Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BJ9355

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
06-10-2009
Datum publicatie
07-10-2009
Zaaknummer
96132 / FT RK 09-403 en 96133 / FT RK 09-404
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing dwangakkoord met toewijzing WSNP, kredietverstrekker niet te goeder trouw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

VONNIS

RECHTBANK ROERMOND

Sector civiel recht

Zaaknummer / rekestnummer: 96132 / FT-RK 09.403 en 96133 / FT-RK 09.404

Vonnis van 6 oktober 2009

in de zaak van

[verzoeker 1],

geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats], [geboorteland], en

[verzoeker 2],

geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats], [geboorteland],

beiden wonende aan de [adres] te [woonplaats],

bijgestaan door de heer B.C.H. van Rijn namens Integrale Schuldhulpverlening Vorkmeer,

verzoekers,

tegen

DSB BANK N.V.,

gevestigd aan de Jan Leenvaartlaan 37-47 te 3065 DC Rotterdam,

bijgestaan door mr. B. Bos, advocate te Heerhugowaard,

verweerster.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het op 14 september 2009 ter griffie van deze rechtbank ingekomen verzoekschrift tot vaststelling van een schuldregeling (dwangakkoord) als bedoeld in artikel 287a van de Faillissementswet (Fw) en subsidiair tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling;

- de mondelinge behandeling van genoemd verzoekschrift op 30 september 2009.

1.2. Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:

- verzoekers, bijgestaan door B.C.H. van Rijn, schuldhulpverlener bij Integrale Schuldhulpverlening Vorkmeer.

- De verweerster heeft, middels haar advocaat mr. B. Bos, bij faxbericht van

25 september 2009 inhoudelijk gereageerd op het verzoekschrift dwangakkoord en toepassing van de schuldsaneringsregeling. Namens verweerster is niemand op de zitting verschenen.

1.3. Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2. De feiten

2.1. Verzoekers zijn circa acht jaar in gemeenschap van goederen gehuwd en hebben twee kinderen van 7 en 3 jaar oud. De schulden zijn afkomstig van de man. Zij zijn vanaf ongeveer 14 jaar geleden ontstaan toen zijn ouders naar Marokko terugkeerden. De man was toen 21 jaar oud. Hij kwam toen op zichzelf te wonen en verklaart niet toegerust te zijn geweest op de verantwoordelijkheden die dat met zich meebracht; hij is toen naar eigen zeggen te gemakkelijk schulden aangegaan. Tevens voelde hij zich gedrongen om zijn ouders regelmatig, tot twee keer per jaar, in Marokko te bezoeken. Door deze leefwijze zijn schulden ontstaan, die in 2007 circa 26.500 euro bedroegen.

2.2. Verzoekers hebben op 31 januari 2007 een lening afgesloten bij de DSB bank ter hoogte van voornoemd bedrag teneinde daarmee alle openstaande schulden af te lossen. Naar eigen zeggen is aan de verstrekking van deze lening een gesprek met de DSB bank voorafgegaan van circa 20 minuten, waarna de leningsovereenkomst is ondertekend en uitgevoerd. Aan de lening is een levensverzekering verbonden. De lening is aangegaan met een looptijd van 20 jaar, gedurende welke tijd aan rente, premie en aflossing circa 330 euro per maand verschuldigd is.

2.3. Ten tijde van het aangaan van de lening en thans nog beschikt de man over een inkomen van circa 1.530 euro netto per maand. De vrouw heeft geen inkomen. Namens de man is een berekening vrij te laten bedrag (Vtlb) overgelegd waaruit een afloscapaciteit van circa 210 euro per maand is af te leiden exclusief een reservering voor vakantiegeld.

2.4. Vorkmeer heeft namens verzoekers een minnelijke schuldregeling aangeboden dat kort gezegd inhoudt dat verzoekers gedurende 36 maanden de afloscapaciteit zullen sparen, hetgeen volgens het aanbod neerkomt op een uitdelingsbedrag van circa 5.276 euro. Ter zitting is namens verzoekers verklaard dat dit bedrag verhoogd wordt met het reeds sedert april van dit jaar bij Vorkmeer gespaarde bedrag van circa 2.430 euro. DSB heeft de aangeboden regeling geweigerd. Zij vindt in de eerste plaats dat verzoekers de hele schulden dienen te voldoen. Voorts is DSB de enige schuldeiser en worden door haar weigering geen andere schuldeisers in hun belangen benadeeld. DSB ziet niet in waarom verzoekers na 3 jaar van hun schuld moeten worden bevrijd. Subsidiair hebben zij geen vertrouwen in de uitvoering van het minnelijk traject en wijzen zij op het ontbreken van de waarborgen uit de Faillissementswet.

3. De beoordeling

3.1. Door Vorkmeer is aangevoerd dat DSB niet zorgvuldig heeft gehandeld bij het afsluiten van de geldlening. DSB had de schuldensituatie zodanig moeten inschatten dat zij verzoekers had moeten doorverwijzen naar een schuldhulpverlenende instantie. Verzoekers achten het aannemelijk dat alsdan een minnelijk schuldhulptraject of een wettelijke schuldsaneringsregeling tot een adequate oplossing van de schulden zou hebben geleid.

