Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BJ5137

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
07-08-2009
Datum publicatie
12-08-2009
Zaaknummer
AWB 09 / 1084
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Sluiting van de woning voor de duur van één jaar op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Uit de overgelegde getuigenverklaringen volgt genoegzaam dat gedurende geruime tijd vanuit de betreffende woning handel in (hard)drugs heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft middels de beleidsregels ter voorkoming en bestrijding van drugsoverlast invulling gegeven aan de bevoegdheid van artikel 13b van de Opiumwet. Dat verzoekers ten gevolge van dit besluit hun woning verliezen, is inherent aan toepassing van de bevoegdheid van artikel 13b van de Opiumwet. Nu verzoekers geen bijzondere feiten of omstandigheden hebben aangevoerd, is de door verweerder gemaakte belangenafweging voldoende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht, enkelvoudige kamer

Procedurenummer: AWB 09 / 1084

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

[namen verzoekers] te [woonplaats], verzoekers,

gemachtigde mr. [naam gemachtigde]

tegen

de Burgemeester van de gemeente Venlo, verweerder.

1. Procesverloop

1.1. Op 23 juli 2009 heeft verweerder gelast om de woning van verzoekers voor de duur van één jaar te sluiten.

1.2. Op 30 juli 2009 hebben verzoekers bezwaar gemaakt tegen voornoemd besluit. Tevens hebben verzoekers zich tot de rechtbank gewend met het verzoek ter zake een voorlopige voorziening te treffen.

1.3. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83 van de Awb ingezonden stukken, alsook de in de loop van de procedure aan het dossier toegevoegde stukken, zijn in kopie aan partijen gezonden.

1.4. Het verzoek is behandeld ter zitting van 4 augustus 2009, waar verzoekers in persoon zijn verschenen, bijgestaan door mr. [naam gemachtigde] en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. [naam vertegenwoordiger].

2. Overwegingen

2.1. Naar aanleiding van een door de politie ingesteld onderzoek heeft verweerder geconcludeerd dat in het pand gelegen aan de [adres] verdovende middelen zijn verkocht, verstrekt of afgeleverd en daar aanwezig waren. Bij doorzoeking van de woning door de politie is 4,8 gram cocaïne, 5,4 gram hash en 1,0 gram marihuana aangetroffen. Op 1 juli 2009 heeft verweerder middels een brief aan verzoekers laten weten voornemens te zijn de voornoemde woning te sluiten. Hierover hebben verzoekers een zienswijze ingediend.

2.2. Op 23 juli 2009 heeft verweerder besloten de hiervoor genoemde woning te sluiten voor de duur van één jaar op de grond dat in de woning verdovende middelen, als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, worden verkocht, afgeleverd, verstrekt dan wel daartoe aanwezig zijn. Verweerder heeft deze sluiting gebaseerd op artikel 13b van de Opiumwet. Verzoekers hebben tot 3 augustus 2009 om 14.00 uur de gelegenheid gekregen om zelf maatregelen tot sluiting te treffen. Als verzoekers deze begunstigingstermijn niet gebruiken om het bevel tot sluiting zelf ten uitvoer te brengen, dan zal verweerder dit doen. Tegen het besluit van 23 juli 2009 hebben verzoekers bezwaar gemaakt en zich tot de voorzieningenrechter gewend. Verweerder heeft toegezegd met de effectuering van het bestreden besluit te wachten, tot de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan op het verzoek om voorlopige voorziening.

2.3. In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.3.1. De rechter concludeert dat aan de in artikel 8:81 van de Awb geformuleerde formele vereisten is voldaan nu verzoekers een bezwaarschrift hebben ingediend tegen het besluit ter zake waarvan de voorlopige voorziening wordt gevraagd en de rechtbank te Roermond bevoegd moet worden geacht om van de (eventuele) hoofdzaak kennis te nemen. De rechter ziet derhalve geen beletselen om verzoekers in hun verzoek om een voorlopige voorziening te ontvangen. Ook gaat de rechter uit van de voor een voorlopige voorziening vereiste onverwijlde spoed.

