Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BJ6524

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
02-09-2009
Datum publicatie
04-09-2009
Zaaknummer
231969 \ CV EXPL 09-171
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kennelijk onredelijke opzegging beoordeeld aan de hand van de criteria als vastgesteld door de Gerechtshoven van Amsterdam, Arnhem en Den Bosch in de op 7 juli 2009 gewezen arresten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2009, 167
AR-Updates.nl 2009-0670
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector kanton

Zaaknummer: 231969 \ CV EXPL 09-171

Vonnis van de kantonrechter te Venlo d.d. 2 september 2009

in de zaak van:

[eiseres], wonende te [woonplaats] aan de [adres],

eiseres,

gemachtigde: mr.drs. P.A.M. van Hoef,

tegen:

[gedaagde], wonende te [woonplaats] aan de [adres],

gedaagde,

gemachtigde: mr. A.D.A. Quaedvlieg.

1. Het verloop van de procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:

? Het exploot van dagvaarding met producties;

? De conclusie van antwoord met producties;

? De conclusie van repliek met producties;

? De conclusie van dupliek met producties.

1.2. Na de conclusiewisseling is de zaak op vonnis gesteld. De uitspraak daarvan is bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

2.1. Gedaagde exploiteert een winkel voor foundations en onderkleding. Eiseres is van 1 september 2004 – met een onderbreking van mei 1995 tot september 2006 – tot het einde van haar dienstverband op 1 juli jl. verkoopster herenonderkleding geweest. Eiseres heeft ook enige tijd in de vestiging in Venray gewerkt, maar deze is gesloten en eiseres is 1 februari 2000 pro forma ontslagen. Het laatstverdiende salaris bedroeg EUR 810,00 per maand inclusief vakantietoeslag.

2.2. Op 9 april 2008 heeft gedaagde bij het CWI een ontslagvergunning ingediend vanwege aanhoudende negatieve bedrijfsresultaten. Op 22 mei 2008 heeft het CWI toestemming gegeven om de arbeidsverhouding met eiseres op te zeggen. Bij schrijven van 28 mei 2008 is de arbeidsovereenkomst vervolgens opgezegd tegen 1 juli 2008.

3. De vordering en stellingen van eiseres

3.1. Eiseres vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde te veroordelen om aan tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres EUR 7.500,00 bruto als schadevergoeding te betalen, met veroordeling van gedaagde in de kosten van deze procedure.

3.2. Eiseres heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat de opzegging kennelijk onredelijk is wegens de gevolgen die deze voor haar heeft. Gelet op haar leeftijd, eenzijdige werkervaring, het niet kunnen volgen van cursussen is de positie van eiseres op de arbeidsmarkt slecht te noemen.

3.3. Bij de berekening van de schadevergoeding gaat eiseres uit van de kantonrechtersformule. Voor wat betreft het aantal dienstjaren gaat eiseres uit van de indiensttreding per 1 september 2004 en in elk geval per 1 september 1996. Zij verwijst naar jurisprudentie waarin de kantonrechterformule is toegepast.

3.4. De noodzaak voor de gevraagde opzegging blijkt niet uit de cijfers. De gepresenteerde cijfers rechtvaardigen het aanvragen van het ontslag voor eiseres niet. Het behoorlijke vermogen van gedaagde is bovendien verdampt door onder meer een flamboyante levensstijl. Bij het vorderen van de vergoeding is bovendien rekening gehouden met de financiële positie van gedaagde.

3.5. Voor een verdere feitelijke en juridische onderbouwing van de vordering verwijst de kantonrechter naar de dagvaarding en de conclusie van repliek alsmede naar de daarbij overgelegde producties. De inhoud van voornoemde stukken moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

4. Het verweer van gedaagde

4.1. Gedaagde heeft de vordering betwist en heeft het volgende aangevoerd. De arbeidsovereenkomst is eerst per 1 januari 2000 althans per 1 september 1996 aangevangen. Gelet op de duur van de onderbreking is het onredelijk de arbeidsduur voor 1 september 1996 te laten meetellen.

4.2. In de CWI-procedure is geen onjuiste voorstelling van zaken gegeven. De bedrijfsresultaten waren dermate slecht dat gedaagde zich geen (part)time medewerkster kon veroorloven. Na de verleende toestemming is de arbeidsovereenkomst rechtmatig opgezegd.

