Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BJ7876

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
14-09-2009
Datum publicatie
16-09-2009
Zaaknummer
AWB 08 / 1894
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vergunningverlening met vrijstelling voor oprichten van 24 appartementen en 1 stadswoning te Nederweert. Rechtbank is samengevat van oordeel dat onder woningen ook appartementen -als gestapelde woningbouw- kunnen worden geschaard. Project valt onder de zogeheten Lijst van Gevallen ex artikel 19, tweede lid, van de (voormalige) WRO en niet gezegd kan worden dat bouwplan een goede ruimtelijke onderbouwing ontbeert. Wel is getoetst aan het onjuiste wettelijk kader voor wat betreft de eisen van luchtkwaliteit en kleeft aan het welstandsadvies een motiveringsgebrek. Het beroep wordt dan ook gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd. In het nieuw te nemen besluit op bezwaar zal ook de parkeerproblematiek deugdelijker dienen te worden gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht, meervoudige kamer

Procedurenummer: AWB 08 / 1894

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

[namen eisers] te [woonplaats eisers], eisers,

gemachtigde mr. [naam gemachtigde]

tegen

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Nederweert, verweerder.

1. Procesverloop

1.1. Bij besluit van 15 januari 2008 heeft verweerder aan [naam woningvereniging] onder het verlenen van een vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de (voormalige) Wet op de Ruimtelijke Ordening bouwvergunning verleend voor het oprichten van 24 appartementen en 1 stadswoning aan de [naam straat 1] en de [naam straat 2] te [plaatsnaam].

1.2. De hiertegen door eisers voornoemd ingediende bezwaren zijn bij besluit van

7 oktober 2008, met enige corrigering van het primaire besluit en de ruimtelijke onderbouwing, ongegrond verklaard.

1.3. Vervolgens is hiertegen door eisers beroep ingesteld.

1.4. Met toepassing van artikel 8:26 van de Awb is [naam woningvereniging] in de gelegenheid gesteld als partij aan de gedingen deel te nemen. Deze heeft hiervan gebruik gemaakt.

1.5. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan eisers gezonden.

1.6. Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 23 juni 2009, waar eiseres [naam eiseres] in persoon is verschenen, bijstaan door haar gemachtigde, mr. [naam gemachtigde]. Verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger]. Namens vergunninghouder was [naam gemachtigde vergunninghouder] aanwezig.

2. Overwegingen

2.1. Bij aanvraag van 23 februari 2007 (ingekomen op 27 maart 2007) heeft [naam woningvereniging] aan verweerder verzocht om een bouwvergunning voor het oprichten van 24 appartementen (2 woongebouwen/blokken) en 1 stadswoning aan de [naam straat 1] en [naam straat 2] te [plaatsnaam], concreet gesitueerd ten noordoosten van de kern [plaatsnaam] nabij de Zuid-Willemsvaart. Het betreft zogeheten ‘levensloopbestendige’ woningen, overwegend bestemd voor ouderen.

2.2. Blijkens de zich in het procesdossier bevindende stukken is vanwege de strijdigheid met de ter plaatse vigerende bestemmingsplannen (“[naam bestemmingsplan 1]” voor de westzijde en “[naam bestemmingsplan 2]” wat betreft de oostzijde) een vrijstellingstraject ex artikel 19, tweede lid, van de WRO opgestart in het kader waarvan een ruimtelijke onderbouwing is opgesteld (gedateerd 3 december 2007). Tevens is een watertoets opgesteld, alsmede een akoestisch onderzoek en een verkennend bodemonderzoek. Tevens blijkt dat vóór het indienen van de bouwaanvraag de welstandscommissie op 19 oktober 2006 positief heeft geadviseerd omtrent het (voorgenomen) bouwplan.

2.3. Vervolgens heeft het ontwerp-vrijstellingsbesluit van 8 juni tot en met 19 juli 2007 ter inzage gelegen, waarbij door (onder meer) eisers zienswijzen zijn ingediend. Blijkens het primaire besluit hebben deze geleid tot aanpassing van de ruimtelijke onderbouwing en het bouwplan.

2.4. Bij besluit van 15 januari 2008 heeft verweerder aan [naam woningvereniging] (hierna te noemen: vergunninghouder) onder het verlenen van vrijstelling ex artikel 19, lid 2, van de WRO de gevraagde bouwvergunning verleend. De daartegen ingediende bezwaren zijn vervolgens bij besluit van 7 oktober 2008 ongegrond verklaard.

