Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BJ4880

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
11-08-2009
Datum publicatie
11-08-2009
Zaaknummer
04/650115-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Valkuilen Helden medeplegen van poging doodslag niet bewezen, medeplegen van poging zware mishandeling bewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector strafrecht

Parketnummer : 04/650115-08

Datum uitspraak : 11 augustus 2009

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

[geboortedatum],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in [detentieadres].

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 juli 2009.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1.

hij op of omstreeks 27 februari 2008 in de gemeente Helden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan [slachtoffer 1] en/of een persoon, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een kuil heeft gegraven in een wandel- en/of ruiterpad in de bossen, in die kuil een betonnen blok met daarin uitstekende en naar boven gerichte metalen pinnen met aangescherpte punten heeft geplaatst en vervolgens die kuil heeft afgedekt teneinde die kuil aan het zicht te onttrekken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(art. 302 jo 45 Wetboek van Strafrecht)

Althans indien terzake het vorenstaande onder 1 geen veroordeling zou volgen:

een tot nu toe onbekend gebleven persoon op of omstreeks 27 februari 2008 in de gemeente Helden ter uitvoering van zijn voornemen om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans ieder voor zich en alleen, aan [slachtoffer 1] en/of een persoon opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een kuil heeft gegraven in een wandel- en/of ruiterpad in de bossen, in die kuil een betonnen blok met daarin uitstekende en naar

boven gerichte metalen pinnen met aangescherpte punten heeft geplaatst en vervolgens die kuil heeft afgedekt teneinde die kuil aan het zicht te onttrekken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 27 februari 2008 te Maasbracht, in elk geval in de gemeente(n) Maasgouw en/of Helden en/of elders in Nederland gelegenheid

en/of middelen heeft verschaft door die nog onbekend gebleven persoon en/of aan diens mededader(s) een aantal metalen pinnen en/of houten latjes te bezorgen, althans te verschaffen;

(Artikel 302 juncto 45 juncto 48 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 6 april 2008 in de gemeente Helden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of een persoon van het leven te beroven, met dat opzet een kuil heeft gegraven in een wandel- en/of ruiterpad in de bossen, in die kuil een betonnen blok met daarin uitstekende en naar boven gerichte metalen pinnen met aangescherpte punten heeft geplaatst en vervolgens die kuil heeft afgedekt teneinde die kuil aan het zicht te onttrekken,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(Artikel 287 juncto 45 Wetboek van Strafrecht)

Althans indien terzake het vorenstaande onder 2 geen veroordeling zou volgen:

een tot nu toe onbekend gebleven persoon op of omstreeks 6 april 2008 in de gemeente Helden ter uitvoering van zijn voornemen om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans ieder voor zich en alleen, opzettelijk [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of een persoon van het leven te beroven, met dat opzet een kuil heeft gegraven in een wandel- en/of ruiterpad in de bossen, in die kuil een betonnen blok met daarin uitstekende en naar boven gerichte metalen pinnen met aangescherpte punten heeft geplaatst en vervolgens die kuil heeft afgedekt teneinde die kuil aan het zicht te onttrekken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en 6 april 2008 te Maasbracht, in elk geval in de gemeente(n) Maasgouw en/of Helden en/of elders in Nederland gelegenheid en/of middelen heeft verschaft door aan die nog onbekend gebleven persoon en/of aan diens mededader(s) een aantal metalen pinnen en/of houten latjes te bezorgen, althans te verschaffen;

(Artikel 287 juncto 45 juncto 48 Wetboek van Strafrecht)

Althans indien terzake al het vorenstaande onder 2 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 6 april 2008 in de gemeente Helden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of een persoon opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een kuil heeft gegraven in een wandel- en/of ruiterpad in de bossen, in die kuil een betonnen blok met daarin uitstekende en naar boven gerichte metalen pinnen met aangescherpte punten heeft geplaatst en vervolgens die kuil heeft afgedekt teneinde die kuil aan het zicht te onttrekken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(Artikel 302 juncto 45 Wetboek van Strafrecht)

Althans indien terzake al het vorenstaande onder 2 geen veroordeling zou volgen:

een tot nu toe onbekend gebleven persoon op of omstreeks 6 april 2008 in de gemeente Helden ter uitvoering van zijn voornemen om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans ieder voor zich en alleen, aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of een persoon opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een kuil heeft gegraven in een wandel- en/of ruiterpad in de bossen, in die kuil een betonnen blok met daarin uitstekende en naar boven gerichte metalen pinnen met aangescherpte punten heeft geplaatst en vervolgens die kuil heeft afgedekt teneinde die kuil aan het zicht te onttrekken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en 6 april 2008 te Maasbracht, in elk geval in de gemeente(n) Maasgouw en/of Helden en/of elders in Nederland gelegenheid en/of middelen heeft verschaft door aan die nog onbekend gebleven persoon en/of aan diens mededader(s) een aantal metalen pinnen en/of houten latjes te bezorgen, althans te verschaffen;

(Artikel 302 juncto 45 juncto 48 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op of omstreeks 8 juni 2008 in de gemeente Helden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 5] en/of een persoon van het leven te beroven, met dat opzet een kuil heeft gegraven in een wandel- en/of ruiterpad in de bossen, in die kuil een betonnen blok met daarin uitstekende en naar boven gerichte metalen pinnen met aangescherpte punten heeft geplaatst en vervolgens die kuil heeft afgedekt teneinde die kuil aan het zicht te onttrekken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(Artikel 287 juncto 45 Wetboek van Strafrecht)

