbalisant 14] relateren in hun proces-verbaal dat zij op 7 december 2008, omstreeks 22.11 uur op de [adres] te Roermond als verdachte hebben aangehouden: [verdachte 5], geboren [geboortedatum]

Beide verbalisanten (die eveneens via de meldkamer te horen krijgen dat zojuist een gewapende overval op de frituur aan de [adres] te Roermond heeft plaatsgevonden) zien -nadat collega [verbalisant 11] hun de richting van de vier wegrennende personen had gewezen- vier in het donker geklede personen wegrennen. Verbalisant [verbalisant 14] zet te voet de achtervolging in en ziet dat de vier verdachten tussen een flat gelegen op de [adres] en de nieuwe controlekamer van Rijkswaterstaat door rennen, waarna hij de vier personen ongeveer 30 seconden uit het oog verliest, waarin hij kort contact heeft met collega [verbalisant 13], die met het dienstvoertuig de [adres] komt ingereden. Verbalisant [verbalisant 14] rent weer terug en ziet dat de omheining van de controlekamer open is. Op het moment dat hij de linkerkant van dit gebouw wil bekijken, komt een in het donker geklede man hem tegemoet lopen, die gezien het signalement van de vier verdachten en gezien de situatie ter plaatse verdachte is, waarna deze persoon wordt aangehouden terzake de overval.

Medeverdachte [verdachte 8] bekent de overval op [benadeelde 4] op de Kemp samen met [verdachte 7], [verdachte 5] (van wie hij de achternaam niet kent, maar weet dat hij een tweelingbroer heeft) en [verdachte 1] te hebben gepleegd. Hij verklaart dat ze met z’n vieren waren en dat bij de overval gebruik is gemaakt van een gestolen auto, die in een straat op de Kemp was gestald: ”We zijn lopend naar de frituur gegaan. Onderweg vertelde [verdachte 1] wat we moesten doen. [verdachte 1] zei dat niemand mocht verraden. Toen we bij de frituur kwamen zijn we naar binnen gegaan. [verdachte 1] had een hamer en sloeg daarmee op de glazen plaat. Hij is ook op de balie gaan staan. Ik stond te kijken bij de deur. [verdachte 5] was bezig de kassa te pakken. [verdachte 7] stond iets verder binnen. Bij de overval had [verdachte 5] een pistool. We hebben geld weggehaald. Daarna zijn we naar buiten gerend en in die auto gestapt. We zijn toen naar Kitskensberg gereden en hebben daar de auto neergezet. We liepen vervolgens langs het spoor en daar werden [verdachte 1] en [verdachte 5] toen gepakt. Ik ben samen met [verdachte 7] naar [verdachte 17] gerend, die op de Kemp woont”.

Zulks wordt bevestigd door [verdachte 17], die verklaart dat die Irakees en [verdachte 8] na de overval bij hem naar binnen zijn gevlucht en [verdachte 8] tegen hem zei dat hij

een overval had gepleegd op frituur [benadeelde 4], waar ze euro’s buit hadden gemaakt . Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van de verhorende verbalisanten verklaarde [verdachte 17] tijdens dit verhoor dat er twee verdachten van de overval op de Frituur op de [adres] reeds door de politie waren aangehouden, waarbij hij de namen [verdachte 1] en [verdachte 5] de neger noemde als namen waarvan hij wist dat die zeker bij de overval betrokken waren, hetgeen abusievelijk niet in het verhoor werd opgenomen.

Medeverdachte [verdachte 7] (geboren te Irak) bekent eveneens de overval op frituur [benadeelde 4] op de [adres] in Roermond te hebben gepleegd, samen met [verdachte 8] en nog twee andere personen waarvan hij de namen niet wil noemen. Als de verbalisanten hem voorhouden dat medeverdachte [verdachte 8] heeft verklaard dat hij die overval samen met hem, [verdachte 1] en [verdachte 5] heeft gepleegd, verklaart [verdachte 7] dat ‘als [verdachte 8] dat al heeft gezegd, hij toch geen namen meer hoeft te noemen’.

Over de rolverdeling verklaart [verdachte 7] dat hij bij de deur stond en [verdachte 8] ook gewoon in de zaak stond, terwijl die andere twee jongens alles gedaan hebben, waarbij

één van hen een hamer had en de andere het neppistool. Zij zijn op de balie gesprongen en hebben daar gedreigd.

