Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BK1915

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
03-11-2009
Datum publicatie
04-11-2009
Zaaknummer
04/860406-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overval op slijterij te Venray. Slachtoffer is gedurende 45 minuten lang geslagen, geschopt en bedreigd. Strafmaat

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector strafrecht

Parketnummer : 04/860406-09

Datum uitspraak : 3 november 2009

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte 3],

[geboortedatum],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in [detentieadres].

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 20 oktober 2009.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat na wijziging van de tenlastelegging terecht ter zake dat:

1.

hij op of omstreeks 03 oktober 2008 te Gennep tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid geld en/of een of meer (gouden) muntjes en/of een hoeveelheid (gouden) bestek en/of een of meer (gouden) armbanden, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit

- het duwen van die [slachtoffer] en/of

- het slaan en/of schoppen tegen het lichaam van die [slachtoffer] en/of

- in de richting van die [slachtoffer] houden en/of drukken/zetten tegen/op de keel en/of de borst

van die [slachtoffer] en/of steken in de neus en/of gezicht van die [slachtoffer], van/met een mes, in elk

geval een scherp voorwerp en/of

- het vasthouden (van achteren) bij de nek en/of keel van die [slachtoffer] (waarbij het hoofd van

die [slachtoffer] naar achteren werd getrokken) en/of

- (daarbij) het leggen van de hand over de mond en de neus van die [slachtoffer] (waarbij die [slachtoffer]

geen lucht meer kreeg) en/of

- het sleuren van die [slachtoffer] over de grond en/of de trap en/of

- het gooien van die [slachtoffer] op de grond en/of

- het roepen/schreeuwen/zeggen: "Ga de benzine maar halen, dan steken we hem aan." en/of

(daarna) het gieten van een vloeistof over die [slachtoffer] en/of (daarbij) het houden van een

aansteker bij (de kleren van) die [slachtoffer] en/of

- het hangen van die [slachtoffer] over de balustrade van de trap en/of (daarbij) het dreigen/zeggen

die [slachtoffer] naar beneden te gooien als die [slachtoffer] niet zei waar meer geld lag en/of

- het (met een koord) vastbinden van de handen van die [slachtoffer] en/of

- het afplakken (met een plakband) van de mond van die [slachtoffer] en/of

- het (daarbij) op dreigende wijze zeggen en/of schreeuwen: "Rustig houden; mond dicht;

kop dicht; waar ligt het geld" en/of "Waar is de sleutel van de kluis" "We komen niet

helemaal uit Amsterdam voor zo'n paar Euro's" en/of "Je bent rijk, je moet meer geld

hebben" en/of "Meer geld of we snijden je vinger eraf" ;

art. 312 Wetboek van Strafrecht

Althans indien terzake het vorenstaande onder 1 geen veroordeling zou volgen:

[verdachte 1] en/of [verdachte 2] op of omstreeks 03 oktober 2008 te Gennep tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid geld en/of een of meer (gouden) muntjes en/of een hoeveelheid (gouden) bestek en/of een of meer (gouden) armbanden, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan die onbekend gebleven perso(o)n(en) en/of zijn/hun mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn/hun mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit

- het duwen van die [slachtoffer] en/of

- het slaan en/of schoppen tegen het lichaam van die [slachtoffer] en/of

- het in de richting van die [slachtoffer] houden en/of drukken/zetten tegen/op de keel en/of de

borst van die [slachtoffer] en/of steken in de neus en/of gezicht van die [slachtoffer], van/met een mes,

in elk geval een scherp voorwerp en/of

- het vasthouden (van achteren) bij de nek en/of keel van die [slachtoffer] (waarbij het hoofd van

die [slachtoffer] naar achteren werd getrokken) en/of

- (daarbij) het leggen van de hand over de mond en de neus van die [slachtoffer] (waarbij die [slachtoffer]

geen lucht meer kreeg) en/of

- het sleuren van die [slachtoffer] over de grond en/of de trap en/of

- het gooien van die [slachtoffer] op de grond en/of

- het roepen/schreeuwen/zeggen: "Ga de benzine maar halen, dan steken we hem aan." en/of

(daarna) het gieten van een vloeistof over die [slachtoffer] en/of (daarbij) het houden van een

aansteker bij (de kleren van) die [slachtoffer] en/of

- het hangen van die [slachtoffer] over de balustrade van de trap en/of (daarbij) het dreigen/zeggen

die [slachtoffer] naar beneden te gooien als die [slachtoffer] niet zei waar meer geld lag en/of

