Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BJ4521

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
04-08-2009
Datum publicatie
04-08-2009
Zaaknummer
04/850243-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

voorwaardelijke ISD in samenhang met gevangenisstraf en een vordering tenuitvoerlegging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector strafrecht

Parketnummer : 04/850243-09

04/861003-08 (tul)

Datum uitspraak : 4 augustus 2009

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren [geboortedatum],

wonende [adres],

thans gedetineerd in [detentie adres].

1.Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 21 juli 2009.

2.De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1.

zij op of omstreeks 15 april 2009 in de gemeente Roermond ([adres]) met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een fles

(sterke) drank, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

(art. 310 Wetboek van Strafrecht)

2.

zij op of omstreeks 15 april 2009 in de gemeente Roermond wederrechtelijk is

binnengedrongen in een besloten lokaal gelegen aan de [adres]

en in gebruik bij [slachtoffer 1], althans bij een ander of anderen dan bij

verdachte;

(art. 138 Wetboek van Strafrecht)

3.

zij op of omstreeks 26 april 2009 in de gemeente Roermond als bestuurder van

een voertuig, (tweewielige bromfiets), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig

gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van haar adem bij

een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de

Wegenverkeerswet 1994, 615 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram,

alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

(art. 8 Wegenverkeerswet 1994)

4.

zij op of omstreeks 26 april 2009 in de gemeente Roermond, als bestuurder van

een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval op de [adres], de

plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar zij wist

of redelijkerwijs moest vermoeden aan een personenauto, toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan haar verdachte, schade

was toegebracht;

(art. 7 Wegenverkeerswet 1994)

5.

zij op of omstreeks 21 november 2008 in de gemeente Roermond

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

twee, althans een, blik(ken) bier (merk Astra), in elk geval enig goed, geheel

of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte;

(artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht).

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3.De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4.De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5.De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6.Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7.Bewijsoverwegingen

7.1.Standpunten van de officier van justitie en de verdediging.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 21 juli 2009 gevorderd dat het onder 1 tot en met 5 ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

Met betrekking tot feit 5 heeft zij aangevoerd dat verdachte de kassa reeds voorbij was gelopen, zodat het een voltooid feit betreft.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 1, nu de overtuiging ten aanzien van dat feit ontbreekt. Verdachte is niet ter plaatse aangehouden en de fles sterke drank is later tijdens de aanhouding niet bij haar aangetroffen. Ook van feit 5 dient verdachte naar de mening van de raadsman te worden vrijgesproken, daar twijfels moeten worden geplaatst bij de waarnemingen van getuige [getuige 1]. Eerst zou hij een en ander op camerabeelden hebben waargenomen, terwijl vervolgens wordt verklaard dat hij een en ander tussen de schappen door heeft gezien. Het is of het één of het ander. Bovendien is verdachte niet zonder deze blikken te betalen de kassa gepasseerd.

Met betrekking tot de feiten 2, 3 en 4 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

7.2.Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De hieronder vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De genoemde geschriften zijn slechts gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

Feit 1 :

Op 15 april 2009 heeft mevr. [slachtoffer 1] namens [slachtoffer 1] gelegen aan de [adres] te Roermond, aangifte gedaan van een op 15 april 2009 tussen 19.31 en 19.35 uur gepleegde winkeldiefstal . Aangeefster heeft verklaard dat zij in de winkel zag hoe een vrouw een fles drank uit het rek nam. Aangeefster zag dat de vrouw deze fles van bovenaf onder haar bovenstuk van de jurk stopte, met de linkerhand de fles vast hield en de kassa voorbij liep richting de uitgang. Toen aangeefster de vrouw aansprak, liep de vrouw door naar buiten en ging aan de overzijde van de straat een woning binnen. Weggenomen werd een fles sterke drank.

Voorts zijn als getuigen twee medewerkers van de [slachtoffer 1] gehoord. [getuige 2] heeft verklaard dat hij zag dat de vrouw een fles onder uit het schap nam en later de kassa passeerde. Bij het passeren van de kassa zag hij de omtrek van de fles duidelijk aan de binnenkant van haar blouse of jurkje zitten. [getuige 3] heeft verklaard te hebben gezien dat de vrouw vanaf de kassa doorliep richting de uitgang terwijl zij duidelijk iets onder haar blouse of jurkje ter hoogte van haar boezem had weggestopt.