Ook medeverdachte [verdachte 1] bekent de overval op frituur [benadeelde 4] te Roermond te hebben gepleegd. Hij verklaart dat [verdachte 8] erbij was maar zegt niet te weten wie de andere twee waren. [verdachte 1] verklaart dat hij op de vitrine in de frituur is gaan staan en dat

ze toen de zaak hebben overvallen. Na de overval zijn ze in de auto gestapt en weggereden, waarna de auto geparkeerd is in de wijk Kitskensberg. Daarna zijn ze te voet richting Donderberg gegaan, waarbij hij uiteindelijk is aangehouden toen hij voor de politie op de vlucht was en onder het viaduct lag.

Op grond van de inhoud van vorenstaande wettige bewijsmiddelen in onderling verband

en samenhang bezien, heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat verdachte samen met [verdachte 8], [verdachte 7] en [verdachte 1] de betreffende overval op frituur [benadeelde 4] heeft gepleegd.

Verdachte ontkent weliswaar elke betrokkenheid bij deze overval en verklaart over zijn aanhouding ‘op het verkeerde moment op de verkeerde plaats te zijn geweest’: hij liep naast het spoor op weg naar huis, was op dat moment naar eigen zeggen alleen en sloeg op de vlucht voor de politieauto die hij zag aankomen, omdat hij een week tevoren ook al onterecht door de politie was aangehouden en hij de volgende dag suikerfeest had.

Op de vraag waar hij vandaan kwam, wenst verdachte geen antwoord te geven .

De rechtbank acht de verklaringen van verdachte niet geloofwaardig en wijst erop dat verdachte tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. Zo heeft hij bij de politie verklaard dat de in de politieauto aangetroffen (aan de zijde waar hij had gezeten) doorgebroken simcard niet van hem was , terwijl hij ter terechtzitting heeft verklaard dat de politie hem wijs gemaakt had dat er geen simcard in zijn telefoon zat. Deze simcard is volgens verdachte mogelijk door de hardhandige wijze van zijn aanhouding kapot gegaan.

Desgevraagd bevestigt verdachte dat hij een tweelingbroer heeft, [broer] genaamd.

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde en daartoe -zoals vervat in de pleitnota- in de kern aangevoerd dat er slechts één verklaring door [verdachte 8] is afgelegd dat verdachte betrokken zou zijn bij deze overval en deze [verdachte 8] in strijd met de waarheid heeft verklaard dat alle vier de personen na de overval in de auto zijn gestapt, zodat een getuige die een leugenachtige verklaring aflegt onvoldoende is, temeer nu het sporenonderzoek geen resultaat heeft opgeleverd. De politie heeft nagelaten een (foto) confrontatie te laten plaatsvinden en er heeft evenmin een DNA-onderzoek plaatsgevonden, terwijl de politie tegenstrijdige bevindingen noteert betreffende de aanhouding van verdachte.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat aan de raadsvrouw kan worden toegegeven dat

het onderzoek op een aantal punten zorgvuldiger had kunnen plaatsvinden. Zulks neemt niet weg dat de rechtbank op grond van de inhoud van voormelde bewijsmiddelen reeds wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. Daarbij is met name van belang dat verdachte zéér kort na de gepleegde overval in de directe nabijheid van de frituur wordt aangetroffen en zulks zijn ondersteuning vindt in voormelde verklaring van [verdachte 8], waarbij de verklaring van [verdachte 8] op cruciale punten (onder andere voor wat betreft de rolverdeling) wordt ondersteund door de inhoud van de overige bewijsmiddelen, zodat deze verklaring niet als onbetrouwbaar kan worden bestempeld.

Hetgeen de raadsvrouw overigens aanvoert wordt weerlegd door de inhoud van voornoemde bewijsmiddelen.

7.3.Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 07 december 2008 in de gemeente Roermond, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een kassalade inhoudende ongeveer 350,= EURO, toebehorende aan cafetaria [benadeelde 4] en/of

[slachtoffer 12], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 12], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin heeft bestaan dat:

- verdachte of één van zijn mededaders met een hamer in zijn hand op de vitrine en het

werkblad van cafetaria [benadeelde 4] is gesprongen en deze hamer boven zijn hoofd

heeft gehouden en met deze hamer voorover heeft gehangen in de richting van genoemde

[slachtoffer 12] en

- verdachte of één van zijn mededaders een op een vuurwapen gelijkend voorwerp

op voornoemde [slachtoffer 12] heeft gericht.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

8.1.Kwalificatie

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op het navolgende misdrijf:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken,

terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht.

