Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BJ8128

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
16-09-2009
Datum publicatie
21-09-2009
Zaaknummer
04/860924-06 en 870036-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

"Salduz"-verweer, voorwaardelijk opzet bij aanwezig hebben softdrugs

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector strafrecht

Parketnummer : 04/860924-06

Parketnummer : 04/870036-06 (ter terechtzitting gevoegd)

Datum uitspraak: 16 september 2009

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboortedatum],

wonende te [adres].

1.Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 02 september 2009.

2.De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

tenlastelegging met parketnummer 04/860924-06:

zij op of omstreeks 24 januari 2005 in de gemeente Venlo, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad:

a. in een slaapkamer op de begane grond van een op of aan de [adres] gelegen woning:

- ongeveer 7.733 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende hasjiesj,

- ongeveer 636 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende hasjiesj,

- ongeveer 8.216 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende hasjiesj,

b. in een vertrek aangrenzend aan de slaapkamer op de begane grond van een op

of aan de [adres] gelegen woning:

- ongeveer 31.880 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende hennep,

in elk geval in totaal een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hasjiesj en/of hennep, zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

artikel 3 van de Opiumwet;

tenlastelegging bij gevoegde verdachte met parketnummer 870036-06:

zij in of omstreeks de periode van 21 oktober 1998 tot en met 26 februari 2006, in de gemeente Venlo, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met [echtgenoot medeverdachte], althans alleen, meermalen althans eenmaal, (telkens) een ter uitvoering van de bij of krachtens de Algemene Bijstandswet en/of Wet werk en bijstand gegeven voorschriften toegezonden of uitgereikt formulier met het opschrift "Rechtmatigheidsonderzoeksformulier Abw" en/of

"Informatieformulier Abw" en/of Informatieformulier WWB", zijnde dit formulier (telkens) een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, hierin bestaande dat zij, verdachte, tezamen en in vereniging met die [echtgenoot medeverdachte], althans alleen, (telkens) valselijk op dat formulier heeft opgegeven, dat in de periode waarop dat formulier betrekking had het vermogen van hen/haar niet was toegenomen en/of

geen verandering in het vermogen van hen/haar was opgetreden

althans

valselijk op dat fomulier NIET heeft opgegeven, dat in de periode waarop dat formulier betrekking had, zij/hij vermogen (in de vorm van onroerend goed in Turkije) had(den)

en (vervolgens) dat formulier voor waar heeft ondertekend, een en ander (telkens) met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3.De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding met parketnummer 04/860924-06 (Opiumwetzaak), alsmede de dagvaarding met parketnummer 04/870036-06 (fraudezaak) aan alle wettelijke eisen voldoen en dus geldig zijn.

4.De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5.De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6.Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7.Bewijsoverwegingen

7.1.Standpunten van de officier van justitie en de verdediging.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 02 september 2009 gevorderd dat het ten laste gelegde bij de dagvaarding met parketnummer 04/860924-06, alsmede het ten laste gelegde bij de dagvaarding met parketnummer 04/870036-06 zal worden bewezen verklaard.

Voor wat betreft het ten laste gelegde met parketnummer 04/870036-06 (fraudezaak) hebben verdachte en haar medeverdachte ter terechtzitting aangevoerd dat zij de Nederlandse taal onvoldoende machtig waren om de vragen die op de ten laste gelegde formulieren stonden aangegeven te kunnen beantwoorden. Het was hen dan ook niet duidelijk, aldus de verklaring van verdachte en haar medeverdachte, dat zij op deze formulieren hadden moeten vermelden dat zij over vermogensbestanddelen in Turkije beschikten.

De officier van justitie acht het ter terechtzitting verklaarde niet aannemelijk aangezien uit de wijze waarop de beantwoording van de overige vragen heeft plaatsgevonden, kan worden afgeleid dat diegene die het formulier heeft ingevuld de Nederlandse taal uitstekend beheerste. Overigens hadden zij in dat geval bij de uitkerende instantie te rade dienen te gaan in plaats van (zoals zij ter terechtzitting verklaren) hun dertienjarige dochter te raadplegen. De onjuistheden komen in dat geval voor rekening van verdachte en haar medeverdachte. De officier van justitie gaat er echter vanuit dat zij bewust de in het kader van de Algemene bijstandswet opgevraagde informatie hebben achtergehouden, om hiermee hun voordeel te behalen.

