Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BJ8863

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
09-09-2009
Datum publicatie
29-09-2009
Zaaknummer
95332 / JE RK 09-1055
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek verlening machtiging gesloten jeugdzorg ex art. 29b,Wjz in plaats van (mogelijk) verzoek verlenging ex art. 29h, lid 3 Wjz.

Geldigheidstermijn van het destijds genomen indicatiebesluit ex art. 3, lid 4, derde volzin juncto art. 29b, lid 7 Wjz .

Het Indicatiebesluit ex art. 29b, lid 4 als ook de instemmingsverklaring ex art. 29b, lid 5, Wjz ontbreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector civielrecht

Zaak-/rolnummer: 95332 / JE RK 09-1055

Beschikking van 9 september 2009 betreffende een jeugdbeschermingsmaatregel

in de zaak van

[minderjarige], geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1992, hierna te noemen de minderjarige.

De kinderrechter merkt naast de minderjarige en verzoeker als belanghebbenden aan:

- [moeder],

wonende te [woonplaats],

[adres],

- [vader],

wonende te [woonplaats],

[adres].

Het ouderlijk gezag wordt uitgeoefend door de ouders [moeder] en [vader].

1. Het verloop van de procedure

1.1. De minderjarige is ondertoezicht gesteld van de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, mede kantoorhoudende te Roermond. De ondertoezichtstelling loopt tot 23 september 2009.

1.2. De voornoemde stichting heeft op 3 augustus 2009 een verzoekschrift met bijlage(n) ingediend, strekkende tot verlenging van de ondertoezichtstelling alsmede tot verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg van voornoemde minderjarige voor de duur van de termijn van het indicatiebesluit.

1.3. Het plan van aanpak, het verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling, het indicatiebesluit en de verklaring van de stichting zijn overgelegd.

1.4. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verzocht in het belang van de verzorging en de opvoeding van de minderjarige.

1.5. Aangezien de stichting machtiging heeft verzocht tot plaatsing van de minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg, is aan de minderjarige als raadsvrouw toegevoegd mr. L.H. Janssen-Dekkers, advocaat te Roermond.

1.6. Op 1 september 2009 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De griffier heeft van de inhoud daarvan aantekening gehouden.

Bij de behandeling zijn verschenen:

- de minderjarige, bijgestaan door mr. L.H. Janssen-Dekkers,

- [moeder],

- [S], vertegenwoordiger van de stichting.

1.7. De ter zitting door de raadsvrouw overgelegde brief van Icarus d.d. 26 augustus 2009.

2. De vaststellingen en overwegingen

2.1. [de minderjarige] is onder toezicht gesteld van de stichting. De ondertoezichtstelling expireert op 23 september 2009. [de minderjarige] is d.d. 20 januari 2009 door de stichting geïndiceerd voor opname in een gesloten setting. Het indicatiebesluit met een geldigheidsduur van een jaar meldt als aanvang zorg 27 februari 2009 en eindigt derhalve op 26 februari 2010. Op basis van voormeld indicatiebesluit heeft de kinderrechter bij beschikking van 25 februari 2009 de machtiging uithuisplaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg verleend tot 23 september 2009.

[de minderjarige] is op 27 februari 2009 gesloten geplaatst in Icarus.

De stichting verzoekt verlenging van de ondertoezichtstelling en verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg voor de duur van de termijn van het indicatiebesluit.

Bij het onderhavige verzoekschrift is het indicatiebesluit van 20 januari 2009 overgelegd.

2.2 De stichting acht een verlenging van de ondertoezichtstelling en een voortduren

van het verblijf van [de minderjarige] in Icarus noodzakelijk om het behandeltraject goed af te ronden. [de minderjarige] heeft al forse stappen vooruit gemaakt, maar hij is pas halverwege zijn behandeltraject.

Ter zitting is door de vertegenwoordiger van de stichting desgevraagd uitdrukkelijk verklaard dat de machtiging wordt verzocht tot de meerderjarigheid van [de minderjarige] op 30 april 2010.

2.3. Zijdens [de minderjarige] is aangevoerd dat hij geen probleem heeft met verlenging van de ondertoezichtstelling, maar wel met het voortduren van de uithuisplaatsing. [de minderjarige] stelt dat hij veel heeft geleerd en uitbehandeld is. [de minderjarige] is toekomstgericht bezig en wil graag in september naar school in Roermond. De ouders staan achter een thuisplaatsing. [de minderjarige] is bereid de aangevangen agressieregulatietraining bij Sedna af te maken vanuit de thuissituatie.

2.4. De moeder heeft naar voren gebracht dat zij achter een thuisplaatsing staat.

2.5. Op grond van de verkregen informatie van de stichting zoals in opgemelde stukken aangegeven en hetgeen tijdens de terechtzitting nog naar voren is gebracht, is de kinderrechter van oordeel dat in het belang van de minderjarige de termijn van de ondertoezichtstelling dient te worden verlengd, nu de gronden voor de ondertoezichtstelling nog aanwezig zijn.