- het (met een koord) vastbinden van de handen van die [slachtoffer] en/of

- het afplakken (met een plakband) van de mond van die [slachtoffer] en/of

- het (daarbij) op dreigende wijze zeggen en/of schreeuwen: "Rustig houden; mond dicht;

kop dicht; waar ligt het geld" en/of "Waar is de sleutel van de kluis" "We komen niet

helemaal uit Amsterdam voor zo'n paar Euro's" en/of "Je bent rijk, je moet meer geld

hebben" en/of "Meer geld of we snijden je vinger eraf",

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 03 oktober 2008 te Gennep en/of elders in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door op de uitkijk te staan en/of door zijn mededader(s) een auto ter beschikking te stellen en/of daarin te vervoeren;

art. 312 en 48 Wetboek van Strafrecht

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen

7.1. Standpunten van de officier van justitie en de verdediging.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 20 oktober 2009 gevorderd dat

het primair ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard. Daarbij hecht de officier in het bijzonder belang aan de aangifte van [slachtoffer], alsmede aan de verklaringen zoals afgelegd door verdachte en zijn medeverdachten [verdachte 1] en [verdachte 2]. Verdachte heeft het ten laste gelegde mee voorbereid, en een evenredig deel van de buit ontvangen waardoor er sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking hetgeen medeplegen oplevert. Voor wat betreft de rechtmatigheid van het bewijs is de officier van justitie van mening dat de vordering verstrekking verkeersgegevens als bedoeld in artikel 126n van het Wetboek van Strafvordering gerechtvaardigd was. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat een vordering als bedoeld in artikel 126n Wetboek van Strafrecht ook betrekking kan hebben op andere personen dan alleen verdachten. De officier van justitie verwijst voor wat betreft de onderbouwing van de vordering naar het BOB dossier.

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde omdat verdachte onterecht als verdachte werd aangemerkt ten tijde van het vorderen van verkeersgegevens op grond van artikel 126n van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte kon naar aanleiding van de serie-bevraging van de kentekens niet als verdachte worden aangemerkt waardoor er geen bevoegdheid was om de printgegevens van zijn beide mobiele telefoonnummers op te vragen. Deze onrechtmatigheid dient te leiden tot bewijsuitsluiting van het naar aanleiding van deze vordering verkregen bewijs. Naar de mening van de raadsman betreft dat eveneens de verklaringen van verdachte en zijn medeverdachten, nu deze verklaringen moeten worden gezien als de vruchten van de onrechtmatig verkregen verkeersgegevens. Aldus resteert te weinig bewijs om te komen tot een veroordeling van het feit en zou vrijspraak dienen te volgen.

Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat er geen sprake is van medeplegen De raadsman voert hiertoe aan dat verdachte niet bekend was met het handelen van zijn medeverdachten op de plaats delict, verdachte was enkel betrokken bij de voorbereiding en niet bij de uitvoering. Hierdoor kan er volgens de raadsman hooguit worden gesproken over medeplichtigheid. Indien een veroordeling voor medeplichtigheid zou volgen, dan verzoekt de raadsman om verdachte vrij te spreken van het onderdeel geweld in het tenlastegelegde. Immers, verdachte had vooraf geen weet van het toepassen van geweld door zijn medeverdachten.

7.2. Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

7.2.1 Overweging met betrekking tot de (on)rechtmatige verkrijging van het bewijs

Op het verweer van de raadsman dat verdachte onterecht als verdachte werd aangemerkt ten tijde van het vorderen van verkeersgegevens op grond van artikel 126n van het Wetboek van Strafvordering overweegt de rechtbank als volgt.

In het dossier bevindt zich een proces-verbaal "Aanvraag vordering ex artikel 126n WvSv (verstrekking van inlichtingen)" d.d. 24 oktober 2008. Dit proces-verbaal houdt - onder meer en zakelijk weergegeven - in:

? Dat op 3 oktober 2008 omstreeks 21.00 uur een overval met geweld plaatsvond in de slijterij van [slachtoffer]. De daders zijn via de tuin van het [adres] tegenover de slijterij aan de [adres] naar het [adres] in Gennep gevlucht. Het betreft een onlogische vluchtweg door een hoog omheinde tuin als men ter plaatse niet goed bekend is. Genoemde route is door de politie middels het gebruik van speurhonden vastgesteld;

