Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BK2051

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
04-11-2009
Datum publicatie
04-11-2009
Zaaknummer
04/850190-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In de maanden november/december 2008 en januari 2009 werd Roermond en omgeving opgeschrikt door een groot aantal gewapende overvallen op onder andere tankstations, supermarkten, fritures, een restaurant, een woning en een dierenkliniek waarbij sprake was van een grotere en steeds wisselende dadergroep, welke golf van gewapende overvallen veel commotie heeft veroorzaakt en met name voor de slachtoffers en andere ondernemers in die betreffende branches een bijzonder gevoel van onveiligheid teweeg heeft gebracht (Hyena onderzoek).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Parketnummer : 04/850190-09

Datum uitspraak : 4 november 2009

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen de minderjarige verdachte:

[verdachte 9],

[geboortedatum],

wonende te [adres],

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 3 juli 2009 (voortgezet op 6 juli 2009) en 12 oktober 2009 (voortgezet op 21 oktober 2009).

2. De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1. hij op of omstreeks 02 januari 2009 in de gemeente Roermond tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit:

- het richten van een pistool, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend

voorwerp, op genoemde [slachtoffer 1] en/of

- het (daarbij) op dreigende wijze zeggen: "Geef geld", in elk geval woorden

van soortgelijke dreigende aard en strekking;

(artikel 317 Wetboek van Strafrecht)

2. hij op of omstreeks 08 januari 2009 in de gemeente Roermond ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 14] en/of [slachtoffer 15] te dwingen tot de afgifte van een hoeveelheid geld en/of wat van hun/zijn gading was, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

met dat oogmerk (een) pisto(o)l(en), in elk geval (een) op (een) vuurwapen(s) gelijkend(e) voorwerp(en), tegen de/het hoofd(en) van genoemde [slachtoffer 14] en/of [slachtoffer 15] hebben/heeft gezet en/of (een) pisto(o)l(en), in elk geval (een) op (een) vuurwapen(s) gelijkend(e) voorwerp(en), op genoemde [slachtoffer 14] en/of [slachtoffer 15] hebben/heeft gericht en/of een mes aan genoemde [slachtoffer 14] en/of [slachtoffer 15] hebben/heeft getoond en/of (daarbij) hebben/heeft gezegd: "Geld, geld" en/of "De deur moet open", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 317 jo. 45 Wetboek van Strafrecht)

althans indien terzake het vorenstaande onder 2 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 08 januari 2009 in de gemeente Roermond, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen een hoeveelheid geld en/of wat van hun/zijn gading was, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen

voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 14] en/of [slachtoffer 15], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, met dat oogmerk (een) pisto(o)l(en), in elk geval (een)

op (een) vuurwapen(s) gelijkend(e) voorwerp(en), tegen de/het hoofd(en) van genoemde [slachtoffer 14] en/of [slachtoffer 15] hebben/heeft gezet en/of (een) pisto(o)l(en), in elk geval (een)

op (een) vuurwapen(s) gelijkend(e) voorwerp(en), op genoemde [slachtoffer 14] en/of [slachtoffer 15] hebben/heeft gericht en/of een mes aan genoemde [slachtoffer 14] en/of [slachtoffer 15] hebben/heeft getoond en/of (daarbij) hebben/heeft gezegd: "Geld, geld" en/of "De deur moet open", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 312 jo. 45 Wetboek van Strafrecht)

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen

7.1. Standpunten van de officier van justitie en de verdediging.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 12 oktober 2009 gevorderd dat

het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het sub 1 en sub 2 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

7.2. Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

Ten aanzien van feit 1:

- de bekennende verklaring van verdachte bij de politie en ter terechtzitting

- het proces-verbaal van aangifte

- het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 1]

- de verklaring van medeverdachte [verdachte 16]

Ten aanzien van feit 2:

- de bekennende verklaring van verdachte bij de politie en ter terechtzitting

- de processen-verbaal van aangifte van [slachtoffer 14] en [slachtoffer 15]

- de verklaring van medeverdachte [verdachte 7]

7.3. Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het sub 1 en sub 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. hij op 02 januari 2009 in de gemeente Roermond tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, toebehorende aan [slachtoffer 2], welke bedreiging met geweld bestond uit:

- het richten van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op genoemde [slachtoffer 1] en

- het (daarbij) op dreigende wijze zeggen: "Geef geld", in elk geval woorden van soortgelijke dreigende aard en strekking;