Althans indien terzake het vorenstaande onder 3 geen veroordeling zou volgen:

een tot nu toe onbekend gebleven persoon op of omstreeks 8 juni 2008 in de gemeente Helden ter uitvoering van zijn voornemen om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans ieder voor zich en alleen, opzettelijk [slachtoffer 5] en/of een persoon van het leven te beroven, met dat opzet een kuil heeft gegraven in een wandel- en/of ruiterpad in de bossen, in die kuil een betonnen blok met daarin uitstekende en naar boven gerichte metalen pinnen met aangescherpte punten heeft geplaatst en vervolgens die kuil heeft afgedekt teneinde die kuil aan het zicht te onttrekken,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en 8 juni 2008 te Maasbracht, in elk geval in de

gemeente(n) Maasgouw en/of Helden en/of elders in Nederland gelegenheid en/of middelen heeft verschaft door aan die nog onbekend gebleven persoon en/of aan diens mededader(s) een aantal metalen pinnen en/of houten latjes te bezorgen, althans te verschaffen;

(Artikel 287 juncto 45 juncto 48 Wetboek van Strafrecht)

Althans indien terzake al het vorenstaande onder 3 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 8 juni 2008 in de gemeente Helden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan [slachtoffer 5] en/of een persoon opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een kuil heeft gegraven in een wandel- en/of ruiterpad in de bossen, in die kuil een betonnen blok met daarin uitstekende en naar boven gerichte metalen pinnen met aangescherpte punten heeft geplaatst en vervolgens die kuil heeft afgedekt teneinde die kuil aan het zicht te onttrekken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(Artikel 302 juncto 45 Wetboek van Strafrecht)

Althans indien terzake al het vorenstaande onder 3 geen veroordeling zou volgen:

een tot nu toe onbekend gebleven persoon op of omstreeks 8 juni 2008 in de gemeente Helden ter uitvoering van zijn voornemen om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans ieder voor zich en alleen, aan [slachtoffer 5] en/of een persoon opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een kuil heeft gegraven in een wandel- en/of ruiterpad in de bossen, in die kuil een betonnen blok met daarin uitstekende en naar boven gerichte metalen pinnen met aangescherpte punten heeft geplaatst en vervolgens die kuil heeft afgedekt teneinde die kuil aan het zicht te onttrekken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en 8 juni 2008 te Maasbracht, in elk geval in de

gemeente(n) Maasgouw en/of Helden en/of elders in Nederland gelegenheid en/of middelen heeft verschaft door aan die nog onbekend gebleven persoon en/of aan diens mededader(s) een aantal metalen pinnen en/of houten latjes te bezorgen, althans te verschaffen;

(Artikel 302 juncto 45 juncto 48 Wetboek van Strafrecht)

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen

7.1 Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 28 juli 2009 gevorderd dat het onder 1 primair, het onder 2 primair en het onder 3 primair ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

De officier van justitie heeft haar standpunt ten aanzien van de bewezenverklaring van voormelde feiten neergelegd in een -aan de rechtbank overgelegd- schriftelijk requisitoir. De rechtbank verwijst daarvoor naar de inhoud van dat requisitoir, dat aan het proces-verbaal van terechtzitting zal worden gehecht en daarvan deel zal uitmaken.

De raadsvrouw heeft -zakelijk weergegeven- het navolgende aangevoerd en heeft daartoe een pleitnota overgelegd, welke aan het proces-verbaal van terechtzitting zal worden gehecht en daarvan deel zal uitmaken. Volgens de raadvrouw kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte de ten laste gelegde feiten in vereniging althans alleen heeft gepleegd. De enkele omstandigheid dat verdachte een aantal pinnen heeft geleverd maakt niet dat er sprake is van een bewuste nauwe samenwerking en opzet. Ook is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor medeplichtigheid aan de ten laste gelegde feiten. De raadsvrouw bepleit vrijspraak voor de ten laste gelegde feiten.

7.2 Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen .

De hieronder vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De genoemde geschriften zijn slechts gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij op 27 februari 2008 met zijn vrouw in de bossen te Helden aan het wandelen was. Tijdens dat wandelen, omstreeks 12.00 uur, is hij in een gat gezakt. Na thuiskomst voelde hij pijn aan zijn voet en zag dat er in zijn linkervoet een wondje zat. In de zool van zijn schoen zat een gaatje. Op 28 februari 2008 is aangever [slachtoffer 1] teruggegaan naar het bos waar hij de dag ervoor had gewandeld. Hij zag toen dat er midden in het bospaadje een gat zat waarin zwarte plastic lag. Het gat was ongeveer 60 centimeter diep en had een doorsnede van eveneens 60 centimeter. Onder in het gat zag hij iets van beton liggen met daarin bevestigd diverse vlijmscherp gemaakte betonijzeren pinnen.