4.3. Gedaagde betwist dat de opzegging kennelijk onredelijk is vanwege het gevolgencriterium. Een belangenafweging aan de hand van alle omstandigheden van het geval valt in het voordeel van gedaagde uit. Vanwege het royale inkomen van haar echtgenoot is de financiële positie van eiseres niet zo benard als die van gedaagde. Eiseres heeft verder op geen enkele wijze aangetoond dat haar positie op de arbeidsmarkt slecht is. Verder is er geen causaal verband tussen de lichamelijke gebreken van eiseres en het werk dat zij bij gedaagde verrichtte.

Het enkel ontbreken van een financiële vergoeding maakt een opzegging niet kennelijk onredelijk. Een vergoeding dient bovendien niet gerelateerd te worden aan de kantonrechterformule. Mocht dit al wel zo zijn dan dient een korting van 30% te worden toegepast.

4.4. Ook hier verwijst de kantonrechter voor een verdere feitelijke en juridische onderbouwing van het verweer naar de conclusies van antwoord en dupliek en de daarbij overgelegde producties. De inhoud van voornoemde stukken moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

5. De beoordeling

5.1. In deze zaak is de vraag aan de orde of de opzegging van het dienstverband kennelijk onredelijk is in de zin van artikel 7:681 BW. Eiseres heeft gesteld dat dit op grond van het zogenoemde gevolgencriterium van artikel 7:681 lid 2 aanhef en onder b BW het geval is, wat door gedaagde is betwist. In navolging van de in juli 2009 gewezen arresten van de Gerechtshoven te Den Bosch, Arnhem en Amsterdam, gaat de kantonrechter uit van het navolgende.

5.2. Op grond van artikel 7:681 lid 2 aanhef en onder b BW zal opzegging van de arbeidsovereenkomst door gedaagde onder andere kennelijk onredelijk kunnen worden geacht, wanneer, mede in aanmerking genomen de voor eiseres getroffen voorzieningen en de voor haar bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden, de gevolgen van de opzegging voor eiseres te ernstig zijn in vergelijking met het belang van gedaagde bij de opzegging.

5.2.1. Bij de beoordeling van de vraag of de gevolgen van de opzegging voor eiseres te ernstig zijn in vergelijking met het belang van gedaagde bij de opzegging, dienen alle omstandigheden van het geval ten tijde van het ontslag in onderlinge samenhang in aanmerking genomen te worden. Hierbij kunnen onder meer de hierna genoemde omstandigheden een rol spelen.

1. Algemeen: dienstverband en opzegging

- opzeggingsgrond: risicosfeer werkgever/werknemer

- de noodzaak voor de werkgever het dienstverband te beëindigen

- de duur van het dienstverband

- de leeftijd van de werknemer bij einde dienstverband

- de wijze van functioneren door de werknemer

- de door de werkgever bij de werknemer gewekte verwachtingen

- de financiële positie van de werkgever

- ingeval van een arbeidsconflict: pogingen van partijen om een oplossing te bereiken ter vermijding van een ontslag

- de specifieke omstandigheden bij arbeidsongeschiktheid.

2. Ander (passend) werk

- de inspanningen van de werkgever en de werknemer om binnen de onderneming van de werkgever ander (passend) werk te vinden (bijvoorbeeld door om- of bijscholing)

- flexibiliteit van de werkgever/werknemer

- de kansen van de werknemer op het vinden van ander (passend) werk (waarbij opleiding, arbeidsverleden, leeftijd, arbeidsongeschiktheid en medische beperkingen een rol kunnen spelen)

- de inspanningen van de werknemer om elders (passend) werk te vinden (bijvoorbeeld outplacement)

- vrijstelling van werkzaamheden gedurende de (opzeg)termijn

3. Financiële gevolgen van de opzegging

- de financiële positie waarin de werknemer is komen te verkeren, waarbij van belang kunnen zijn eventuele inkomsten op grond van sociale wetgeving en eventuele pensioenschade

4. Getroffen voorzieningen en financiële compensatie

- reeds aangeboden/betaalde vergoeding

- vooraf individueel overeengekomen afvloeiingsregeling

- sociaal plan (eenzijdig opgesteld of overeengekomen met vakbondsorganisaties of ondernemingsraad)

5.2.2. Indien is geoordeeld dat de opzegging kennelijk onredelijk is, komt de schadevergoeding aan de orde. De hoogte van de schadevergoeding wordt op grond van recente jurisprudentie begroot volgens de X x Y x Z formule.

X-factor: het aantal gewogen dienstjaren.

Voor de berekening van X wordt de diensttijd afgerond op hele jaren. Vervolgens worden de dienstjaren op de volgende wijze gewogen: dienstjaren voor het 40e levensjaar tellen voor 1, van het 40e tot het 50e voor 1,5 en elk dienstjaar vanaf het 50e telt voor 2. Een periode van meer dan zes maanden wordt naar boven afgerond.