2.5. Vervolgens is beroep ingesteld door eisers voornoemd.

2.6. De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

2.7. In de zogeheten ‘Lijst van Gevallen’ als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO, vastgesteld door Gedeputeerde Staten van Limburg op 12 juni 2007, meer in het bijzonder onder A. 1. a., is neergelegd dat het bouwen van een of meer woningen binnen de op de POL-kaart aangegeven gebieden (met de aanduiding) Stedelijke bebouwing (P9), met deze vrijstelling mogelijk is. Aangezien de totale kern van [plaatsnaam] is aangewezen als “Stedelijke bebouwing” kan het onderhavige project naar het oordeel van de rechtbank onder deze noemer geschaard worden. Daarbij zij vermeld dat de lijst spreekt over woningen en geen nadere definitie daarvan bevat, maar de rechtbank vermag niet in te zien waarom (ook) appartementen niet hieronder zouden vallen. In dit kader wordt in de toelichting gesteld dat bij de bouw van gestapelde woningen in de ruimtelijke onderbouwing in het bijzonder aandacht dient te worden geschonken aan de inpasbaarheid van het project in de stedenbouwkundige structuur, met name qua hoogte, hetgeen voor de rechtbank te meer een aanwijzing vormt dat ook appartementen onder deze vrijstellingscategorie te scharen zijn. Voorts wordt in dit kader nog verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuurs-rechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 19 augustus 2009 (LJN: BJ5517, i.h.b. r.o. 2.5.1.), waarin is uitgesproken dat onder woningbouw in het algemeen spraakgebruik ook hoogbouw (waaronder een appartementengebouw) is begrepen. Nu bovendien van het vereiste van een Regionaal Volkshuisvestingsplan niet blijkt, dient de grond dat -wat dit aspect betreft- niet is voldaan aan de (rand)voorwaarden voor toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO naar het oordeel van de rechtbank te falen.

2.8. Wat betreft de ruimtelijke onderbouwing, zal in elk geval moeten worden ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan dan wel moeten worden gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. Hier wordt volgens de rechtbank in voldoende mate aan voldaan en met name in de paragrafen 4.2.2. (p 12) en 4.2.3. (p. 14), waar respectievelijk wordt ingegaan op de beschrijving van het project met onder andere de stedenbouwkundige inpassing alsmede op de planologische inbedding. Daar wordt ook concreet de strijdigheid met het huidige bestemmingsplan beschreven, namelijk voor wat betreft de bouwhoogte (max. 3 bouwlagen met kap) en (het aantal woningen in een) bouwvlak. Daarnaast is een deel van de nieuwe woningen geprojecteerd binnen de bestemming verkeersdoeleinden. Voorts acht de rechtbank van belang op te merken dat de vrijstellingsprocedure ex artikel 19, tweede lid, van de WRO een zelfstandige grondslag vormt om alsnog medewerking te verlenen aan het bouwplan en het niet aan de rechtbank is om de noodzaak van het afwijken van het bestemmingsplan te beoordelen. Voor wat betreft de geluidhinder wordt hierop zowel ingegaan in de ruimtelijke onderbouwing (pagina 9) als in een afzonderlijk akoestisch rapport met uitgebreide berekeningen. Hieruit blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) niet wordt overschreden. Nu niet is gebleken van de onjuistheid of onvolledigheid van deze berekeningen en evenmin door eisers een contra-rapportage is overgelegd, vermag de rechtbank niet in te zien dat verweerder niet van deze berekeningen heeft mogen uitgaan. Dit geldt eveneens voor het aspect van de flora en fauna. Zoals in 2.1.2. van de ruimtelijke onderbouwing is vermeld, waren op het terrein eerst (oude) woningen aanwezig. Deze zijn gesloopt en het terrein ligt nu braak. Gezien de afwezigheid van natuurwaarden is geen sprake van aantasting van flora en fauna en is daarom geen natuurtoets verricht. De rechtbank acht in dit kader geen termen aanwezig om het achterwege laten van de genoemde natuurtoets voor onjuist te houden. Concluderend is de rechtbank, wat bovengenoemde aspecten betreft, van oordeel dat niet gezegd kan worden dat het bouwplan een goede ruimtelijke onderbouwing ontbeert.