9.De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10.De straffen en/of maatregelen

10.1.De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 12 oktober 2009 met betrekking tot de op te leggen hoofdstraf gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 2 jaren, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

10.2.Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair tot vrijspraak van het ten laste gelegde geconcludeerd. Indien de rechtbank toch tot een bewezenverklaring zou komen, heeft de raadsvrouw het opleggen van een vrijheidsstraf bepleit, die gelijk is aan het voorarrest van verdachte.

10.3.De overwegingen van de rechtbank

In de maanden november/december 2008 en januari 2009 werd Roermond en omgeving opgeschrikt door een groot aantal gewapende overvallen op onder andere tankstations, supermarkten, fritures, een restaurant, een woning en een dierenkliniek waarbij sprake was van een grotere en steeds wisselende dadergroep, welke golf van gewapende overvallen veel commotie heeft veroorzaakt en met name voor de slachtoffers en andere ondernemers in die betreffende branches een bijzonder gevoel van onveiligheid teweeg heeft gebracht (Hyena onderzoek). De door verdachte (tezamen met zijn medeverdachten) gepleegde gewapende overval op cafetaria [benadeelde 4] maakt hiervan deel uit. Tijdens de overval ziet de eigenaresse ’s avonds tegen sluitingstijd op het moment dat zij aan het opruimen is, een vuurwapen op zich gericht, terwijl een andere verdachte, staand op de vitrine, met een hamer dreigend boven haar hoofd staat. Naar de ervaring leert heeft een dergelijke gewapende overval een enorme impact op de slachtoffers en kunnen zij nog lange tijd psychisch nadelige gevolgen daarvan ondervinden. Dat zulks ook bij het slachtoffer [slachtoffer 12] het geval is blijkt wel uit de aangifte en het voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces. Op het moment van de overval heeft ze doodsangsten uitgestaan. Ze heeft last gehad van nachtmerries en telkens als voor haar gevoel vreemde types de frituur binnenkomen, is ze angstig, extra alert en voelt ze een grote spanning. Het plezier in haar werk in de frituur is nu een stuk minder dan voorheen. Verdachte en medeverdachten hebben zich puur bekommerd om hun eigen behoefte aan geld te komen.

De rechtbank acht het uitermate zorgelijk dat verdachte, ondanks zijn jeugdige leeftijd

tot het plegen van een buitengewoon ernstig misdrijf in staat blijkt te zijn en daarover geen openheid van zaken geeft, temeer daar de rechtbank uit de verklaringen van alle medeverdachten afleidt dat verdachte degene is geweest die het pistool in handen heeft gehad en de kassalade uit de kassa heeft weggenomen en daarmee een leidinggevende rol heeft vervuld.

Verdachte is in het kader van een eerdere straf verplicht begeleid door de Jeugdreclassering en heeft in dat kader ook de cursus ‘Slachtoffer in Beeld’ gevolgd, waarvan hij blijkbaar niets heeft opgestoken. Hoewel verdachte -blijkens de afsluitrapportage Jeugdreclassering d.d. 2 juli 2009- zich altijd netjes aan de afspraken heeft gehouden, aanwezig was en mee deed in de gesprekken, vertoonde verdachte altijd wel sociaal wenselijk gedrag, wist hij heel goed wat hij moest vertellen, maar heeft de begeleidster van de jeugdreclassering tijdens de hele begeleidingsperiode geen zicht gekregen op zijn vrije tijd. De kans op recidive wordt als groot ingeschat nu verdachte niets heeft geleerd van de begeleiding en doorgaat met het plegen van strafbare feiten.

De omstandigheid dat verdachte, ondanks zijn nog jeugdige leeftijd van 19 jaar, blijkens zijn uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister reeds eerder ter zake van gekwalificeerde diefstal is veroordeeld, nog in een proeftijd liep van een vonnis van de meervoudige kamer van 18 juni 2007, hieruit kennelijk geen lering heeft getrokken en

door blijft gaan met het plegen van steeds brutaler wordende geweldsdelicten, is voor de rechtbank redengevend om de samenleving voor langere tijd te beschermen tegen verdachte.

De rechtbank is -gelet op vorenstaande in onderling verband en samenhang bezien- van oordeel dat met het oog op een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lagere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van

18 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

10.4.De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer 12], adres: [adres], heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het ten laste gelegde feit geleden materiële schade en immateriële schade.