Voor wat betreft het verweer van de raadsman inzake de “Salduz-problematiek” merkt de officier van justitie op dat aan de betreffende arresten geen terugwerkende kracht kan worden toegekend en deze derhalve niet van invloed zijn op de uitkomst van de onderhavige strafzaak.

De raadsman van verdachte, mr. [naam advocaat 1], heeft ten aanzien van het ten laste gelegde bij de dagvaarding met parketnummer 04/860924-06 (Opiumwetzaak) aangevoerd dat de politie - bezien in het licht van de arresten van het Europeese Hof voor de Rechten van de Mens inzake Salduz tegen Turkije en Panovits tegen Cyprus - bij het verhoor van verdachte heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Immers verdachte heeft bij de politie een verklaring afgelegd zonder dat zij voorafgaande aan dat verhoor in de gelegenheid is gesteld een advocaat te raadplegen. De Hoge Raad heeft inmiddels bepaald dat een dergelijke handelwijze als een vormverzuim (strijdig met het nemo tenetur beginsel) dient te worden aangemerkt met als gevolg dat de bij de politie afgelegde verklaring van de bewijsvoering dient te worden uitgesloten. Resteert de verklaring die verdachte heden ter terechtzitting heeft afgelegd, waarbij zij aangeeft dat zij geen weet had van de destijds in haar woning aangetroffen hoeveelheid softdrugs. Zij kan zich ook niet herinneren dat zij de geur van softdrugs in haar woning heeft geroken. Het opzet ten aanzien van het ten laste gelegde - hetgeen in de visie van de raadsman gelet op de wettelijke constructie overigens als boos opzet dient te worden aangemerkt - ontbreekt derhalve, zodat er een overtreding overblijft.

Bij een overtreding is er volgens de raadsman op zijn minst een bepaalde vorm van bewustzijn nodig, hetgeen verdachte heden ter terechtzitting eveneens betwist.

Mocht er al een bepaalde mate van wetenschap door de rechtbank worden aangenomen dan nog rest de vraag of verdachte voor de aanwezigheid van de verdovende middelen verantwoordelijk kan worden gesteld aangezien deze - volgens de inhoud van het strafdossier - toebehoorden aan de zoon van verdachte en zij niet anders kon handelen omdat zij dan met hem in een conflictsituatie terecht zou zijn gekomen. Door het ontbreken van deze keuzevrijheid kan er in de visie van de raadsman niet van worden uitgegaan dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld. Al dit geen leidt er toe dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

De raadsvrouw, mr. [naam advocaat 2], voert ten aanzien van het ten laste gelegde bij de dagvaarding met parketnummer 04/870036-06 (fraudezaak) het volgende aan. Zij geeft te kennen dat zij zich voor wat betreft de “Salduz-problematiek” en de gevolgen hiervan voor de onderhavige strafzaak aansluit bij het verweer van de raadsman (zoals hierboven weergegeven).

Voor het overige voert zij aan dat verdachte en haar medeverdachte nimmer het opzet hadden om de uitkerende instantie bepaalde informatie te onthouden door geen melding te maken van de vermogensbestanddelen die zij in Turkije bezaten. Vanwege hun taalbarrière waren zij niet in staat de vragen op de betreffende formulieren naar behoren te beantwoorden en hebben zij hun dertienjarige dochter verzocht deze in hun naam in te vullen. Zij was vanwege haar jeugdige leeftijd echter niet bekwaam hiertoe, waardoor zij verzuimd heeft bepaalde informatie op de formulieren te vermelden. Overigens wordt in de ten laste gelegde formulieren (Rechtmatigheidsonderzoeksformulier, informatieformulier Abw, informatieformulier WWB) gevraagd of er in de betreffende periode een toename van het vermogen heeft plaatsgevonden, hetgeen door verdachte en haar medeverdachte met neen is beantwoord. Ten tijde van het ten laste gelegde hadden verdachte en haar medeverdachte de vermogensbestanddelen reeds in hun bezit. Er heeft in die betreffende periode ook geen toename/verandering van het vermogen plaatsgevonden. Gelet hierop is de raadsvrouw van mening dat verdachte en haar medeverdachte de maandelijkse formulieren naar waarheid hebben ingevuld en er derhalve door hen ook geen valsheden in de zin van artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht zijn gepleegd. Verdachte dient dan ook van het ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

