Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BJ9757

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
06-10-2009
Datum publicatie
09-10-2009
Zaaknummer
09/184
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toepassing Regeling eenmalige tegemoetkoming studieboeken 2008. De mandaatregeling van de SVB kan mede worden beschouwd als basis voor een jegens de Staatssecretaris geldend ondermandaat, op grond waarvan het bestreden besluit feitelijk is genomen door een andere persoon dan degene die het primaire besluit heeft genomen. Er is daarom geen strijd met artikel 10, derde lid, Awb Verweerder had niet mogen voorbijgaan aan de afspraak tussen de co-ouders over de uitbetaling van kinderbijslag en is er ten onrechte van uitgegaan dat de kinderbijslag in het derde kwartaal van 2008 niet alleen aan eiser maar aan beide ouders voor de helft is uitbetaald. Vanwege de in de Regeling neergelegde koppeling van de uitbetaling van de tegemoetkoming aan de betaling van de kinderbijslag, is de tegemoetkoming ten onrechte aan de moeder uitbetaald en dient deze alsnog aan eiser te worden betaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht, enkelvoudige kamer

Procedurenummer: AWB 09 / 184

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

[eiser] te [woonplaats], eiser,

tegen

de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, verweerder.

1. Procesverloop

1.1. Bij besluit van 20 januari 2009 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 1 december 2008, ongegrond verklaard.

Tegen dat besluit is bij de rechtbank te Maastricht beroep ingesteld.

1.2. Met toepassing van artikel 6:15 van de Awb heeft de rechtbank Maastricht het beroepschrift doorgezonden naar de rechtbank te Roermond.

1.3. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan eiser gezonden.

1.4. Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 28 april 2009, waar eiser is verschenen en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. [gemachtigde 1].

1.5. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verstrekken over de betaling van kinderbijslag in het derde kwartaal en de bevoegdheid van verweerder om het bestreden besluit te nemen, een en ander zoal verwoord in het van deze zitting opgemaakte uittreksel proces-verbaal.

1.6. Verweerder heeft bij brief van 12 mei 2009 gereageerd.

1.7. Eiser heeft kenbaar gemaakt geen toestemming te verlenen om een nadere behandeling van het beroep ter zitting achterwege te laten.

1.8. De behandeling van het beroep is hervat ter zitting van 3 september 2009, waar eiser is verschenen in persoon en waar verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. [gemachtigde 2].

2. Overwegingen

2.1. Eiser en zijn ex-partner zijn ouders van twee kinderen. Op grond van de zogenaamde co-ouderschap regeling wordt de kinderbijslag voor de zoon [naam] uitbetaald aan eiser en die voor de dochter [naam] aan de moeder.

2.2. Bij besluit van 1 december 2008 heeft verweerder aan eiser bericht dat recht bestaat op een eenmalige tegemoetkoming krachtens de Regeling eenmalige tegemoetkoming schoolboeken voor leerlingen van het door het Rijk bekostigde voortgezet onderwijs voor het schooljaar 2008/2009 (verder te noemen de Regeling) voor zijn zoon [naam] en dat deze tegemoetkoming ten bedrage van EURO 316,-- wordt betaald op rekeningnummer [nummer]

2.3. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt omdat het in het besluit genoemde rekeningnummer niet van hem is, maar van zijn ex-partner, de moeder van [naam]. De ex-partner is niet bereid de door haar voor [naam] ontvangen tegemoetkoming terug te betalen aan verweerder of door te betalen aan eiser.

2.4. Bij thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat beide ouders weliswaar recht hebben op de tegemoetkoming, maar dat in de Regeling is bepaald dat de tegemoetkoming slechts op één betaaladres kan worden uitgekeerd. Verweerder, die krachtens de Regeling is belast met de uitbetaling van de tegemoetkoming, heeft voor de uitbetaling beleidsmatig gekozen voor het betalen op het rekeningnummer van de eerste begunstigde bij de aanvraag van de kinderbijslag. De ex-partner van eiser staat als eerste begunstigde opgenomen zodat verweerder de uitbetaling aan de ex-partner rechtmatig acht.

2.5. Na de schorsing ter zitting heeft verweerder, in verband met de koppeling die de regelgever heeft gelegd met de uitbetaling van kinderbijslag, zijn standpunt aldus toegelicht –kort gesteld- dat de ouders weliswaar zijn overeengekomen dat de kinderbijslag voor [naam] aan eiser en die voor [naam] aan de moeder wordt uitbetaald, maar dat daaraan voorbijgegaan moet worden omdat die overeenkomst de kennelijke strekking heeft om ieder de helft van de kinderbijslag voor beide kinderen te laten ontvangen.