2.6. Met betrekking tot het verzoek tot verlening van een machtiging tot

uithuisplaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg overweegt de kinderrechter als volgt.

2.7. Ingevolge artikel 29b, derde lid van de Wet op de Jeugdzorg kan een machtiging tot opneming en te doen verblijven van een jeugdige in een accommodatie, ongeacht zijn instemming daarmee (hierna ook: gesloten jeugdzorg), slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter de jeugdige ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen heeft die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken, de betrokken stichting heeft verklaard dat een geval als bedoeld in het derde lid zich voordoet en met die verklaring is ingestemd door een bij de Regeling aanwijzing gedragswetenschappers gesloten jeugdzorg aangewezen gedragswetenschapper die de jeugdige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht.

2.6 In art. 3, lid 4 van de Wjz is bepaald dat een indicatiebesluit van de stichting, dat strekt tot uithuisplaatsing in het kader van de ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 1:261 BW eerst in werking treedt nadat de machtiging van de kinderrechter is verkregen.

In de derde volzin is bepaald dat indien de duur van de machtiging korter is dan de termijn, gedurende welke de aanspraak geldt, nadat de in het indicatiebesluit voorziene zorg is aangevangen, die termijn gelijk wordt aan de duur van de machtiging.

2.7 Ingevolge artikel 29h, lid 3 van de Wjz, juncto artikel 23, lid 1van het Uitvoeringsbesluit Wjz bepaalt de kinderrechter de geldigheidsduur van de machtiging op ten hoogste een jaar. Op verzoek van de stichting kan de kinderrechter de duur van de machtiging - indien deze voor een kortere periode dan een jaar is verstrekt - verlengen tot het tijdstip waarop de lopende aanspraak (de geldigheid van het indicatiebesluit) is verstreken. De wet stelt niet de eis dat de stichting bij een dergelijk verlengingsverzoek wederom een verklaring als bedoeld in artikel 29b, lid 4 van de Wjz aflegt. Daaruit volgt dat er geen verklaring behoeft voor te liggen, waarmee een gedragswetenschapper zou kunnen instemmen. Derhalve is geen nieuwe instemmingsverklaring van een gedragswetenschapper vereist.

2.8 De stichting heeft de kinderrechter verzocht een machtiging te verlenen op grond

van artikel 29b, van de Wjz voor de duur van de termijn van het indicatiebesluit.

Omdat een machtiging is verzocht op grond van artikel 29b, van de Wjz en voor de duur van de termijn wordt verwezen naar het indicatiebesluit van 20 januari 2009, heeft de kinderrechter ter zitting de stichting nadere toelichting gevraagd op het verzoek.

Ter toelichting heeft de vertegenwoordiger van de stichting ter zitting uitdrukkelijk verklaard dat wordt verzocht om een machtiging tot aan de meerderjarigheid van [de minderjarige] op 30 april 2010.

Uit voorgaande volgt dat de stichting geen verlenging van de machtiging uithuisplaatsing op grond van art 29h, lid 3 van de Wjz voor ogen heeft gestaan, maar verlening van een machtiging op grond van artikel 29b, van de Wjz heeft beoogd.

Nu verlenging niet aan de orde is brengt artikel 3, lid 4 derde volzin, juncto artikel 29b, lid 7 van de Wjz mee dat de geldigheidstermijn van het indicatiebesluit van 20 januari 2009 in verband met het aflopen van de geldigheidstermijn van de lopende machtiging eindigt op 23 september 2009 en niet op 26 februari 2010, hetgeen bij een verlengingsverzoek het geval zou zijn geweest.

2.9. Het vorenstaande brengt met zich mee dat de stichting bij onderhavig machtigingsverzoek niet heeft voldaan aan het gestelde in artikel 29b, lid 4 en 5 van de Wjz nu een (hernieuwd) indicatiebesluit en een instemmingsverklaring van een gedragswetenschapper ontbreken.

2.10. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de stichting niet ontvankelijk dient te worden verklaard in haar verzoek tot verlening van een machtiging uithuisplaatsing.

3. De beslissing

De kinderrechter

3.1. verlengt de termijn waarvoor de minderjarige voornoemd onder toezicht is gesteld van voormelde stichting, ingaande 23 september 2009 tot uiterlijk 30 april 2010;

3.2. verklaart de stichting niet ontvankelijk in het verzoek tot verlening van een machtiging tot plaatsing van de minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg als bedoeld in artikel 29b van de Wet op de jeugdzorg;

3.3. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven door mr. P.C.G. Brants, kinderrechter, en ter openbare terechtzitting van 9 september 2009 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak kan beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze uitspraak is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening van de uitspraak of nadat de uitspraak hun op andere wijze bekend is geworden.