2. hij op 08 januari 2009 in de gemeente Roermond ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk

om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 14] en [slachtoffer 15] te dwingen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, toebehorende aan [benadeelde 5], met dat oogmerk een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen het hoofd van genoemde [slachtoffer 14] en [slachtoffer 15] hebben gezet en een op

een vuurwapen gelijkend voorwerp op genoemde [slachtoffer 14] en [slachtoffer 15] hebben gericht en

een mes aan genoemde [slachtoffer 14] en [slachtoffer 15] hebben getoond en (daarbij) hebben gezegd: "Geld, geld" en "De deur moet open", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

8.1. Kwalificatie

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op de navolgende misdrijven:

t.a.v. feit 1:

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

t.a.v. feit 2 primair:

poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

Het misdrijf sub 1 is strafbaar gesteld bij artikel 317 juncto artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Het misdrijf sub 2 is strafbaar gesteld bij artikel 317 juncto artikel 312 en artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De strafbaarheid van verdachte

Door de psycholoog drs. M.M.F. van Casteren is omtrent de geestvermogens van verdachte op 22 juni 2009 een rapport uitgebracht. De deskundige komt niet tot de conclusie dat er bij verdachte sprake is van een omstandigheid die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit.

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu overigens niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10. De straffen en/of maatregelen

10.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 12 oktober 2009 met betrekking tot de op te leggen hoofdstraf gevorderd dat verdachte ter zake van het sub 1 en sub 2 primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de tijd van 18 maanden, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarde begeleiding door de William Schrikker Jeugdreclassering en deelname aan het ITB-HKJ traject.

Gelet op de ernst van de feiten, daarbij de maatschappelijke belangen tegenover de persoonlijke belangen van verdachte afwegende, acht de officier van justitie het opleggen van een geheel voorwaardelijke jeugddetentie niet te rechtvaardigen.

10.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft het opleggen van een geheel voorwaardelijke jeugddetentie bepleit, zoals door de William Schrikker Jeugdreclassering en de psycholoog is geadviseerd.

10.3. De overwegingen van de rechtbank

In de maanden november/december 2008 en januari 2009 werd Roermond en omgeving opgeschrikt door een groot aantal gewapende overvallen op onder andere tankstations, supermarkten, fritures, een restaurant, een woning en een dierenkliniek waarbij sprake was van een grotere en steeds wisselende dadergroep, welke golf van gewapende overvallen veel commotie heeft veroorzaakt en met name voor de slachtoffers en andere ondernemers in die betreffende branches een bijzonder gevoel van onveiligheid teweeg heeft gebracht (Hyena onderzoek). De door verdachte (tezamen met zijn medeverdachten) gepleegde gewapende overvallen maken hiervan deel uit. Tijdens de overval op de supermarkt [slachtoffer 2] ziet de kassière op het moment dat zij de kassa wil afsluiten een vuurwapen op zich gericht en zes dagen later, tijdens de overval op [benadeelde 5], krijgen twee medewerksters een vuurwapen tegen het hoofd gezet.

Naar de ervaring leert hebben dergelijke geweldsmisdrijven een enorme impact op de slachtoffers en kunnen zij nog lange tijd psychisch nadelige gevolgen daarvan ondervinden. Dat zulks ook nu het geval is geweest blijkt uit de voegingsformulieren benadeelde partij en de schriftelijke slachtofferverklaringen van de medewerksters [slachtoffer 14] en [slachtoffer 15] van [benadeelde 5]. Op het moment van de overval hebben ze doodsangsten uitgestaan. Ze hebben nog steeds last van slapeloosheid, nachtmerries en het spreken over de overval maakt hen emotioneel. Ze zijn angstig, schrikachtig, waakzaam en extra alert geworden. Ze zijn bang om ’s avonds na het werk de kliniek af te sluiten uit angst voor herhaling van hetgeen gebeurd is.

De rechtbank acht het uitermate zorgelijk dat verdachte, binnen een week tijd en ondanks zijn zeer jeugdige leeftijd tot het medeplegen van twee buitengewoon ernstige misdrijven in staat blijkt te zijn. Terwijl op 2 januari 2009 (verdachte is dan net de dag tevoren 15 jaar geworden) twee mededaders gewapend de supermarkt [slachtoffer 2] binnen gaan om de overval te plegen, blijft verdachte bij de toegangsdeur staan om deze open te houden en de vluchtweg veilig te stellen, terwijl een vierde medeverdachte bij de twee scooters met draaiende motoren blijft staan om een snelle aftocht mogelijk te maken. Nog geen week later, op 8 januari 2009, worden twee medewerksters van [benadeelde 5], op het moment dat zij ’s avonds na het werk de kliniek willen afsluiten, overvallen waarbij beiden een vuurwapen tegen het hoofd gezet krijgen nadat de vier overvallers uit de struiken zijn gesprongen. Deze overval mislukt uiteindelijk omdat het alarm afgaat als de overvallers de kliniek ingaan. Verdachte erkent zijn betrokkenheid maar bagatelliseert zijn aandeel door te zeggen dat hij er alleen bij heeft gestaan en niets gedaan heeft.