2.6. Het wettelijk kader

2.6.1. In artikel 1, onder a, van de Regeling wordt voor het begrip wettelijk vertegenwoordiger verwezen naar artikel VI, derde lid, onderdelen a tot en met c van de Wet tot wijziging van diverse onderwijswetten in verband met het door de scholen om niet ter beschikking stellen van lesmateriaal aan de leerlingen in het voortgezet onderwijs (hierna aan te duiden als de Wet)

2.6.2. In artikel VI, derde lid van de Wet is bepaald dat wanneer twee natuurlijke personen voldoen aan het begrip wettelijk vertegenwoordiger daaronder wordt verstaan:

a. wettelijk vertegenwoordiger die over het derde kwartaal van 2008 ten behoeve van de leerling kinderbijslag als bedoeld in de Algemene Kinderbijslagwet heeft ontvangen,

b. indien onderdeel a niet van toepassing is: wettelijk vertegenwoordiger bij wie de leerling op 1 augustus blijkens de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens woont, of

c. indien de onderdelen a en b niet van toepassing zijn: wettelijk vertegenwoordiger die de wettelijke vertegenwoordigers gezamenlijk daartoe hebben aangewezen.

2.6.3. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling heeft de wettelijk vertegenwoordiger van de leerling die op de teldatum jonger is dan 18 jaar of bij het ontbreken daarvan de ouder aan wie de kinderbijslag wordt uitbetaald, aanspraak op een tegemoetkoming.

2.6.4. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Regeling betaalt de uitvoerder de tegemoetkoming aan degene die een aanspraak heeft op grond van artikel 2, eerste lid van de Regeling.

2.6.5. Ingevolge artikel 5a, eerste lid, van het Samenloopbesluit kinderbijslag wordt, indien twee ouders op basis van een overeenkomst een kind overwegend in gelijke mate verzorgen en onderhouden, zonder met elkaar een gemeenschappelijke huishouding te voeren, de kinderbijslag waarop één van deze personen voor dit kind recht heeft, gelijk verdeeld betaald aan deze personen, terwijl de kinderbijslag waarop de andere persoon recht heeft, niet wordt uitbetaald, tenzij in de overeenkomst anders is overeengekomen.

2.6.6. Krachtens artikel 4, eerste lid, van de Regeling heeft de Sociale Verzekeringsbank (SVB) mandaat voor de uitvoering van de Regeling voor leerlingen jonger dan 18 jaar, met inachtneming van artikel 3, derde lid van de Regeling.

2.6.7. Ingevolge artikel 10:3, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan mandaat verlenen tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich tegen mandaatverlening verzet.

Ingevolge het derde lid wordt geen mandaat verleend tot het beslissen op een bezwaarschrift, aan degene die het besluit waartegen het bezwaar zich richt, krachtens mandaat heeft genomen.

2.7. Het oordeel van de rechtbank

2.7.1. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 2.6.6. is vermeld, stelt de rechtbank vast dat de SVB mandaat heeft voor de uitvoering van de Regeling voor leerlingen jonger dan 18 jaar. Blijkens de algemene toelichting op de Regeling (gepubliceerd in de Staatscourant van 22 juli 2008, nr. 139) heeft de Staatssecretaris van onderwijs bedoeld zowel de bevoegdheid tot vaststellen en uitbetalen van de tegemoetkoming voor leerlingen jonger dan 18 jaar alsmede de bevoegdheid om daaruit voortvloeiend bezwaar en beroep af te handelen, aan de SVB te mandateren.

2.7.2. Met betrekking tot de vraag in hoeverre de hiervoor onder 2.7.1. bedoelde bevoegdheid van verweerder om op het bezwaar te mogen beslissen zich verdraagt met het bepaalde in het derde lid van artikel 10:3 van de Awb, overweegt de rechtbank als volgt.

2.7.3. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad d.d. 15 december 2005 (LJN:AU9132) is de rechtbank van oordeel dat het in mandaat nemen van een beslissing op bezwaar door degene die ook het primaire besluit in mandaat heeft genomen niet in strijd is met artikel 10:3, derde lid van de Awb, wanneer beide besluiten krachtens ondermandaat feitelijk door verschillende personen zijn genomen.

