Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BJ7130

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
08-09-2009
Datum publicatie
09-09-2009
Zaaknummer
04/850599-07
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ6901, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Strafmaatoverweging bij herhaaldelijke verkrachting van 6-jarig meisje door moeder en haar vriend.

Medeverdachte: BJ7116

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Parketnummer : 04/850599-07

Uitspraak d.d. : 8 september 2009

TEGENSPRAAK

Vonnis van de rechtbank Roermond,

meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

naam : [verdachte]

voornamen : [voornamen]

geboren op : [geboortedatum] 1974

adres : [straat]

plaats : [woonplaats]

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 25 oktober 2007, 22 januari 2008, 17 april 2008, 15 juli 2008, 2 oktober 2008, 18 december 2008, 6 februari 2009, 16 april 2009, 2 juli 2009 en 25 augustus 2009.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat na wijziging van de tenlastelegging terecht ter zake dat:

1.

zij meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 19 juli 2007 te Kelpen, in elk geval in de gemeente(n) Heythuysen en/of Leudal, en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] (telkens) heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) (telkens) hierin dat verdachte en/of haar mededader:

- de beentjes van genoemde [slachtoffer] uit elkaar heeft getrokken,

- een buttplug in de anus van genoemde [slachtoffer] heeft geduwd, terwijl genoemde [slachtoffer] dit niet wil en huilend aangeeft dat dit pijn doet,

- een buttplug in de anus van genoemde [slachtoffer] heeft geduwd, terwijl genoemde [slachtoffer] heeft geprobeerd dit te voorkomen door tegen de hand/arm van verdachte [voornamen] [verdachte] te duwen,

- een vinger in de anus van genoemde [slachtoffer] heeft geduwd, terwijl de handen en voeten genoemde [slachtoffer] vastgebonden waren,

- die [slachtoffer] in een afhankelijkheidsrelatie met haar, verdachte, staat en met haar psychisch overwicht, dat zij, verdachte, op die [slachtoffer] had verworven, die [slachtoffer] aan haar, verdachtes, wil heeft onderworpen en de wil van die [slachtoffer] heeft gemanipuleerd;

en/of (aldus) voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

(artikel 242 Wetboek van Stafrecht)

althans indien terzake het vorenstaande onder 1 geen veroordeling zou volgen:

zij meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 1 januari 2006

tot en met 19 juli 2007 te Kelpen, in elk geval in de gemeente(n) Heythuysen en/of Leudal, en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum], die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, (telkens) een of meer

handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het

seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer];

(artikel 244 Wetboek van Strafrecht)

2.

zij meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 1 januari 2006

tot en met 19 juli 2007 te Kelpen, in elk geval in de gemeente(n) Heythuysen en/of Leudal, en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met [medeverdachte], althans alleen, met [slachtoffer], geboren op

[geboortedatum], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt (telkens), buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd en/of die [slachtoffer] tot het plegen of dulden van (een) zodanige handeling(en) buiten echt met een derde heeft verleid, bestaande die ontuchtige handelingen onder meer uit:

- het likken over de vagina van genoemde [slachtoffer] door verdachte en/of

genoemde [medeverdachte] en/of

- het met een vibrator wrijven over de vagina van genoemde [slachtoffer] door

verdachte en/of genoemde [medeverdachte] en/of

- het wrijven met (een) vinger(s) over de vagina van genoemde [slachtoffer]

door verdachte en/of genoemde [medeverdachte] en/of

- het doen vastpakken van de penis van genoemde [medeverdachte] door genoemde

[slachtoffer] en/of

- het doen maken van aftrekkende bewegingen met de penis van genoemde [medeverdachte]

door genoemde [slachtoffer] en/of

- het houden, althans drukken, van de penis van genoemde [medeverdachte] tegen de

vagina van genoemde [slachtoffer] en/of

- het wrijven met de penis van genoemde [medeverdachte] over de vagina van genoemde

[slachtoffer];

(artikel 247 Wetboek van Strafrecht)

althans indien terzake het vorenstaande onder 2 geen veroordeling zou volgen:

zij meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 19 juli 2007 te Kelpen, in elk geval in de gemeente(n) Heythuysen en/of Leudal, en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met [medeverdachte], althans alleen, ontucht heeft gepleegd met haar kind [slachtoffer], geboren op [geboortedatum], bestaande die ontucht (telkens) onder meer uit:

- het likken over de vagina van genoemde [slachtoffer] door verdachte en/of

genoemde [medeverdachte] en/of

- het met een vibrator wrijven over de vagina van genoemde [slachtoffer] door

verdachte en/of genoemde [medeverdachte] en/of

- het wrijven met (een) vinger(s) over de vagina van genoemde [slachtoffer]

door verdachte en/of genoemde [medeverdachte] en/of

- het doen vastpakken van de penis van genoemde [medeverdachte] door genoemde

[slachtoffer] en/of

- het doen maken van aftrekkende bewegingen met de penis van genoemde [medeverdachte]

door genoemde [slachtoffer] en/of

- het houden, althans drukken van de penis van genoemde [medeverdachte] tegen de

vagina van genoemde [slachtoffer] en/of

- het wrijven met de penis van genoemde [medeverdachte] over de vagina van genoemde

[slachtoffer];

(artikel 249 Wetboek van Strafrecht)

3.

zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 19 juli 2007 te Kelpen, in elk geval in de gemeente(n) Heythuysen en/of Leudal, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met [medeverdachte], althans alleen, één of meermalen een afbeelding en/of een gegevensdrager, bevattende één of meer afbeeldingen van seksuele gedragingen, bij welke vorenbedoelde afbeelding(en) (in totaal [ongeveer] 457 foto's en/of 30800 videoframes en/of 29900 filmfragmentjes en/of 31 films en/of 63 video bestanden) (telkens) een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken, te weten een harde schijf en/of een fotocamera en/of een videocamera met onder meer de navolgende afbeeldingen en/of film(s):

