Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BJ9253

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
24-09-2009
Datum publicatie
05-10-2009
Zaaknummer
96059 / JE RK 09-1213
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 29c Wjz - voorlopige machtiging gesloten jeugdzorg.

Voorafgaand horen door de kinderrechter ex artikel 29d, lid 2, jo artikel 29f Wjz. Voorafgaand onderzoek door de gedragswetenschapper ex artikel 29c Wjz. De kinderrechter kan met tooepassing van het bepaalde in artikel 809, lid 3 Rv voorbij gaan aan het vereiste van 29f Wjz de jeugdige en zijn ouders voorafgaande aan de beslissing op het verzoek tot verlening van een (voorlopige) machtiging tot uithuisplaatsing te horen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2009, 140
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector civielrecht

Zaak-/rolnummer: 96059 / JE RK 09-1213

Beschikking van 24 september 2009 betreffende een jeugdbeschermingsmaatregel

in de zaak van

[de minderjarige], geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1994, hierna te noemen de minderjarige.

De kinderrechter merkt naast de minderjarige en verzoeker als belanghebbenden aan:

- [de moeder],

wonende te [woonplaats], [adres],

hierna te noemen de moeder,

- [de vader],

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

hierna te noemen de vader

- Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,

mede kantoorhoudende te 6004 AS Weert, Roermondseweg 10 – 12,

hierna te noemen de stichting.

1. Het verloop van de procedure

1.1. De raad voor de kinderbescherming te Roermond heeft op 14 september 2009 een verzoekschrift met bijlage(n) ingediend, strekkende tot de voorlopige ondertoezichtstelling en verlening van een voorlopige machtiging tot spoeduithuisplaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg van voornoemde minderjarige.

1.2. Aangezien de raad voor de kinderbescherming machtiging heeft verzocht tot plaatsing van de minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg, is aan de minderjarige als raadsman toegevoegd mr. L.A.C.M. van der Bruggen, advocaat te Roermond.

1.3. Op 22 september 2009 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De griffier heeft van de inhoud daarvan aantekening gehouden.

Bij de behandeling zijn verschenen:

- de minderjarige, bijgestaan door zijn raadsman,

- de vader, bijgestaan door mr. K.N. Holtrop,

- [R], namens de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,

- [B], vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming.

2. De vaststellingen en overwegingen

2.1. Het ouderlijk gezag wordt uitgeoefend door de vader, [de vader].

Blijkens het uittreksel uit het gezagsregister is de minderjarige eerder onder toezicht gesteld van de stichting in de periode van 5 april 2005 tot 5 april 2009.

Bij beschikking van 14 september 2009 is de minderjarige voorlopig onder toezicht gesteld van de stichting voornoemd, voor de termijn van drie maanden

Bij beschikking van 14 september 2009 verleende de kinderrechter tevens een voorlopige machtiging tot plaatsing van de minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg met ingang van 14 september 2009 voor de duur van twee weken en heeft de kinderrechter de beslissing voor het overige aangehouden.

2.2. De raad voor de kinderbescherming heeft het verzoek tot spoeduithuisplaatsing verzocht, omdat het gedrag van [de minderjarige] thuis wederom dreigde te escaleren. Het is noodzakelijk dat [de minderjarige] behandeld wordt. Een uithuisplaatsing in een open voorziening behoort volgens de raad niet tot de mogelijkheden, gelet op het wegloopgedrag van [de minderjarige] binnen de Mutsaersstichting waar hij van medio april 2009 tot eind augustus 2009 heeft verbleven.

2.3. De raadsman van [de minderjarige] heeft ter zitting naar voren gebracht dat men niet kan stellen dat er sprake is van wegloopgedrag. Als [de minderjarige] wegloopt bij de vader, dan gaat hij naar de buren, hetgeen de vader weet. Verder is [de minderjarige] éénmaal bij de Mutsaersstichting weggelopen onder bedreiging van een andere jongen van de groep. De vader heeft lopende afspraken met [A] van de stichting. [de minderjarige] zou naar de Veldijk gaan, maar de indicatie daarvoor ontbrak, zodat [de minderjarige] aan het begin van dit schooljaar naar het Cita Verde College is gegaan. Deze verandering is lastig voor [de minderjarige], omdat hij een lichte vorm van autisme heeft.

Verder heeft de vader de situatie thuis goed in de hand. Van agressie is geenszins sprake.

Het verzoek dient dan ook te worden afgewezen, omdat de noodzaak voor een gesloten plaatsing ontbreekt.