7.2.Vrijspraakoverwegingen en bewijsoverwegingen van de rechtbank

Ten aanzien van het verweer van de raadsman inzake de “Salduz-problematiek” (Opiumwetzaak)

Volgens recente jurisprudentie van de Hoge Raad (LJN: BH3079, Hoge Raad, 30-06-2009, S 08/02411J) moet - binnen redelijke grenzen - gelegenheid worden geboden vóór aanvang van het politieverhoor een advocaat te raadplegen en op dat recht moet verdachte gewezen worden. Niet naleving van deze regel zal, in geval van verweer ter zake, als een vormverzuim moeten worden aangemerkt en dienen te leiden tot bewijsuitsluiting van de verklaringen van verdachte die zijn afgelegd voordat hij een advocaat kon raadplegen en van het bewijsmateriaal dat is verkregen als rechtstreeks gevolg daarvan, met uitzondering van de verklaring(en) die de verdachte heeft afgelegd nadat hij een advocaat heeft kunnen raadplegen en hem de cautie is gegeven. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank het aangewezen dat de als eerste en enige in deze door verdachte afgelegde verklaring d.d. 15 september 2005 van het bewijsmateriaal dient te worden uitgesloten,

aangezien uit het proces-verbaal niet kan worden afgeleid dat verdachte vóór de aanvang van het politieverhoor op het betreffende recht is gewezen.

Aangezien verdachte zich niet kan beroepen op een ten aanzien van medeverdachte [echtgenoot medeverdachte 1] geschonden rechtsnorm (schutznorm), kunnen de door hem in deze afgelegde verklaringen naar het oordeel van de rechtbank daarentegen wel als bewijsmiddel in de onderhavige strafzaak worden gebezigd. Daarbij merkt de rechtbank op dat zij enkel de verklaring van medeverdachte [echtgenoot medeverdachte 1] gebruikt die zijn afgelegd bij de politie nadat hij gelegenheid heeft gehad om zelf een advocaat te raadplegen.

Ten aanzien van het ten laste gelegde bij de dagvaarding met parketnummer 04/860924-06 (Opiumwetzaak)

Uit het strafdossier blijkt dat medeverdachte [echtegnoot medeverdachte 1] (verder te noemen [echtgenoot medeverdachte 1]) heeft verklaard dat verdachte de tassen waarin de softdrugs zijn aangetroffen in de woning heeft zien staan en naar aanleiding hiervan vragen aan hem heeft gesteld. De verdovende middelen, zo blijkt uit het strafdossier, zijn onder meer aangetroffen in tassen die zich in een berging bevonden waar ook de wasmachine stond. Verder werd er in de slaapkamer van haar schoondochter (en zoon) in een handtas en in een heuptas, als ook in een kledingkast softdrugs gevonden.

Een berging waar zich tevens de wasmachine bevindt, betreft in de regel een gemeenschappelijke ruimte die vanwege de activiteiten die daar worden gebezigd over het algemeen dagelijks wordt bezocht. [echtgenoot medeverdachte 1] heeft ook verklaard dat verdachte gebruik maakt van het in de woning aanwezige “washok”. Gelet hierop, alsmede op het feit dat uit het strafdossier blijkt dat de betreffende tassen daar openlijk waren neergezet, acht de rechtbank het aannemelijk dat de verklaring van [echtgenoot medeverdachte 1] - dat verdachte de tassen met softdrugs in de woning heeft zien staan - in elk geval betrekking heeft op dewelke die in “het washok” zijn aangetroffen.