- [bestandsnaam]

waarbij twee naakte jongens, die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt, elkaars erecte penis in de mond hebben,

(zie pag. 218 van het proces-verbaal)

- foto [bestandsnaam]

waarbij een naakt meisje, dat kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, voorovergebogen zit en de stijve penis van een hond in haar mond heeft,

(zie pag. 219 van het proces-verbaal)

- foto [bestandsnaam]

waarbij een naakte man op zijn rug op de grond ligt terwijl naast hem een naakte baby, die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, knielt, de man zijn erecte penis in of tegen de mond van de baby duwt en de man kennelijk een zaadlozing heeft gehad,

(zie pag. 219 van het proces-verbaal)

- foto [bestandsnaam]

waarbij een geklede baby/peuter, die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, op de grond ligt terwijl een man over die baby/peuter heen zit en de eikel van zijn erecte penis tegen de mond van die baby/peuter duwt,

(zie pag. 219 van het proces-verbaal)

- foto [bestandsnaam]

waarbij een naakt meisje, dat kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, in een badkuip zit terwijl een naakte man over het lichaam van het meisje plast,

(zie pag. 219 van het proces-verbaal)

- foto [bestandsnaam]

waarbij een naakt meisje, dat kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, op haar zij en met gespreide benen op de grond ligt waarbij haar vagina en borstjes duidelijk zichtbaar zijn,

(zie pag. 219-220 van het proces-verbaal)

- foto [bestandsnaam]

waarbij een naakte vrouw op haar rug op een bed ligt met aan weerszijde een naakt jongetje, die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt, die beiden likken/zuigen aan een tepel van de vrouw,

(zie pag. 220 van het proces-verbaal)

- film [bestandsnaam]

waarop het naakte onderlichaam van een meisje, dat kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, zichtbaar is, terwijl een volwassen man tussen haar benen staat/knielt die de vagina van het meisje met zijn erecte penis penetreert, welke penetratie op drie verschillende manieren plaatsvindt en waarbij de man zijn penis in de vagina van het meisje heen en weer beweegt,

(zie pag. 220 van het proces-verbaal)

- film [bestandsnaam]

waarop een naakte man met drie á vier Aziatische meisjes, die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt, te zien is, waarbij een naakt meisje op haar knieën voor die man zit en de stijve penis van die man in haar mond heeft en haar hoofd op en neer beweegt en waarop close-up opnames van de geslachtsdelen van twee of drie van die meisjes te zien zijn,

(zie pag. 220 van het proces-verbaal)

- film [bestandsnaam]

waarop een naakt meisje, dat kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, met haar hand haar vagina betast, masturbeert met behulp van een vibrator en waarop haar vagina geregeld close-up wordt gefilmd,

(zie pag. 220 van het proces-verbaal)

- film [bestandsnaam]

waarop een naakt meisje, dat kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, staat dat naakt op een bed ligt en met een vinger over haar clitoris en schaamlippen wrijft, waarbij een man een substantie op de vagina van dat meisje strijkt, met een vinger over haar clitoris wrijft en een vinger in haar vagina steekt, waarbij de vagina van dat meisje close-up wordt gefilmd, het meisje een vinger in haar vagina steekt en deze vinger heen en weer beweegt,

(zie pag. 220-221 van het proces-verbaal)

- film [bestandsnaam]

waarop een naakt meisje, dat kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, staat waarvan de vagina close-up wordt gefilmd, die vingers in haar vagina steekt, waarbij een man een vinger in de vagina van het meisje steekt, dat de erecte penis van een man in haar mond heeft en dat gefilmd wordt terwijl zij zit te plassen,

(zie pag. 221 van het proces-verbaal)

- film [bestandsnaam]

waarop [slachtoffer], die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, te zien is die naakt op haar rug op een bank ligt,

waarbij verdachte een buttplug in de anus van [slachtoffer] duwt en de buttplug op en neer in de anus van [slachtoffer] beweegt, waarbij verdachte met een hand een dildo tussen de schaamlippen van [slachtoffer] beweegt en met haar andere hand over/in haar eigen vagina beweegt, waarbij [medeverdachte] zijn stijve penis ter hoogte van het gezicht van [slachtoffer] houdt, verdachte de penis van genoemde [medeverdachte]

aftrekt, de penis op het gezicht van [slachtoffer] richt, het sperma op het gezicht/de rechter schouder van [slachtoffer] terecht komt en verdachte op verzoek van

genoemde [medeverdachte] een gedeelte van het sperma van het wang van [slachtoffer] likt,

(zie pag. 194 t/m 197 van het proces-verbaal)

- film [bestandsnaam]

waarop [slachtoffer], die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, te zien is die met haar vagina boven het hoofd van verdachte zit, verdachte de vagina van [slachtoffer] likt en [medeverdachte] met zijn penis de vagina van verdachte penetreert, waarbij verdachte de penis van genoemde [medeverdachte] aftrekt en ondertussen met haar tong aan de vagina van [slachtoffer] likt, waarbij verdachte de penis van genoemde [medeverdachte] tegen de vagina van [slachtoffer] duwt, genoemde [medeverdachte] klaar komt, het sperma tegen de vagina van [slachtoffer] en/of in de mond van verdachte terecht komt en verdachte het sperma van de vagina van [slachtoffer] likt,

(zie pag. 201 van het proces-verbaal)