? Dat een buurtonderzoek bij het [adres] en in het [adres] het kenteken [kenteken] opleverde. Een getuige zag op die vrijdagavond omstreeks 20.45 uur –kort voor de overval- op de weg genaamd “[adres]” een verdachte auto staan. De bestuurder zat in de auto te telefoneren. Volgens getuige betrof het een klein model donkerkleurige auto. De auto stond dermate vreemd dat getuige extra naar het kenteken keek en dit in haar geheugen prentte. Gelet op de omschrijving van getuige van de plaats waar de auto gestaan heeft, is het ongeveer de plaats waar het vluchtspoor van de twee overvallers volgens de speurhondengeleider eindigt;

? Dat bevraging van kenteken [kenteken] een rode auto opleverde, op naam van een 66-jarige mevrouw uit Amsterdam. Omdat de getuige zeker was van de combinatie van de letters van het kenteken is overgegaan tot een serie-bevraging van het kenteken [kenteken]. De serie-bevraging leverde op dat het kenteken [kenteken] thuishoort bij een inwoner van Gennep, te weten [verdachte 3]. De auto betreft een donkergrijze Citroën Saxo;

? Dat het voorgaande leidt tot verdenking van overtreding van de artikel 312 Wetboek van Strafrecht, zijnde een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering;

? Dat het voor het onderzoek van belang is dat inlichtingen worden verstrekt terzake van alle verkeer dat over een openbaar telecommunicatienetwerk, dan wel met gebruikmaking van openbare telecommunicatiediensten, heeft plaatsgevonden en ten aanzien waarvan het vermoeden bestaat dat de bedoelde verdachte eraan heeft deelgenomen, teneinde vast te kunnen stellen met welke mede-verdachten de verdachte contacten onderhield.

Gelet op de hiervoor weergegeven inhoud van het voornoemde proces-verbaal is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie in redelijkheid kon komen tot de vordering verstrekking verkeersgegevens. Dit geldt te meer nu uit de lijst met kentekens die de serie-bevraging opleverde is gebleken dat er maar één kenteken in Gennep geregistreerd was, waarbij dit kenteken slechts één cijfer verschilde van het door de getuige opgegeven kenteken. Dit betrof het kenteken van de auto van verdachte [verdachte 3]. Van onrechtmatig verkregen bewijs als door de raadsman aangevoerd is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.

7.2.2 De bewijsmiddelen

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen .

Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat hij op 3 oktober 2008 rond 21.00 uur een statafel die voor zijn zaak stond binnen wilde zetten. Hij zag dat er twee, met bivakmutsen gemaskerde, personen uit een naast zijn pand gelegen steegje in zijn richting kwamen lopen. Bij de voordeur werd [slachtoffer] door deze personen krachtig naar binnen geduwd. Vervolgens werd [slachtoffer] door hen met een vuist geslagen en voelde hij een steek van een mes boven zijn neus. [slachtoffer] is hierbij op de grond terechtgekomen. Toen [slachtoffer] op de grond lag werd hij wederom een paar keer geslagen en hoorde hij de daders zeggen dat hij mee naar achteren moest gaan. Een van de daders had [slachtoffer] van achteren om zijn nek vast, zijn hoofd werd naar achteren getrokken. De hand van die dader kwam over de mond en neus van [slachtoffer], waardoor hij bijna geen lucht kreeg. Er werd gezegd: “Rustig houden, mond dicht, kop dicht, waar ligt het geld”? [slachtoffer] verklaart dat hij meermaals werd geslagen en geschopt door beide daders. [slachtoffer] werd naar de gang gebracht en hem werd gevraagd waar de sleutel van de kluis was. Door het gebruikte geweld kon [slachtoffer] niet anders dan vertellen waar de sleutel was. Een dader heeft, op aangeven van [slachtoffer], deze sleutel gepakt en geprobeerd de kluis te openen. Toen dat niet direct lukte kreeg [slachtoffer] wederom klappen. Toen de kluis openging werden de spullen die erin lagen, ondermeer geld en gouden bestek, in een linnen tas gedaan. De daders vroegen vervolgens om meer geld en één van hen zei: ”We komen niet helemaal uit Amsterdam voor zo’n paar euro’s”. [slachtoffer] werd vervolgens door de daders naar de eerste verdieping gesleurd waarbij hij geslagen werd. [slachtoffer] heeft toen aangewezen waar het geld zich bevond waarna een van de daders het geld heeft gepakt. De daders hebben [slachtoffer] op de gang van de eerste verdieping gegooid en tegen hem gezegd: “Je bent rijk, je moet meer geld hebben”. Een van de daders zei tegen zijn mededader “ga de benzine maar halen, dan steken we hem aan”. Een van de daders is toen naar beneden gegaan en kwam met een groene fles terug. De vloeistof uit die fles werd vervolgens over de broek en trui van [slachtoffer] gegoten waarna door een van de daders een vlam van een aansteker bij de kleren van die [slachtoffer] werd gehouden. Ook hoorde [slachtoffer] nog dat door de langste dader tegen hem gezegd werd: “Meer geld of we snijden je vingers eraf”. Op de gang hebben de daders [slachtoffer] nog over de balustrade van de trap gehangen. Ze dreigden hem naar beneden te gooien als hij niet zou vertellen waar het geld lag. [slachtoffer] werd vervolgens naar beneden gesleurd en werd daar, op zijn kantoor, vastgebonden. Zijn handen werden met een koord aan elkaar vastgemaakt. Ook werd zijn mond afgeplakt met een stuk grijs plakband. [slachtoffer] kon horen dat de daders alles aan het doorzoeken waren. Op een bepaald moment moest [slachtoffer] mee naar de winkel, omdat de daders de kassa niet open kregen. [slachtoffer] heeft toen de kassa geopend. [slachtoffer] verklaart verder gezien te hebben dat de daders een mes bij zich hadden welk mes hem gedurende de acties meermaals op zijn keel en borst is gezet. [slachtoffer] schat dat de daders ongeveer 45 minuten binnen zijn geweest.