De beide getuigen [getuige 2] en [getuige 3] hebben de vrouw aan de overzijde van de straat een woning in zien gaan.

Op aanwijzing van voormelde verklaringen zijn de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] de betreffende woning ingegaan. Zij troffen daar een vrouw aan, die zij ambtshalve herkenden als [verdachte]. Verdachte is aangehouden voor onder meer winkeldiefstal .

Voorts hebben de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] de beelden van het camerabewakingssysteem van de [slachtoffer 1] bekeken samen met de aangeefster,

mevr. [slachtoffer 1] . Bij aankomst op 15 april 2009 om 19.58 uur bij [slachtoffer 1] hebben zij de aangehouden verdachte gezien. De verbalisanten zagen op de camerabeelden de vrouw die zij herkenden als de aangehouden vrouw. Deze vrouw pakte een fles uit het rek en liep richting de kassa’s met de fles in haar rechterhand. Duidelijk was te zien dat ze de fles naar boven bracht en aan de voorzijde via het halsboord van haar bovenstuk in haar bovenstuk liet glijden. Ook was duidelijk te zien ze dat de fles met haar linker hand/onderarm opving en vasthield. Op een andere camera was te zien dat zij de toonbank van de klantenbalie voorbij liep in de richting van de uitgang. Op dat moment was duidelijk te zien dat ze met haar linkerhand/onderarm nog steeds de onder haar bovenstuk zittende fles vasthield. Aangeefster heeft de verbalisanten verteld dat ze de vrouw herkende als [verdachte], die de winkeldiefstal had gepleegd.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 21 juli 2009 met betrekking tot feit 2 (zie hieronder), verklaard dat zij op 15 april 2009 bij [slachtoffer 1] aan de [adres] te Roermond is geweest.

De rechtbank overweegt dat verdachte weliswaar heeft ontkend het onder 1 ten laste gelegde feit te hebben gepleegd, maar dat op grond van de verklaring van aangeefster dat zij de diefstal heeft gezien en verdachte heeft herkend en het feit dat de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] de diefstal op de camerabeelden hebben gezien en zagen dat de aangehouden vrouw verdachte betrof die die winkeldiefstal zou hebben gepleegd, het feit wettig en overtuigend bewezen wordt verklaard.

Feit 2 :

- de bekennende verklaring ter terechtzitting van 21 juli 2009 (“Het klopt dat ik op 15 april 2009 bij de [slachtoffer 1] aan de [adres] te Roermond ben geweest, terwijl ik een winkelverbod had”);

- een proces-verbaal van aangifte ;

- een geschrift, betreffende een ‘individueel winkelverbod’ .

Feit 3 :

- de bekennende verklaring ter terechtzitting van 21 juli 2009 (“Het klopt dat ik op 26 april 2009 een bromfiets bestuurde na het gebruik van alcoholhoudende drank”);

- een proces-verbaal betreffende ‘opmerkingen en verdere gegevens van verbalisant’ , betrekking hebbend op het eerste directe contact tussen de verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] en verdachte, leidend tot een verdenking;

- een proces-verbaal bevindingen , betreffende het ademonderzoek;

- een ademanalyseformulier .

Feit 4 :

- de bekennende verklaring ter terechtzitting van 21 juli 2009 (“Het klopt dat ik op 26 april 2009 na een verkeersongeval op de [adres] te Roermond de plaats van het ongeval heb verlaten terwijl ik wist dat ik tegen een auto was gereden.”);

- een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] ;

- een proces-verbaal van verhoor van [getuige 4] ;

- een proces-verbaal betreffende ‘opmerkingen en verdere gegevens van verbalisant’ , onder andere inhoudende:

“De personenauto voorzien van het kenteken [kenteken] had schade aan de rechtervoorzijde.”;

- een geschrift met het opschrift ‘proces-verbaal aanrijding’ , onder andere inhoudende:

“Betrokkene 1. Voertuig: personenauto, kenteken [kenteken].

Schade [kenteken]: rechterzijkant; lakschade/deuken.”

Gelet op vorenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de verklaring van verdachte ter zitting d.d. 21 juli 2009 dat zij de plaats van het ongeval heeft verlaten omdat ze geschrokken was en zich bedreigd voelde door de man uit de auto en dat zij uiteindelijk toch wel haar identiteit bekend heeft gemaakt, als volgt.

Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat verdachte wegliep zonder haar identiteit kenbaar te maken. Hij is ongeveer 500 meter achter verdachte aangelopen en schreeuwde tegen haar dat ze moest stoppen. Verdachte bleef gewoon doorlopen. Hij vroeg ook haar identiteitskaart, maar ze weigerde om die te geven. Op een gegeven moment heeft hij haar pootje gelapt waardoor ze viel. Er kwam een getuige bij staan en aan deze getuige heeft ze uiteindelijk haar identiteitskaart gegeven. Ook de getuige [getuige 4] heeft verklaard dat verdachte wegrende en dat de bestuurder van de auto achter haar aanrende.

De rechtbank overweegt dat gelet op lid 2 van artikel 7 van de Wegenverkeerswet 1994, verdachte niet strafbaar was geweest indien zij op de plaats van het ongeval behoorlijk gelegenheid had geboden tot vaststelling van haar identiteit en tevens van de identiteit van het door haar bestuurde motorrijtuig. Bij deze bepaling is de vrijwilligheid daarvan een vereiste.Nu verdachte blijkens de verklaringen van [slachtoffer 2] en [getuige 4] is weggerend zonder haar identiteit (en die van de brommer) bekend te hebben gemaakt en zij pas, nadat [slachtoffer 2] haar ongeveer 500 meter was gevolgd en fysiek had gedwongen om te stoppen, haar identiteitskaart heeft afgegeven, was er geen sprake van vrijwilligheid, maar van een drijfveer van buitenaf die haar vrijwilligheid heeft aangetast. Dit maakt dat verdachte zich niet erop kan beroepen dat ze haar identiteit toch heeft kenbaar gemaakt. Het verweer gaat derhalve niet op.

Feit 5

Op 30 december 2008 heeft mevr. [slachtoffer 1] namens [slachtoffer 1] gelegen aan de [adres] te Roermond aangifte gedaan van winkeldiefstal. Zij heeft verklaard dat op 21 november 2008 een vrouw de winkel binnen kwam. Zij heeft een tas met spullen afgegeven bij de informatiebalie en is vervolgens de winkel ingegaan. De vrouw was dronken en extra oplettendheid van collega’s was geboden. Collega [getui[getuige 1] is achter de camera’s gaan zitten en heeft de diefstal geconstateerd. Hij is vervolgens naar beneden gekomen en heeft [slachtoffer 1] gewezen op het feit dat de vrouw 2 blikken Astra Beer Superstrong in haar jasje had gestopt. Zij had ook nog een kartonnen doosje met daarin vier blikken Euroshopper bij zich. [slachtoffer 1] en [getuige 1] hebben de vrouw opgewacht tot ze voorbij de kassa was. Zij had de vier blikken Euroshopper Beer wel betaald, maar de twee blikken Astra Beer niet. De twee blikken Astra Beer waren duidelijk zichtbaar in haar jas.

De vrouw is aangesproken maar is vervolgens gevlucht. De gestolen blikken Astra Beer heeft zij na aanhouding in de winkel achtergelaten. Ook haar tas, die ze bij de infobalie had afgegeven bij binnenkomst, is achtergebleven. Aangeefster heeft de camerabeelden bekeken en heeft verklaard dat duidelijk is te zien dat verdachte twee blikken Astra Beer in haar jas stopt.

Ook de getuige [getuige 1] heeft een verklaring afgelegd . Eerst zat hij achter de camera’s toen de vrouw binnen kwam. Toen ze dachten dat ze ging stelen, heeft hij haar beneden geobserveerd. Hij zag dat de vrouw twee blikken in haar jas deed. Verder had ze nog vier blikken in haar handen. Die vier blikken heeft ze bij de kassa afgerekend en toen heeft hij haar aangesproken. Hij heeft haar gevraagd mee te gaan en ze zijn samen richting het magazijn gelopen. Onderweg zag hij dat ze de twee niet afgerekende blikken in het gangpad neerzette en ervandoor ging. Bij binnenkomst heeft de vrouw haar plastic tasje met inhoud afgegeven. Later is de tas afgegeven aan Stadstoezicht.