Een proces-verbaal van bevindingen waarin verbalisanten hebben gerelateerd dat zij op 28 februari 2008 constateerden dat zich in het bosgebied te Helden, midden in een wandelpad, een valkuil bevond. Zij zagen dat het gat rond van vorm was en een diameter had van 50 à 60 centimeter en een diepte van ongeveer 60 centimeter. Op en in het gat zagen zij een donkerkleurige plastic zak en houten latjes liggen. De houten latjes waren zilver van kleur en hadden een lengte van ongeveer 80 centimeter en een breedte van ongeveer 2 centimeter. Zij zagen verder dat zich onder in het gat een rond betonnen plateau bevond met daarin een twintigtal ijzeren pinnen, welke met de punt naar boven gericht waren. De langste pinnen hadden een lengte van ongeveer 20 centimeter. Tevens waren twee handvatten in het beton aangebracht. Voorts zagen verbalisanten dat op enkele meters afstand van het gat, aan weerzijden van het pad, geel zand verspreid lag.

Op 28 augustus 2008 heeft [verbalisant 1] twee metalen staven uit het voornoemde betonblok gezaagd. Het betrof de navolgende sporen: AAAB4689NL (metalen staaf met rode verf uit betonblok) en AAAB4690NL (metalen staaf met witte verf uit betonblok). Op 3 september 2008 heeft [verbalisant 1] nog een metalen staaf uit het betonblok verwijderd, deze werd voorzien van spoornummer AAAB8449NL.

Een proces-verbaal van bevindingen waarin verbalisanten hebben gerelateerd dat er op 6 april 2008 door een drietal fietsers een valkuil was ontdekt in de Heldense Bossen te Helden. Een van de fietsers had ter plaatse ontdekt dat de grond meegaf waarna nader onderzoek door de fietsers uitwees dat er onder een dun laagje zand een zwarte plastic vuilniszak was gelegd, waaronder een aantel dunne, grijs geschilderde latjes lagen. Deze latjes lagen over een groot gat in het pad. Onder in dat gat lag een betonnen blok met daarin, recht naar boven wijzende, ijzeren pinnen. Eenmaal ter plaatse constateerden verbalisanten dat het een nagenoeg rond gat betrof met een doorsnede van naar schatting 80 centimeter en een diepte van ongeveer 150 centimeter. Ook verbalisanten zagen op de bodem een platte blok beton liggen, deze was rond gevormd en aan de bovenzijde staken een groot aantal spitse ijzeren staven uit het beton. Tevens was het betonblok voorzien van twee handvatten. Ter plaatse bleek dat de uit het gat verwijderde gele grond naast het pad lag. Verbalisanten zagen dat op een afstand van ongeveer 6 meter van het gat in het ernaast gelegen bos, een grote hoeveelheid gele grond tussen de bomen en struiken verspreid was.

Een proces-verbaal van bevindingen waarin verbalisanten hebben gerelateerd dat [verbalisant 2] op 16 april 2008 foto’s heeft bekeken van de situatie met betrekking tot de op 6 april 2008 aangetroffen valkuil. Hij zag daarbij dat er op de foto zilverkleurige latjes zichtbaar waren, soortgelijk als welke zij hadden aangetroffen bij de valkuil op 28 februari 2008.

Getuige [slachtoffer 5] heeft verklaard dat hij op zondag 8 juni 2008 een hardloopparcours aan het uitzetten was in de Heldense Bossen in Helden. Toen zij over het bospad liepen is getuige [slachtoffer 5] met diens linkerbeen in een gat gevallen. Getuige [slachtoffer 5] klom vervolgens uit dit gat en zag dat hij met zijn linkerbeen tot over zijn knie in dit gat gevallen was. Hij zag dat er een gat in de grond was gegraven midden op dit bospad. Dit gat was afgedekt met bosgrond met naalden en takjes, waardoor dit afgedekte gat niet te onderscheiden was van andere bosgrond. Ook zag getuige [slachtoffer 5] dat onder deze bosgrond een plastic laag was gespannen en dat er houten stokjes over dit gat waren gelegd. Dit waren smalle latjes.

Een proces-verbaal van bevindingen waarin verbalisanten hebben gerelateerd dat zij op zondag 8 juni 2008 constateerden dat er zich in een wandelpad op de bodem van een ongeveer 140 centimeter diepe kuil een betonnen blok bevond met daarin naar boven gerichte lange scherpe metalen pinnen. Verbalisanten zagen dat de valkuil aan het zicht was onttrokken doordat deze was afgedekt middels dunne latjes met daaroverheen een soort van vuilniszak met daarover aarde en afgevallen blad/naalden. Tevens zagen verbalisanten dat het verwijderde zand uit het gat enkele meters verderop in het bos verspreid was over de bodem, uit het zicht van eventuele passanten.

Een proces-verbaal technisch onderzoek waaruit blijkt dat het betonblok aangetroffen in valkuil 1 (28 februari) een gewicht heeft van 44 kilogram, een diameter van 46 centimeter en een dikte van 13 centimeter. Het betonblok aangetroffen in valkuil 2 (6 april) heeft een gewicht van 47,3 kilogram, een diameter van 52,5 centimeter en een dikte van 11 centimeter en het betonblok aangetroffen in valkuil 3 (8 juni) heeft een gewicht van 36,7 kilogram, een diameter van 48 centimeter en een dikte van 10 centimeter.

De betonblokken waren voorzien van ijzeren staven die waren voorzien van geslepen scherpe puntige uiteinden. De ijzeren staven waren in twee cirkels in het beton geplaatst. Voorts waren alle blokken voorzien van ijzeren handvatten.