De verklaring die de medeverdachte [verdachte 2] op 15 juni 2009 tegenover de politie heeft afgelegd onder meer inhoudende dat ze oorspronkelijk met 4 man waren. [verdachte 3] zou rijden, [verdachte 2] zou op de uitkijk staan en de anderen zouden naar binnen gaan. Enkele weken voor de daadwerkelijke overval is hij op 3 oktober 2008 samen met een vriend naar [slachtoffer] gelopen, dat zal rond 21.00 uur zijn geweest. Hij zag dat zijn vriend met zijn tot vuist gebalde hand uithaalde in de richting van [slachtoffer] en hoorde een klap en van alles vallen. [slachtoffer] lag in de winkel en bloedde uit zijn neus. [verdachte 2] knielde achter [slachtoffer] en heeft [slachtoffer] om zijn nek vastgepakt zodat [verdachte 2] hem onder controle kon houden als [slachtoffer] weerstand zou bieden. [verdachte 2] wilde met [slachtoffer] opstaan, waarbij hij iets meer druk op de keel van [slachtoffer] zette. Hij is vervolgens met [slachtoffer] de gang op gegaan. De vriend van [verdachte 2] heeft nog getracht de handen van [slachtoffer] vast te tapen, met tape die hij zelf had meegebracht. Vervolgens pakte deze vriend een stuk touw uit zijn broek of jas en bond daarmee de handen van [slachtoffer] vast. Ook werd er een stuk tape op de mond van [slachtoffer] geplakt. De vriend vroeg aan [slachtoffer] waar het geld en de kluis was. Op aangeven van [slachtoffer] pakte de vriend de sleutel en trok [slachtoffer] naar de ruimte waar de kluis stond. Daar is de kluis geopend. Vervolgens heeft [verdachte 2] [slachtoffer] bij zijn schouders omhoog getrokken en zijn ze naar boven gegaan. Boven heeft de vriend meerdere ruimtes doorzocht, terwijl [verdachte 2] bij [slachtoffer] bleef. Op enig moment kwam de vriend terug van beneden met een fles in zijn handen. [verdachte 2] zag dat hij de inhoud van die fles over de buik en benen van [slachtoffer] goot en zag dat de vlam van een aansteker vlak voor het gezicht van die [slachtoffer] hield. Er werd onder andere geroepen: “Bek houden, ik zet je in de fik” en er werd continu naar geld gevraagd. [verdachte 2] en zijn vriend zijn toen weer met [slachtoffer] naar beneden gegaan. Onderwijl werd [slachtoffer] door de vriend hard met een vuist in zijn buik geslagen. [verdachte 2] weet niet precies wanneer dat is gebeurd. [verdachte 2] heeft de kassa gepakt en deze naast [slachtoffer] neergezet zodat hij deze open kon maken. Vervolgens hebben ze het geld uit de kassa en een hand vol goudkleurig bestek uit een gevonden bestekkoffer in een stoffen tas gedaan. Vervolgens is [verdachte 2] samen met zijn vriend weggerend door het park en naar de auto van [verdachte 3]. Ze zijn in de auto gestapt en weggereden. Ze hebben achteraf met z’n drieën de buit verdeeld. [verdachte 2] kreeg € 350,- en [verdachte 3] € 150,-. [verdachte 2] verklaart dat hij [verdachte 3] achteraf nog ongeveer 50 à 100 euro heeft gegeven.