2.3.2. Nu een bepaald spoedeisend belang wel aanwezig is, bestaat pas aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening indien het belang van verzoekers bij de gevraagde voorziening zodanig is dat het zwaarder dient te wegen dan het belang van verweerder bij afwijzing van die voorziening en bij onmiddellijke uitvoering van het besluit. In het kader van die belangenafweging kan worden betrokken een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak. Een dergelijke beoordeling heeft een voorlopig karakter en is niet bindend voor een eventuele procedure in de hoofdzaak.

2.4.1. Ingevolge artikel 13b van de Opiumwet is burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of lijst II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

2.4.2.. Verweerder heeft de sluiting van de woning gebaseerd op de bevindingen uit het politieonderzoek. Op basis daarvan heeft verweerder geconcludeerd dat in het door verzoekers bewoonde perceel verdovende middelen worden verkocht, afgeleverd, verstrekt dan wel daartoe aanwezig zijn. Gelet op de grote hoeveelheden harddrugs die verhandeld werden is, aldus verweerder, sprake van een zodanig dringend geval dat – conform de beleidsregels – een waarschuwing achterwege kan blijven.

2.4.3. Verzoekers hebben in de eerste plaats aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen waarschuwing heeft gegeven. Voorts betwisten verzoekers dat sprake was van drugshandel. De drugs die zijn aangetroffen, zijn bestemd voor eigen gebruik.

2.4.4. De voorzieningenrechter is voorlopig van oordeel dat verweerder zich op goede gronden bevoegd heeft geacht tot toepassing van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet neergelegde bevoegdheid. Uit de door verweerder overgelegde getuigenverklaringen volgt immers genoegzaam dat gedurende geruime tijd vanuit de betreffende woning handel in (hard)drugs heeft plaatsgevonden. Nu meerdere getuigen hebben verklaard reeds geruime tijd drugs te kopen in de woning en ook drugs is aangetroffen in de woning, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zijn bevoegdheid ingevolge artikel 13b van de Opiumwet heeft mogen aanwenden. Er is weliswaar geen proces-verbaal van bevindingen overgelegd waaruit blijkt dat de drugs in de woning is aangetroffen, maar verzoekers hebben ook niet betwist dat de drugs in de door verweerder gestelde hoeveelheden is gevonden. De voorzieningenrechter is voorlopig van oordeel dat verweerder – conform de beleidsregels – terecht geen waarschuwing heeft gegeven aan verzoekers.

2.5.1. Verzoekers hebben in de tweede plaats aangevoerd dat hooguit sprake is van een eenmalig incident. De aangetroffen drugs waren voor eigen gebruik. Nu de verdovende middelen zijn verwijderd uit de woning, is er geen sprake van enig risico dat er criminele activiteiten plaatsvinden. Gelet op het karakter van de overtreding – het betrof een eenmalig incident – zijn de gevolgen van het besluit – verzoekers verliezen hun woning – disproportioneel. Daar komt nog bij dat verzoekers vanwege de huurovereenkomst verplicht zijn de maandelijkse huurtermijnen aan de verhuurder te voldoen. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder enige afweging in het kader van artikel 13b van de Opiumwet heeft gemaakt. Het is niet duidelijk waarom direct is gekozen voor een lange sluiting van één jaar. Krachtens artikel 13b van de Opiumwet moet sprake zijn van een beleid waaraan een stappenplan is gekoppeld. Het sluiten van een woning is een ultimum remedium.