In het betonblok uit valkuil 1 zaten 16 ijzeren staven met een lengte van 20 centimeter en 9 met een lengte van 15 centimeter; al deze staven hadden een diameter van 8 millimeter. In het betonblok uit valkuil 2 zaten 16 ijzeren staven met een lengte van 20 centimeter, 1 met een lengte van 15 centimeter en 25 met een lengte van 10 centimeter; al deze staven hadden een diameter van 6 millimeter. In het betonblok uit valkuil 3 zaten 8 ijzeren staven met een lengte van 25 centimeter en 18 met een lengte van 11 centimeter; al deze staven hadden een diameter van 8 millimeter.

Een proces-verbaal van bevindingen waarin verbalisanten hebben gerelateerd over een doorzoeking aan de [adres]. Het perceel betreft een woning annex winkel. De woning is geheel onderkelderd, in welke kelderruimtes het bedrijf van verdachte gevestigd is. In de kelderruimte werd door verbalisanten een zware machine gekanteld. Hierbij werden op de vloer onder deze machine 2 metalen pinnen aangetroffen. Een metalen pin was rood geverfd en de andere metalen pin was blank met daarop een soort teerbedekking. Voorts werden er diverse stukjes houten lat gevonden, die schoon waren en er niet verweerd en verouderd uitzagen. Dit in tegenstelling tot het overige hout in de ruimte.

De staven aangetroffen bij de doorzoeking zijn verpakt en voorzien van de spoornummers AAAB8450NL en AAAB8451NL.

Een proces-verbaal uitslag N.F.I. waaruit blijkt dat de bij verdachte aangetroffen metalen staaf met zwarte substantie (spoornummer AAAB8450NL) en de bij verdachte aangetroffen metalen staaf met rode verf (spoornummer AAAB8451NL) zijn vergeleken met metalen staven uit betonblok 1 (spoornummers AAAB8449NL en AAAB4689NL). Uit deze vergelijking volgt de conclusie dat de aard van de gevonden overeenkomsten maakt dat het waarschijnlijk is dat de rood/groene verfcombinatie op de staaf uit betonblok 1 (AAAB4689NL) dezelfde herkomst heeft als de rood/groene verfcombinatie op de staaf welke is aangetroffen bij verdachte (AAAB8451NL). Voorts komen de stukjes verf op de staven (AAAB8449NL) en (AAAB8450NL) op de onderzochte kenmerken overeen met elkaar en met de rode verf op de staven (AAAB4689NL) en (AAAB8451NL). De aard van de overeenkomst geeft een aanwijzing dat de stukjes rode verf op de staven (AAAB8449NL) en (AAAB8450NL) onderling dezelfde herkomst hebben en dezelfde herkomst hebben als de rode verf op de staven (AAAB4689NL) en (AAAB8451NL). “Dezelfde herkomst” betekent afkomstig uit hetzelfde blik verf of uit dezelfde (productie)batch.

[Getuige 1] heeft verklaard dat hij werkzaam is bij de gemeente Maasgouw en daar onder andere het onderhoud aan gereedschappen doet. Van huis uit is hij gereedschapslijper. Hij komt ongeveer één keer per maand bij de firma [naam], gevestigd aan de [adres], om sleutels te laten namaken. Medio juli 2008 is [getuige 1] ook bij de firma [naam] geweest. Terwijl hij stond te wachten zag hij in de hoek van de winkel links achter in, tegen de muur, een witte plastic emmer op de grond staan. Hij zag dat er in de emmer ongeveer 15 pinnen van diverse lengte stonden, waarvan de langste circa 15 centimeter over de rand stak. De pinnen waren van blank constructie-ijzer en waren niet geverfd of behandeld. De pinnen waren nog voorzien van de walshuid. Voorts zag [getuige 1] dat de pinnen waren geslepen, maar met een zeer korte punt. Nabij de punt van de pinnen zat een soort bolling. Alle keren daarvoor dat [getuige 1] bij de firma [naam] is geweest heeft hij de geslepen pinnen nog nooit gezien.

Aan [getuige 1] worden een drietal foto’s getoond waarop pinnen staan. Hij verklaart dat de foto met nummer 1 , qua punt het meest overeen komt met de pinnen die hij heeft gezien. [Getuige 1] verklaart tenslotte dat de pinnen die hij heeft gezien bij de firma [naam] soortgelijk zijn aan de pinnen zoals afgebeeld op een foto van de valkuilen in de krant.

Bij de rechter-commissaris verklaart [getuige 1] dat de pinnen van nieuw ijzer waren, waarop de walshuid nog zichtbaar was. Voorts verklaart hij dat hij de man die in de zaak stond herkent en dat dit dezelfde persoon is als die staat afgebeeld op de foto op pagina 747 van het dossier .

Blijkens een proces-verbaal van bevindingen heeft [getuige 1] op 17 februari 2009 , desgevraagd verklaard dat het hem niet waarschijnlijk lijkt dat de door hem in het winkelgedeelte van verdachte aangetroffen pinnen reeds in februari zijn geslepen. Hij leidt dit af uit het gegeven dat hij zag dat, daar waar de punten geslepen waren, het ijzer nog blonk als nieuw en er een duidelijk verschil was tussen de punten en de rest van de pinnen.

Verdachte heeft verklaard dat hij voor zijn werk velgenreparaties doet, alsmede sleutels namaken. Hij heeft de zaak van zijn oom overgenomen. Het bedrijf ligt aan de [adres].

