Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BK1999

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
04-11-2009
Datum publicatie
04-11-2009
Zaaknummer
04/850030-09; 04/850305-08; 04/851149-07 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In de maanden november/december 2008 en januari 2009 werd Roermond en omgeving opgeschrikt door een groot aantal gewapende overvallen op onder andere tankstations, supermarkten, fritures, een restaurant, een woning en een dierenkliniek waarbij sprake was van een grotere en steeds wisselende dadergroep, welke golf van gewapende overvallen veel commotie heeft veroorzaakt en met name voor de slachtoffers en andere ondernemers in die betreffende branches een bijzonder gevoel van onveiligheid teweeg heeft gebracht (Hyena onderzoek).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector strafrecht

Parketnummer : 04/850030-09

Parketnummer : 04/850305-08 (ttz.gev.)

Parketnummer : 04/851149-07 (tul)

Datum uitspraak : 4 november 2009

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte 15],

[geboortedatum],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in [detentieadres].

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 3 juli 2009 (voortgezet op 6 juli 2009), 26 augustus 2009 en 14 oktober 2009 (voortgezet op 21 oktober 2009).

2. De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

In de zaak met parketnummer 04/850030-09:

1.

hij op of omstreeks 10 januari 2009 te Vlodrop, in elk geval in de gemeente Roerdalen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 20] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 20], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke bedreiging met geweld heeft bestaan uit

het op dreigende wijze richten van een pistool, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op, althans zwaaien met een pistool, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in de (directe) nabijheid van genoemde [slachtoffer 20] en/of [slachtoffer 21] en/of [slachtoffer 22], en/of

uit het op dreigende wijze richten van een mes, in elk geval een op een mes gelijkend voorwerp, op althans tonen van een mes, in elk geval een op een mes gelijkend voorwerp aan genoemde [slachtoffer 20] en/of [slachtoffer 21]

en/of (daarbij) dreigend te zeggen: "Geld, geld, geld" en/of "Dat geld…meer" en/of "geldkistje, geldkistje" en/of "Doe niets, ik wil geld, ik wil geld", in elk geval woorden van soortgelijke dreigende aard en strekking;

(artikel 317 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 31 december 2008 te Baexem, in elk geval in de gemeente Leudal ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 23] te dwingen tot de afgifte van een hoeveelheid geld en/of wat van hun gading was, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

met dat oogmerk vermomd met (een) bivakmuts(en) het tankstation, gelegen aan de [adres] heeft betreden en/of (daarbij) dreigend heeft gezegd: "Dit is een overval en ik heb een vuurwapen bij me", in elk geval woorden van soortgelijke dreigende aard en strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 317 jo. 45 Wetboek van Strafrecht)

Althans indien terzake het vorenstaande onder 2 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 30 december 2008 te Baexem, in elk geval in de gemeente Leudal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een hoeveelheid geld en/of wat van hun/zijn gading was, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 23], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, met dat oogmerk vermomd met (een) bivakmuts(en) het tankstation, gelegen aan de [adres] heeft betreden en/of (daarbij) dreigend heeft gezegd: "Dit is een overval en ik heb een vuurwapen bij me", in elk geval woorden van soortgelijke dreigende aard en strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 312 jo. 45 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op of omstreeks 28 december 2008 in de gemeente Roermond tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 13] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld en/of een hoeveelheid sigaretten en/of een hoeveelheid parfum, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond uit:

- het richten van een mes op genoemde [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 13], althans het tonen van een mes aan genoemde [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 13] en/of

- het richten van een busje pepperspray op genoemde [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 13] en/of (vervolgens) het sprayen van pepperspray in de richting van genoemde [slachtoffer 5]

en/of

- het op dreigende wijze tegen genoemde [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 13] zeggen: "Overval" en/of "Kassa openmaken" en/of "de kluis, de kluis" en/of dat hij, verdachte en/of zijn mededader, al het geld wil hebben en/of dat hij, verdachte en/of zijn mededader, sigaretten wil hebben;

(artikel 317 Wetboek van Strafrecht)

In de zaak met parketnummer: 850305-09

1.

hij op of omstreeks 18 december 2008 te Maasbracht, in elk geval in de gemeente Maasgouw, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

a.

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

en/of

b.

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft/hebben weggenomen een hoeveelheid geld en/of een portemonnee (met inhoud) en/of een GSM (merk Nokia, type N73) en/of 1 Nintendo DS (kleur zwart) en/of diverse pakje sigaretten en/of een of meer prepaid kaarten en/of een of meer aanstekers en/of een of meer verpakkingen vloeipapier in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 4], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld heeft bestaan in:

- het in de richting van genoemde [slachtoffer 4] houden, althans het tonen aan deze [slachtoffer 4] van een schroevendraaier, in elk geval van een scherp voorwerp en/of

- het gebruik maken als steekwapen van deze schroevendraaier, in elk geval dit scherp voorwerp en/of

- het maken van (een) stekende zwaaibeweging(en) met genoemde schroevendraaier, in elk geval scherp voorwerp, in de richting van voornoemde [slachtoffer 4] en/of

- het (daarbij) op dreigende wijze zeggen: "Ik wil geld, ik wil geld, waar is het geld? Geef geld anders doe ik je wat." en/of "Waar is de kluis, waar is de kluis?", in elk geval woorden van soortgelijke dreigende aard en strekking;

art. 317/312 Wetboek van Strafrecht;

2.

hij op of omstreeks 17 september 2008 in de gemeente Venlo tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen vijf, in elk geval een of meer fiet(sen), te weten onder andere een (dames)fiets (merk: Gazelle, type: Chamonix) en/of een (heren)fiets (merk: Gazelle, type orange), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 16] en/of een (heren)fiets (merk: Batavus, type: Crescendo), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 17] en/of een (dames)fiets (merk: Gazelle, type: Medeo), in elk geval (telkens) een fiets, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) de weg te nemen fiets(en) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel;

(art. 311/1/5 van het Wetboek van Strafrecht);