De verklaring die de medeverdachte [verdachte 2] op 16 juni 2009 tegenover de politie heeft afgelegd onder meer inhoudende dat de persoon met wie hij samen de overval heeft gepleegd [verdachte 1] heet.

De verklaring die de medeverdachte [verdachte 1] op 24 juni 2009 tegenover de politie heeft afgelegd.

We waren er met z’n drieën: [verdachte 2], [verdachte 3] en ik. We hebben afzonderlijk van elkaar gecheckt, de ene keer hier en de andere keer daar, we zijn ook voorbij gereden om te kijken hoe de situatie was. [verdachte 3] trad daarbij op als bestuurder en verkenner. Dit was op de dag voor de overval.

De verklaring die de medeverdachte [verdachte 1] op 25 juni 2009 tegenover de politie heeft afgelegd.

Na de overval hebben we met z’n drieën de buit bekeken. We hebben het geld geteld. Het was ongeveer € 1000,- . Dat geld hebben we gewoon door drie gedeeld.

De verklaring van verdachte tegenover de politie afgelegd op 26 mei 2009 waarin verdachte verklaart dat hij met twee vrienden ongeveer twee weken voorafgaande aan de overval plannen heeft gemaakt om de slijterij te overvallen. Een van de vrienden wist dat [slachtoffer] een kluis had en veel geld had. Er werd afgesproken dat eerst de zaak zou worden verkend. Bij de eerste verkenning werd de auto achter de slijterij geparkeerd. De tweede keer dat verdachte en zijn vrienden gingen verkennen zagen zij dat [slachtoffer] op vrijdag tegen sluitingstijd de reclameborden binnenhaalde. Toen werd besloten dat op zo’n moment de overval zou worden gedaan, op het moment dat hij de borden naar binnen zou halen. De afspraak werd gemaakt dat verdachte zijn vrienden zou vervoeren voor en na de overval en dat zijn vrienden na de overval te voet zouden vluchten via het terrein van de paters, gelegen tegenover de slijterij. Verdachte zou op hen wachten in het [adres] bij een gat in de afrastering. Op 3 oktober 2008 werd verdachte gebeld dat de overval die dag zou plaatsvinden. Verdachte heeft zijn vrienden opgehaald en afgezet bij de Aldi. Daarna is hij naar het [adres] gereden en heeft op hen gewacht. Nadat beide vrienden waren ingestapt is hij weggereden. Vervolgens werd de buit bekeken en verdeeld, verdachte kreeg 150 euro voor het rijden.

De verklaring van verdachte tegenover de politie afgelegd op 24 juni 2009 waarin verdachte verklaart dat hij op de dag van de overval zag dat een medeverdachte beschikte over een rol tape.

De verklaring van verdachte op 26 mei 2009 tegenover de politie afgelegd waarin hij verklaart dat hij van de jongens alleen heeft gehoord dat ze bijna de vinger van [slachtoffer] hadden afgesneden.

Tijdens de terechtzitting op 20 oktober 2009 verklaart verdachte dat hij op 3 oktober 2008 wist dat er een plan was om de overval te plegen. Hij verklaart: We hebben voorafgaande aan de overval verkend en geobserveerd waarbij we hebben gekeken waar ik het beste kon staan tijdens de overval. Ik had ook weet van de honden die het slachtoffer [slachtoffer] in zijn bezit had. Ik heb de medeverdachten [verdachte 2] en [verdachte 1] op 3 oktober 2008 achter de slijterij bij de Aldi afgezet. Vervolgens ben ik naar het [adres] gereden, daar heb ik op hen gewacht. Na de overval heb ik gereden, we zijn naar het huis van de vader van [verdachte 1] gegaan, daar hebben we de buit verdeeld. De anderen hebben zich voorafgaande aan de overval bij het zwembad gelegen bij Picamara omgekleed. We hebben naar elkaar gesms’t dat het die avond zou gebeuren.

7.2.3. Bewijsoverwegingen

Op het verweer van de raadsman dat er bij verdachte sprake was van medeplichtigheid en niet van medeplegen, alsmede op het verweer dat verdachte ook indien zou worden gekomen tot bewezenverklaring van medeplichtigheid deze niet tevens zou kunnen zien op de geweldselementen in de tenlastelegging, overweegt de rechtbank als volgt.