- film [bestandsnaam]

waarop [slachtoffer], die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, te zien is die op haar rug en op de buik van verdachte ligt terwijl [medeverdachte] met zijn penis de vagina van verdachte penetreert, waarna verdachte met een hand de penis van genoemde [medeverdachte] aftrekt, met haar andere hand de schaamlippen van [slachtoffer] uit elkaar houdt, vervolgens de penis van genoemde [medeverdachte] tegen de geopende vagina van [slachtoffer] houdt waarna het sperma uit de penis van genoemde [medeverdachte] tegen en/of in de geopende vagina van [slachtoffer] komt terwijl de vagina van [slachtoffer] nadrukkelijk in beeld verschijnt,

(zie pag. 221 van het proces-verbaal)

- [bestandsnaam]

waarop [slachtoffer], die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, te zien is die op haar rug ligt terwijl verdachte naast haar ligt en [medeverdachte] boven [slachtoffer] staat, verdachte de penis van genoemde [medeverdachte] aftrekt en genoemde [medeverdachte] ejaculeert over het gezicht van [slachtoffer],

(zie pag. 210 van het proces-verbaal)

(telkens) heeft vervaardigd en/of in bezit heeft gehad.

(artikel 240b Wetboek van Strafrecht)

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De verdediging heeft als verweer leidende tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging onder meer aangevoerd dat de verdediging ruim

5 maanden op het eindproces-verbaal heeft moeten wachten, terwijl volgens de politie (verbalisante Cremers) de verhoren 2 maanden eerder waren uitgetypt. Door deze late toezending en ontijdige uitwerking van verhoren is de verdediging onwetend gebleven van de verklaringen van de medeverdachte waardoor verdachte een bepaalde proceshouding heeft moeten aannemen, zoals het gebruik maken van het zwijgrecht.

De rechtbank overweegt daaromtrent dat het eindproces-verbaal begin december 2007 aan de raadsvrouwe is toegezonden op het adres van de raadsman, die medeverdachte [naam] bijstond. Gelet op het feit dat de secretaresse van

die raadsman tevens de vaste vervangster van de ondersteuning van de raadsvrouwe was en het bij die secretaresse dus bekend was dat de raadsvrouwe verdachte bijstond en het feit dat de raadsvrouwe tijdens de terechtzitting op

25 augustus 2009 heeft aangegeven dat zij eind 2007 inderdaad gebruik maakte van die secretaresse en dat de dossiers voor de raadsman van de medeverdachte[naam] en voor haar in een grote doos bij die secretaresse zijn afgeleverd, maar dat die secretaresse heeft miskent dat er in één doos voor twee raadslieden dossiers waren binnengekomen, komt de rechtbank tot de conclusie dat de raadsvrouwe vanaf begin december 2007 kennis heeft kunnen nemen van het toegezonden eindproces-verbaal. Van een te late toezending van het dossier dat tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie dient te leiden is geen sprake geweest. Het heeft in de risicosfeer van de raadsvrouwe gelegen dat zij niet direct kennis van het dossier heeft genomen.

Dat de toezending van het dossier, met daarin de uitgewerkte processen-verbaal, zodanig laat geschied is dat in strijd met de bepalingen van de artikelen 31 en 152 van het Wetboek van Strafvordering gehandeld is waardoor de verdediging ernstig in haar verdedigingsbelang is geschaad, is de rechtbank niet van oordeel. De rechtbank heeft in het dossier geen bewijs kunnen vinden waaruit blijkt dat het eindproces-verbaal al eerder gereed was. De door de verdediging gestelde mededeling van verbalisante Cremers dat de verhoren waren uitgetypt is aan de hand van het dossier niet te verifiëren. Daarnaast is evenmin vast te stellen welke verhoren die verbalisante zou hebben bedoeld. Verder blijkt dat medeverdachte[naam] nog op 7 november 2007 is verhoord en dat het eindproces-verbaal is gesloten op 28 november 2007. De rechtbank komt derhalve niet tot het oordeel dat in strijd is gehandeld met voorgenoemde artikelen. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het door de verdediging gestelde niet tijdig verstrekken van de verklaringen van de medeverdachte[naam] naar het oordeel van de rechtbank niet heeft geleid tot een andere, niet te repareren en onjuiste proceshouding van verdachte die haar schaadt of zou kunnen schaden, want verdachte heeft telkens een beroep gedaan op haar zwijgrecht.

Ten aanzien van het verweer van de verdediging dat door de late toezending van het eindproces-verbaal de verdediging de mogelijkheid is ontnomen om personen als getuige (nader) te horen, al dan niet door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Roermond, overweegt de rechtbank dat - zo er al sprake zou zijn van late toezending, quod non - de verdediging opgave van te horen personen bij de rechter-commissaris had kunnen doen of bij de officier van justitie ten behoeve van de terechtzitting en overigens nog ter terechtzitting.

De verdediging heeft ook aangevoerd dat het met voorrang horen van het slachtoffer [slachtoffer] in de speciale verhoorstudio voor jeugdigen te Eindhoven, buiten aanwezigheid van verdachte, zijnde de moeder van [slachtoffer], en de advocate van verdachte, waardoor geen vragen aan het slachtoffer konden worden gesteld, een verwijtbare schending op het recht van fair trial oplevert, welke schending tot de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging dient te leiden.

De rechtbank overweegt met betrekking tot het verhoor van de minderjarige dat zij inziet dat het met voorrang horen van een minderjarige van zeven jaren in het (emotionele) belang van die minderjarige is. Het is de rechtbank niet aannemelijk geworden dat het met voorrang horen van [slachtoffer] alleen gedaan is om het verdedigingsbelang te ondermijnen, dan wel te schaden. Verder is tijdens het onderzoek ter terechtzitting door de verdediging niet concreet gemaakt welke vragen de verdediging aan [slachtoffer] had willen stellen.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat dit verweer van de verdediging dient te worden verworpen.