Blijkens het proces-verbaal bevindingen heeft de Buitengewoon opsporingsambtenaar van de gemeente Roermond aan de verbalisant [verbalisant 7] een draagtas met inhoud gegeven, welke in eigendom toebehoort aan de verdachte van de winkeldiefstal gepleegd op 21 november 2008 bij de [slachtoffer 1] gelegen aan de [adres] te Roermond. De verbalisant [verbalisant 7] stelde onderzoek in naar de inhoud van draagtas en zag daarin een brief van het CWI te Venlo gericht aan [verdachte]

Verdachte heeft ter zitting d.d. 21 juli 2009 verklaard dat zij op 21 november 2008 in de [slachtoffer 1] aan de [adres] te Roermond is geweest, haar tas bij de balie heeft achtergelaten en vier blikken bier heeft gekocht. Zij heeft ontkend twee blikken bier te hebben gestolen.

De rechtbank acht het onder 5 ten laste gelegde feit gelet op de vorenstaande bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen.

Verdachte heeft verklaard in de winkel te zijn geweest en haar tas te hebben achtergelaten. De aangeefster [slachtoffer 1] en getuige [getuige 1] hebben de diefstal door verdachte daadwerkelijk waargenomen. De rechtbank vermag niet in te zien welk belang [slachtoffer 1] en [getuige 1] zouden hebben om een valse verklaring jegens verdachte af te leggen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van die verklaringen. Dat getuige [getuige 1] een en ander heeft waargenomen via de camerabeelden en overigens ten overstaan van verdachte door de schappen, komt de rechtbank geenszins twijfelachtig voor.

Het verweer van de raadsman dat geen sprake was van diefstal nu de blikken bier terug in het rek zijn geplaatst, treft geen doel. Niet alleen was verdachte reeds voorbij de kassa zonder de twee blikken te hebben afgerekend, maar bovendien heeft zij pas nadien, toen zij door de winkelmedewerker werd aangesproken en mee moest lopen, de blikken terug in het rek gelegd. Gelet op deze omstandigheden was er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een voltooid delict.

7.3.Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het sub 1 tot en met 5 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

zij op 15 april 2009 in de gemeente Roermond ([adres]) met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een fles sterke drank, toebehorende aan [slachtoffer 1];

2.

zij op 15 april 2009 in de gemeente Roermond wederrechtelijk is binnengedrongen in een besloten lokaal gelegen aan de [adres] en in gebruik bij [slachtoffer 1];

3.

zij op 26 april 2009 in de gemeente Roermond als bestuurder van een voertuig, (tweewielige bromfiets), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van haar adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 615 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

4.

zij op 26 april 2009 in de gemeente Roermond, als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval op de [adres], de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een personenauto, toebehorende aan [slachtoffer 2], schade was toegebracht;

5.

zij op 21 november 2008 in de gemeente Roermond met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen twee blikken bier (merk Astra), toebehorende aan [slachtoffer 1].

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

8.1.Kwalificatie

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op de navolgende misdrijven:

T.a.v. feit 1:

diefstal.

Het misdrijf sub 1 is strafbaar gesteld bij artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. feit 2:

in het besloten lokaal, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen.

Het misdrijf sub 2 is strafbaar gesteld bij artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. feit 3:

overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994.

Het misdrijf sub 3 is strafbaar gesteld bij artikel 176 van de Wegenverkeerswet 1994.

T.a.v. feit 4:

overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Het misdrijf sub 4 is strafbaar gesteld bij artikel 176 van de Wegenverkeerswet 1994.

T.a.v. feit 5:

diefstal.

Het misdrijf sub 5 is strafbaar gesteld bij artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

9.De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10.De straffen en/of maatregelen

10.1.De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 21 juli 2009 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van de feiten 1 tot en met 5 zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) voor de duur van 2 jaar. Verdachte voldoet aan alle voorwaarden en er is plaats beschikbaar. Verdachte kan met behulp van de ISD-maatregel aan haar toekomst gaan werken. Een ambulante behandeling is daartoe ontoereikend.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 04/861003-08) wordt afgewezen, nu een toewijzing daarvan naar haar mening niet verenigbaar is met haar strafeis.