Bij haar beslissing tot oplegging van de hierna te noemen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 4 september 2009;

- een de verdachte betreffend psychologisch onderzoek (Pro Justitia) d.d. 22 juni 2009,

uitgebracht door drs. M.M.F. van Casteren, GZ-psycholoog/kinder- en jeugdpsycholoog

- een de verdachte betreffende rapportage strafzitting van de William Schrikker

Jeugdreclassering d.d. 8 oktober 2009, uitgebracht door de heer M.J.P. Claessen.

Volgens de psycholoog is bij verdachte sprake van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de zin van een gedragsstoornis en een lage begaafdheid. Door zijn lage begaafdheid heeft hij minder mogelijkheden om de gevolgen van zijn handelen te overzien, heeft hij minder zicht op zichzelf en zijn drijfveren en is hij nog erg afhankelijk van externe aansturing. De gewetensfuncties zijn onvoldoende ontwikkeld. Hij denkt vooral vanuit eigen belang en heeft weinig oog voor de rechten en belangen van anderen. Hierdoor kan hij gemakkelijk tot grensoverschrijdend gedrag komen. Tevens is er sprake van een gering gevoel voor eigenwaarde. Op school en op straat overschreeuwt hij zijn onzekerheden door stoer gedrag. Hierdoor is hij kwetsbaar en gemakkelijk te beïnvloeden.

De psycholoog acht verdachte om die reden licht verminderd toerekeningsvatbaar. Door zijn laagbegaafdheid is verdachte een beïnvloedbare en kwetsbare jongen en is er een verhoogd risico op recidive. De psycholoog acht begeleiding door de jeugdreclassering noodzakelijk om zowel verdachte als ouders alert te houden en erop toe te zien dat er voldoende toezicht is op verdachte. Het ITB-CRIEM traject kan gecontinueerd worden, gevolgd door een regulier begeleidingstraject. Ook is opvoedingsondersteuning gewenst om ouders van meet af aan een handvat te geven om verdachte aan te sturen, ook gezien zijn lage begaafdheid. Ter voorkoming van recidive en ter bevordering van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van verdachte adviseert de psycholoog begeleiding door de William Schrikker Jeugdreclas-ering op te leggen in het kader van een(deels) voorwaardelijke jeugddetentie met een maximale proeftijd. Daarnaast zou een -door de William Schrikker Groep geboden- training sociale vaardigheden verdachte kunnen helpen om zich wat beter staande te houden tussen de negatieve elementen in zijn omgeving.

De William Schrikker Jeugdreclassering adviseert in bovengenoemd rapport het opleggen van een voorwaardelijke jeugddetentie, met als bijzondere voorwaarde de maatregel hulp

en steun, uit te voeren door de William Schrikker Jeugdreclassering, ook als dat inhoudt deelname aan het ITB-HKJ traject en meewerken aan ambulante thuisbegeleiding. Tevens wordt het opleggen van een taakstraf in de vorm van een werkstraf en een taakstraf (gespecialiseerde sociale vaardigheidstraining) geadviseerd.

De heer Claessen van de William Schrikker Jeugdreclassering heeft ter terechtzitting van

12 oktober 2009 aangegeven dat [verdachte 9] een stille jongen blijft, die korte antwoorden op vragen geeft en zijn best doet om zich te houden aan gemaakte afspraken. [verdachte 9] laat geen non-verbale signalen zien, hetgeen het lastig maakt om te communiceren met hem.

De heer Claessen heeft daarbij benadrukt dat hij zeker vooruitgang ziet bij [verdachte 9] (wiens voorlopige hechtenis met ingang van 30 april 2009 is geschorst) en dat het te betreuren zou zijn als een onvoorwaardelijke detentie deze prille positieve ontwikkeling zou doorbreken.

De rechtbank acht het van groot belang, gelet op de nog zeer jeugdige leeftijd van [verdachte 9], om deze prille, positieve ontwikkeling niet te doorbreken. Hoewel de rechtbank normaliter gelet op de ernst van de gepleegde feiten een forse vrijheidsstraf op zijn plaats acht, is de rechtbank van oordeel dat op grond van de persoonlijke omstandigheden van verdachte volstaan kan worden met een vrijheidsstraf die gelijk is aan de reeds door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd.