Als verder verwijt, leidende tot de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging, heeft de verdediging naar voren gebracht dat de verdediging stukken zijn onthouden.

De rechtbank is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden dat de verdediging stukken zijn onthouden en dus ook niet om een door de verdediging veronderstelde beïnvloeding van de proceshouding van verdachte te bewerkstelligen. Een daardoor beïnvloede proceshouding van verdachte is de rechtbank ook niet aannemelijk geworden.

Het verweer van de raadsvrouw dat verdachte in haar belangen is geschaad door het niet audiovisueel vastleggen van de verhoren van de medeverdachte, hetgeen als een zodanig ernstig vormverzuim dient te worden aangemerkt dat niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dient te volgen, treft naar het oordeel van de rechtbank geen doel. Immers, van een vormverzuim is de rechtbank hier niet gebleken bij gebreke aan enige verplichting tot audiovisueel opnemen. En zo die verplichting reeds zou bestaan, is niet aannemelijk geworden dat, nog daargelaten op welke wijze, verdachte hierdoor in haar belangen is geschaad.

Als laatste verweren waaraan de raadsvrouwe de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging verbindt, is naar voren gebracht:

a. dat zij heeft vernomen dat de officier van justitie een snelle opname van verdachte in het Pieter baan Centrum (PBC) te Utrecht heeft belemmerd door aan te geven dat verdachte en haar medeverdachte[naam] gelijktijdig ter observatie in die kliniek dienden te worden opgenomen, waardoor opname pas mogelijk was op het moment dat 2 plaatsen beschikbaar waren;

b. dat de officier van justitie het snel uitbrengen van een maatregelenrapport eveneens heeft belemmerd door niet het complete strafdossier beschikbaar te stellen aan degene(n) die bedoeld rapport diende(n) op te maken;

c. dat verdachte een bijzonder lange tijd in voorarrest heeft doorgebracht, gedurende welk voorarrest de officier van justitie onvoldoende een juiste belangenafweging heeft gemaakt voor verdachte en daarbij de persoonlijk belangen van verdachte om bijvoorbeeld behandeld te kunnen worden onvoldoende heeft laten meewegen.

De rechtbank overweegt daaromtrent dat zij de strafzaak heeft verwezen naar de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Roermond teneinde een plaatsing in het PBC te bewerkstelligen. De officier van justitie heeft in deze gelegenheid geen enkele bemoeienis. Daarnaast is de rechtbank van het door de raadsvrouw gestelde uit het onderzoek ter terechtzitting niets gebleken.

De stelling dat de officier van justitie opzettelijk een onvolledig dossier ten behoeve van het opstellen van een maatregelenrapport zou hebben verstrekt, is op geen enkele wijze onderbouwd. Verder is het zo dat de rechtbank op 6 februari 2009 de officier van justitie opdracht heeft gegeven een maatregelenrapport op te laten maken. Tijdens de terechtzitting van 16 april 2009 heeft de officier van justitie medegedeeld dat hij inmiddels van de reclassering had vernomen dat de komende week een datum voor een intakegesprek bij “de Omslag” van de GGZe Eindhoven werd gepland. Uit deze mededeling blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de officier van justitie voortvarend te werk is gegaan en blijkt niet van enige belemmering.

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat verdachte een zeer lange tijd in voorarrest heeft doorgebracht. Een lange tijd die evenwel rechtvaardiging vindt in de ernstige bezwaren die jegens verdachte zijn gerezen en de gronden die aan de voorlopige hechtenis ten grondslag liggen. Het openbaar ministerie heeft ten overstaan van de rechtbank steeds de persoonlijke belangen van verdachte afgewogen tegen het maatschappelijk belang dat wordt gediend met het voortduren van de voorlopige hechtenis. Dat verdachte met het verstrijken van de termijn in voorlopige hechtenis in haar belangen zou zijn geschaad is met het vorenoverwogene evenwel niet aan de orde en kan het openbaar ministerie ook niet worden tegengeworpen. De nadere onderzoekshandelingen die hebben plaatsgevonden, hebben aan het voortschrijden van de tijd bijgedragen, doch van schending van enig beginsel van behoorlijke procesorde is geen sprake.

Op grond van al het vorenstaande heeft de rechtbank geen reden te concluderen tot de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn ook overigens geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. 1 Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 22 januari 2008 en 25 augustus 2009 gevorderd dat de bij de feiten 1 en 2 ten laste gelegde periode dient te worden bekort tot de periode van 1 januari 2007 tot en met 19 juli 2007 en dat ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit partieel zal worden vrijgesproken, namelijk ten aanzien van de afbeeldingen waarop [slachtoffer] niet staat afgebeeld.

De feiten 1 primair, 2 primair en 3, met inachtneming van de zojuist aangegeven restricties, kunnen worden bewezen verklaard, aldus de officier van justitie.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde termijn bij de feiten 1 en 2 inderdaad ingekort dienen te worden en dat verdachte van feit 3 partieel dient te worden vrijgesproken, zoals door de officier van justitie gevorderd.

7.2 Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De hieronder vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De genoemde geschriften zijn slechts gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hieronder opgenomen motivering van de bewezenverklaring, verwijzen naar de doorlopende paginanummering van het in de wettelijke vorm door de Regiopolitie Limburg Noord, Jeugd- Slachtofferzorg en Zedenzaken, opgemaakt proces-verbaal, dossiernummer PL2379/07-004675, gedateerd 28 november 2007, en de daarbij behorende bijlagen (tevens een doorlopend genummerde ‘print van scan 06-12-2007 van origineel’, pag. 1 t/m 425).

