Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BJ6405

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
02-09-2009
Datum publicatie
03-09-2009
Zaaknummer
94516 / FA RK 09-815
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art.1:253c lid 2 BW; toekenning eenhoofdig gezag aan niet met gezag belaste vader, die al vijf jaar kinderen verzorgt en opvoedt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector civielrecht

Zaaknummer: 94516 / FA RK 09-815

Beschikking van 2 september 2009 betreffende ouderlijke verantwoordelijkheden

in de zaak van:

[vader],

wonende te [woonplaats], [adres],

hierna te noemen de vader,

advocaat: mr. J.B.J.G.M. Schyns;

tegen:

[moeder],

wonende te [woonplaats], [adres],

hierna te noemen de moeder,

advocaat mr. K. Withagen.

hierna ook te noemen de ouders.

Betreffende de minderjarigen:

1. [minderjarige dochter], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,

2. [minderjarige zoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995.

1. Het verloop van de procedure

1.1. Dit blijkt uit het volgende:

- het verzoekschrift, binnengekomen bij de rechtbank op 22 juni 2009;

- het verweerschrift, binnengekomen bij de rechtbank op 31 juli 2009;

- het minderjarigenverhoor d.d. 14 juli 2009;

- de brief met bijlagen van 31 juli 2009 van de gezinsvoogdes van de minderjarigen;

- de mondelinge behandeling, welke heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2009 en waar zijn verschenen:

- de ouders, bijgestaan door hun advocaten;

- [S], vervangster van de gezinsvoogdes van de stichting Bureau Jeugdzorg Venlo;

- [J] en [G], vertegenwoordigers van de raad voor de kinderbescherming te Roermond.

2. De vaststaande feiten

2.1. De buitenhuwelijkse relatie van de vader en de moeder is in 1996 beëindigd. De vader heeft de minderjarigen erkend. Alleen de moeder heeft het gezag over de minderjarigen, zoals blijkt uit de aantekening in het gezagsregister bij de rechtbank.

2.2. De minderjarigen verblijven sinds april 2004 feitelijk bij de vader en zijn nieuwe partner.

2.3. De minderjarigen zijn bij beschikking van de rechtbank te Amsterdam van 14 juni 2005 onder toezicht gesteld van de Stichting Bureau Jeugdzorg. Tevens is door de rechtbank een machtiging uithuisplaatsing bij de niet met gezag belaste ouder verleend. De ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing zijn bij beschikking van 1 december 2008 van de rechtbank te Amsterdam laatstelijk verlengd voor de duur van één jaar tot uiterlijk 14 december 2009.

3. Het verzoek

3.1. De vader verzoekt wijziging van het ouderlijk gezag in die zin dat

primair: de vader wordt belast met het eenhoofdig gezag,

subsidiair: de ouders gezamenlijk worden belast met het gezag over beide minderjarigen.

De vader heeft gesteld dat de minderjarigen sinds april 2004 bij hem in zijn nieuwe gezin te Venlo wonen. De kinderen staan in Venlo ingeschreven en gaan hier naar school. Zij hebben daar hun sociale contacten en zijn volledig geïntegreerd in het gezin van de vader. [minderjarige dochter] heeft nooit meer contact gehad met haar moeder, [minderjarige zoon] heeft nog wel regelmatig contact via MSN en er was een bezoek van 3 weken in 2008.

De ondertoezichtstelling loopt in december 2009 ten einde. Om te voorkomen dat er na de beëindiging van de ondertoezichtstelling discussie ontstaat over de verblijfplaats van [minderjarige dochter] en [minderjarige zoon], verzoekt de vader om hem te belasten met het eenhoofdig gezag, aangezien dit het meest in het belang van de kinderen is. Het verzoek wordt ondersteund door de gezinsvoogdes.

4. Het verweer

4.1. De moeder heeft zich alleen verweerd tegen het primaire verzoek van de vader om verkrijging van het eenhoofdig gezag, nu zij toewijzing daarvan niet in het belang van de kinderen acht. De moeder vreest dat zij door dit verzoek om gezagswijziging buiten spel wordt gezet. De moeder wenst betrokken te blijven bij de verzorging en opvoeding van de kinderen en mee te kunnen beslissen over belangrijke aangelegenheden in hun leven. De moeder erkent dat er sprake is van problematiek bij de kinderen en dat de communicatie tussen haar en de kinderen en de vader ernstig verstoord is geraakt. De moeder wil zich echter nog steeds inzetten om de relatie (en de omgang) tussen haar en de kinderen te verbeteren of weer op gang te brengen. De moeder acht het wenselijk dat de ondertoezichtstelling in december toch weer wordt verlengd, nu de gronden daarvoor mede gelegen zijn in de problematische thuissituatie bij de vader. De moeder vindt het belangrijk dat de hulpverlening zowel aan het gezin van de vader en de kinderen als aan de moeder wordt voortgezet.

5. Raad voor de kinderbescherming en Bureau Jeugdzorg

5.1. De raadsvertegenwoordiger acht het gerechtvaardigd dat aan de vader gezag wordt toegekend, temeer daar niet aannemelijk is dat de verstoorde relatie tussen de ouders op korte termijn zal kunnen worden hersteld. Een ondertoezichtstelling alleen voortzetten met het oog op de ernstig verstoorde relatie tussen de ouders acht de raad niet juist.