Met het daarnaast opleggen van een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van

6 maanden wordt de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. De noodzaak van begeleiding door de William Schrikker Jeugdreclassering, ook als dat inhoudt een voortgezette deelname aan het ITB-HKJ traject en het volgen van de training sociale vaardigheden, alsmede het meewerken aan ambulante thuisbegeleiding, staat naar het oordeel van de rechtbank als voortkomend uit voormelde rapportages, vast.

Nu de heer Claessen ter terechtzitting heeft aangegeven dat [verdachte 9] reeds is aangemeld voor de door de William Schrikker Groep geboden speciale training sociale vaardigheden, acht de rechtbank voor het overige het opleggen van een werkstraf voor de duur van 100 uren passend, teneinde de ernst van de feiten te benadrukken.

10.4. De vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 14]

[slachtoffer 14], [adres], heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor onder 2

ten laste gelegde feit geleden materiële schade en immateriële schade.

[slachtoffer 14] voornoemd heeft de materiële schade op een bedrag van € 158,00 en de immateriële schade op een bedrag van € 1.600,00 gesteld en wil die schades vergoed krijgen.

Ten laste van verdachte is het hiervoor onder 2 primair ten laste gelegde feit bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake van dat feit worden veroordeeld.

Met betrekking tot de toewijsbaarheid van de hoogte van het schadebedrag overweegt de rechtbank dat de vordering is opgebouwd uit de navolgende posten.

Immateriële schade:

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op de aard van het bewezenverklaarde is het een ervaringsregel dat daardoor bij het slachtoffer immateriële schade van enige omvang wordt veroorzaakt. Of de door het slachtoffer opgelopen immateriële schade een bedrag van € 1.600,00 rechtvaardigt,

kan de rechtbank op basis van de haar beschikbare informatie niet beoordelen.

Voor zover deze vordering van immateriële schade het bedrag van € 1.000,00 overstijgt,

is deze vordering naar het oordeel van de rechtbank niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding, zal de benadeelde partij voor dit deel niet ontvankelijk in haar vordering dienen te worden verklaard en zal de rechtbank bepalen

dat de benadeelde partij het deel van de vordering waarin zij niet ontvankelijk dient te worden verklaard, alsnog bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Materiële schade:

Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze posten, die door verdachte niet zijn weersproken, voor toewijzing vatbaar met uitzondering van de post ‘eigen bijdrage consult Lionaris’ ad € 30,00 , aangezien deze post blijkens de onderliggende bescheiden reeds in de post ‘kosten bij zorgverzekeraar voor psychologisch consult’ is opgenomen, zodat sprake is van een dubbeltelling.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering voor het overige toewijsbaar, zodat

de rechtbank het schadebedrag zal vaststellen op een totaalbedrag van € 1.128,00,

te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 08 januari 2009

tot de dag der algehele voldoening.

Verdachte is naar burgerlijk recht, samen met zijn mededaders, aansprakelijk voor deze schade.

De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag gemaakt, begroot op nihil.

De rechtbank zal over de vordering van de benadeelde partij, overeenkomstig het hiervoren overwogene, beslissen zoals hierna is vermeld, alsmede over de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt, thans begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 1.128,00 te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 08 januari 2009 tot de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de tijd van 21 dagen, te betalen ten behoeve van [slachtoffer 14] voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 15]

[slachtoffer 15], [adres], heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor onder 2 ten laste gelegde feit geleden immateriële schade.

[slachtoffer 15] voornoemd heeft de immateriële schade op een bedrag van € 1.600,00 gesteld,

en wil die schade vergoed krijgen.

Ten laste van verdachte is het hiervoor onder 2 primair ten laste gelegde feit bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake van dat feit worden veroordeeld.

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op de aard van het bewezenverklaarde is het een ervaringsregel dat daardoor bij het slachtoffer immateriële schade van enige omvang wordt veroorzaakt.

Of de door het slachtoffer opgelopen immateriële schade een bedrag van € 1.600,00 rechtvaardigt, kan de rechtbank op basis van de haar beschikbare informatie niet beoordelen.

Voor zover deze vordering van immateriële schade het bedrag van € 1.000,00 overstijgt,

is deze vordering naar het oordeel van de rechtbank niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding, zal de benadeelde partij voor dit deel niet ontvankelijk in haar vordering dienen te worden verklaard en zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij het deel van de vordering waarin zij niet ontvankelijk dient te worden verklaard, alsnog bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering voor het overige toewijsbaar, zodat

de rechtbank het schadebedrag zal vaststellen op een totaalbedrag van € 1.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 08 januari 2009

tot de dag der algehele voldoening.