1. De bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van

22 januari 2008 met dien verstande dat verdachte met betrekking tot feit 3 alleen bekent het samen met [medeverdachte] vervaardigen van beeldopnamen waarop te zien valt dat zij en/of de medeverdachte [naam] seksuele handelingen verrichten bij en met haar dochter [slachtoffer].

2. De aangifte van [naam], de vader en wettelijk vertegenwoordiger van [slachtoffer];

3. De verklaring van [slachtoffer], afgelegd ter gelegenheid van haar studioverhoor te Eindhoven op 23 juli 2007;

4. De bekennende verklaringen van de [medeverdachte];

5. Een fotokopie van de akte van geboorte van [slachtoffer] op

[geboortedatum], opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Roermond;

6. Processen-verbaal van bevindingen met betrekking tot de op de computer van [medeverdachte] en harddisk van de foto- en videocamera aangetroffen bestanden en een beschrijving van hetgeen op de in de tenlastelegging vermelde foto’s en films wordt waargenomen en is te horen.

Ten aanzien van de films en foto's waarop [slachtoffer] te zien is, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat deze én zijn vervaardigd in de woning bij de loods van verdachte in Kelpen door verdachte en de medeverdachte én dat zij deze films en foto's tezamen in bezit hadden. De bewezen verklaarde periode voor dit vervaardigen en bezit stemt overeen met de periode zoals die ten aanzien van de feiten onder 1 primair en 2 primair gelden. Immers, niet is gebleken dat voordien ontuchtige handelingen met [slachtoffer] hebben plaatsgevonden, zodat van vervaardigen voor die tijd geen bewijs aanwezig is. Met het vervaardigen is tevens het bezit gegeven, met dien verstande dat bij het opzettelijk vervaardigen, het bezit het onlosmakelijke resultaat is van de vervaardiging, nu medeverdachte heeft aangegeven nimmer enig materiaal te hebben verspreid, doch dit voor zichzelf en verdachte te hebben gemaakt. Dat de films/foto’s nadien op enig moment zijn gewist, doet aan het medeplegen van het vervaardigen en het bezit in de bedoelde periode niet af.

De films en foto's waarop [slachtoffer] niet te zien is, betreffen kinderporno waarvan verdachte het vervaardigen, noch het bezit verweten kan worden; deze zijn aangetroffen op de computer van de medeverdachte waarvan niet aannemelijk is geworden dat verdachte daar vrijelijk toegang toe had. Verdachte zal van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Op grond van genoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde, en wel zoals in de bewezenverklaring nader omschreven, heeft begaan. De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat een persoon van 6 dan wel 7 jaren niet gehuwd is.

7.3 Bewezenverklaring

De rechtbank acht ten aanzien van verdachte bewezen dat:

1.

zij meermalen in de periode van 1 januari 2007 tot en met 19 juli 2007 te Kelpen, tezamen en in vereniging met een ander, door geweld en een andere feitelijkheid [slachtoffer], geboren op [geboortedatum], telkens heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], bestaande dat geweld en die feitelijkheid hierin, dat verdachte en/of haar mededader:

- de beentjes van genoemde [slachtoffer] uit elkaar heeft getrokken;

- een buttplug in de anus van genoemde [slachtoffer] heeft geduwd, terwijl genoemde [slachtoffer] dit niet wil en huilend aangeeft dat dit pijn doet;

- een buttplug in de anus van genoemde [slachtoffer] heeft geduwd, terwijl genoemde [slachtoffer] heeft geprobeerd dit te voorkomen door

tegen de hand/arm van [verdachte] te duwen;

- een vinger in de anus van genoemde [slachtoffer] heeft geduwd, terwijl de handen en voeten van genoemde [slachtoffer] vastgebonden waren;

- terwijl die [slachtoffer] in een afhankelijkheidsrelatie met haar, verdachte, staat en met verdachtes psychisch overwicht dat zij op die [slachtoffer] had verworven, die [slachtoffer] aan haar, verdachtes, wil heeft onderworpen en de wil van die [slachtoffer] heeft gemanipuleerd,

en aldus voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

2.

zij meermalen in de periode van 1 januari 2007 tot en met 19 juli 2007 te Kelpen, tezamen en in vereniging met [medeverdachte] met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt telkens buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande die ontuchtige handelingen onder meer uit:

- het likken over de vagina van genoemde [slachtoffer] door verdachte en/of

genoemde [medeverdachte] en

- het met een vibrator wrijven over de vagina van genoemde [slachtoffer] door

verdachte en/of genoemde [medeverdachte] en

- het wrijven met (een) vinger(s) over de vagina van genoemde [slachtoffer]

door verdachte en/of genoemde [medeverdachte] en

- het doen vastpakken van de penis van genoemde [medeverdachte] door genoemde

[slachtoffer] en

- het doen maken van aftrekkende bewegingen met de penis van genoemde [medeverdachte]

door genoemde [slachtoffer] en

- het houden, althans drukken, van de penis van genoemde [medeverdachte] tegen de

vagina van genoemde [slachtoffer] en

- het wrijven met de penis van genoemde [medeverdachte] over de vagina van genoemde

[slachtoffer];

3.

zij in de periode van 1 januari 2007 tot en met 19 juli 2007 te Kelpen tezamen en in vereniging met [medeverdachte] meermalen met en/of op een gegevensdrager afbeeldingen heeft vervaardigd en in het bezit heeft gehad, zijnde afbeeldingen van seksuele gedragingen, bij welke seksuele gedragingen op vorenbedoelde afbeeldingen telkens een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, was betrokken, te weten onder meer de navolgende afbeeldingen en/of films:

- film [bestandsnaam]

waarop [slachtoffer], die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, te zien is die naakt op haar rug op een bank ligt, waarbij verdachte een buttplug in de anus van [slachtoffer] duwt en de buttplug op en neer in de anus van [slachtoffer] beweegt, waarbij verdachte met een hand een dildo tussen de schaamlippen van [slachtoffer] beweegt en met haar andere hand over/in haar eigen vagina beweegt, waarbij [medeverdachte] zijn stijve penis ter hoogte van het gezicht van [slachtoffer] houdt, verdachte de penis van genoemde [medeverdachte] aftrekt, de penis op het gezicht van [slachtoffer] richt, het sperma op het gezicht/de rechter schouder van [slachtoffer] terecht komt en verdachte op verzoek van genoemde [medeverdachte] een gedeelte van het sperma van het wang van [slachtoffer] likt;

- film [bestandsnaam]

waarop [slachtoffer], die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, te zien is die met haar vagina boven het hoofd van verdachte zit, verdachte de vagina van [slachtoffer] likt en [medeverdachte] met zijn penis de vagina van verdachte penetreert, waarbij verdachte de penis van genoemde [medeverdachte] aftrekt en ondertussen met haar tong aan de vagina van [slachtoffer] likt, waarbij verdachte de penis van genoemde [medeverdachte] tegen de vagina van [slachtoffer] duwt, genoemde [medeverdachte] klaar komt, het sperma tegen de vagina van [slachtoffer] en/of in de mond van verdachte terecht komt en verdachte het sperma van de vagina van [slachtoffer] likt;

- film [bestandsnaam]

waarop [slachtoffer], die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, te zien is die op haar rug en op de buik van verdachte ligt terwijl [medeverdachte] met zijn penis de vagina van verdachte penetreert, waarna verdachte met een hand de penis van genoemde [medeverdachte] aftrekt, met haar andere hand de schaamlippen van [slachtoffer] uit elkaar houdt, vervolgens de penis van genoemde [medeverdachte] tegen de geopende vagina van [slachtoffer] houdt waarna het sperma uit de penis van genoemde [medeverdachte] tegen en/of in de geopende vagina van [slachtoffer] komt terwijl de vagina van [slachtoffer] nadrukkelijk in beeld verschijnt;

- [bestandsnaam]

waarop [slachtoffer], die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, te zien is die op haar rug ligt terwijl verdachte naast haar ligt en [medeverdachte] boven [slachtoffer] staat, verdachte de penis van genoemde [medeverdachte] aftrekt en genoemde [medeverdachte] ejaculeert over het gezicht van [slachtoffer].

8. Kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op de navolgende misdrijven:

ten aanzien van feit 1:

medeplegen van verkrachting, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2:

medeplegen van met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt

ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 3:

medeplegen van het vervaardigen en het in het bezit hebben van een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt is betrokken, meermalen gepleegd.

Het misdrijf sub 1 is strafbaar gesteld bij de artikelen 242 juncto 47 van het Wetboek van Strafrecht

Het misdrijf sub 2 is strafbaar gesteld bij de artikelen 247 juncto 47 van het Wetboek van Strafrecht

De misdrijven sub 3 zijn strafbaar gesteld bij de artikelen 240b juncto 47 van het Wetboek van Strafrecht

9. De strafbaarheid van verdachte

Door de officier van justitie en de raadsvrouwe is tijdens de terechtzitting van

25 augustus 2009 op de daartoe strekkende vraag van de rechtbank aangegeven dat zij geen bezwaar hebben tegen het bij de beoordeling van de strafbaarheid van verdachte door de rechtbank betrekken van de over de persoon van verdachte in 2007 uitgebrachte rapporten door drs. S. Labrijn, GZ-psycholoog, en

prof. dr. Chr. Dillen, forensisch psychiater, en de aanvulling daarop in oktober 2008.

Omtrent verdachte is in oktober 2007 door drs. S. Labrijn en prof. dr. Chr. Dillen gerapporteerd. Naar aanleiding van het op 26 september 2008 door het Nederlands Forensisch Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum te Utrecht (hierna PBC) uitgebrachte rapport is door hen in oktober 2008 aanvullend gerapporteerd. Beiden komen tot de conclusie dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar is, daarom dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging en dient te worden geplaatst in een psychiatrisch ziekenhuis.

Omtrent verdachte is gerapporteerd door een multidisciplinair team van het PBC, in welk team onder meer H.A. van Kempen, klinisch psycholoog, en J.H. van Renesse, psychiater, op 26 september 2008 participeerde. Bedoeld team komt tot de conclusie dat de ten laste gelegde feiten - indien bewezen - slechts in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend.

Tijdens de terechtzitting van 6 februari 2009 zijn genoemde rapporteurs door de rechtbank als getuige-deskundige gehoord en allen hebben toen aangegeven te persisteren bij de in hun rapporten weergegeven conclusies en advies.

De rechtbank constateert dat er een verschil bestaat tussen de conclusies van genoemde deskundigen en zij ziet zich daarom nu gesteld voor de vraag welke conclusie zij in deze zaak dient te volgen.

De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 22 januari 2008 uitgebreid gemotiveerd waarom zij, gelet op inhoud van de in oktober 2007 uitgebrachte rapporten van de deskundigen drs. S. Labrijn en prof. dr. Chr. Dillen een nader onderzoek naar de geestvermogens van verdachte wenste. Kort weergegeven houdt de reden in dat uit het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken dat verdachte met betrekking tot de ten laste gelegde feiten zich geheel heeft moeten conformeren aan de opdrachten/wensen van de medeverdachte[naam]. Uit het onderzoek ter terechtzitting en de bewijsmiddelen bleek ook van een actieve, niet ondergeschikte rol van verdachte in de ten laste gelegde feiten.

Naar het oordeel van de rechtbank leek daarom de afhankelijkheid van verdachte van de medeverdachte anders, namelijk minder groot, dan beide deskundigen in hun rapporten aangaven.