2.4. De raadsvrouwe van de vader heeft eerstens aangevoerd dat niet is voldaan aan de voorwaarden tot het verlenen van de machtiging voor wat betreft de verklaring van de gedragswetenschapper, het horen van de minderjarige door de kinderrechter voorafgaand aan de te verlenen machtiging en het toevoegen van een advocaat. De raadsvrouwe heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem, locatie Leeuwarden van 9 februari 2009 met zaaknummer 200.023.524.

De raadsvrouwe van de vader heeft ter zitting ten materiële naar voren gebracht dat er tussen de ouders in 2003 een hevige echtscheidingsstrijd is ontstaan, hetgeen heeft geresulteerd in een ondertoezichtstelling van [de minderjarige] en zijn zus. Er is destijds tevens een machtiging tot uithuisplaatsing verleend door de kinderrechter, maar deze machtiging is nooit uitgevoerd. De raadsvrouwe stelt dat in 2007 de ondertoezichtstelling is beëindigd. Na het beëindigen van de ondertoezichtstelling heeft de vader contact gehouden met de stichting.

In 2008 heeft [de minderjarige] een terugval gehad in zijn gedrag.

De vader heeft zelf om een diagnose van [de minderjarige] gevraagd en de vader heeft zelf hulp gezocht bij de Mutsaersstichting. In augustus 2009 vond de vader de plek bij de Mutsaersstichting niet meer veilig voor [de minderjarige]. [de minderjarige] zou wel naar school blijven gaan binnen de Mutsaersstichting – de Velddijk. Hiervoor was een rec-4 indicatie nodig van de stcihting. Omdat deze indicatie achterwege bleef en [de minderjarige] noodgedwongen naar een andere school moest gaan, heeft de vader kort geleden aan de bel getrokken bij de stichting. Van agressie van [de minderjarige] was op dat moment geen sprake. Wel heeft de vader daarvoor gewaarschuwd.

2.5. Op basis van het uittreksel uit het gezagsregister stelt de kinderrechter allereerst vast dat de minderjarige gedurende de periode van 5 april 2005 tot 5 april 2009 onder toezicht heeft gestaan.

2.6. Ten formele overweegt de kinderrechter als volgt.

Ingevolge artikel 29c lid 1 van de Wet op de jeugdzorg (Wjz) kan de kinderrechter, indien een machtiging niet kan worden afgewacht, op verzoek een voorlopige machtiging verlenen om een jeugdige, met inachtneming van artikel 29b lid 2 Wjz, in een accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven, ongeacht of hij daarmee instemt. Ingevolge artikel 29b lid 2 Wjz kan een machtiging slechts worden verleend indien:

a. de jeugdige onder toezicht is gesteld,

b. de voogdij over de jeugdige berust bij een stichting, of

c. degene die, anders dan bedoeld onder b, het gezag over hem uitoefent, met de opneming

en het verblijf instemt.

2.7. Een voorlopige machtiging kan bovendien slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter onmiddellijke verlening van jeugdzorg noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen van de jeugdige die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren of een ernstig vermoeden daarvan, en die maken dat de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken (artikel 29c lid 2 Wjz). Een voorlopige machtiging kan slechts worden verleend indien de betrokken stichting heeft verklaard dat zich een geval als bedoeld in het tweede lid voordoet (artikel 29c lid 3 Wjz). De verklaring, bedoeld in het derde lid, behoeft instemming van een gedragswetenschapper behorende tot een bij regeling van de minister aangewezen categorie, die de jeugdige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht, tenzij onderzoek feitelijk onmogelijk is (artikel 29c lid 4 Wjz).

2.8. Op grond van artikel 29d lid 2 Wjz zijn op verzoeken, gericht op het verkrijgen van een voorlopige machtiging, de eerste afdeling van de zesde titel van Boek 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing. Ingevolge artikel 809 lid 1 Rv beslist de rechter in zaken betreffende minderjarigen, uitgezonderd die welke het levensonderhoud van een minderjarige betreffen die de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, niet dan na de minderjarige van twaalf jaar of ouder in de gelegenheid te hebben gesteld hem zijn mening kenbaar te maken, tenzij het naar het oordeel van de rechter een zaak van kennelijk ondergeschikt belang betreft. Ingevolge artikel 809 lid 3 Rv kan de rechter, indien de gelegenheid waarop de minderjarige zijn mening kenbaar kan maken niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige, beschikkingen tot voorlopige ondertoezichtstelling van een minderjarige en tot machtiging van de gezinsvoogdij-instelling om een minderjarige uit huis te plaatsen alsmede een beschikking met betrekking tot de voorlopige voogdij geven zonder toepassing van het eerste lid. Deze beschikkingen verliezen haar kracht na verloop van twee weken, tenzij de minderjarige binnen deze termijn in de gelegenheid is gesteld zijn mening kenbaar te maken.