3.

hij op of omstreeks 01 augustus 2008 in de gemeente Venlo tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een herenfiets (merk: Batavus, type: Genova), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 24], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

art. 311 Wetboek van Strafrecht

4.

hij, op of omstreeks 01 augustus 2008, in de gemeente Venlo, niet heeft voldaan aan de verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden, hem opgelegd bij artikel 2 van de Wet op de identificatieplicht;

(art. 447e van het Wetboek van Strafrecht);

5.

hij, op of omstreeks 25 april 2008, in de gemeente Roermond, niet heeft voldaan aan de verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden, hem opgelegd bij artikel 2 van de Wet op de identificatieplicht;

(art. 447E van het Wetboek van Strafrecht)

6.

hij op of omstreeks 31 augustus 2008 in de gemeente Roermond als bestuurder van een motorrijtuig (snorfiets) heeft gereden op de weg, de Kloosterwandstraat, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;

art. 107 van de Wegenverkeerswet 1994;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

De rechtbank leest in de tenlastelegging in de zaak met parketnummer 04/850030-09 onder 1 achter de woorden “althans zwaaien met een pistool”, in: “in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp”, zoals de steller van de tenlastelegging dat ook heeft gedaan achter de woorden “richten van een pistool”.

De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

Voor zover in de tenlastelegging overigens kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen

7.1. Standpunten van de officier van justitie en de verdediging.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 14 oktober 2009 gevorderd dat de verdachte ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 04/850305-09 onder 3 en 6 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken en dat de overige in de zaken met parketnummers 04/850030-09 en 04/850305-09 ten laste gelegde feiten zullen worden bewezen verklaard.

De verdediging heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de in de zaak met parketnummer 04/850305-09 onder 3 en 6 ten laste gelegde feiten.

Voor de overige feiten heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

7.2. Vrijspraakoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte in de zaak met parketnummer 04/850305-09 onder 3 en 6 ten laste is gelegd.

Met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier blijkt dat een ander dan verdachte de betreffende fiets heeft gestolen.

Met betrekking tot het onder 6 ten laste gelegde is de rechtbank van oordeel dat het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisant op zich voldoende wettig bewijs oplevert. Doch de constatering van de verbalisant bij duisternis dat het verdachte is geweest die op betreffende snorfiets heeft gereden, tesamen met het feit dat de verbalisant het kenteken niet heeft kunnen zien, alsmede de ontkennende verklaring van verdachte en het feit dat hij pas op een veel later tijdstip over dit feit is gehoord, maakt dat de rechtbank twijfel heeft of het verdachte is geweest die op de snorfiets reed. Deze twijfel dient in het voordeel van verdachte te wegen.

De verdachte moet van deze feiten worden vrijgesproken.

7.3. Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen .

In de zaak met parketnummer 04/850030-09:

Feit 1:

Aangever [slachtoffer 20] ziet op 10 januari 2009 een persoon met een bivakmust zijn restaurant te Vlodrop binnen komen. De man had een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in zijn rechterhand. Daarna ziet aangever een tweede man naast hem staan achter de bar bij de kassa. Deze man had een mes in zijn hand. Aangever zag dat de man met het op een vuurwapen gelijkend voorwerp het voorwerp van links naar rechts bewoog en van boven naar beneden. De man riep in gebrekkig Nederlands: “Geld, geld.” Omdat het niet lukte de geldlade mee te geven, gaf aangever alleen kleingeld. De man met het mes wees toen met het mes naar de kassa en riep: “Dat geld… meer.” Aangever zag dat de man naar het briefgeld wees, waarop aangever het geld aan de man gaf. De man met het mes zei toen: “geldkistje, geldkistje.”. Aangever zei toen dat hij dat niet had. Vervolgens liepen beide mannen naar buiten.

Getuige [slachtoffer 22] bevond zich bij de eettafels gelegen tegenover de bar en zag dat de jongen met het pistool haar richting uit wees en met het pistool begon te zwaaien. De getuige hoorde dat deze man tegen haar riep: “Doe niets, ik wil geld, ik wil geld.” De getuige is daarvan behoorlijk geschrokken.

Getuige [slachtoffer 21] bevond zich achter de bar toen hij twee personen het restaurant zag binnenkomen. De eigenaar [naam] stond naast hem en [slachtoffer 22] stond bij de tafeltjes. De getuige zag de man met het mes doorlopen richting kassa en hoorde roepen om geld. De getuige zag dat de tweede man een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in zijn handen had en ook “geld, geld”, riep. Deze man liep niet verder dan de open haard. Deze man zwaaide dreigend met het vuurwapen, terwijl hij het wapen voor zich hield.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij samen met medeverdachte [verdachte 6] de overval heeft gepleegd. Verdachte had het pistool in zijn rechterhand. De medeverdachte is gelijk naar de balie gerend. Zowel verdachte als medeverdachte hebben om geld geroepen. Verdachte heeft om het geldkistje geroepen. De medeverdachte heeft geroepen dat zij niets zouden doen en dat zij alleen maar geld wilden.

Feit 2:

Gelet op de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 14 oktober 2009 en de aangifte van [slachtoffer 23] , acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierna onder 7.4 bewezenverklaring is vermeld.

Feit 3

Gelet op de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 14 oktober 2009 , de aangifte van [slachtoffer 5] en de aangifte van [slachtoffer 13] acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierna onder 7.4. bewezenverklaring is vermeld.

In de zaak met parketnummer 04/850305-09:

Feit 1:

Gelet op de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 14 oktober 2009 en het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4] , acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierna onder 7.4 bewezenverklaring is vermeld.

Feit 2:

Gelet op de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 14 oktober 2009, de processen-verbaal van bevindingen en de aangifte van [slachtoffer 16] , acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierna onder 7.4 bewezenverklaring is vermeld.

Feit 4:

Gelet op de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 14 oktober 2009, het proces-verbaal van verhoor getuige en het proces-verbaal van aanhouding , acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierna onder 7.4 bewezenverklaring is vermeld.