Verdachte heeft verklaard dat hij die pinnen heeft gemaakt, hij heeft deze geslepen met de slijpmachine in zijn eigen werkplaats. [medeverdachte 1] heeft hem dat gevraagd en heeft verdachte hiervoor € 100,00 betaald. [medeverdachte 1] had die pinnen nodig om valkuilen te maken. [medeverdachte 1] wilde die maken in tuinen voor de bescherming van hennepkwekerijen. Verdachte heeft verklaard dat hij niet wist dat [medeverdachte 1] de valkuilen op bospaden wilde leggen.

Verdachte heeft verder verklaard dat hij de latjes, die bij hem zijn gevonden, een keer voor [medeverdachte 1] heeft meegenomen. [medeverdachte 1] had deze nodig voor de kuilen bij de kwekerijen, net als de pinnen. Die latjes worden dan gebruikt om ze op de kuilen te leggen en ze daarmee af te dichten. Verdachte heeft er een stuk of 10 voor [medeverdachte 1] meegenomen. Een paar van die latjes zijn bij verdachte blijven liggen. Dat was volgens verdachte in februari, ongeveer gelijk als met de pinnen.

Verdachte heeft verklaard ongeveer 20 pinnen aan [medeverdachte 1] te hebben gegeven en er ongeveer 40 gemaakt te hebben.

Verdachte heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting, op 28 juli 2009, verklaard dat hij de latjes voor [medeverdachte 1] op maat gezaagd heeft. Er zou geen overleg zijn geweest over wat de afmeting van de latjes zou moeten zijn. Verdachte heeft dit zelf ingeschat.

Tegen de achtergrond van voorgaande bewijsmiddelen ziet de rechtbank zich onder meer gesteld voor de volgende vragen:

a. Kan worden vastgesteld dat verdachte betrokken is geweest bij één of meer van de tenlastegelegde feiten;

b. Indien de betrokkenheid van verdachte kan worden vastgesteld, dient deze dan te worden gekwalificeerd als medeplegen of als medeplichtigheid;

c. Heeft verdachte opzet gehad op het plaatsen van de valkuilen in wandel – en/of ruiterpaden in de bossen;

d. Heeft verdachte opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en/of het van het leven beroven van één of meer personen.

ad. a De betrokkenheid van verdachte bij de tenlastegelegde feiten.

De rechtbank stelt vast dat verdachte betrokken is geweest bij valkuil 1, zoals ten laste gelegd in feit 1. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Verdachte heeft zelf verklaard in de maand februari 2008 pinnen en latjes te hebben geleverd en dat hij daar geld voor zou krijgen. Voorts heeft hij verklaard dat hij wist dat deze bedoeld waren voor het maken van valkuilen, zulks ter bescherming van hennepplantages in tuinen. Bij een doorzoeking aan de [adres], zijnde het bedrijfspand van verdachte, zijn ijzeren pinnen aangetroffen. Één van de aldaar gevonden pinnen bevatte sporen van rode verf. Bij onderzoek door het N.F.I. is gebleken dat de verf op deze pin overeen kwam met de verf op een ijzeren pin die afkomstig was uit het betonblok dat was gevonden in valkuil 1.

De rechtbank stelt tevens vast dat verdachte betrokken is geweest bij valkuil 2 en 3, zoals ten laste gelegd in respectievelijk de feiten 2 en 3. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Verdachte heeft verklaard pinnen en latjes te hebben geleverd ten behoeve van het maken van valkuilen. Het valt de rechtbank op dat verdachte hierbij steeds verklaart over valkuilen en niet over één valkuil. Het valt de rechtbank eveneens op dat verdachte zijn verklaringen steeds bijstelt naar de stand van de onderzoeksresultaten. Zo heeft verdachte pas verklaard dat hij pinnen heeft geslepen en geleverd, nadat hij met de gegevens van de doorzoeking is geconfronteerd. Verdachte verklaart aanvankelijk dat hij ongeveer 5 of 10 pinnen heeft geleverd. Ter gelegenheid van datzelfde verhoor verklaart hij dat het er ook 20 kunnen zijn geweest of 10. Uiteindelijk verklaart verdachte dat hij 40 pinnen heeft gemaakt. Hiervan zou hij er 20 hebben geleverd aan [medeverdachte 1], de overige pinnen zouden zijn achtergebleven in een witte bak in de winkel. Verdachte heeft verklaard dat de pinnen daar zijn blijven staan tot medio juli 2008, daarna heeft hij ze weggegooid. De rechtbank merkt op dat toen verdachte deze laatste verklaring aflegde bekend was dat [getuige 1] een verklaring had afgelegd over de door hem in de winkel van verdachte waargenomen emmer met pinnen. Met betrekking tot de latjes verklaart verdachte aanvankelijk dat hij geen latjes aan [medeverdachte 1] heeft gegeven, maar alleen pinnen. Uiteindelijk verklaart hij dat de bij hem tijdens de doorzoeking in de bedrijfsruimte aangetroffen latjes voor [medeverdachte 1] bestemd waren. Verdachte had deze voor [medeverdachte 1] meegenomen en vervolgens zijn er een paar van die latjes bij hemzelf blijven liggen. Volgens verdachte had [medeverdachte 1] de latjes nodig voor de kuilen.