10.2.Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd van mening te zijn dat een onvoorwaardelijke ISD-maatregel thans nog niet aan de orde is en de oplegging daarvan disproportioneel zou zijn. Een betere optie is reclasseringstoezicht met verblijf bij Maatschappelijke Opvang Voorzieningen (MOV) en behandeling bij FPP De Horst. De feiten op de documentatie van verdachte en de onderhavige ten laste gelegde feiten betreffen lichte vergrijpen. Een ISD-maatregel is derhalve niet vereist om de maatschappij tegen verdachte te beschermen. De voorlopige hechtenis betreffende feit 1 van de tenlastelegging is op 17 april 2009 door de rechter-commissaris geschorst. Daar blijkt uit dat ook de rechter-commissaris dit feit niet dermate zwaar vond dat zij verwachtte dat daarvoor een ISD-maatregel zou worden opgelegd. Naar de mening van de raadsman is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf waarvan de duur gelijk is aan het voorarrest een passende straf. Daarnaast zou een voorwaardelijke ISD-maatregel kunnen worden opgelegd. De vordering tot tenuitvoerlegging dient naar de mening van de raadsman te worden afgewezen.

10.3.De overwegingen van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een tweetal winkeldiefstallen, huisvredebreuk en twee Wegenverkeerswetfeiten.

De rechtbank heeft kennis genomen van de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Zo heeft verdachte ter zitting verklaard dat ze goed op weg was. Door het ongeval met de brommer op 26 april 2009 werd de schorsing van de voorlopige hechtenis ten aanzien van feit 1 opgeheven. Vóór de detentie van 15 april 2009 ging verdachte naar FPP De Horst, waar ze was begonnen met de leefstijltraining. Ze verbleef bij de MOV en de teamleider heeft haar verteld dat haar kamer vooralsnog voor haar blijft. Haar dochtertje verblijft bij haar vader en ze heeft haar al drie maanden niet meer gezien, wat haar zwaar valt. Verdachte wil aan zichzelf gaan werken en ze wil haar behandeling bij De Horst voortzetten. Haar is toegezegd dat ze na detentie terug kan naar De Horst. Voorts heeft verdachte verklaard dat ze niet verslaafd is. Ze wil geen ISD, omdat ze haar dochtertje dan twee jaar niet zou zien en haar zou kwijtraken.

De rechtbank neemt voorts in aanmerking de inhoud van het psychiatrisch consult d.d. 18 mei 2009, van mw. drs. L.J.M. Klerks, justitieel forensisch psychiater bij het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie. Blijkens dit rapport is er geen sprake van een psychiatrisch toestandsbeeld. Wel zijn er aanwijzingen voor persoonlijkheidsproblematiek.

Voorts houdt de rechtbank rekening met de inhoud van het voorlichtingsrapport van de GGZ Noord- en Midden-Limburg, d.d. 2 juni 2009. De rapporteur, mevr. S. Verdonschot, heeft in dit rapport onder andere het navolgende uiteengezet.

Verdachte woonde sinds december 2008 bij de MOV te Roermond. De coördinator van de MOV heeft laten weten dat verdachte in eerste instantie goed functioneerde en zich goed liet corrigeren. Ze was wel erg beïnvloedbaar en naïef. Haar dochtertje woont bij haar vader en verdachte heeft één keer per maand een bezoekregeling met haar dochter. Verdachte drinkt en blowt in de weekenden. Ze voelt zichzelf niet verslaafd aan drugs en vindt een opname in een verslavingskliniek niet noodzakelijk. Ze was net begonnen aan een leefstijltraining vanuit de GGZ. Volgens mevr. Steuns, maatschappelijk werker GGZ NML, is verdachte zeer beïnvloedbaar en een gevaar voor zichzelf. Een behandelrelatie is niet van de grond gekomen en een ambulant traject is niet toereikend. Ook het traject bij FPP de Horst is beëindigd omdat verdachte afspraken niet nakwam. FFP De Horst heeft aangegeven dat een intakegesprek heeft plaatsgevonden. Bij het tweede gesprek is verdachte niet verschenen. Na detentie zou verdachte zich wederom kunnen aanmelden bij FPP de Horst voor behandeling. In februari 2009 leek het goed te gaan met verdachte, maar in april 2009 is ze in het ziekenhuis opgenomen in verband met GHB-gebruik. De ambulante trajecten zijn niet toereikend gebleken en verdachte toont geen inzicht in haar problemen en gedrag. ISD zou voor haar kunnen betekenen dat ze een breuk zou kunnen maken met haar verleden.

Verdachte heeft forensische klinische behandeling nodig voor zowel haar persoonlijke als de verslavingsproblematiek. Dit met als doel om (sociale) handvatten te verkrijgen, om een stabiel leven op te bouwen. Dit kan tijdens het ISD-traject gerealiseerd worden, aldus de rapporteur.