Namens Bureau Jeugdzorg is gesteld dat er thans eigenlijk geen zorgen meer zijn over de minderjarigen. De enige kwestie die nog speelt is het verstoorde contact met de moeder.

6. Het oordeel van de rechtbank

6.1. De rechtbank dient het verzoek van de vader te toetsen aan het bepaalde in artikel 1:253c Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd bij wet van 9 oktober 2008 en in werking getreden met ingang van 28 februari 2009. Het eerste lid van dat artikel bepaalt dat de tot het gezag bevoegde vader van het kind die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank kan verzoeken de ouders gezamenlijk dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten.

Lid 3 van dit artikel bepaalt dat wanneer de andere ouder het gezag over het kind uitoefent, het verzoek om de vader alleen met het gezag te belasten slechts ingewilligd wordt als de rechtbank dit in het belang van het kind wenselijk oordeelt.

Uit deze bepaling blijkt dat het belang van het kind de maatstaf is aan de hand waarvan het verzoek van vader om gezagswijziging op de voet van artikel 1:253c, derde lid BW moet worden beoordeeld.

De rechtbank overweegt het volgende.

Vast staat dat [minderjarige dochter] en [minderjarige zoon] sinds 2004 bij hun vader wonen. Sinds 14 juni 2005 zijn de kinderen onder toezicht gesteld en met een machtiging uithuisplaatsing bij de niet met het gezag belaste vader is hun woonsituatie veilig gesteld. Eén van de doelen van de ondertoezichtstelling was dat de vader de juridische kaders rondom het ouderlijk gezag zou regelen. De moeder heeft te kennen gegeven niet vrijwillig te willen meewerken aan het veranderen van het eenhoofdig gezag naar gezamenlijk gezag.

Voorts is ter zitting gebleken dat er geen zorgen (meer) zijn over de kinderen, met uitzondering van het verstoorde contact met de moeder. Het is nog niet bekend of de stichting in december 2009 een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling zal indienen.

Bij niet verlengen van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing is de kans niet te verwaarlozen dat de verblijfplaats van de minderjarigen weer ter discussie gesteld gaat worden. Het is in het belang van [minderjarige dochter] en [minderjarige zoon] dat de huidige opvoedingssituatie gehandhaafd blijft.

De rechtbank is van oordeel dat, nu [minderjarige dochter] en [minderjarige zoon] sedert 2004 door hun vader worden verzorgd en opgevoed, de feitelijke situatie dan ook in overeenstemming moet worden gebracht met de juridische. De vraag is echter of de vader eenhoofdig gezag dient te krijgen, waardoor het gezag van de moeder beëindigd wordt of dat beide ouders het gezag gezamenlijk dienen uit te oefenen.

De ouders zijn niet in staat tot gezamenlijk overleg over de kinderen, de communicatie en samenwerking verloopt, ondanks de begeleiding door de gezinsvoogd de afgelopen jaren, niet goed. Gevreesd moet worden dat daarin geen verandering of verbetering zal optreden wanneer de ondertoezichtstelling niet meer zal worden verlengd.

Beschermingsmaatregelen als ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn echter niet bedoeld om louter gezagsaangelegenheden te regelen.

De rechtbank acht het, gelet op het bovenstaande, niet in het belang van de minderjarigen om de ouders thans gezamenlijk met het gezag te belasten. De rechtbank overweegt daartoe dat voor de gezamenlijke uitoefening van het gezag is vereist dat de ouders in feite samen in staat zijn tot gezagsuitoefening en daartoe beslissingen van enig belang over hun kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen. Gelet op het feit dat de ouders niet in staat zijn gebleken het gesprek over de kinderen gezamenlijk aan te gaan en het ook niet gedurende de ondertoezichtstelling is gelukt het gedrag van de ouders daarin positief te beïnvloeden, is de rechtbank van oordeel dat er op dit moment geen enkele basis is om gezamenlijk het gezag uit te oefenen.

Gelet op bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het in het belang van [minderjarige dochter] en [minderjarige zoon] is dat aan de vader het eenhoofdig gezag wordt toegekend, waardoor de vader onder meer het recht heeft de verblijfplaats van de minderjarigen te bepalen.

De rechtbank merkt daarbij nog op dat zulks niet betekent dat er geen contact en omgang meer mogelijk zal zijn tussen de moeder en haar kinderen. Voorts wijst de rechtbank op artikel 1:377b, lid 1 van het BW, waarin onder meer is bepaald dat de ouder, die alleen met het gezag is belast, gehouden is de andere ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen zo nodig door tussenkomst van derden over daaromtrent te nemen beslissingen.

7. De beslissing

De rechtbank:

7.1. bepaalt dat aan [vader],

voortaan alleen het gezag zal toekomen over de minderjarigen:

[minderjarige dochter], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,

[minderjarige zoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995.

7.2. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.H.A.M. Beaumont, kinderrechter en ter openbare terechtzitting van 2 september 2009 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

ET

Tegen deze uitspraak kan beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze uitspraak is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening van de uitspraak of nadat de uitspraak hun op andere wijze bekend is geworden.