2.7.4. Ter zitting van 3 september 2009 heeft de gemachtigde van verweerder desgevraagd verklaard dat de SVB een mandaatregeling kent voor het nemen van zowel primaire besluiten als besluiten op bezwaar, waarbij de bevoegdheid tot het nemen van besluiten zodanig is gemandateerd dat een besluit op bezwaar wordt genomen door een andere medewerker dan de medewerker die het primaire besluit heeft genomen. Gelet op deze verklaring en hetgeen de gemachtigde van verweerder voorts heeft verklaard over de toepassing van de mandaatregeling op tijdelijke, aan de SVB opgedragen regelingen als de onderhavige, is de rechtbank van oordeel dat de mandaatregeling van de SVB mede kan worden beschouwd als basis voor een jegens verweerder geldend ondermandaat, op grond waarvan het thans bestreden besluit feitelijk is genomen door een andere persoon dan degene die het primaire besluit heeft genomen. Gelet op hetgeen onder 2.7.3. is overwogen acht de rechtbank het bestreden besluit dan ook bevoegd genomen.

2.7.5. In het kader van de toepassing van de in overweging 2.6. weergegeven regelgeving is thans aan de orde of verweerder terecht het standpunt heeft ingenomen dat de kinderbijslag in het derde kwartaal van 2008 niet alleen aan eiser maar aan beide ouders voor de helft is uitbetaald, zodat met betaling aan de moeder zou zijn voldaan aan de betalingsverplichting van artikel 3, eerste lid, in verbinding met artikel 2, eerste lid aanhef en onder b, van de Regeling en artikel VI, derde lid van de Wet. De rechtbank overweegt daarover als volgt.

2.7.6. Gelet op het bepaalde in artikel 5a, eerste lid van het Samenloopbesluit kinderbijslag, geldt in het geval waarbij de ouders gescheiden wonen maar een gedeelde zorg hebben voor de kinderen (het zogenaamde co-ouderschap), als uitgangspunt dat de kinderbijslag waarop één van de ouders recht heeft in gelijke delen aan beide ouders wordt betaald. Dit is anders wanneer de ouders hiervan bij overeenkomst zijn afgeweken.

2.7.7. Eiser en zijn ex-partner hebben in mei 2006 middels een formulier aan verweerder kenbaar gemaakt dat de gezinssituatie met ingang van 1 juni 2006 wijzigt en dat sprake is van co-ouderschap. In het formulier staat bij rubriek 4. in de aanhef vermeld dat aan beide ouders de helft van de kinderbijslag wordt betaald wanneer zij geen overeenkomst hebben over de uitbetaling. Bij rubriek 4 onder c. hebben eiser en zijn ex-partner vermeld dat zij gezamenlijk zijn overeengekomen dat de kinderbijslag voor [naam] moet worden uitbetaald aan de ex-partner van eiser en de kinderbijslag voor [naam] aan eiser.

2.7.8. Het gegeven dat de hiervoor onder 2.7.7. weergegeven en overeengekomen verdeling van de kinderbijslag feitelijk erop neer komt dat ieder van de ouders een gelijk bedrag aan kinderbijslag ontvangt, rechtvaardigt gezien de uitdrukkelijke vermelding onder rubriek 4.c. dat de kinderbijslag voor [naam] aan eiser moet worden uitbetaald, naar het oordeel van de rechtbank niet de conclusie dat niet is afgeweken van de algemene regeling voor co-ouderschap.

2.7.9. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat enkel aan eiser in het derde kwartaal van 2008 de kinderbijslag voor [naam] is uitbetaald en alleen hij derhalve op grond van artikel 3, eerste lid, in verbinding met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling en artikel VI, derde lid, van de Wet aanspraak heeft op uitbetaling van de tegemoetkoming schoolboeken voor [naam]. Verweerder heeft dus ten onrechte de tegemoetkoming schoolboeken voor [naam] ten bedrage van EUR 316,00 aan de ex-partner van eiser uitbetaald. Het bestreden besluit komt dan ook voor vernietiging in aanmerking.

2.7.10. Ingevolge artikel 8:72, vierde lid, van de Awb kan de rechter, indien hij het beroep gegrond verklaart, het bestuursorgaan opdragen een nieuw besluit te nemen of een andere handeling te verrichten met inachtneming van zijn uitspraak, dan wel kan hij bepalen dat zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan (het zogeheten zelf voorzien). Nu duidelijk is welk bedrag aan tegemoetkoming aan eiser had moeten worden uitbetaald, ziet de rechtbank aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, zoals hierna in rubriek 3.aan te geven.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

herroept het primaire besluit van 1 december 2008;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

bepaalt dat de over het jaar 2008 toegekende eenmalige tegemoetkoming schoolboeken ten behoeve van eisers zoon [naam], ter hoogte van EUR 316,00, alsnog aan eiser wordt uitbetaald;

bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht ten bedrage van EUR 39,00 volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. Th.M. Schelfhout in tegenwoordigheid van mr. C.H.M. Bartholomeus als griffier en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2009.

w.g. mr. C.H.M. Bartholomeus,

griffier w.g. mr. Th.M. Schelfhout,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

verzonden op: 6 oktober 2009

Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.