2.9. Ingevolge artikel 29f lid 1 Wjz hoort de kinderrechter alvorens op een verzoek tot het verlenen van een machtiging of voorlopige machtiging te beslissen de jeugdige, degene die het gezag over de minderjarige uitoefent en degene die de jeugdige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, tenzij de kinderrechter vaststelt dat een persoon niet bereid is zich te doen horen, alsmede de verzoekende stichting en de raad, indien deze de verzoeker is.

2.10. Gelet op het vorenstaande is het, naar het oordeel van de kinderrechter, de bedoeling van de wetgever geweest om de minderjarige voorafgaande aan het verlenen van een voorlopige machtiging te horen. Er kunnen zich echter situaties voordoen, waarin een zodanig onmiddellijk en ernstig gevaar dreigt dat een verhoor van de jeugdige niet kan worden afgewacht. Het wordt dan juist in het belang van die minderjarige geacht om een beschikking te geven zonder voorafgaand verhoor van de minderjarige, mits deze dan wel binnen enkele dagen wordt gehoord.

De kinderrechter is van oordeel dat deze situatie zich in het onderhavige geval heeft voorgedaan, gelet op het wegloopgedrag van [de minderjarige].

2.11. Bij het verzoekschrift is een verklaring ex artikel 29c lid 4 Wjz d.d. 11 september 2009 van een gedragswetenschapper overgelegd, waarin staat vermeld dat deze de minderjarige niet kort tevoren heeft onderzocht.

Ter zitting is een tweede verklaring van een gedragswetenschapper overgelegd d.d. 22 september 2009. Deze gedragswetenschapper heeft [de minderjarige] op 21 september 2009 in de geslotenheid van Icarus gehoord.

2.12. Uit de verklaring van 11 september 2009 van de blijkt dat de beslissing om de minderjarige niet voorafgaande aan het verzoek te horen een weloverwogen beslissing is geweest, in het belang van de minderjarige. Er bestond bij de gedragswetenschapper immers, mede gelet op de problematiek van de [de minderjarige], een reële angst dat [de minderjarige] zich zou gaan onttrekken aan de hulpverlening en aan het ouderlijk gezag, indien hij van het voornemen tot het indienen van het onderhavige verzoekschrift zou vernemen.

2.13. Gelet op het vorenstaande is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de vereisten van artikel 29c Wjz.

2.14. Ten materiële overweegt de kinderrechter als volgt.

Op grond van de verkregen inlichtingen komt de kinderrechter tot het oordeel dat gelet op het bepaalde in artikel 29c, eerste en tweede lid, van de Wjz, onmiddellijke verlening van jeugdzorg noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen van de minderjarige die de ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren of een ernstig vermoeden daarvan. Bovendien is deze plaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg noodzakelijk om te voorkomen dat de minderjarige zich aan de zorg die de minderjarige nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken.

De kinderrechter overweegt hierbij dat gebleken is dat er sedert 2005, in wisselende mate, gesproken wordt van opvoedingsproblemen door de vader en gedragsproblemen bij [de minderjarige]. Voorts is gebleken dat ook in het recente verleden zich in de thuissituatie escalaties hebben voorgedaan, met name met betrekking tot de gezagsverhouding tussen de vader en [de minderjarige]. Hoewel de vader zeer betrokken is, lijkt hij – naar het oordeel van de kinderrechter – niet opgewassen tegen de problematiek van [de minderjarige] en lijkt hij, evenals [de minderjarige], vanuit loyaliteit de problemen die zich afspelen binnen de thuissituatie te bagatelliseren.

Voorts overweegt de kinderrechter dat hulpverlening in het vrijwillige kader, waaronder de door de stichting geïndiceerde opname bij de Mutsaersstichting, is stopgezet door de vader of niet van de grond komt, terwijl de belangen van [de minderjarige] juist zijn gediend bij behandeling middels een opname.

2.15. Aan deze plaatsing zijn kosten verbonden, in welke kosten de ouders dienen bij te dragen, conform de daarvoor geldende regeling.

3. De beslissing

De kinderrechter

3.1. verleent, aansluitend aan de huidige spoedmachtiging, met ingang van 28 september 2009 een voorlopige machtiging tot plaatsing van de minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg als bedoeld in artikel 29c, van de Wet op de jeugdzorg , voor de duur van twee weken;

3.2. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven door mr. P.C.G. Brants, kinderrechter, en ter openbare terechtzitting van 24 september 2009 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak kan beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze uitspraak is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening van de uitspraak of nadat de uitspraak hun op andere wijze bekend is geworden.