Een en ander kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gesteld ten aanzien van de in de slaapkamer van [echtgenoot medeverdachte 1] en [medeverdachte 1] aangetroffen verdovende middelen. Aangezien de slaapkamer over het algemeen als privé vertrek kan worden aangemerkt waar men niet zomaar in- en uitloopt en de verdovende middelen daar niet zichtbaar waren neergezet, kan naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer worden aangenomen dat de bovenvermelde verklaring van [echtgenoot medeverdachte 1] tevens ziet op de in het slaapvertrek aangetroffen softdrugs. Nu de wetenschap van verdachte te dien aanzien naar het oordeel van de rechtbank niet kan worden aangetoond, dient verdachte van dit onderdeel van het ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het ten laste gelegde bij de dagvaarding met parketnummer 04/870036-06 (fraudezaak)

Uit het strafdossier blijkt dat verdachte en haar medeverdachte de in Turkije aanwezige vermogensbestanddelen reeds in hun bezit hadden voordat zij een uitkering genoten in het kader van de Algemene bijstandswet. In de formulieren die in de tenlastelegging zijn opgenomen wordt gevraagd aan te geven of er in de op het formulier vermelde periode - die is gelegen in de ten laste gelegde periode - een verandering ten aanzien van het vermogen is opgetreden.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte en haar medeverdachte door deze vragen met neen te beantwoorden niet in strijd met de waarheid hebben gehandeld, aangezien de vermogensbestanddelen ten tijde van het ten laste gelegde reeds in hun bezit waren en er te dien aanzien in die periode ook geen verandering is opgetreden.

Gelet op het vorenstaande zijn er naar het oordeel van de rechtbank door verdachte en haar medeverdachte met betrekking tot de ten laste gelegde formulieren dan ook geen valsheden gepleegd in de zin van het bepaalde in artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht, hetgeen tot vrijspraak van het ten laste gelegde dient te leiden.

Het een en ander kan naar het oordeel van de rechtbank overigens niet gesteld worden ten aanzien van de formulieren die door verdachte en haar medeverdachte zijn ingevuld in het kader van de aanvraag van de betreffende uitkering en het heronderzoek dat periodiek heeft plaatsgevonden. Op deze formulieren hebben verdachte en haar medeverdachte in strijd met de waarheid ingevuld dat zij géén vermogen zoals een huis of onroerend goed in het buitenland bezaten. Deze formulieren zijn echter niet in de tenlastelegging zijn opgenomen.

7.3 Bewijsmiddelen en nadere bewijsoverwegingen van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

Het strafdossier bevat een proces-verbaal van bevindingen waarin - zakelijk weergegeven - het volgende vermeld staat.

Op 24 januari 2005 vond er een doorzoeking plaats in de woning gelegen aan de [adres]. Op de begane grond van deze woning bevond zich een aparte ruimte, gelegen naast een slaapkamer. Het betrof een berging waar onder andere de wasmachine was geplaatst. In deze ruimte stonden direct achter de toegangsdeur zes grote plastic zakken, zogenaamde “big-shoppers”. Hierin werden pakketten met een op marihuana lijkende stof aangetroffen. In totaal bevond zich in de tassen 31,880 kilogram marihuana. De tassen waren geopend en niet afgedekt en verspreidden een typische geur van marihuana.

Uit het betreffende proces-verbaal blijkt voorts dat de op marihuana gelijkende stoffen in beslag zijn genomen. Hiervan werden representatieve monsters genomen. De monsters zijn vervolgens voor onderzoek aangeboden aan het Bureau Technische Ondersteuning van de Regiopolitie Limburg-Noord, alwaar zij werden beoordeeld op uiterlijke kenmerken en werden onderworpen aan een ODV-kleurreactietest. Uit het onderzoek is gebleken dat alle op marihuana lijkende stoffen, daadwerkelijk marihuana bevatten, welke stoffen voorkomen op de bij de Opiumwet gevoegde lijst II.

Het strafdossier bevat een proces-verbaal van technisch onderzoek waaruit blijkt dat technisch onderzoek heeft uitgewezen dat alle monsters van de op marihuana lijkende stoffen, daadwerkelijk marihuana bevatten (hennep) .