De rechtbank acht voorgaande wijze van verklaren mede van belang omdat hieruit blijkt dat verdachte kennelijk wil verdoezelen wat zijn aandeel is geweest bij de ten laste gelegde feiten. De rechtbank voelt zich in dit oordeel gesteund door de verklaring van verdachte over de reden waarom hij heeft toegegeven “dingen” te hebben geleverd. Verdachte zegt hierover “ze hebben ze ook bij mij gevonden, dus daarom zeg ik dit ook”. De rechtbank vat de verklaringen van verdachte dan ook zo op dat deze enkel tot uitdrukking brengen wat de ondergrens van diens betrokkenheid is geweest.

De rechtbank overweegt voorts dat het niet waarschijnlijk is dat de pinnen, die door [getuige 1] medio juli in de winkel van verdachte zijn aangetroffen, de overgebleven 20 pinnen van de oorspronkelijke partij van 40 pinnen zijn. Gezien de verklaring van [getuige 1] gaat de rechtbank er vanuit dat de in juli door die [getuige 1] aangetroffen pinnen niet reeds in februari geslepen zijn. Immers, de pinnen waren van nieuw ijzer en daar waar de punten geslepen waren, blonk het ijzer nog als nieuw. Bovendien heeft verdachte ter terechtzitting van 28 juli 2009 desgevraagd verklaard dat hij de resterende 20 pinnen van de oorspronkelijke partij van 40 pinnen heeft verstopt op diverse plaatsen en dat hij oorspronkelijk van plan was om deze nog aan [medeverdachte 1] te leveren.

Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat verdachte ook ver na februari 2008 nog pinnen heeft geslepen op een wijze gelijkend op die van de in de valkuilen aangetroffen pinnen. Voorts acht de rechtbank het in het licht van al het voorgaande een zaak van gezond verstand om conclusies te trekken uit verdachtes steeds wisselende verklaringen over onder meer de hoeveelheid pinnen die hij heeft geslepen en hetgeen er is gebeurd met het kennelijke restant van 20 pinnen. Dit kan op zichzelf niet tot bewijs bijdragen. Echter, dat brengt niet mee dat de rechtbank niet in haar overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal zou mogen betrekken dat een verdachte, voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd, redengevend moet worden geacht voor het bewijs van een ten laste gelegd feit, geen redelijke die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven.

Voorts bezigt de rechtbank de ter terechtzitting van 28 juli 2009 door verdachte afgelegde verklaring over de latjes en de lengte ervan tot bewijs. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij de latjes heeft afgezaagd op een lengte van één meter. Naar het oordeel van de rechtbank, doelt verdachte daarmee niet op de latjes zoals aangetroffen bij valkuil 1, deze waren immers 80 centimeter. Uitgaande van de diameter van de kuilen 2 en 3, te weten 80 centimeter, is de rechtbank van oordeel dat de door verdachte afgezaagde latjes van één meter voor deze valkuilen zijn gebruikt. Immers, deze latjes moesten iets groter zijn dan de diameter van het gat van de valkuil, zodat het plastic op de latjes zou kunnen steunen en de valkuil zodoende na bedekking met bosgrond aan het zicht onttrokken zou zijn.

Ten slotte overweegt de rechtbank dat er sprake is van belangrijke overeenkomsten in de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten met betrekking tot de modus operandi en de gebruikte materialen. Immers, alle valkuilen zijn gegraven op een bospad in de Heldense Bossen te Helden. De valkuilen 2 en 3 zijn qua uiterlijke verschijningsvorm nagenoeg gelijk en wijken alleen qua afmeting af van valkuil 1, de kuilen zijn cirkelvormig en nauwkeurig rond gegraven. Onder in de valkuilen bevond zich telkens een betonblok met daarin naar boven gerichte scherpe ijzeren pinnen. De betonblokken uit de verschillende valkuilen en de daarin verwerkte ijzeren pinnen vertonen blijkens het in het voorgaande genoemde proces-verbaal technische bevindingen grote gelijkenis. Alle kuilen zijn middels een donkergekleurde vuilniszak met daaronder dunne latjes afgedekt en alle kuilen zijn middels camouflage onttrokken aan het zicht van passanten. Het zand afkomstig uit de kuilen is afgevoerd en op korte afstand van de valkuil verspreid. Gezien voorgaande is er sprake van duidelijke overeenkomsten in de zaken met betrekking tot modus operandi en de gebruikte materialen. Uit deze omstandigheden leidt de rechtbank af dat de valkuilen zijn vervaardigd door dezelfde daders. Dit alles overwegende brengt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte ook betrokken is geweest bij de onder feit 2 en 3 ten laste gelegde valkuilen.