Feit 5:

Gelet op de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 14 oktober 2009 en het proces-verbaal van bevindingen , acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierna onder 7.4 bewezenverklaring is vermeld.

7.4. Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 05/850030-09 onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde heeft begaan en het in de zaak met parketnummer 04/850305-09 onder 1, 2, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

In de zaak met parketnummer 04/850030-09:

1.

hij op 10 januari 2009 te Vlodrop, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 20] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, toebehorende aan [slachtoffer 20], welke bedreiging met geweld heeft bestaan uit het op dreigende wijze zwaaien met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in de (directe) nabijheid van genoemde [slachtoffer 20] en [slachtoffer 21] en [slachtoffer 22], en

uit het op dreigende wijze richten van een mes, op genoemde [slachtoffer 20] en [slachtoffer 21]

en (daarbij) dreigend te zeggen: "Geld, geld, geld" en "Dat geld…meer" en "geldkistje, geldkistje" en "Doe niets, ik wil geld, ik wil geld", in elk geval woorden van soortgelijke dreigende aard en strekking.

2.

hij op 31 december 2008 te Baexem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 23] te dwingen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, toebehorende aan [benadeelde 6], met dat oogmerk vermomd met bivakmutsen het tankstation, gelegen aan de [adres] heeft betreden en (daarbij) dreigend heeft gezegd: "Dit is een overval en ik heb een vuurwapen bij me", in elk geval woorden van soortgelijke dreigende aard en strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3.

hij op 28 december 2008 in de gemeente Roermond tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 5] en [slachtoffer 13] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld en een hoeveelheid sigaretten en een hoeveelheid parfum, toebehorende aan [slachtoffer 5], welke bedreiging met geweld bestond uit:

- het richten van een mes op genoemde [slachtoffer 5] en [slachtoffer 13], en

- het richten van een busje pepperspray op genoemde [slachtoffer 5] en [slachtoffer 13] en vervolgens het

sprayen van pepperspray in de richting van genoemde [slachtoffer 5] en

- het op dreigende wijze tegen genoemde [slachtoffer 5] en [slachtoffer 13] zeggen: "Overval" en "Kassa

openmaken" en "de kluis, de kluis" en dat hij, verdachte en zijn mededader, al het geld

willen hebben en dat hij, verdachte en zijn mededader sigaretten willen hebben.

In de zaak met parketnummer 04/850305-09

1.

hij op 8 december 2008 te Maasbracht, tezamen en in vereniging met anderen,

a. met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, toebehorende aan [benadeelde 1],

en

b. met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid geld, een portemonnee met inhoud, een GSM (merk Nokia, type N73), 1 Nintendo DS (kleur zwart), diverse pakjes sigaretten, prepaid kaarten, aanstekers en verpakkingen vloeipapier, toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [slachtoffer 4] ,

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 4], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken;

welke bedreiging met geweld heeft bestaan in:

- het in de richting van genoemde [slachtoffer 4] houden van een schroevendraaier, en

- het maken van een stekende zwaaibeweging met genoemde schroevendraaier in de richting

van voornoemde [slachtoffer 4] en

- het (daarbij) op dreigende wijze zeggen: "Ik wil geld, ik wil geld, waar is het geld? Geef

geld anders doe ik je wat." en "Waar is de kluis, waar is de kluis?”;

2.

hij op 17 september 2008 in de gemeente Venlo met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een damesfiets (merk: Gazelle, type: Chamonix) toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte de weg te nemen fiets onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel;

en

hij op 17 september 2008 in de gemeente Venlo tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een herenfiets (merk: Gazelle, type orange), toebehorende aan [slachtoffer 16], waarbij verdachte en zijn mededader de weg te nemen fiets onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel;

4.

hij op 01 augustus 2008, in de gemeente Venlo, niet heeft voldaan aan de verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden, hem opgelegd bij artikel 2 van de Wet op de identificatieplicht;

5.

Hij op 25 april 2008, in de gemeente Roermond, niet heeft voldaan aan de verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden, hem opgelegd bij artikel 2 van de Wet op de identificatieplicht;

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. De kwalificatie

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op de navolgende misdrijven:

Ten aanzien van 04/850030-09 feit 1:

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 317 in verband met artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van 04/850030-09 feit 2 primair:

Poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 317 in verband met de artikelen 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van. 04/850030-09 feit 3:

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 317 in verband met artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van 04/850305-09 feit 1:

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij de artikelen 312 in verband met artikel 310 en artikel 317 in verband met artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van 04/850305-09 feit 2:

Diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels

en

diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

De misdrijven zijn strafbaar gesteld bij de artikelen 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van 04/850305-09 feit 4:

Niet voldoen aan de verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden, hem opgelegd bij artikel 2 van de Wet op de identificatieplicht.

De overtreding is strafbaar gesteld bij artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van 04/850305-09 feit 5:

Niet voldoen aan de verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden, hem opgelegd bij artikel 2 van de Wet op de identificatieplicht.

De overtreding is strafbaar gesteld bij artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht.

9. De strafbaarheid van verdachte

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte van het in de zaak met parketnummer 04/850030-09 onder 1 ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 04/850305-09 onder 1 ten laste gelegde dient te worden ontslagen van rechtsvervolging in verband met psychische overmacht. De verdediging stelt dat verdachte door [verdachte 17] onder druk is gezet om beide overvallen te plegen en dat verdachte daaraan geen weerstand kon bieden omdat verdachte bang zou zijn voor de hond van [verdachte 17] en hij daarmee ondermeer is bedreigd.

Voor een succesvol beroep op psychische overmacht zal vast moeten komen te staan dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 04/850030-09 onder 1 ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 04/850305-09 onder 1 ten laste gelegde onder zodanige omstandigheden heeft gepleegd dat van hem in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij het plegen van die feiten naliet.