3.2. De rechtbank is van oordeel dat verzoekers voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat de man ten tijde van het aangaan en onbetaald laten van de schulden te goeder trouw is geweest. Gelet op de ouderdom van het ontstaan van de schulden en de veranderde situatie waarin verzoekers thans verkeren (en waarin zij geen schulden meer maken), komt het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling voor toewijzing in aanmerking.

3.3. De vraag is of het saneren van de schulden door het aangaan van de lening bij DSB een omstandigheid vormt die aan toewijzing van een minnelijke schuldregeling danwel schuldsaneringsverzoek in de weg staat. De rechtbank acht het aangaan van deze saneringslening aan de zijde van verzoekers niet verwijtbaar. Aan de zijde van DSB is de rechtbank van oordeel dat de zorgplicht van DSB jegens verzoekers met zich meebracht dat DSB verzoekers naar schuldhulpverlening had dienen te verwijzen. Door de verstrekking van een saneringskrediet met een looptijd van 20 jaar, gedurende welke tijd verzoekers bijna al hun vrije bestedingsruimte boven de beslagvrije voet dienden te gebruiken voor afbetaling aan de geldlening, werd aan verzoekers een last opgelegd waarvan DSB zich moest realiseren dat deze niet in redelijke relatie stond tot alternatieve mogelijkheden van schuldsanering. Daarmee staat vast dat DSB ten tijde van het aangaan van de lening niet te goeder trouw was. Om die reden is aan haar belangen minder gewicht toe te kennen dan aan die verzoekers.

3.4. DSB zegt dat verzoekers geen alternatieve oplossingen hebben aangedragen. Verzoekers verklaren dat zij hebben aangeboden om gedurende de oorspronkelijke looptijd de maandelijkse betalingsverplichting te verlagen naar het bedrag dat volgens de Vtlb berekening (dus 210 euro in plaats van 330 euro) kon worden betaald. DSB zou hiermee niet hebben ingestemd. DSB heeft niet bestreden dat dit voorstel is gedaan, zodat de rechtbank daarvan zal uitgaan. Bij een afbetaling van ongeveer 210 euro per maand moet vastgesteld worden dat dit bedrag net volstaat om de renteverplichting te voldoen. Betaling van dat bedrag met instandhouding van de inlossing van de lening zou derhalve geen reëel alternatief zijn. Niet gebleken is dat DSB voorstellen heeft gedaan waarvan gezegd moet worden dat verzoekers deze redelijkerwijs hadden behoren te aanvaarden.

3.5. De rechtbank stelt vast dat op basis van de huidige gegevens een afloscapaciteit over 3 jaar voorzienbaar is van (36 x 210 euro boedelafdracht plus 3 x 300 euro vakantiegeld, zijnde) 8.460 euro, vermeerderd met het reeds bij Vorkmeer gespaarde bedrag van circa 2.430 euro, zijnde in totaal 10.890 euro. In het minnelijk dwangakkoord komt onvoldoende naar voren dat een bedrag in deze orde van grootte als uitkomst wordt aangeboden. Voorts overweegt de rechtbank ambtshalve dat van de vrouw verwacht mag worden dat zij binnen afzienbare tijd zich zal inspannen om betaalde arbeid te verwerven teneinde extra inkomsten te genereren ten behoeve van de schuldeiser. Verzoekers hebben weliswaar gesteld dat zij geen enkele familie in Nederland hebben en dus voor kinderopvang op niemand kunnen terugvallen. Zodra echter ook het jongste kind van thans 3 jaar oud naar school gaat, is dit bezwaar niet meer aan de orde en mag van mevrouw in elk geval verwacht worden dat zij werk zoekt gedurende de schooltijden (inclusief tussentijdse schoolopvang). De rechtbank is van oordeel dat in de minnelijk dwangregeling het toezicht op de beschreven sollicitatieplicht onvoldoende gewaarborgd is. De rechtbank onderschrijft in dit geval derhalve de voorkeur die DSB heeft voor de wettelijke schuldsaneringsregeling boven de minnelijke dwangspaarregeling.

3.6. Het voorgaande leidt tot afwijzing van het verzoek bevel tot medewerking aan de minnelijke dwangregeling, maar tot toewijzing van het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.

4. Beslissing

De rechtbank:

4.1. wijst af het verzoek om DSB te bevelen in te stemmen met de door verzoekers aangeboden schuldregeling zoals hiervoor overwogen;

4.2. spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van

[verzoeker 1],

geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats], [geboorteland], en

[verzoeker 2],

geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats], [geboorteland],

beiden wonende aan de [adres] te [woonplaats]

4.3. benoemt tot rechter-commissaris mr. H.H. Dethmers en tot bewindvoerder P.A.M.T. van den Berg, Postbus 5018, 5800 GA Venray;

4.4. geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenaren gerichte brieven en telegrammen voor de duur van dertien maanden;

4.5. alle gelegde bijzondere beslagen ten tijde van het vonnis op de aan verzoekers toekomend loon en/ of uitkering(en) komen met onmiddellijke ingang te vervallen, in afwachting van nadere instructies zijdens de bewindvoerder;

4.6. kent bij toereikend actief gedurende de looptijd van de schuldsaneringsregeling aan de bewindvoerder een voorschot op het salaris toe ter hoogte van het in Besluit Salaris Bewindvoerder aangegeven minimum salaris.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.H. Dethmers en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2009.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.