Het strafdossier bevat een proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [echtegnoot medeverdachte 1] (verder te noemen [echtgenoot medeverdachte 1]) d.d. 14 september 2005 . [echtgenoot medeverdachte 1] verklaart dat hij samen met zijn vrouw en zijn schoondochter woonachtig is in de woning gelegen aan de [adres] te Venlo. Hij verklaart verder dat hij er van op de hoogte was dat er softdrugs aanwezig waren in de tassen die in het washok en in de slaapkamer van zijn woning zijn aangetroffen. Verder verklaart hij dat zijn vrouw, verdachte, de tassen heeft zien staan. Zijn vrouw heeft hem hiernaar gevraagd. [echtgenoot medeverdachte 1] heeft toen gezegd dat zij zich hier niet mee moest bemoeien.

Op 27 januari 2005 heeft [echtgenoot medeverdachte 1] verklaard dat zijn collega de tassen met softdrugs die in zijn woning zijn aangetroffen, in het washok heeft neergezet. Het washok wordt gebruikt door zijn vrouw (verdachte), door zijn schoondochter en door hemzelf.

De rechtbank overweegt als volgt

Uit de bovenstaande bewijsmiddelen en overwegingen leidt de rechtbank af dat verdachte wetenschap had van in elk geval de in de wasruimte aanwezige tassen waarin zich verdovende middelen bevonden. Gelet op de penetrante geur die deze partij softdrugs verspreidde en die verdachte naar het oordeel van de rechtbank ongetwijfeld moet hebben geroken (zij maakte volgens de verklaring van [echtgenoot medeverdachte 1] immers gebruik van het “washok”) had verdachte - als zij al niet op de hoogte was van de verdovende middelen - op z’n minst haar bedenkingen moeten hebben ten aanzien van de inhoud van deze tassen. Deze bedenkingen had zij in ieder geval moeten hebben op het moment dat haar echtgenoot haar vraag wat er in de tassen zat niet wenste te beantwoorden en haar vervolgens te kennen gaf dat ze zich hier niet mee moest bemoeien. Hierdoor heeft zij in elk geval de aanmerkelijke kans aanvaard dat de tassen verdovende middelen bevatten. Bovendien blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting dat verdachte zich op generlei wijze van de tassen met hierin de verdovende middelen heeft gedistantieerd.

De rechtbank overweegt voorts dat de opvatting van de raadsman - dat uit de wettelijke constructie van artikel 11, tweede lid juncto artikel 3 van de Opiumwet volgt dat het opzet in artikel 11 als boos opzet dient te worden aangemerkt - geen enkele steun vindt in de wetsgeschiedenis rechtspraak. In de jurisprudentie wordt alom aangenomen dat het begrip opzet in deze alle gradaties hiervan inhoudt, inclusief het voorwaardelijk opzet. De rechtbank kan een dergelijke bedoeling ook niet afleiden uit de bewoording van het betreffende artikel en ziet verder ook geen enkele aanleiding om van de geldende jurisprudentie in deze af te wijken.

Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat het opzet ten aanzien van het ten laste gelegde ontbreekt, aangezien verdachte gelet op de relatie met haar zoon niet de keuzevrijheid had om anders te handelen.

Naar het oordeel van de rechtbank treft het door de raadsman gestelde geen doel aangezien gesteld noch gebleken is dat verdachte zodanig onder druk stond van haar zoon dat dit haar heeft belet om anders te handelen.

Een dergelijke situatie impliceert ook niet - behoudens wellicht in zeer extreme gevallen - dat hiermee het opzet ten aanzien van het ten laste gelegde komt te vervallen.

De rechtbank weerlegt hiermee de verweren van de raadsman.

7.3.Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde bij de dagvaarding met parketnummer 04/860924-06 heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 24 januari 2005 in de gemeente Venlo, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad in een vertrek aangrenzend aan de slaapkamer op de begane grond van een aan de [adres] gelegen woning, 31.880 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hasjiesj en hennep middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8.De kwalificatie

8.1.Kwalificatie

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op het navolgende misdrijf:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 aanhef en onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 11 (oud) van de Opiumwet juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

9.De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10.De straffen en/of maatregelen

10.1.De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 02 september 2009 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde bij de dagvaarding met parketnummer 04/860924-06 (Opiumwetzaak), alsmede van het ten laste gelegde bij de dagvaarding met parketnummer 04/870036-06 (fraudezaak), zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden,

geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De officier van justitie heeft bij de gevorderde straf in het voordeel van verdachte rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.