De rechtbank overweegt dat verdachte op 11 januari 2009 is aangehouden en direct daarop door de politie is gehoord. Verdachte heeft toen verklaard dat hij de voorafgaande avond met medeverdachte [verdachte 6] naar [verdachte 17] is gelopen en dat hij vaker naar [verdachte 17] ging. Ook verklaart verdachte dat hij wel vaker met [verdachte 17] ging rondrijden, daar zou [verdachte 6] ook bij zijn geweest. Ook die avond zijn verdachte en [verdachte 6] in de auto van [verdachte 17] gaan rondrijden.

In zijn verhoor van 12 januari 2009 verklaart verdachte dat hij bij [verdachte 17] wilde gaan chillen. Verdachte herhaalt zijn verklaring bij zijn voorgeleiding voor de rechter-commissaris. Op 15 januari 2009 om 11.00 uur verklaart verdachte dat je [verdachte 17] kunt vertrouwen en dat verdachte [verdachte 17] nog nooit op een leugen heeft kunnen betrappen. Daarop houdt de politie verdachte stukken van de belastende verklaring van [verdachte 17] voor. Verdachte blijft bij zijn ontkenning betrokken te zijn bij de overval op het restaurant. De rechtbank overweegt dat verdachte in alle voorafgaande verklaringen geen melding heeft gemaakt van het feit dat hij door [verdachte 17] zou zijn bedreigd en daarom de overvallen heeft gepleegd. Als hij diezelfde middag opnieuw verhoord wordt, verklaart verdachte dat hij samen met [verdachte 6] naar [verdachte 17] is gegaan en dat verdachte als eerste naar binnen is gegaan, omdat [verdachte 6] bang was voor de hond. Volgens verdachte zou [verdachte 17] gezegd hebben dat die hond niets doet. De rechtbank concludeert hieruit dat verdachte zelf niet bang was voor de hond, in ieder geval niet zodanig dat dit verdachte heeft weerhouden om naar binnen te gaan. Verdachte heeft voorts verklaard dat die avond is gepraat over overvallen en dat verdachte heeft opgemerkt dat het leek of de vriendin van [verdachte 17] al wist dat ze iets fouts gingen doen. Hieruit maakt de rechtbank op dat verdachte op dat moment ook al wetenschap heeft gehad over het mogelijk plegen van een overval. Verdachte heeft zich op dat moment niet gedistantieerd van dit mogelijke voornemen. Pas nadat verdachte de belastende verklaringen van [verdachte 17] zijn voorgehouden, is verdachte gaan verklaren over de bedreigingen door [verdachte 17] en heeft dat tot aan de dag van de terechtzitting volgehouden.

Medeverdachte [verdachte 17] heeft ter terechtzitting als getuige verklaard dat hij verdachte al zo’n 8 à 10 jaar kent en dat hij zijn hond al 6 jaar heeft. Voorts heeft verdachte ook zonder [verdachte 17] overvallen gepleegd. Bij de door verdachte gepleegde overvallen had verdachte zelf vaak een leidende rol in de dreiging met geweld. Verdachte had [verdachte 17] nodig als heler, voor vervoer en diens kennis. [verdachte 17] maakte van verdachte gebruik als overvaller.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat er geen enkel moment sprake was van zodanige omstandigheden al dan niet door [verdachte 17] in het leven geroepen, dat van verdachte niet gevergd kon worden daaraan weerstand te bieden.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman op psychische overmacht.

In haar overwegingen betrekt de rechtbank tevens dat door GZ-psycholoog drs M.J.G.M. Wetsteyn omtrent de geestvermogens van verdachte met betrekking tot hiervoor in de zaak met parketnummer 04/850305-09 onder 2 ten laste gelegde feit op 10 december 2008 een rapport is uitgebracht. De deskundige komt niet tot de conclusie dat er bij verdachte sprake is van een omstandigheid die de strafbaarheid van verdachte met betrekking tot dit feit geheel uitsluit.

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu overigens niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10. De straffen en/of maatregelen

10.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 14 oktober 2009 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 05/850030-09 onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 04/850305-09 onder 1, 2, 4 en 5 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de tijd van 20 maanden, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

10.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de gevorderde maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen aangevoerd dat deze niet kan worden opgelegd bij gebrek aan onderbouwing. De deskundigen hebben zich geen oordeel kunnen vormen over de mate van toerekenbaarheid, de kans op recidive alsmede over de motivatie voor eventuele hulp en begeleiding. Het rapport van de William Schrikker Jeugdreclassering is daarvoor onvoldoende. De William Schrikker Jeugdreclassering laat zich voorts niet uit of een PIJ-maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte is.

10.3. De overwegingen van de rechtbank

In de maanden november/december 2008 en januari 2009 werd Roermond en omgeving opgeschrikt door een groot aantal gewapende overvallen op onder andere tankstations, supermarkten, fritures, een restaurant, een woning en een dierenkliniek waarbij sprake was van een grotere en steeds wisselende dadergroep, welke golf van gewapende overvallen veel commotie heeft veroorzaakt en met name voor de slachtoffers en andere ondernemers in die betreffende branches een bijzonder gevoel van onveiligheid teweeg heeft gebracht (Hyena onderzoek).

De door verdachte (tezamen met zijn medeverdachten) gepleegde gewapende overvallen op de [benadeelde 1], op [benadeelde 7] te Vlodrop, op het tankstation te Baexem en op [benadeelde 2] te Roermond, maken hier deel van uit. Een medewerker van [benadeelde 1] wordt op 18 december 2008 geconfronteerd met twee overvallers. Het is verdachte die de medewerker bedreigt met een schroevendraaier, waarna deze geld afgeeft. Tien dagen later wordt [benadeelde 2] te Roermond overvallen door 2 personen. Ook hier is verdachte bewapend met pepperspray en de medeverdachte met een mes de winkel binnen gegaan. Drie dagen later is het alweer raak als verdachte probeert een overval te plegen op een tankstation in Baexem. Verdachte heeft gezegd dat het een overval was en dat hij een vuurwapen bij zich had. De eigenaar van het tankstation heeft zich tijdig in veiligheid kunnen brengen. Op 10 januari 2009 volgt dan de overval op [benadeelde 7] in Vlodrop. Verdachte heeft in het restaurant in zijn rechterhand een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en heeft om geld geroepen. Verdachte en zijn medeverdachten worden even later door de politie aangehouden. Verdachte legt aanvankelijk ontkennende verklaringen af. Op het moment dat verdachte wordt geconfronteerd met belastende verklaringen van zijn medeverdachten geeft ook verdachte openheid van zaken.

