Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BJ5223

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
11-08-2009
Datum publicatie
13-08-2009
Zaaknummer
AWB 09 / 250
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 49 WRO.

Het college heeft het besluit tot vaststelling van de planschade mogen baseren op het advies van SAOZ. In het advies is bij de planologische vergelijking terecht uitgegaan van de maximale invulling van het voorheen geldende planologische regime en door de planologische wijziging genoten voordeel verrekend. De hogere taxatie in het rapport van de door eiser ingeschakelde deskundige is niet op een juiste wijze bepaald en kan niet leiden tot het oordeel dat het SAOZ advies ondeugdelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht, meervoudige kamer

Procedurenummer: AWB 09 / 250

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

[namen eisers] te [woonplaats], eisers,

gemachtigde mr. [naam gemachtigde]

tegen

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Weert, verweerder.

1. Procesverloop

1.1. Bij besluit van 16 september 2008 (verzonden 19 september 2008) heeft verweerder aan eisers een planschadevergoeding toegekend ten bedrage van € 15.000,- in verband met de realisatie van een woning aan de [straatnaam] te [plaatsnaam].

1.2. De hiertegen door eisers voornoemd ingediende bezwaren zijn bij besluit van

6 januari 2009 ongegrond verklaard.

1.3. Vervolgens is hiertegen door eisers beroep ingesteld.

1.4. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan eisers gezonden.

1.5. Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 30 juni 2009, waar eisers in persoon zijn verschenen, bijstaan door hun gemachtigde mr. [naam gemachtigde] en medegemachtigde ing. [naam gemachtigde 1]. Verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. [naam vertegenwoordiger].

2. Overwegingen

2.1. Op 12 november 2007 hebben eisers bij verweerder een verzoek ingediend tot het toekennen van planschade in verband met de verleende vrijstelling voor de bouw van een woning aan de [straatnaam] te [plaatsnaam]. Ter onderbouwing hiervan stellen eisers dat hun privacy is aangetast en dat ze met een verlies aan uitzicht te maken hebben, waaraan ze toevoegen dat ten tijde van de aankoop van de woning hen door de makelaar een vrij uitzicht is beloofd. Tevens wordt aangegeven dat de schade bestaat uit waardevermindering van de woning.

2.2. Naar aanleiding van voornoemde aanvraag heeft verweerder de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SOAZ) verzocht om advies uit te brengen.

2.3. Bij schrijven van 20 augustus 2008 heeft SOAZ het (definitieve) advies uitgebracht ertoe strekkende om aan eisers een schadevergoeding toe te kennen tot een bedrag van EUR 15.000,- vermeerderd met wettelijke rente.

2.4. Bij primair besluit van 19 september 2008 heeft verweerder, onder overname van het advies van SOAZ, aan eisers het voornoemd bedrag aan schadevergoeding toegekend, vermeerderd met wettelijke rente, waarbij tevens de legeskosten voor het indienen van de aanvraag zijn gerestitueerd.

2.5. Vervolgens is op 28 oktober 2008 bezwaar gemaakt met de kanttekening dat alleen de hoogte van de planschadevergoeding ter discussie staat. Eisers hebben daarbij een contra-expertise van een makelaar/taxateur ingebracht die tot een bedrag van EUR 26.000,- aan schade-vergoeding komt. Aangezien dit bedrag eisers aannemelijk voorkomt, hebben zij verweerder verzocht in bezwaar dit bedrag toe te kennen.

2.6. Daarop heeft SOAZ in reactie op dit taxatierapport aangegeven het door eisers geclaimde bedrag te hoog te vinden en gepersisteert bij het eerder door haar aangegeven bedrag van EUR 15.000,-.

2.7. Bij besluit van 6 januari 2009 (verzonden 9 januari 2009) zijn de bezwaren van eisers ongegrond verklaard onder afwijzing van het verzoek tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand.

2.8. Vervolgens hebben eisers beroep ingesteld, waarbij zij -samengevat- het navolgende stellen:

- Verweerder heeft naast eisers ook aan de buren een planschadevergoeding toegekend, echter dit is geschied op basis van dezelfde argumenten. Dit komt eisers vreemd voor. Als in het ene geval een mogelijke 50m3 aan bouwwerken aan het perceel wordt toegerekend, kan dan niet meer gelden voor het andere perceel. Aangezien verweerder kennelijk die 50m3 reeds bij het verzoek van de buren heeft toegerekend aan hun perceel, hoeft dat niet nogmaals bij eisers te gebeuren en mogen zij uitgaan van een volledig vrij uitzicht;

- Uitgaande van die visie is het uitzichtverlies maar maximaal 8%;

- Aangezien het voormalige agrarische perceel, waar nu met vrijstelling is gebouwd, aan een openbare weg ligt, ligt het voor de hand dat dan eventuele op dat perceel te realiseren bouwwerken ook zo dicht mogelijk aan of langs die weg worden gerealiseerd. Dat betekent dat de mogelijkheid om een gebouw van 50m3 te bouwen niet of niet in die mate aan eisers kan worden toegerekend, zodat van verrekening van voordeel geen sprake kan zijn.