10.2.Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft na zijn pleidooi tot vrijspraak (ten aanzien van het ten laste gelegde bij de dagvaarding met parketnummer 04/860924-06) (Opiumwetzaak), voor wat betreft de gevorderde straf aangevoerd dat hierbij rekening dient te worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. Verdachte heeft 4,5 jaar in onzekerheid verkeerd over de mogelijke afloop van de onderhavige strafzaak, welke onzekerheid op zichzelf al genoeg straf voor verdachte heeft opgeleverd.

De raadsvrouw heeft te dien aanzien aangevoerd dat bij het bepalen van de gevorderde straf dient te worden meegewogen dat het ten laste gelegde bij de dagvaarding met parketnummer 04/870036-06 (fraudezaak) inmiddels enorme consequenties voor verdachte heeft gehad. De uitkering van verdachte is stopgezet en het uitgekeerde bedrag is door de uitkerende instantie teruggevorderd. Verdachte en haar man worden thans onderhouden door de kinderen. Voorts verzoekt zij de rechtbank rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn.

10.3.De overwegingen van de rechtbank

Verdachte heeft samen met haar medeverdachten een partij verdovende middelen in haar woning bewaard. Verdovende middelen zoals bij verdachte aangetroffen - die in de aangetroffen hoeveelheid over het algemeen bestemd zijn voor de handel - schaden de gezondheid van de gebruikers. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat de handel in verdovende middelen een ontwrichtende werking heeft op de samenleving en zodoende de maatschappij in zijn geheel schade berokkend. Verdachte dient hier mede verantwoordelijk voor te worden gehouden.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf in het voordeel van verdachte het volgende meegewogen.

Ten aanzien van het verzoek van de raadsman tot strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn stelt de rechtbank vast dat deze termijn is aangevangen door het verhoor van verdachte op 15 september 2005. Vanaf dat moment kon verdachte er redelijkerwijs van uitgaan dat tegen haar een vervolging zou worden ingesteld. Tussen dit tijdstip en de datum van de uitspraak in deze strafzaak ligt een termijn van bijna 4 jaren. De rechtbank constateert dat deze strafzaak onderdeel uitmaakt van een grotere strafzaak waarbij sprake is geweest van een omvangrijk onderzoek, welk onderzoek op 16 december 2005 is afgesloten. Verdachte is gedagvaard en vervolgens opgeroepen tegen de zitting van 13 februari 2007, 30 mei 2007 en 14 augustus 2007, waarbij de strafzaak tweemaal is aangehouden op verzoek van de advocaat en éénmaal op 30 mei 2007, vanwege het ontbreken van een tolk in de Turkse taal. Bij het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank voor de periode van ruim een jaar tussen de sluiting van het strafrechtelijk onderzoek op 16 december 2005 en de behandeling ter terechtzitting op 13 februari 2007,

geen redelijke verklaring gebleken die deze termijn billijkt. Dit geldt evenzo voor de periode vanaf 14 augustus 2007 tot de terechtzitting van heden. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM zodanig is overschreden, dat hiermee bij de strafbepaling rekening dient te worden gehouden.

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van een uittreksel uit het justitieel documentatie register van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte zich nog niet eerder heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten. Daarnaast blijkt uit de inhoud van het strafdossier dat de rol van verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde van ondergeschikte aard is geweest.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank in deze dan ook geen andere straf passend dan een gevangenisstraf, die zij geheel voorwaardelijk zal opleggen. De rechtbank zal de gevangenisstraf bepalen voor de duur van 3 maanden. Naar het oordeel van de rechtbank is deze straf passend en in overeenstemming met de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, alsmede met de persoon van verdachte zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

11.Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de volgende artikelen.

Wetboek van Strafrecht artikel 10, 14a, 14b, 14c, 47, 91.

Opiumwet artikel 3, 11(oud).

12.Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde bij de dagvaarding met parketnummer 04/870036-06 heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde bij de dagvaarding met parketnummer 04/860924-06 zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden;

beveelt dat deze gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vonnis gewezen door mrs. M.J.A.G. Van Baal, A.H.M.J.F. Piëtte en I.S. Peskens, rechters, van wie mr. A.H.M.J.F. Piëtte voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.C.W. Gubbels-Willems als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 16 september 2009.