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte slechts als medeplichtige kan worden aangemerkt vanwege de ondergeschikte rol die hij heeft gespeeld. Er is in dit verband aangevoerd dat hij inderdaad enige tijd voor 3 oktober 2008 met zijn medeverdachten heeft gesproken over de overval op slijterij [slachtoffer]. Het was echter niet zijn bedoeling dat zijn medeverdachten geweld zouden gebruiken tijdens de overval. Bovendien heeft verdachte alleen als chauffeur opgetreden op de avond van de overval, waardoor verdachte zich niet verantwoordelijk voelt voor het tijdens de overval tegen [slachtoffer] gebruikte geweld.

Voor het oordeel over de mate van betrokkenheid en strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte voor de tenlastegelegde feiten is van belang of de verdachte, die aan het merendeel van de daarin omschreven uitvoeringshandelingen geen bijdrage heeft geleverd, niettemin in bewuste, nauwe en volledige samenwerking met de uitvoerders heeft gehandeld. Van een dergelijke handelwijze kan onder meer sprake zijn als het opzet van de verdachte bij het verrichten van de handelingen die hij in verband met de tenlastegelegde handelingen heeft verricht gericht was op het doel dat met de tenlastegelegde handelingen moest worden bereikt. In het onderhavige geval was het doel het wegnemen van geld.

Voor de beoordeling van het optreden van de verdachte komt in aanmerking de praktische rol die hij in de aanloop tot de feitelijke overval, alsmede na de overval heeft gespeeld.

Verdachte is samen met zijn medeverdachten tot het plan gekomen om slijterij [slachtoffer] te overvallen. In de aanloop daar naartoe is hij samen met zijn medeverdachten op verkenning geweest om te bezien hoe en op welk moment de overval het best kon plaatsvinden. Bovendien zijn er afspraken gemaakt over de rolverdeling, waarbij verdachte de rol van chauffeur toebedeeld heeft gekregen. De informatie die aanleiding gaf tot de overval op [slachtoffer] was afkomstig van een medeverdachte en kwam erop neer dat [slachtoffer] een kluis en veel geld had. Op de avond van de overval is verdachte ook daadwerkelijk als chauffeur opgetreden. Hij heeft zijn medeverdachten opgehaald en afgezet achter de slijterij van [slachtoffer]. Vervolgens heeft hij op de afgesproken plaats bijna 45 minuten op de terugkeer van de andere twee gewacht om samen te vertrekken.

Bij het hiervoor weergegeven verloop van de gebeurtenissen in de avond van 3 oktober 2008 springt in het oog dat het tijdstip waarop de verdachte zijn medeverdachten achter de slijterij heeft afgezet - omstreeks 20.45 uur - allerminst duidt op het voornemen om ongemerkt de slijterij in te sluipen, maar veeleer op het voornemen om de confrontatie met hoogstwaarschijnlijk aanwezige [slachtoffer], aan te gaan om hem te dwingen de verwachte kluis met geld aan te wijzen en te openen. Immers, de slijterij sluit pas om 21.00 uur en blijkens de verklaring van onder meer verdachte was het de bedoeling om de overval te plegen rond sluitingstijd op het moment dat [slachtoffer] de reclameborden naar binnen zou halen. De rechtbank acht op grond van de het hiervoor opgesomde elementen bewezen dat het plan van verdachte en zijn medeverdachten inhield dat de slijterij zou worden overvallen waarbij [slachtoffer] zouden worden gedwongen om de kluis aan te wijzen en eventueel te openen.

Met betrekking tot de vraag of verdachte welbewust aan de uitvoering van het plan heeft bijgedragen overweegt de rechtbank dat zij zulks eveneens bewezen acht. Zoals hiervoor al is vastgesteld maakte de aanwezigheid van [slachtoffer] in de slijterij deel uit van het plan. Voorts overweegt de rechtbank dat de confrontatie met [slachtoffer] logischerwijs geen belemmering, maar veeleer een voorwaarde was voor het bereiken van het gezamenlijk doel, te weten het wegnemen van geld; de kluis moest immers gewezen en geopend worden. De rechtbank voegt hieraan de overweging toe dat van algemene bekendheid is dat mensen niet vrijwillig hun kluis aanwijzen en de inhoud daarvan ter beschikking van ongenode vreemden stellen. Zij moeten daartoe door dreiging met geweld of zelfs direct geweld worden gedwongen.