2.5.2. Verweerder heeft het besluit gebaseerd op de beleidsregels ter voorkoming en bestrijding van drugsoverlast. Deze beleidsregels zijn vastgesteld gelet op de overlast die de gemeente Venlo ondervindt van de handel in drugs die mede het gevolg is van de ligging nabij de Duitse grens en het verschil in regelgeving tussen Nederland en Duitsland. Hierdoor heeft Venlo te kampen met omvangrijk drugstoerisme. Uit die beleidsregels volgt dat (in geval van handel in verdovende middelen in en vanuit woningen) in beginsel een waarschuwing volgt na de eerste constatering van handel in verdovende middelen en dat wordt overgegaan tot sluiting voor een periode van een jaar indien ondanks de waarschuwing blijkt dat de handel voortduurt. Bij dringende gevallen, waarbij gedacht kan worden aan handel in harddrugs en aan handel in grote hoeveelheden softdrugs, zal de waarschuwing worden overgeslagen. Verweerder heeft in zijn beleid aangegeven op grond van welke zwaarwegende argumenten ook voor handel in verdovende middelen in en vanuit woningen een, in algemene zin verantwoorde, harde aanpak noodzakelijk is. Daarvoor heeft verweerder er in zijn beleid op gewezen dat de desbetreffende woningen vaak niet overeenkomstig de bestemming worden gebruikt, er sprake is van bedrijfsmatigheid en dat er een noodzaak voor harde aanpak is gelegen in het voorkomen van het verplaatsingseffect van de betreffende handel vanuit inrichtingen naar woningen. Verweerder heeft deze beleidsregels toegepast in de onderhavige zaak en zich verder op het standpunt gesteld dat

verschillende kopers nadrukkelijk hebben verklaard gedurende langere tijd grotere hoeveelheden cocaïne te hebben gekocht in de betreffende woning. De ernst van dit misdrijf maakt dat de sluiting van één jaar niet disproportioneel is. Voorts heeft verweerder aangegeven een sluiting voor de duur van één jaar essentieel te achten teneinde de bekendheid van de woning als pand waar verdovende middelen worden verkocht te doorbreken en teneinde een langere periode van rust voor de woonomgeving te kunnen garanderen. Het stringente beleid van de gemeente Venlo is al jaren en voldoende algemeen bekend.

2.5.3. De voorzieningenrechter overweegt dat gebruik van artikel 13b van de Opiumwet een discretionaire bevoegdheid betreft, hetgeen betekent dat de rechter dient te respecteren dat verweerder in beginsel over een zekere vrijheid beschikt om naar eigen inzicht uitvoering te geven aan die bevoegdheid. Verweerder heeft invulling gegeven aan deze bevoegdheid middels de beleidsregels ter voorkoming en bestrijding van drugsoverlast. Uit het bestreden besluit volgt genoegzaam dat verweerder deze beleidsregels heeft toegepast. Deze beleidsregels zijn op 31 maart 2009 vastgesteld en op 22 april 2009 gepubliceerd, zodat dit beleid van tevoren kenbaar was voor verzoekers. Voor het oordeel dat het beleid niet in redelijkheid kon worden vastgesteld bestaat geen grond. In de beleidsregels is in voldoende mate uiteengezet waarom woningen waar harddrugs wordt verhandeld – zonder voorafgaande waarschuwing – voor de duur van één jaar worden gesloten. Er is voorts geen sprake van een bijzondere omstandigheid op grond waarvan verweerder van het vastgestelde beleid zou moeten afwijken. Verweerder heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het belang van de openbare orde zwaarder weegt dan het belang van verzoekers om in de woning te blijven wonen. Dat verweerder in dit concrete geval een belangenafweging heeft gemaakt, blijkt – weliswaar summier – uit het bestreden besluit. Deze afweging is in dit geval voldoende, daar de omstandigheden die verzoekers hebben aangevoerd, inherent zijn aan toepassing van de bevoegdheid van artikel 13b van de Opiumwet. Verder heeft verweerder met deze omstandigheden reeds rekening gehouden in de beleidsregel. Verzoekers hebben geen bijzondere feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan van verweerder had mogen worden verwacht op uitgebreidere wijze aan te geven op welke wijze hij de belangen heeft afgewogen.

2.6. De voorgaande overwegingen brengen met zich mee dat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zal worden afgewezen.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. P.J. Voncken in tegenwoordigheid van mr. K.M.P. Jacobs als griffier en in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2009.

w.g. mr. K.M.P. Jacobs,

griffier w.g. mr. P.J. Voncken,

voorzieningenrechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

verzonden op: 7 augustus 2009

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.