Verdachte is naar burgerlijk recht, samen met zijn mededaders, aansprakelijk voor deze schade.

De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag gemaakt, begroot op nihil.

De rechtbank zal over de vordering van de benadeelde partij, overeenkomstig het hiervoren overwogene, beslissen zoals hierna is vermeld, alsmede over de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt, thans begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag

van € 1.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf

08 januari 2009 tot de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de tijd van 20 dagen, te betalen ten behoeve van [slachtoffer 15] voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

11. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 27, 36f, 45, 63, 77a, 77h, 77i, 77m, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 312, 317.

12. Beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het sub 1 en sub 2 primair ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de tijd van 44 dagen;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak

in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (44 dagen), bij de uitvoering van

de aan verdachte opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht;

heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van 4 november 2009;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een jeugddetentie

6 maanden;

beveelt dat deze jeugddetentie niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde, dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen van de William Schrikker Jeugdreclassering, ook als dat inhoudt een voortgezette deelname aan het ITB-HKJ traject, het volgen van de training sociale vaardigheden en meewerken aan ambulante thuisbegeleiding, met opdracht aan die instelling overeenkomstig artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht;

veroordeelt verdachte voorts tot een taakstraf, te weten een werkstraf voor de duur van

100 uren, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid;

beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 50 dagen zal worden toegepast;

verstaat dat de taakstraf uiterlijk 1 jaar nadat dit vonnis onherroepelijk is geworden, zal zijn voltooid;

T.a.v. feit 2 primair:

wijst gedeeltelijk toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 14]

tot een bedrag van EUR 1.128,00;

veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij [slachtoffer 14], [adres], te betalen een bedrag van EUR 1.128,00,

te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 08 januari 2009

tot de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat de verdachte zal zijn bevrijd voor zover voornoemde benadeelde partij - al dan niet via de betaling aan de Staat - door (één van) verdachtes mededaders is voldaan;

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 14] voornoemd voor het overige

niet- ontvankelijk, aangezien de vordering op dat onderdeel naar het oordeel van de rechtbank niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding, met bepaling dat de benadeelde partij het deel van de vordering waarin zij

niet ontvankelijk is alsnog bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage

van EUR 1.128,00 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 14], [adres], subsidiair 21 dagen jeugddetentie, met dien verstande

dat de toepassing van de vervangende jeugddetentie de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

veroordeelt verdachte tevens tot betaling aan de Staat van de wettelijke rente over voormeld bedrag vanaf 08 januari 2009 tot de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat de subsidiaire jeugddetentie ook van toepassing is op de vervallen rentetermijnen;

bepaalt dat indien verdachte en/of een van zijn mededaders heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van EUR 1.128,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 08 januari 2009 tot de dag der algehele voldoening ten behoeve van voornoemd slachtoffer, daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte en/of een van zijn mededaders aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de

Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en

ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van

voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil

T.a.v. feit 2 primair:

wijst gedeeltelijk toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 15]

tot een bedrag van EUR 1.000,00;

veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij [slachtoffer 15], [adres], te betalen een bedrag van EUR 1.000,00,

te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 08 januari 2009

tot de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat de verdachte zal zijn bevrijd voor zover voornoemde benadeelde partij - al dan niet via de betaling aan de Staat - door één van verdachtes mededaders is voldaan;

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 15] voornoemd voor het overige niet-ontvankelijk, aangezien de vordering op dat onderdeel naar het oordeel van de rechtbank niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding, met bepaling dat de benadeelde partij het deel van de vordering waarin zij niet ontvankelijk is alsnog bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage

van EUR 1.000,00 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 15], [adres], subsidiair 20 dagen jeugddetentie, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende jeugddetentie de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

veroordeelt verdachte tevens tot betaling aan de Staat van de wettelijke rente over voormeld bedrag vanaf 08 januari 2009 tot de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat de subsidiaire jeugddetentie ook van toepassing is op de vervallen rentetermijnen;

bepaalt dat indien verdachte en/of een van zijn mededaders heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van EUR 1.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 08 januari 2009 tot de dag der algehele voldoening ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen

en dat indien dit bedrag door verdachte en/of een van zijn mededaders aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Vonnis gewezen door mrs. C.A.M. Schaap-Meulemeester, M.I.J. Hegeman en M.J.H.

van den Hombergh, kinderrechters, van wie mr. C.A.M. Schaap-Meulemeester voorzitter,

in tegenwoordigheid van mr. P.M. Van de Voort-Visch als griffier en uitgesproken

ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 04 november 2009.