Naar de ervaring leert hebben dergelijke geweldsmisdrijven een enorme impact op de slachtoffers en kunnen zij nog lange tijd psychisch nadelige gevolgen daarvan ondervinden. Dat zulks ook het geval is geweest blijkt uit de voegingsformulieren benadeelde partij van [slachtoffer 20] en [slachtoffer 22] ([benadeelde 7] te Vlodrop). Slachtoffer [slachtoffer 20] heeft tijdens de overval doodsangst uitgestaan. Hij voelde zich machteloos tegenover het op hem gerichte wapen. Nog zeker vier weken heeft [slachtoffer 20] zich onveilig gevoeld in zijn eigen restaurant. Tot op de dag van de indiening van zijn vordering heeft [slachtoffer 20] nog onveilige gevoelens en is waakzaam en wantrouwend ten opzichte van zijn omgeving. Slachtoffer [slachtoffer 22] heeft bij de overval eveneens doodsangsten uitgestaan. Ook zij heeft zich nog lang onveilig gevoeld en is zeer waakzaam en wantrouwend ten opzichte van haar omgeving. Zij schrikt voorts als zij wordt geconfronteerd met mensen die de leeftijd en lichaamskenmerken van verdachte hebben.

De rechtbank acht het uitermate zorgelijk dat verdachte binnen een periode van 3-4 weken en ondanks zijn nog jeugdige leeftijd tot het medeplegen van vier buitengewoon ernstige misdrijven in staat blijkt te zijn. Verdachte deinst er niet voor terug het voortouw te nemen en zijn bedreiging door het gebruik van (nep)wapens kracht bij te zetten. Het is nog zorgelijker dat verdachte deze feiten heeft gepleegd in een periode waarin hij in het kader van een eerdere voorwaardelijk veroordeling werd begeleid door de William Schrikker Jeugdreclassering en het ITB-HKJ traject volgde. Voorts heeft verdachte nog fietsen gestolen en heeft op twee momenten zijn identiteitsbewijs niet kunnen laten zien.

De omstandigheid dat verdachte, ondanks zijn nog jeugdige leeftijd van thans 18 jaar, blijkens zijn uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister reeds meermalen is veroordeeld, en verdachte nog in een proeftijd liep, hieruit kennelijk geen lering heeft getrokken en door blijft gaan met het plegen van steeds brutaler wordende geweldsdelicten, is voor de rechtbank redengevend om de samenleving voor langere tijd te beschermen tegen verdachte.

De rechtbank is -gelet op vorenstaande in onderling verband en samenhang bezien- van oordeel dat met het oog op een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lagere straf dan een jeugddetentie van 12 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Bij haar beslissing tot oplegging van de hierna te noemen maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 4 september 2009;

- een de verdachte betreffend psychologisch onderzoek (Pro Justitia) d.d. 10 december 2008, uitgebracht door drs. M.J.G.M. Wetsteyn, GZ-psycholoog;

- een de verdachte betreffend (onvolledig) aanvullend psychologisch onderzoek (Pro Justitia) d.d. 12 mei 2009, uitgebracht door drs. M.J.G.M. Wetsteyn, GZ-psycholoog;

- een de verdachte betreffend (onvolledig) psychiatrisch onderzoek (Pro Justitia) d.d. 14 mei 2009, uitgebracht door mw. G.C.G.M. Broekman, kinder- en jeugdpsychiater;

- een de verdachte betreffende rapportage d.d. 11 september 2009, uitgebracht door dhr. M.J.P. Claessen, jeugdreclasseerder van de William Schrikker Jeugdreclassering.

De psycholoog heeft in het kader van de bij deze strafzaak gevoegde strafzaak (parketnummer 04/860926-08, gevoegd bij parketnummer 04/850305-09) op 10 december 2008 gerapporteerd omtrent verdachte. De psycholoog komt tot het oordeel dat verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis in de zin van een gedragsstoornis, type beginnend in de adolescentie, met antisociale trekken. Daarnaast is er sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Verdachte heeft beperkte cognitieve vaardigheden. Een IQ van 82 wijst op zwakbegaafdheid van betrokkene. Ten tijde van het plegen van genoemd feit, 17 september 2008, beïnvloedde dit de gedragskeuze en gedragingen van betrokkene in beperkte mate en kan dit feit betrokkene in licht verminderde mate worden toegerekend. Als factoren, voortkomend uit de stoornis van betrokkene die van belang kunnen zijn voor de kans op recidive noemt de psycholoog dat betrokkene zichzelf onbewust het centrum van de wereld maakt, neigt tot controle en het instrumenteel houden van zijn omgaan met anderen. Betrokkene is beïnvloedbaar, heeft op een verstandelijke niveau wel weet van goede normen en waarden, maar kan deze vooralsnog niet omzetten in maatschappelijk verantwoord gedrag. Betrokkene vertoont weinig ruggengraat en laat zich al snel (ver)leiden tot kopieergedrag van anderen, niet stilstaand bij eerdere aanvaringen met justitie en de risico’s die hij loopt. Ouders stellen zich repressief naar hem op, dreigen met een terugsturen naar Turkije, maar zijn ook wanhopig hoe zij betrokkene kunnen afremmen in zijn deviant gedrag. In samenhang betekenen deze factoren en condities dat de adolescente jongen vaak de verkeerde keuzes maakt; hij overziet geen consequenties, denkt bijna intuïtief dat als hij doet wat anderen doen, het allemaal wel zal loslopen en hij leert niet van externe repressies.