Verdachte heeft geen medewerking verleend aan het onderzoek door het team van het PBC. Het onderzoeksteam van het PBC concludeert na langdurige observaties dat er bij verdachte sprake is van een borderline persoonlijkheidsstoornis die vooral getypeerd kan worden door wisselende en intense afhankelijkheidsrelaties, een deels versmeltend en deels grensoverschrijdend opstellen naar derden, een wisselend zelfbeeld, impulsiviteit en een zwakke realiteitstoetsing.

Daarnaast is er sprake van seksuele deviante gedragingen, waarbij sprake lijkt van overmatige preoccupatie met seks en exhibitionistische en sadomachistische tendensen. Bij onderzoekers bestaat de indruk dat door het soms assertieve optreden van verdachte, verdachte een minder willoos volger is van anderen dan uit haar relaas en uit het ambulante onderzoek naar voren komt. Verder lijkt het niet aannemelijk dat verdachte bij voortduring geen enkel besef had van de actuele realiteit.

Het PBC adviseert verdachte te beschouwen als (sterk) verminderd toerekeningsvatbaar voor de ten laste gelegde feiten, indien bewezen.

Omdat de conclusies van het onderzoeksteam van het PBC de onduidelijkheid die de rechtbank in haar tussenvonnis van 22 januari 2008 aangaf, voor de rechtbank hebben weggenomen en haar visie op de toerekeningsvatbaarheid hebben bevestigd, zal de rechtbank deze conclusies overnemen en tot de hare maken. Uit de bewijsmiddelen en de rapportages die over verdachte zijn opgemaakt blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat verdachte geen enkele reële keuzevrijheid heeft gehad bij het uitvoeren van de seksuele handelingen met [slachtoffer].

De verdachte is derhalve strafbaar voor het bewezenverklaarde nu overigens niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10. De straf en/of maatregel

10.1 De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 25 augustus 2009 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van de onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van vier jaren en zes maanden, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Daarnaast dient aan verdachte te worden opgelegd de maatregel

terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

10.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de gevorderde straf aangevoerd dat de verdediging zich niet in die eis kan vinden. De verdediging is van mening dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar is en daarom dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat verdachte wel in enige mate toerekeningsvatbaar is, dan zou een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf gelijk aan het voorarrest en een voorwaardelijke terbeschikkingstelling een juiste reactie zijn.

10.3 De overwegingen van de rechtbank

10.3.1 Ten aanzien van de op te leggen straf

Ten laste van verdachte zijn bewezen verklaard het samen met haar vriend [m[medeverdachte] meermalen verkrachten van en het meermalen plegen van ontuchtige handelingen met [slach[slachtoffer], de dochter van verdachte. [slachtoffer] was ten tijde van het plegen van de feiten pas 6 jaar oud. Verdachte en haar (toenmalige) vriend hebben gedurende een maandenlange periode, meerdere malen seksueel geweld toegepast tegen de kleine dochter van verdachte en haar als speelbal gebruikt bij hun seksuele uitspattingen. Uit de bewijsmiddelen en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat bij het seksueel geweld dat [slachtoffer] moest ondergaan voorwerpen werden gebruikt als buttpluggen, dildo’s en een zweep. De eerst genoemde voorwerpen werden met dwang in onder andere de anus van [slachtoffer] ingebracht. Dit gebeurde diverse malen terwijl [slachtoffer] zich verzette tegen het inbrengen. Het was dus voor verdachten volstrekt duidelijk dat dit gebeurde tegen de kenbare zin/wil van [slachtoffer] in. Ook werd [slachtoffer] bij de seksuele handelingen zeer tegen haar zin vastgebonden en moest zij het dulden dat zij gepenetreerd werd met vingers en dat medeverdachte[naam] zijn sperma over haar gezicht, haar vagina en haar lichaam spoot. Verdachte heeft met haar medeverdachte zich schuldig gemaakt aan zeer ernstig seksueel geweld tegen een klein kind. Een kind dat zich veilig moet kunnen voelen in de huiselijke omgeving met haar moeder, maar die hier door haar moeder en haar vriend ernstig seksueel misbruikt is.

De rechtbank spreekt dan ook haar afschuw uit van wat verdachte en de medeverdachte [slachtoffer] hebben aangedaan.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte en haar medeverdachte dit ernstige seksuele misbruik/geweld hebben gepleegd louter om hun eigen (seksuele) behoeften te bevredigen. Om de seksuele handelingen later nog eens te bekijken, hetgeen volgens beide verdachten opwindend was, werden deze handelingen op foto’s en films vastgelegd.

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte. Die omstandigheden betreffen onder meer de al vermelde omstandigheden als de zeer jeugdige leeftijd van het slachtoffer, de vergaande aard van de aldaar gepleegde seksuele handelingen, de op het slachtoffer toegepaste dwang en de vele malen dat het zeer jonge meisje slachtoffer werd van de seksuele handelingen/uitspattingen van verdachte en haar medeverdachte.

Verdachte en haar medeverdachte hebben door hun daden het leven van een onschuldig zeer jong meisje volledig ontregeld en haar - naar valt aan te nemen - (psychisch) ernstig beschadigd.

De rechtbank is van oordeel dat de strafmaat in de landelijke straf-oriëntatiepunten niet ziet op een verkrachting, gepleegd onder de omstandigheden als de onderhavige. In het oriëntatiepunt is overigens opgenomen dat een verhoging kan worden toegepast op grond van strafverzwarende omstandigheden en deze omstandigheden zijn hier zeker aan de orde. De rechtbank heeft deze zojuist gerelateerd. Voor gevallen van deze aard zijn echter geen maatstaven aangelegd. Het oriëntatiepunt biedt reeds daarom weinig tot geen houvast.