In het licht van het voorgaande treft de ter terechtzitting geponeerde stelling van de verdediging dat verdachte er geen rekening mee hoefde te houden dat zijn medeverdachten geweld zouden hanteren geen doel. Voorts hecht de rechtbank belang aan het feit dat verdachte, zoals hij stelt, gedurende ongeveer 45 minuten is blijven wachten op zijn medeverdachten. Voorts is de uiteindelijke buit verdeeld tussen verdachte en zijn medeverdachten. Van het nemen van afstand van hetgeen zich mogelijk in de slijterij afspeelde en de gevolgen daarvan is dus geen sprake, van een louter ondergeschikte en beperkte rol evenmin.

Alles bijeen genomen is de rechtbank van oordeel dat de verdachte heeft gehandeld in het kader van een plan om geld te verkrijgen middels geweld of dreiging met geweld tegen [slachtoffer]; zijn opzet bij het maken van de plannen, de overige voorbereidingen en het chauffeuren op de dag van de overval zelf was dus gericht op het verkrijgen van geld en op het daarvoor benodigde geweld of de dreiging daarmee, waarbij zowel de planning en voorbereiding als het vervoer essentiële schakels vormden voor de verwezenlijking van het plan.

De rechtbank acht dus bewezen dat de verdachte het onder 1. primair tenlastegelegde heeft begaan zoals hierna vermeld.

7.3. Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 03 oktober 2008 te Gennep tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid geld en een hoeveelheid (gouden) bestek toebehorende aan [slachtoffer], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestonden uit

- het duwen van die [slachtoffer] en

- het slaan en schoppen tegen het lichaam van die [slachtoffer] en

- het in de richting van die [slachtoffer] houden en/of drukken tegen de keel en de borst van die

[slachtoffer] van een mes en

- het vasthouden (van achteren) bij de nek en/of keel van die [slachtoffer] (waarbij het hoofd van

die [slachtoffer] naar achteren werd getrokken) en

- (daarbij) het leggen van de hand over de mond en de neus van die [slachtoffer] (waarbij die [slachtoffer]

geen lucht meer kreeg) en

- het sleuren van die [slachtoffer] over de grond en de trap en

- het gooien van die [slachtoffer] op de grond en

- het roepen: "Ga de benzine maar halen, dan steken we hem aan" en daarna het gieten van

een vloeistof over die [slachtoffer] en daarbij het houden van een aansteker bij de kleren van die

[slachtoffer] en

- het hangen van die [slachtoffer] over de balustrade van de trap en

- het met een koord vastbinden van de handen van die [slachtoffer] en

- het afplakken met een plakband van de mond van die [slachtoffer] en

- het op dreigende wijze zeggen en/of schreeuwen: "Rustig houden; mond dicht; kop dicht;

waar ligt het geld" en "Waar is de sleutel van de kluis" "We komen niet helemaal uit

Amsterdam voor zo'n paar Euro's" en "Je bent rijk, je moet meer geld hebben" en "Meer

geld of we snijden je vinger eraf".

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

8.1. Kwalificatie

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op het navolgende misdrijf.

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10. De straffen en/of maatregelen

10.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 20 oktober 2009 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 40 maanden, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

10.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de gevorderde straf aangevoerd dat de straf niet past bij de persoon van de verdachte. De raadsman verzoekt bij het opleggen van de straf rekening te houden met het advies van de reclassering en de justitiële documentatie waaruit blijkt dat verdachte first offender is.

10.3. De overwegingen van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een geweldadige overval op een slijterij. Bij deze overval is door de medeverdachten grof geweld toegepast door het slachtoffer te slaan, te schoppen en is het slachtoffer op grove wijze verbaal en non-verbaal bedreigd met geweld onder andere door hem te overgieten met een als benzine geïnsinueerde vloeistof en te dreigen hem in brand te steken met als doel het slachtoffer te dwingen prijs te geven waar hij zijn geld had opgeborgen.

Verdachtes rol is beperkt gebleven tot het voorbereiden in de vorm van het uitvoeren van verkenningen en observaties. Voorts heeft verdachte de overval ondersteund middels het vervoeren van zijn medeverdachten naar de slijterij en het wachten met zijn auto op het einde van de vluchtroute, waarna hij de medeverdachten vervoerd heeft. Het slachtoffer is bij de overval op buitengewoon brute wijze mishandeld ten gevolge waarvan hij verwondingen heeft opgelopen. Hoewel de verdachte ten tijde van de overval niet zelf in de winkel/woning was, heeft hij een actieve rol gespeeld in het bedenken en organiseren van de overval. Ondanks dat verdachte achteraf weet had van het gewelddadige karakter van de overval heeft hij meegedeeld in de buit die afkomstig was van die overval. Verdachte heeft er niet voor gekozen om afstand te nemen van het strafbare handelen van zijn medeverdachten en was alleen uit op geldelijk gewin.