Kort na het tot stand komen van bovengenoemde rapportage pleegt verdachte de veel ernstigere strafbare feiten waarvoor hij thans ook wordt veroordeeld. In het kader van deze strafbare feiten wordt de psycholoog verzocht aanvullend te rapporteren. De psycholoog bezoekt verdachte op 5 mei 2009. Verdachte weigert dan medewerking te verlenen aan de aanvullende rapportage. Verdachte heeft tegenover de psycholoog verklaard dat hij gestraft dient te worden voor wat hij heeft gedaan en niet voor de persoon die hij is. Verdachte geeft aan geen stoornis te hebben. De psycholoog concludeert dat bij hem de indruk is ontstaan dat verdachte zelf alles in het werk stelt “de schade te beperken” voor hemzelf door te weigeren en dat hij daarin wordt gesteund door zijn ouders, die een grote mate van rancune tonen naar politie en justitie.

De psychiater heeft een eerste gesprek gehad met verdachte. In het tweede gesprek weigert verdachte verder mee te werken aan het onderzoek. Verdachte heeft, net als tegenover de psycholoog, aangegeven dat hij gestraft wil worden voor wat hij heeft gedaan en niet voor de persoon die hij is, al of niet met een eventuele gedragsstoornis.

De psychiater geeft naar aanleiding van dit eenmalig contact een voorlopige diagnostische beschouwing:

“Onderzochte is een ruim zeventienjarige adolescent van Turkse origine met antisociale gedragsproblemen. Zoals eerder aangegeven ontbreken voor rapporteur essentiële gegevens uit zijn sociale en emotionele ontwikkeling om tot verfijnde diagnostiek te komen. Rapporteur heeft onderzochte slechts beperkt gesproken; het is tot dusverre niet duidelijk geworden vanuit welk vertrekpunt de persoonlijkheid van onderzochte zich heeft ontwikkeld. Vanuit het contact met hem kan worden opgemerkt dat hij sterk beïnvloedbaar is, zoals hij ook zelf aangeeft; dat hij onder invloed van anderen agressief reageert, een en ander versterkt in groepsverband. De gewetensfunctie imponeert hierdoor beperkt en waarden en normen zijn nog niet verinnerlijkt. Eigenheid ontbreekt vooralsnog en onderzochte brengt zijn ongewenst gedrag in verband met (opportunistische) externe factoren. Onder deze externe druk en indien hij geprovoceerd wordt, schiet de afweer van zijn agressieve impulsen tekort, ontlaadt hij en ontstaat bij hem antisociaal gedrag, voor zover bewezen. Hieruit blijken zijn onderontwikkelde impulsregulatie functies en zijn zwakke innerlijke structuur.

In grote lijnen lijkt de persoonlijkheid van onderzochte zich discrepant te ontwikkelen. Hypothetisch identificeert hij zich sterk in zijn persoonlijkheidsontwikkeling met de agressor, de antisociale peergroup, wat zijn weerslag vindt in zijn onderhavig delictgedrag van de tenlastelegging, waarin de dadendrang op de voorgrond staat, voor zover bewezen.

Bij onderzochte wordt, zoals aangegeven geen psychiatrische stoornis in engere zin vastgesteld. De emotionele ontwikkeling, in de zin van agressiebeheersing, schiet bij onderzochte wel tekort. De vraag rijst in hoeverre, met betrekking tot hem, kan worden verwacht dat hij voldoende mogelijkheden heeft om voor een eventueel andere gedragslijn te kiezen, indien een ongewenste situatie zich aanbiedt. De indruk ontstaat dat de impulscontrole, de agressieregulatie en affectregulatie in ernstige mate onvoldoende is.”

De heer Claessen van de William Schrikker Jeugdreclassering rapporteert het volgende.

“De mate van risico voor [verdachte 15] wordt ingeschat op ‘hoog’. [verdachte 15] scoort hoog op zijn strafrechtelijk verleden doordat hij op jonge leeftijd met de justitie in aanraking is geweest en een paar van zijn delicten gerelateerd zijn aan geweld. Daarnaast scoort [verdachte 15] tevens hoog op zijn sociaal verleden.”

De Jeugdreclassering is van mening dat [verdachte 15] een groot risico heeft op recidive waarbij de schadekansen voor zichzelf met betrekking tot zijn kwetsbaarheid (makkelijk te beïnvloeden, lage intelligentie en zelfoverschatting) en anderen met betrekking tot bereidheid tot het gebruiken van geweld, dragen of gebruik van (nep)wapens, onvoldoende zelfcontrole met betrekking tot agressie hoog zijn. Ook is de schade voor het traject van de jeugdreclassering groot vanwege de weigerachtige houding van het gezin naar begeleiding van de jeugdreclassering, politie en Justitie in het algemeen.

Ten aanzien van de responsiviteit kan gesteld worden dat [verdachte 15] in het verleden wel mee

wilde werken aan de begeleiding van de jeugdreclassering. De vader van [verdachte 15] is echter

niet meer gemotiveerd voor begeleiding.

De jeugdreclassering heeft weinig vertrouwen in de begeleiding van [verdachte 15] in de toekomst, aangezien het gezin niet eerlijk is geweest over de afspraken die er waren met [verdachte 15] omtrent het huisarrest en het zich niet houden hieraan. Daarnaast is de vader van [verdachte 15] van mening dat de jeugdreclassering niet het beste met [verdachte 15] voor heeft en/of gedeeltelijk verantwoordelijk is voor de recidive van [verdachte 15]. Ook herkent de JR-werker een patroon in de motivatie van [verdachte 15] om mee te werken aan begeleiding of zijn best te doen voor de toekomst.

De JR-werker heeft in het verleden ervaren dat de motivatie van [verdachte 15] om zijn best te doen een korte tijd aanhoudt, maar al gauw vergeten wordt / minder zichtbaar is als het een tijdje goed is gegaan. [verdachte 15] lijkt dan weer op zoek naar contacten met vrienden of meer vrijheid en is dan te snel beïnvloedbaar in risicovolle situaties. [verdachte 15] reageert dan impulsief en denkt onvoldoende na over de consequenties van zijn handelen wat nieuw crimineel gedrag of een aanzet daartoe tot gevolg heeft.