ad. b Medeplegen en/of medeplichtigheid

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat verdachte niet kan worden aangemerkt als medepleger of als medeplichtige met betrekking tot de ten laste gelegde feiten. De rechtbank overweegt hieromtrent het navolgende. Uit de gebezigde bewijsmiddelen komt ondermeer naar voren dat verdachte wetenschap heeft gehad van het voornemen om valkuilen te maken met daarin scherpe pinnen. Verdachte heeft zich desondanks daarvan niet gedistantieerd. In tegendeel, hij heeft ter uitvoering van dat voornemen niet alleen materialen geleverd, maar deze ook geschikt gemaakt voor het doel waarvoor deze bestemd waren. Immers, hij heeft de pinnen geslepen en de houten latjes op maat gemaakt en hij heeft hiervoor een vergoeding afgesproken. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat verdachte heeft geweten wat de beoogde afmeting van de kuilen is geweest, dan wel een doorslaggevende rol heeft gespeeld bij de bepaling hiervan. Gelet op de hiervoor weergegeven gedragingen van verdachte en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht, een en ander bezien in onderlinge samenhang en in verband met de overige bewijsmiddelen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte door met genoemde wetenschap te handelen er in wezenlijke zin aan heeft bijgedragen dat zijn mededader(s) de hierna bewezenverklaarde handelingen konden verrichten. Gelet daarop is er tussen verdachte en zijn mededader(s) sprake geweest van een dermate bewuste en nauwe samenwerking dat verdachte als medepleger van die bewezenverklaarde feiten moet worden aangemerkt. Daaraan doet niet af dat de rechtbank niet heeft kunnen vaststellen dat verdachte zelf actief betrokken is geweest bij het graven van de valkuilen. Gelet echter op de aard van de valkuilen en de constructie ervan acht de rechtbank het wel waarschijnlijk dat het aanleggen daarvan door meer dan één persoon heeft plaatsgevonden. In hoeverre één van die personen de door verdachte aangewezen [medeverdachte 1] is geweest, moet de rechtbank in het midden laten.

ad.c Opzet op het plaatsen van valkuilen in wandel en/of ruiterpaden in de bossen

De verdachte heeft aangevoerd dat hij niet wist dat de valkuilen op bospaden zouden worden gegraven en hij, zo hij dit wel had geweten, nooit tot levering van de materialen zou zijn overgegaan. De rechtbank overweegt hieromtrent het navolgende. Het leveren en geschikt maken van de pinnen en latjes ten behoeve van valkuilen als in deze zaak aan de orde, ook al zouden deze in tuinen worden geplaatst ten behoeve van de bescherming van hennepplantages, valt naar het oordeel van de rechtbank binnen het kader van het voorgenomen misdrijf. Bovendien overweegt de rechtbank dat verdachte onder andere bij het onderzoek ter terechtzitting, op 28 juli 2009, heeft verklaard dat hij wist dat onder meer [medeverdachte 1] hennep plantte in voor een ieder toegankelijke bossen, tussen de jonge aanplant in. Eerder had verdachte hier al over verklaard dat hij vorig jaar oktober samen met [medeverdachte 2] plantjes in de natuur had staan en dat [medeverdachte 1] die wist te staan omdat verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] deze samen geplant hadden. Bezien in het licht van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte door deel te nemen aan de uitvoering van de voorgenomen misdrijven op de wijze als in dit vonnis beschreven, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn mededader(s) dergelijke kuilen zouden graven, ook op de in de tenlastelegging genoemde plaatsen.

ad. d Ten aanzien van de aanmerkelijk kans op zwaar lichamelijk letsel

Gelet op de aard en uiterlijke verschijningsvorm van de valkuilen, zoals deze blijkt uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, is naar het oordeel van de rechtbank de kans aanmerkelijk dat, als een persoon daadwerkelijk in de kuil zou vallen, deze daarbij zwaar lichamelijk letsel zou hebben opgelopen. Immers alsdan zouden de voeten en/of onderbenen van deze persoon worden doorboord met scherpe ijzeren pinnen. De rechtbank neemt in het bijzonder de lengte van de pinnen en de aard hiervan in aanmerking.

Ten aanzien van de aanmerkelijke kans op de dood

De aard van de valkuilen is in de gegeven omstandigheden niet van dien aard dat kan worden aangenomen dat de kans aanmerkelijk is dat, zou er daadwerkelijk een persoon volledig in de kuil zijn gevallen, deze daarbij het leven zou laten. De rechtbank steunt haar oordeel op de omstandigheid dat de diameter van de valkuilen 2 en 3 ongeveer 80 centimeter was. De kans dat een persoon daarin valt op zodanige wijze dat daarbij vitale lichaamsdelen geraakt worden, is niet aanmerkelijk te achten.

Voorgaand oordeel heeft geleid tot de conclusie dat de rechtbank hetgeen aan de verdachte onder 2 primair en subsidiair en onder 3 primair en subsidiair is ten laste gelegd niet wettig en overtuigend bewezen acht. Verdachte wordt hiervan dan ook vrijgesproken.

Al het voorgaande in onderlinge samenhang beschouwend acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte is aan te merken als medepleger ten aanzien van zowel de onder 1 primair ten laste gelegde poging, als de onder 2 meer subsidiair en de onder 3 meer subsidiair ten laste gelegde poging, op de wijze als hierna opgenomen.

7.3. Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde, het onder 2 meer subsidiair ten laste gelegde en het onder 3 meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op of omstreeks 27 februari 2008 in de gemeente Helden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, aan [slachtoffer 1] en/of een persoon, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een kuil heeft gegraven in een wandel- en/of ruiterpad in de bossen, in die kuil een betonnen blok met daarin uitstekende en naar boven gerichte metalen pinnen met

aangescherpte punten heeft geplaatst en vervolgens die kuil heeft afgedekt teneinde die kuil aan het zicht te onttrekken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 6 april 2008 in de gemeente Helden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of een persoon opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een kuil heeft gegraven in een wandel- en/of ruiterpad in de bossen, in die kuil een betonnen blok met daarin uitstekende en naar boven gerichte metalen pinnen met aangescherpte punten heeft geplaatst en vervolgens die kuil heeft afgedekt teneinde die kuil aan het zicht te onttrekken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op of omstreeks 8 juni 2008 in de gemeente Helden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, aan [slachtoffer 5] en/of een persoon opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een kuil heeft gegraven in een wandel- en/of ruiterpad in de bossen, in die kuil een betonnen blok met daarin uitstekende en naar boven gerichte metalen pinnen met aangescherpte punten heeft geplaatst en vervolgens die kuil heeft afgedekt teneinde die kuil aan het zicht te onttrekken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. De kwalificatie en strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op de navolgende misdrijven:

T.a.v. feit 1 primair:

medeplegen van poging tot zware mishandeling.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij de artikelen 302 juncto 45 en 47 van het Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. feit 2 meer subsidiair:

medeplegen van poging tot zware mishandeling.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij de artikelen 302 juncto 45 en 47 van het Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. feit 3 meer subsidiair:

medeplegen van poging tot zware mishandeling.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij de artikelen 302 juncto 45 en 47 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10. De straffen en/of maatregelen

10.1 De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 28 juli 2009 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 primair en 3 primair ten laste zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

10.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de gevorderde straf aangevoerd dat ze verzoekt rekening te houden met de media-aandacht die het ten laste gelegde inmiddels heeft gehad. Hierdoor is verdachte al gestraft en, indien medeplegen wordt bewezen verklaard, met het gegeven dat verdachte er van uit ging dat de medeverdachte de valkuilen op privéterrein zou graven. De raadsvrouw verzoekt bij oplegging van een gevangenisstraf om een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest.

10.3 De overwegingen van de rechtbank

Verdachte heeft samen met zijn medeverdachte(n) gedurende een periode van meerdere maanden stelselmatig de Heldense Bossen en omgeving op een macabere manier geteisterd door er samen met zijn medeverdachte(n) valkuilen, met spitsgeslepen ijzeren pinnen op de bodem, te graven op locaties gelegen in het publieke domein. Door zijn bijdrage, het slijpen van de ijzeren pinnen die deel uitmaken van de valkuilen, bestond zijn medeplegen onder andere uit het leveren van het meest gevaarzettende onderdeel van de valkuilen. Wetende dat er zich in de directe nabijheid van de gegraven valkuilen een camping bevond en dat de bossen druk bezocht werden, heeft verdachte samen met zijn medeverdachte(n) het risico genomen dat iemand in de valkuilen terecht zou komen waardoor deze zwaar lichamelijk letsel kon oplopen. Dat dit gevolg niet is ingetreden, is uitsluitend te danken aan omstandigheden gelegen buiten de wil van verdachte en daarom geenszins aan hem toe te rekenen. Ondanks dat verdachte, als gevolg van vermelding van de delicten in de media, er weet van had dat zijn handelen veel maatschappelijke onrust teweeg bracht is hij toch verder gegaan met zijn handelen en enkel door toedoen van politieoptreden tot stoppen gebracht. Het valt verdachte ernstig aan te rekenen dat hij onvoldoende heeft ondernomen om het plegen van strafbare feiten door zijn medeverdachte(n) een halt toe te roepen.

Verdachte heeft gedurende de verhoren bij de politie, tijdens het onderzoek naar de persoon van de verdachte en tijdens de behandeling ter terechtzitting op geen enkele wijze openheid van zaken gegeven waardoor het gevoel van maatschappelijke onrust aanwezig kon blijven en waarmee geen duidelijkheid kon worden verkregen over het motief dat verdachte tot het strafbare handelen heeft gedreven.

Door delicten als de onderhavige wordt de rechtsorde ernstig in beroering gebracht. Het leidt, vanwege het gewelddadige karakter tot maatschappelijke verontrusting en brengt gevoelens van onveiligheid en onrust teweeg.

Blijkens het uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister d.d. 11 juli 2009 betreffende verdachte blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld ter zake van geweldsdelicten.

De rechtbank zal de eis van de officier van justitie niet volgen, reeds om reden dat de rechtbank minder bewezen acht dan de officier van justitie.

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat gelet op de genoemde overwegingen, maar ook gelet op straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd, niet kan worden volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest.

Alles afwegende is de rechtbank, gelet op de ernst van de feiten, van oordeel dat met het oog op een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lagere straf dan de hierna vermelde onvoorwaardelijke vrijheidsstraf met een voorwaardelijk deel. De rechtbank acht een voorwaardelijk strafdeel met een proeftijd van twee jaren op zijn plaats om verdachte ervan te weerhouden opnieuw in dit soort strafbare feiten te vervallen. Aan deze voorwaardelijke gevangenisstraf zal de rechtbank de bijzondere voorwaarde van reclasseringscontact verbinden, zoals ook door de reclassering in het advies van 3 september 2008 is geadviseerd.

11. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 45, 47, 57, 302

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder het onder 2 primair en subsidiair en het onder 3 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, het onder 2 meer subsidiair en het onder 3 meer subsidiair ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van dertig maanden;

beveelt dat van deze gevangenisstraf zes maanden niet zullen worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende die proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die hem zullen worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland, arrondissement Roermond, waarbij verdachte zich heeft te houden aan de aanwijzingen van de behandelaars, zolang deze instelling dit noodzakelijk acht, met opdracht aan de Reclassering aan de verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze bijzondere voorwaarde;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Vonnis gewezen door mrs. L.J.A. Crompvoets, M.J.A.G. van Baal en I.S. Peskens, rechters, van wie mr. L.J.A. Crompvoets voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. F.A.H. Peters als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 11 augustus 2009.

Mr. M.J.A.G. van Baal is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.