2.9. Wat betreft het voldoen van het bouwplan aan de eisen inzake luchtkwaliteit, merkt de rechtbank allereerst op dat niet in geschil is dat in het onderhavige geval een toetsing heeft plaatsgevonden aan het Besluit luchtkwaliteit 2005. Ter zitting is desgevraagd door de gemachtigde van verweerder erkend dat van het onjuiste toetsingskader is uitgegaan, nu

-mede gelet op de datum van het bestreden besluit alsmede inmiddels vaste jurisprudentie van de Afdeling daaromtrent- titel 5.2 van de Wet milieubeheer (ook wel de nieuwe Wet luchtkwaliteit genoemd) van toepassing is. De rechtbank is van oordeel dat hieruit geen andere conclusie getrokken kan worden dan dat aan het besluit een motiveringsgebrek kleeft, waardoor het beroep gegrond verklaard moet worden en het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt. Nu verweerder ter zitting niet heeft kunnen aangeven hoe een toetsing aan het juiste wettelijk kader eruit zou zien, alsmede gelet op hetgeen hierna nog wordt overwogen, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om gebruik te maken van de haar in artikel 8:72, derde en vierde lid, van de Awb gegeven bevoegdheden.

2.10. Voor wat betreft het welstandsaspect, merkt de rechtbank in dit kader op dat sprake is van een stempeladvies, waartegen eisers zich gemotiveerd hebben gekeerd, doch waarin verweerder evenwel geen aanleiding heeft gezien het bouwplan en de reactie daarop nogmaals aan de welstandscommissie voor te leggen. Mede gelet op de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 2009 (LJN: BI2952) heeft de gemachtigde van verweerder desgevraagd ter zitting erkend dat ook dit een omissie is geweest die tot geen andere conclusie kan leiden dan tot vernietiging van het besluit vanwege een motiveringsgebrek.

2.11. Tenslotte merkt de rechtbank, wat betreft de aangevoerde gronden inzake overschrijding van de achtergevelrooilijn alsmede het parkeren, vooreerst op dat ten aanzien van deze aspecten geen afzonderlijk beroep meer gedaan kan worden op (strijdigheid met) de bouwverordening aangezien hier nu juist de verleende vrijstelling (mede) op ziet (verwezen zij in dit kader bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005, LJN: AT5113, i.h.b. r.o. 2.5.4.). Voor wat betreft parkeren wordt (in de ruimtelijke onderbouwing, pagina 14) uitgegaan van 1,5 parkeerplaats per appartement, hetgeen neerkomt op 38 benodigde parkeerplaatsen. Eisers gaan uit van 1,7 parkeerplaats per woning en komen bijgevolg uit op meer te realiseren parkeerplaatsen. De rechtbank oordeelt in dit kader eerstens dat de door verweerder gehanteerde norm haar niet onredelijk voorkomt, gelet op (het mindere autobezit van) de oudere bewonersdoelgroep en het feit dat het levensloopbestendige woningen betreft. De grond van eisers in dit kader faalt derhalve. Wel is de rechtbank van oordeel dat haar uit de stukken alsmede het verhandelde ter zitting niet geheel duidelijk is geworden welke parkeercapaciteit nieuw wordt gecreëerd en in welke mate de bestaande parkeercapaciteit c.q. de capaciteit buiten het eigen terrein wordt benut. Nu het bestreden besluit reeds voor vernietiging in aanmerking komt, draagt de rechtbank verweerder op om ook dit aspect, vergezeld van een deugdelijke berekening van het (feitelijke) aantal parkeerplaatsen en de exacte situering ervan, mee te nemen in de nieuw te nemen beslissing.

2.12. Gelet op het vorenstaande concludeert de rechtbank dat het bestreden besluit berust op een ondeugdelijke motivering. Het beroep van eisers is mitsdien gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb.

2.13. De rechtbank wijst partijen er tenslotte nog op dat, waar zij in deze uitspraak uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel heeft gegeven over de aangevoerde beroepsgronden, slechts het instellen van hoger beroep kan voorkomen dat de uitspraak op deze punten onherroepelijk wordt (in dit kader wordt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2003, LJN: AI 0801).

2.14. De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eisers redelijkerwijs hebben moeten maken in verband met deze procedure, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden twee punten toegekend (één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting) met een waarde van EUR 322, per punt. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor één. Het bedrag van de proceskosten dient aan eisers te worden vergoed.

2.15. Tevens zal de rechtbank bepalen dat aan eisers het betaalde griffierecht ten bedrage van EUR 145, dient te worden vergoed.

2.16. Mitsdien wordt beslist als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van verweerder van 7 oktober 2008;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van eisers begroot op EUR 644, (zijnde de kosten van de rechtsbijstand);

bepaalt dat verweerder aan eisers het betaalde griffierecht ten bedrage van EUR 145, volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mrs. P.J. Voncken, B.W.P.M. Corbey Smits en

E.J. Govaers (voorzitter), in tegenwoordigheid van mr. F.A. Timmers als griffier en in het openbaar uitgesproken op 14 september 2009

w.g. mr. F.A. Timmers,

griffier w.g. mr. drs. E.J. Govaers,

voorzitter

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier,

verzonden op: 14 september 2009