Wat betreft de leerbaarheid van [verdachte 15] is het duidelijk dat hij een doener is, dit is mede bepaald door zijn niveau in combinatie met gedragsproblematiek. In de communicatie met [verdachte 15] is het belangrijk dat in makkelijke taal wordt gesproken en regelmatig wordt nagegaan of [verdachte 15] alles begrepen heeft.

Strafadvies

Indien de rechtbank van mening is dat de tenlastelegging wettig en overtuigend bewezen is,

adviseert de William Schrikker Jeugdreclassering, het volgende strafadvies in overweging te nemen: PIJ-maatregel.”

Ter terechtzitting d.d. 14 oktober 2009 heeft de vertegenwoordiger van de Jeugdreclassering (de heer Claessen) aangegeven dat ondanks alle begeleiding die verdachte in het verleden heeft gehad, de situatie omtrent verdachte niet verbeterd is, doch juist verslechterd. De William Schrikker Jeugdreclassering ziet geen mogelijkheden meer om verdachte nog te begeleiden

De rechtbank neemt de overwegingen en (voorlopige) conclusies uit de rapporten van de psycholoog, de psychiater en de Jeugdreclassering, alsmede het strafadvies van de Jeugdreclassering over en maakt die tot de hare.

De rechtbank overweegt dat de psycholoog en de psychiater gezien de weigerachtige houding van verdachte, niet hebben kunnen komen tot een advies aan de rechtbank omtrent de strafrechterlijke afdoening van onderhavige zaak. In de door de deskundigen en de jeugdreclassering uitgebrachte rapportages komt verdachte naar voren als een persoon die gemakkelijk beïnvloedbaar is, die weliswaar weet dat de strafbare feiten die hij pleegt niet kunnen, maar die wetenschap niet om kan zetten in daarmee corresponderend gedrag. De rechtbank ziet dit terug in de uitlating van verdachte dat hij gestraft wil worden voor datgene wat hij gedaan heeft en niet voor de persoon die hij is. Kennelijk wil verdachte de gevolgen voor zijn gedrag wel aanvaarden, maar kan of wil zijn gedrag daarop niet aanpassen en wordt voorts niet gesteund door zijn directe omgeving om verandering in zijn gedrag te bewerkstelligen. Naar het oordeel van de rechtbank zal dit, zonder afdoende behandeling, leiden tot hernieuwd (ernstig) strafbaar handelen van verdachte. In het verleden is verdachte naar aanleiding van strafbaar handelen reeds meermalen hulpverlening opgelegd. Deze hulpverlening heeft, zoals de jeugdreclassering heeft geconcludeerd, geen baat gehad. De situatie van verdachte is juist verslechterd. De tijd om verdachte nog een kans te geven op deze wijze zijn gedrag te veranderen, is naar het oordeel van de rechtbank voorbij.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, en mede gelet op het feit dat verdachte feiten heeft gepleegd, waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en voorts in aanmerking genomen dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen eist en dat de maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte is en de noodzakelijke behandeling kan bieden, het opleggen van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen noodzakelijk is. In het kader van de PIJ-maatregel is de continuïteit van de behandeling gewaarborgd. De maatregel wordt dan ook in het belang van verdachte geacht.

De rechtbank zal dan ook die PIJ-maatregel opleggen voor de duur van 2 jaar.

10.4. De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

10.4.1. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 20]

[slachtoffer 20], adres: [adres], heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor in de zaak met parketnummer 04/850030-09 onder 1 ten laste gelegde feit geleden materiële schade en immateriële schade.

[slachtoffer 20] voornoemd heeft de materiële schade op een bedrag van € 16,81 en de immateriële schade op een bedrag van € 1.650,00 gesteld en wil die schades vergoed krijgen.

Ten laste van verdachte is het hiervoor in de zaak met parketnummer 04/850030-09 onder 1 ten laste gelegde feit bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake van dat feit worden veroordeeld.

Met betrekking tot de toewijsbaarheid van de hoogte van het schadebedrag overweegt de rechtbank dat de vordering is opgebouwd uit de navolgende posten.

Immateriële schade:

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op de aard van het bewezenverklaarde is het een ervaringsregel dat daardoor bij het slachtoffer immateriële schade van enige omvang wordt veroorzaakt. Of de door het slachtoffer opgelopen immateriële schade een bedrag van € 1.650,00 rechtvaardigt,

kan de rechtbank op basis van de haar beschikbare informatie niet beoordelen.

Voor zover deze vordering van immateriële schade het bedrag van € 1.000,00 overstijgt,

is deze vordering naar het oordeel van de rechtbank niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding, zal de benadeelde partij voor dit deel niet ontvankelijk in haar vordering dienen te worden verklaard en zal de rechtbank bepalen

dat de benadeelde partij het deel van de vordering waarin zij niet ontvankelijk dient te worden verklaard, alsnog bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Materiële schade:

Naar het oordeel van de rechtbank is deze post ad € 16,81, die door verdachte niet is weersproken, voor toewijzing vatbaar.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering toewijsbaar, zodat de rechtbank het schadebedrag zal vaststellen op een totaalbedrag van € 1.016,81, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 10 januari 2009 tot de dag der algehele voldoening.

Verdachte is naar burgerlijk recht, samen met zijn mededaders, aansprakelijk voor deze schade.

De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag gemaakt, begroot op nihil.

De rechtbank zal over de vordering van de benadeelde partij, overeenkomstig het hiervoren overwogene, beslissen zoals hierna is vermeld, alsmede over de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt, thans begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 1.016,81 te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 10 januari 2009 tot de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de tijd van 20 dagen, te betalen ten behoeve van [slachtoffer 20] voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

10.4.2. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 22]

[slachtoffer 22], adres: [adres], heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor in de zaak met parketnummer 04/850030-09 onder 1 ten laste gelegde feit geleden immateriële schade.