Het plegen van de bewezen verklaarde feiten, te weten het meermalen medeplegen van verkrachting van haar zeer jonge dochter, het meermalen medeplegen van plegen van ontuchtige handelingen met deze dochter en het meermalen vastleggen van de bij en door die dochter verrichte seksuele handelingen, kan naar het oordeel van de rechtbank alleen maar worden bestraft met een onvoorwaardelijk vrijheidsstraf van vele jaren, de maximale straf voor dit soort feiten benaderend.

Bij de bepaling van de straf in de onderhavige strafzaak heeft de rechtbank rekening gehouden met de conclusie van het PBC, namelijk dat verdachte als (sterk) verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. Deze omstandigheid leidt er toe dat de op te leggen onvoorwaardelijke vrijheidsstraf substantieel verminderd is.

Gelet op alle omstandigheden van dit geval acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren een passende bestraffing en zij zal deze straf dan ook aan verdachte opleggen.

De rechtbank zal een hogere straf opleggen dan door de officier van justitie gevorderd, nu de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, mede gelet op de persoon van verdachte, onvoldoende in de eis van de officier van justitie tot uitdrukking komen.

10.3.2 Ten aanzien van de op te leggen maatregel

Verdachte heeft geweigerd volledige medewerking te verlenen aan de onderzoeken door het onderzoeksteam van het PBC. Als gevolg van deze weigering is het voor het team van het PBC slechts zeer beperkt mogelijk gebleken om conclusies over de persoon van verdachte te trekken en de rechtbank te adviseren.

Tijdens de terechtzitting van 6 februari 2009 hebben de toen gehoorde vier getuige-deskundigen naar voren gebracht dat verdachte behandeld dient te worden voor de bij haar aanwezige stoornissen. Geadviseerd wordt dat in ieder geval het eerste deel van de behandeling in een gesloten setting zal plaatsvinden. Verdachte heeft ter terechtzitting van 25 augustus 2009 verklaard ook in een gesloten setting behandeld te willen worden, teneinde zekerheid te hebben dat bij een behandeling voldoende zorg aanwezig is.

Tijdens de terechtzitting van 6 februari 2009 hebben alle deskundigen aangegeven dat de kans op herhaling bij het achterwege blijven van een behandeling groot is.

Alhoewel de gedragsdeskundigen van het PBC in hun rapport niet hebben geadviseerd dat verdachte ter beschikking dient te worden gesteld en van overheidswege dient te worden verpleegd, is de rechtbank van oordeel dat onder andere de grote kans op herhaling, de veiligheid van personen en de door de deskundige aangegeven langere duur van een intramurale behandeling dan een jaar, eist dat deze maatregel van terbeschikkingstelling noodzakelijk is ter bescherming van de maatschappij. De ook tijdens de zitting aan de orde geweest zijnde maatregel van terbeschikkingstelling onder voorwaarden of het opleggen van een ambulante behandeling als bijzondere voorwaarde zijn bij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die de rechtbank zal opleggen niet mogelijk.

10.4 De in beslag genomen voorwerpen.

Onder verdachte is een aantal voorwerpen in beslag genomen. De officier van justitie heeft tijdens de terechtzitting van 25 augustus 2009 gevorderd dat deze voorwerpen zullen worden verbeurd verklaard dan wel de zullen worden onttrokken aan het verkeer.

Aangezien verdachte tijdens genoemde terechtzitting heeft verklaard afstand te doen van die voorwerpen, behoeft de rechtbank over die voorwerpen geen beslissing meer te nemen.

10.5 De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer], geboren op [geboortedatum], wettelijke vertegenwoordiger [naam], [adres], [plaats], heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van de hiervoor ten laste gelegde feiten geleden immateriële schade.

Voornoemde benadeelde partij heeft de immateriële schade op een bedrag van € 150.000,00 gesteld en wil die schade als voorschot vergoed krijgen.

De vordering is naar het oordeel van de rechtbank niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. Door de verdediging is de vordering weersproken en de rechtbank is van oordeel dat de huidige onderbouwing van de vordering onvoldoende is om reeds nu een oordeel over die vordering te geven. Nu ook niet is aangegeven of voldoende is onderbouwd dat thans een bedrag, een voorschot, op een schadevergoeding noodzakelijk is om de kosten van behandeling of iets dergelijks te kunnen betalen ziet de rechtbank daarin aanleiding om ook niet reeds nu een bedrag toe te kennen. Derhalve zal de benadeelde partij niet ontvankelijk in haar vordering dienen te worden verklaard en zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Aangezien de benadeelde partij niet ontvankelijk in haar vordering zal worden verklaard, zal de verdachte niet worden veroordeeld in de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt.

Niet gebleken is dat verdachte (extra) kosten heeft gemaakt ten aanzien van de civiele vordering. De rechtbank zal deze kosten vaststellen op nihil.

11. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 27, 37a, 37b, 47, 57, 240b, 242, 247.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het sub 1 primair, sub 2 primair en sub 3 tenlastegelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van vijf jaren;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

gelast de terbeschikkingstelling van verdachte;

beveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege wordt verpleegd.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer], geboren op [geboortedatum], wettelijke vertegenwoordiger [naam], [adres],

[plaats], niet ontvankelijk in haar vordering;

bepaalt dat voornoemde benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van het geding door de verdachte ten behoeve van zijn verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil.

Vonnis gewezen door mrs. L.P. Bosma, N.I.B.M. Buljevic en W.A.H.J. Poppeliers,

rechters, van wie mr. L.P. Bosma voorzitter, in tegenwoordigheid van

J.A.H. Bicker als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de

rechtbank op 8 september 2009.

typ:jb