Een dergelijke overval is een zeer traumatische ervaring voor het slachtoffer. [slachtoffer] geeft aan dat hij 10 maanden na de overval nog steeds slecht slaapt en de overval herbeleeft. Zijn gevoel van veiligheid is verdwenen. Hij heeft daardoor zelfs overwogen om te stoppen met de winkel. Daarnaast worden door het handelen van verdachte en zijn mededaders de toch al aanwezige gevoelens van onveiligheid in de samenleving versterkt. Daarbij heeft verdachte getracht zijn handen schoon te houden door zijn bijdrage op afstand te leveren aan een overval waarvan hij wist dat voor de uitvoering daarvan (dreiging met) geweld noodzakelijk was. Dat is een ernstig feit, hetgeen verdachte door de rechtbank zwaar wordt aangerekend.

In het voordeel van verdachte houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte blijkens het uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister niet eerder ter zake van strafbare feiten is veroordeeld. Bovendien heeft verdachte er ter zitting blijk van gegeven dat hij de onjuistheid van zijn handelen inziet. Desalniettemin is de rechtbank van oordeel dat met het oog op een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lagere straf dan de hierna vermelde vrijheidsstraf.

10.4. De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer] wonende aan de [adres] heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor ten laste gelegde feit geleden materiële en immateriële schade.

[slachtoffer] voornoemd heeft de materiële schade op een bedrag van € 10.015,- en de immateriële schade op een bedrag van € 2.750,- gesteld, en wil die schades vergoed krijgen.

Ten laste van verdachte is het hiervoor ten laste gelegde feit bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake van dat feit worden veroordeeld.

Met betrekking tot de toewijsbaarheid van de hoogte van het schadebedrag overweegt de rechtbank dat ten aanzien van de materiële schade de door [slachtoffer] ingediende vordering voor wat betreft het bedrag van € 1000,- eenvoudig van aard is en voor wat dat gedeelte betreft voor toewijzing vatbaar is. Aangezien de vordering met betrekking tot het overige van de materiële kosten voor een bedrag van € 9.015,- naar het oordeel van de rechtbank niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding, zal de benadeelde partij voor dat deel niet ontvankelijk in haar vordering dienen te worden verklaard en zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij het deel van de vordering waarin zij niet ontvankelijk dient te worden verklaard, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op de aard van het bewezenverklaarde is het een ervaringsregel dat daardoor bij het slachtoffer immateriële schade van enige omvang wordt veroorzaakt. De vordering immateriële schade, die door verdachte niet is weersproken, is naar het oordeel van de rechtbank voor toewijzing vatbaar.

Verdachte is naar burgerlijk recht, samen met zijn mededaders, aansprakelijk voor deze schade.

De rechtbank zal over de vordering van de benadeelde partij, overeenkomstig het hiervoren overwogene, beslissen zoals hierna is vermeld, alsmede over de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt, thans begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 3750,- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 45 dagen, te betalen ten behoeve van [slachtoffer] voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

11. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 24c, 27, 36f, 310, 312

12. Beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 2 jaar;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij van € 3750,-;

veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij [slachtoffer], [adres], te betalen een bedrag van € 3750 ,-;

bepaalt dat de verdachte zal zijn bevrijd voor zover voornoemde benadeelde partij - al dan niet via de betaling aan de Staat - door (één van) verdachtes mededaders is voldaan.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 3750,- subsidiair 45 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer], wonende te [adres], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien verdachte en/of een van zijn mededaders heeft voldaan aan de

verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3750,- , ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte en/of een van zijn mededaders aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring benadeelde partij [slachtoffer], wonende te [adres], voor het overige deel van de materiële schade, aangezien de vordering op dat onderdeel naar het oordeel van de rechtbank niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding, met bepaling dat de benadeelde partij het deel van de vordering waarin zij niet ontvankelijk is slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Vonnis gewezen door mrs. M.J.A.G. van Baal, A.H.M.J.F. Piëtte en I.S Peskens, rechters, van wie mr. I.S Peskens voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. F.A.H. Peters als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 3 november 2009.