2.9. Het oordeel van de rechtbank

2.9.1. Op grond van artikel 49, eerste lid, onder b van de WRO, zoals die gold voor 1 juli 2008, kennen burgemeester en wethouders, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van het besluit omtrent vrijstelling, als bedoeld in de artikelen 17 of 19, schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.9.2. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie hiervoor onder andere ABRS 18 december 2008, LJN: BG8265) dient bij de beoordeling van een verzoek om planschadevergoeding op grond van artikel 49 van de WRO te worden bezien of sprake is van een wijziging van het planologische regime waardoor een belanghebbende in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een geobjectiveerde vergelijking te worden gemaakt tussen de beweerdelijk schadeveroorzakende planologische maatregel en het voordien geldende planologische regime. Een belanghebbende komt in een planologisch nadeliger situatie te verkeren, wanneer de bouw- en gebruiksmogelijkheden die op basis van het nieuwe planologische regime kunnen worden gerealiseerd, nadeliger gevolgen hebben dan de mogelijkheden die op basis van het voorheen geldende regime maximaal werden toegestaan. Bij de beoordeling of sprake is van een planologisch nadeliger situatie ten gevolge van een planologische wijziging, zijn slechts ruimtelijke gevolgen relevant.

2.9.3. De rechtbank stelt op grond van de stukken en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht, vast dat tussen partijen geen geschil bestaat over de vraag of eisers ten gevolge van het onder 2.1 genoemde besluit tot het verlenen van vrijstelling, schade lijden. Partijen worden enkel nog verdeeld gehouden over de vraag of verweerder op goede gronden heeft besloten tot het toekennen van een schadebedrag van EUR 15.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 november 2007 en niet van een schadevergoeding van EUR 26.000,00, zoals van de kant van eisers is aangevoerd.

2.9.4. Verweerder heeft aan het besluit tot toekenning van de schadevergoeding het advies van de door hem ingeschakelde SAOZ ten grondslag gelegd. Volgens vaste jurisprudentie mag een bestuursorgaan in beginsel op het advies van een deskundige op het gebied van planschade afgaan, tenzij blijkt dat dit op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, inhoudelijk niet concludent (in de zin van onvolledig of gebaseerd op onjuiste uitgangspunten), niet consistent of niet voldoende kenbaar is.

2.9.5. Ten aanzien van de vraag of verweerder zich bij zijn besluitvorming op het advies van SAOZ heeft mogen baseren, overweegt de rechtbank als volgt.

2.9.6. Niet is gebleken dat SAOZ bij de waardebepaling verkeerde uitgangspunten heeft gehanteerd. Zoals onder 2.9.2 is overwogen dient bij de planologische vergelijking te worden uitgegaan van de maximale invulling van het voorheen geldende planologische regime. In verband hiermee overweegt de rechtbank dat SAOZ in haar advies ten behoeve van de planologische vergelijking dan ook terecht is uitgegaan van de bestaande mogelijkheid voor het oprichten van een bouwwerk van openbaar nut met een inhoud van maximaal 50 m³ en een hoogte van 3 meter, tegen de perceelgrens van eisers. Dat deze maximale invulling ook heeft plaatsgevonden bij de berekening van de planschade voor de buren van eisers, zoals door eisers is gesteld, doet hieraan niet af . De maximale invulling dient immers per perceel te worden bezien. Gelet hierop treft ook hetgeen eisers in beroep hebben aangevoerd ten aanzien van de door SAOZ aangenomen omvang van de uitzichtbeperking onder het oude regime, geen doel.

2.9.7. Op goede gronden heeft SAOZ in het advies overwogen dat door het illusoir worden van het agrarische gebruik van het achter eisers woning gelegen perceel, agrarische hinder wegvalt, waardoor eisers voordeel genieten. Overeenkomstig vaste jurisprudentie van de Afdeling mag dit voordeel worden verrekend met het nadeel dat het gevolg is van de planologische verslechtering. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat daarbij door SAOZ een onjuiste maatstaf is gehanteerd. De hiertegen gerichte gronden kunnen dan ook niet slagen.

2.9.8. Verweerder heeft voldoende rekening gehouden met het taxatierapport van [naam gemachtigde 1] dat in opdracht van eisers is uitgebracht. De rechtbank acht daartoe in het bijzonder van belang dat verweerder deze taxatie voor een reactie aan de SAOZ heeft voorgelegd en dat deze blijkens het nader advies van 4 december 2008, gemotiveerd bij haar eerder gegeven advies is gebleven. De enkele omstandigheid dat [naam gemachtigde 1] de waardedaling hoger heeft getaxeerd dan de SAOZ is onvoldoende voor het oordeel dat het advies van de SAOZ onjuist is (zie hiervoor onder andere de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2008,

LJN: BD8314). In verband daarmee overweegt de rechtbank nog dat een deel van het verschil van de waardedaling is toe te rekenen aan de door [naam gemachtigde 1] gehanteerde afwijkende wijze van taxatie van de eisers woning. [naam gemachtigde 1] heeft immers bij zijn waardebepaling gebruik gemaakt van de economische waarde van referentiewoningen, zonder daarbij de waarde bij maximale invulling van de planologische mogelijkheden te betrekken.

2.9.9. Ook overigens is de rechtbank uit de overgelegde stukken en hetgeen door eisers naar voren is gebracht, niet gebleken dat het advies van SAOZ naar inhoud of wijze van totstandkoming onzorgvuldig is. Derhalve mocht verweerder dit advies aan zijn besluitvorming ten grondslag leggen.

2.9.10. Nu het advies van [naam gemachtigde 1] niet heeft bijgedragen aan de objectieve vaststelling van de hoogte van de te vergoeden planschade, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen (verwezen zij onder meer naar ABRS 11 april 2007, LJN: BA2670).

2.9.11. Gelet op voorgaande overwegingen dient het beroep van eisers voor ongegrond te worden gehouden.

2.9.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mrs. P.J. Voncken, L.A. Gruiters en E.J. Govaers (voorzitter), en in tegenwoordigheid van mr. C.H.M. Bartholomeus als griffier en in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2009.

w.g. mr. C.H.M. Bartholomeus,

griffier w.g. mr. E.J. Govaers,

voorzitter

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 11 augustus 2009

Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.