[slachtoffer 22] voornoemd heeft de immateriële schade op een bedrag van € 1.650,00 gesteld en wil die schade vergoed krijgen.

Ten laste van verdachte is het hiervoor in de zaak met parketnummer 04/850030-09 onder 1 ten laste gelegde feit bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake van dat feit worden veroordeeld.

Met betrekking tot de toewijsbaarheid van de hoogte van het schadebedrag overweegt de rechtbank dat de vordering is opgebouwd uit de navolgende posten.

Immateriële schade:

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op de aard van het bewezenverklaarde is het een ervaringsregel dat daardoor bij het slachtoffer immateriële schade van enige omvang wordt veroorzaakt. Of de door het slachtoffer opgelopen immateriële schade een bedrag van € 1.650,00 rechtvaardigt,

kan de rechtbank op basis van de haar beschikbare informatie niet beoordelen.

Voor zover deze vordering van immateriële schade het bedrag van € 1.000,00 overstijgt,

is deze vordering naar het oordeel van de rechtbank niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding, zal de benadeelde partij voor dit deel niet ontvankelijk in haar vordering dienen te worden verklaard en zal de rechtbank bepalen

dat de benadeelde partij het deel van de vordering waarin zij niet ontvankelijk dient te worden verklaard, alsnog bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering toewijsbaar, zodat de rechtbank het schadebedrag zal vaststellen op een totaalbedrag van € 1.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 10 januari 2009 tot de dag der algehele voldoening.

Verdachte is naar burgerlijk recht, samen met zijn mededaders, aansprakelijk voor deze schade.

De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag gemaakt, begroot op nihil.

De rechtbank zal over de vordering van de benadeelde partij, overeenkomstig het hiervoren overwogene, beslissen zoals hierna is vermeld, alsmede over de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt, thans begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 1.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 10 januari 2009 tot de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de tijd van 20 dagen, te betalen ten behoeve van [slachtoffer 22] voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

11. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 24c, 27, 36f, 45, 91, 77a, 77i, 77s, 77v, 77gg, 310, 311, 312, 317, 447e;

Wet op de identificatieplicht art. 2.

12. De vordering tot tenuitvoerlegging

De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot tenuitvoerlegging van een aan de verdachte bij een vroegere veroordeling opgelegde voorwaardelijke straf dient te worden afgewezen, nu de duur van de behandeling in het kader van de op te leggen PIJ-maatregel het ten uitvoerleggen van een werkstraf de rechtbank niet opportuun voorkomt.

13. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 04/850305-09 onder 3 en 6 ten laste is gelegd heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de tijd van 12 maanden;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

legt de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen op voor de duur van 2 jaren;

Beslissingen op de vordering van de benadeelde partijen.

In de zaak met parketnummer 04/850305-09 feit 1:

wijst gedeeltelijk toe de vordering van de benadeelde partij, [slachtoffer 20], [adres] en veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van € 1.016,81, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 10 januari 2009 tot de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat de verdachte zal zijn bevrijd voor zover voornoemde benadeelde partij - al dan niet via de betaling aan de Staat - door (één van) verdachtes mededaders is voldaan;

verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 20] voornoemd, voor het overige niet-ontvankelijk, aangezien de vordering op dat onderdeel naar het oordeel van de rechtbank niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding, met bepaling dat de benadeelde partij het deel van de vordering waarin zij niet ontvankelijk is alsnog bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 1.016,81, subsidiair 20 dagen jeugddetentie ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 20] voornoemd, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende jeugddetentie de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

veroordeelt verdachte tevens tot betaling aan de Staat van de wettelijke rente over voormeld bedrag vanaf 10 januari 2009 tot de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat de subsidiaire jeugddetentie ook van toepassing is op de vervallen rentetermijnen;

bepaalt dat indien verdachte en/of (een van) zijn mededader(s) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.016,81, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 10 januari 2009 tot de dag der algehele voldoening ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte en/of (een van) zijn mededader(s) aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten

behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

In de zaak met parketnummer 04/850305-09 feit 1:

wijst gedeeltelijk toe de vordering van de benadeelde partij, [slachtoffer 22], [adres] en veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van € 1.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 10 januari 2009 tot de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat de verdachte zal zijn bevrijd voor zover voornoemde benadeelde partij - al dan niet via de betaling aan de Staat - door (één van) verdachtes mededaders is voldaan;

verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 22] voornoemd, voor het overige niet-ontvankelijk, aangezien de vordering op dat onderdeel naar het oordeel van de rechtbank niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding, met bepaling dat de benadeelde partij het deel van de vordering waarin zij niet ontvankelijk is alsnog bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 1.000,00, subsidiair 20 dagen jeugddetentie ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 22] voornoemd, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende jeugddetentie de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

veroordeelt verdachte tevens tot betaling aan de Staat van de wettelijke rente over voormeld bedrag vanaf 10 januari 2009 tot de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat de subsidiaire jeugddetentie ook van toepassing is op de vervallen rentetermijnen;

bepaalt dat indien verdachte en/of (een van) zijn mededader(s) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 10 januari 2009 tot de dag der algehele voldoening ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte en/of (een van) zijn mededader(s) aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten

behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

Beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement Roermond tot tenuitvoerlegging van de aan de veroordeelde bij vonnis van de kinderrechterte Roermond d.d. 26 mei 2008 in de zaak met parketnummer 04/851149-07 opgelegde straf, ten aanzien waarvan toen was bepaald dat deze voorwaardelijk niet tenuitvoergelegd zou worden

Vonnis gewezen door mrs. C.A.M. Schaap-Meulemeester, M.I.J. Hegeman en M.J.H. van den Homberg , kinderrechters, van wie mr. C.A.M. Schaap-Meulemeester voorzitter, in tegenwoordigheid van J.H.J. van Daal als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 4 november 2009.