Y-factor: laatstverdiende salaris.

Bij de berekening van Y zal worden uitgegaan van het bruto maandsalaris, in ieder geval vermeerderd met vaste en overeengekomen looncomponenten, zoals vakantietoeslag, een vaste dertiende maand, een structurele overwerkvergoeding en een vaste ploegentoeslag. Behoudens zeer uitzonderlijke gevallen zullen niet tot Y (laatstverdiende salaris) worden gerekend: het werkgeversaandeel pensioenpremie, de auto van de zaak, onkostenvergoedingen, het werkgeversaandeel in de ziektekostenverzekering en niet structurele looncomponenten (bijvoorbeeld niet structurele bonus).

Z-factor: correctiefactor.

In de Z-factor worden alle omstandigheden van het geval ten tijde van het ontslag gewogen, onder meer de hiervoor genoemde omstandigheden. Uitgangspunt is Z=0,5. Daarbij heeft te gelden dat deze factoor beoogt in beginsel de maximale schadevergoeding bij een kennelijk onredelijke opzegging vast te leggen. Slechts in bijzondere gevallen kan deze factor hoger uitvallen dan 0,5. De Z-factor van 0,5 beoogt aan te sluiten bij de bestaande praktijk van de (gepubliceerde en ongepubliceerde) rechtspraak van de hoven van de laatste jaren.

De schadevergoeding wordt afgerond in ronde getallen en betreft een brutobedrag en zal in beginsel niet hoger zijn dan de verwachte inkomstenderving tot aan de pensioengerechtigde leeftijd.

5.2.3. Het vorenstaande in aanmerking genomen overweegt de kantonrechter het volgende:

5.3. Gedaagde heeft het CWI toestemming gevraagd de arbeidsovereenkomst op te zeggen in verband met de negatieve bedrijfsresultaten. Het CWI heeft de aanvraag gehonoreerd en zij heeft geoordeeld dat de door de werkgever overgelegde financiële gegevens tot geen andere conclusie kunnen leiden dan dat de werkgever in redelijkheid heeft kunnen komen tot de personeelsinkrimping. In hetgeen thans hiertegen door eiseres wordt aangevoerd ziet de kantonrechter geen aanleiding om tot een andere conclusie te komen.

5.4. Eiseres heeft aangevoerd dat de gevolgen van het ontslag voor haar te ernstig zijn in vergelijking met het belang van gedaagde bij voortzetting van het dienstverband. Gedaagde heeft dit gemotiveerd en aangegeven dat een belangenafweging in haar voordeel moet uitvallen.

5.5. Op grond van de door eiseres geponeerde stellingen kan niet vastgesteld worden dat de gevolgen van de opzegging voor haar ernstiger zijn dan die van gedaagde bij handhaving daarvan. Eiseres heeft haar stellingen op dit punt onvoldoende onderbouwd. Zo heeft zij geen enkel inzicht gegeven in haar financiële positie en de gevolgen van het ontslag op dit gebied. De duur van het dienstverband, waarbij de kantonrechter uitgaat van 1 september 1996, vormt evenmin een beletsel om ander (passend) werk te vinden. Ook hier geldt dat eiseres niet heeft gesteld noch aangetoond welke moeite zij zich heeft getroost om een andere baan te vinden. De gestelde lichamelijke klachten zijn evenmin van een deugdelijke onderbouwing voorzien en eiseres heeft niet aangegeven in welke mate deze haar beletten in arbeid te voorzien. Van een causaal verband tussen de klachten en de verrichte werkzaamheden bij gedaagde is bovendien niets gebleken.

5.6. De kantonrechter komt dan ook tot het oordeel dat er geen sprake is van een kennelijke onredelijke opzegging. Voor betalen van een schadevergoeding is dan ook geen plaats, zodat de vordering zal worden afgewezen.

5.7. Eiseres heeft geen bewijs van haar stellingen aangeboden en de kantonrechter ziet ook geen aanleiding eiseres ambtshalve toe te laten tot enige bewijslevering.

Eiseres zal tot slot als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

6. Beslissing

6.1. Wijst de vordering af.

6.2. Veroordeelt eiseres in de kosten van deze procedure aan de kant van gedaagde gevallen en aan die kant tot heden begroot op EUR 500,00 als salaris voor de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. O.M. de Lange, kantonrechter, en ter openbare civiele terechtzitting op 2 september 2009 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.