[slachtoffer 12] voornoemd heeft de materiële schade op een bedrag van € 424,55 en de immateriële schade op een bedrag van € 1.700,00 gesteld, en wil die schades vergoed krijgen. Omdat van deze schade reeds een bedrag ad € 123,00 is vergoed, bedraagt het bedrag van de schade die in deze procedure wordt gevorderd € 2.001,55.

Ten laste van verdachte is het ten laste gelegde feit bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake van dat feit worden veroordeeld.

Met betrekking tot de toewijsbaarheid van de hoogte van het schadebedrag overweegt de rechtbank dat de vordering is opgebouwd uit de navolgende posten.

Immateriele schade:

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank als

volgt. Gelet op de aard van het bewezenverklaarde is het een ervaringsregel dat daardoor

bij het slachtoffer immateriële schade van enige omvang wordt veroorzaakt. Of de door het slachtoffer opgelopen immateriële schade een bedrag van € 1.700,00 rechtvaardigt, kan de rechtbank op basis van de haar beschikbare informatie niet beoordelen.

Voor zover deze vordering van immateriële schade het bedrag van € 1.000,00 overstijgt,

is deze vordering naar het oordeel van de rechtbank niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding, zal de benadeelde partij voor dit deel niet ontvankelijk in haar vordering dienen te worden verklaard en zal de rechtbank bepalen

dat de benadeelde partij het deel van de vordering waarin zij niet ontvankelijk dient te worden verklaard, alsnog bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Materiele schade:

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de posten ‘aankoop nieuwe kassalade ad € 74,55’ en ‘gestolen bedrag uit kassalade ad € 350,00’ die door de verdediging niet zijn weersproken, na aftrek van het reeds vergoedde bedrag ad € 123,00 voor toewijzing vatbaar, zodat de rechtbank het schadebedrag zal vaststellen op een totaalbedrag van € 1.301,55, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 07 december 2008 tot de dag der algehele voldoening.

Verdachte is naar burgerlijk recht, samen met zijn mededaders, aansprakelijk voor deze schade.

De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag gemaakt, begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 1.301,55 te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf

07 december 2008 tot de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal

te vervangen door hechtenis voor de tijd van 23 dagen, te betalen ten behoeve van

[slachtoffer 12] voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

11.Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 24c, 27, 36f, 310, 312

12.De vordering tot tenuitvoerlegging

De rechtbank is van oordeel dat nu gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van

de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan het hiervoor bewezen verklaarde strafbare feit omtrent de vordering tot tenuitvoerlegging van een aan de verdachte bij een vroegere veroordeling opgelegde voorwaardelijke straf beslist dient te worden zoals hierna is vermeld.

13.Beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert

en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 18 maanden;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak

in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

wijst gedeeltelijk toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 12],

tot een bedrag van EUR 1301,55;

veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij [slachtoffer 12], adres: [adres], te betalen een bedrag van EUR 1.301,55,

te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 07 december 2008 tot de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat de verdachte zal zijn bevrijd voor zover voornoemde benadeelde partij - al dan niet via de betaling aan de Staat - door (één van) verdachtes mededaders is voldaan;

verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 12] voornoemd, voor het overige niet-ontvankelijk, aangezien de vordering op dat onderdeel naar het oordeel van de rechtbank niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding, met bepaling dat de benadeelde partij het deel van de vordering waarin zij niet ontvankelijk is alsnog bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van EUR 1.301,55 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 12], adres: [adres], subsidiair 23 dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

veroordeelt verdachte tevens tot betaling aan de Staat van de wettelijke rente over voormeld bedrag vanaf 07 december 2008 tot de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat de subsidiaire hechtenis ook van toepassing is op de vervallen rentetermijnen;

bepaalt dat indien verdachte en/of (een van) zijn mededader(s) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van EUR 1.301,55, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 07 december 2008 tot de dag der algehele voldoening ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte en/of (een van) zijn mededader(s) aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging .

gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de meervoudige strafkamer te

Roermond d.d. 18 juni 2007 in de zaak met parketnummer 04/850220-07 aan de

veroordeelde opgelegde jeugddetentie voor de duur van 3 maanden, ten aanzien waarvan was bepaald dat dit voorwaardelijk niet zou worden ten uitvoer gelegd en zet deze om in een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

Vonnis gewezen door mrs. C.A.M. Schaap-Meulemeester, M.I.J. Hegeman en

M.J.H. van den Hombergh, van wie mr. M.J.H. van den Hombergh, voorzitter,

in tegenwoordigheid van mr. P.M. van de Voort-Visch als griffier en uitgesproken

ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 04 november 2009.