Blijkens het uittreksel van het Justitieel Documentatie Register d.d. 7 juli 2009 heeft verdachte zich gedurende een aantal jaren aan meerdere strafbare feiten schuldig gemaakt, waaronder met name (winkel)diefstallen en een paar geweldsdelicten (mishandeling, openlijke geweldpleging, vernieling).

Met betrekking tot de op te leggen straf of maatregel overweegt de rechtbank als volgt.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte een onvoorwaardelijk ISD-maatregel wordt opgelegd.

In beginsel is de oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel mogelijk, nu aan alle vereisten van artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht is voldaan.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee misdrijven (feit 1 en 5) waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit de Justitiële Documentatie blijkt dat verdachte in de vijf jaren voorafgaande aan de thans gepleegde delicten meer dan driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of tot een taakstraf veroordeeld, welke straffen allen reeds ten uitvoer zijn gelegd. Aangezien blijkens de documentatie van verdachte en de inhoud van het voorlichtingsrapport eerdere interventies van de zijde van justitie het tij niet hebben kunnen keren, dient er ernstig rekening mee te worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Het belang van beveiliging van de maatschappij behoort in beginsel te prevaleren en de ISD-maatregel zou daartoe het wettelijk instrument kunnen bieden.

Niettemin is de rechtbank van oordeel dat er redenen zijn thans nog niet over te gaan tot oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel.

De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat verdachte weliswaar als veelpleger is te kwalificeren, maar dat de omvang van haar documentatie niet dermate groot is dat zonder meer aan een ISD-maatregel gedacht moet worden. Bovendien zijn de onderhavige feiten van relatief geringe ernst, afgezet tegen de duur van de ISD-maatregel. Voorts heeft verdachte ter zitting aangevoerd dat zij gemotiveerd is om haar behandeling bij FPP De Horst opnieuw aan te vangen. Ze wil aan zichzelf werken, met name om de bezoekregeling met haar dochter te kunnen behouden. Ook heeft verdachte aangegeven met haar relatie te willen breken, zodat ze niet meer in situaties als de onderhavige terecht zal komen.

Met het voorwaardelijk opleggen van de ISD-maatregel beoogt de rechtbank om verdachte nog éénmaal een kans te geven en haar de mogelijkheid te bieden om zelf haar gedrag te wijzigen. De rechtbank overweegt dat de druk van de maatregel verdachte er mede van moet weerhouden wederom de fout in te gaan. De rechtbank benadrukt dat deze kans wat haar betreft de allerlaatste is.

Alles overwegende ziet de rechtbank aanleiding om de ISD-maatregel niet in onvoorwaardelijk vorm, maar voorwaardelijk op te leggen. De rechtbank zal als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht opleggen, ook als dat inhoudt een ambulante behandeling bij FPP De Horst dan wel bij enige andere door de reclassering aan te wijzen instelling.

Voorts overweegt de rechtbank als volgt.

Verdachte heeft zich schuldig heeft gemaakt aan een vijftal strafbare feiten. De feiten 3 en 4, beide betrekking hebbende op de Wegenverkeerswet, heeft verdachte zelfs gepleegd terwijl de voorlopige hechtenis betreffende feit 1 was geschorst. De rechtbank is gelet op de ernst van de feiten en de justitiële voorgeschiedenis van verdachte van oordeel dat eigenlijk het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf naast de voorwaardelijke ISD-maatregel op zijn plaats is. Nu deze strafvariant echter wettelijk niet mogelijk is (de rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Hoge Raad d.d. 21 maart 2006, LJN: AV1161) zal zij als straf ‘slechts’ de voorwaardelijke ISD-maatregel opleggen. Daarbij bepaalt zij dat de reeds ondergane voorlopige hechtenis bij een tenuitvoerlegging niet wordt afgetrokken van de alsdan te executeren ISD-maatregel.

Nu verdachte geen onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf wordt opgelegd, bepaalt de rechtbank dat de voorlopige hechtenis wordt opgeheven met ingang van heden.

Ten slotte zal de rechtbank in verband met feit 3, overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, verdachte conform de oriëntatiepunten van de rechtbank een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen opleggen voor de tijd van 6 maanden.

11.Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 38m, 38n, 57, 63, 91, 138, 310.

Wegenverkeerswet 1994 art. 7, 8, 176, 179.

12.De vordering tot tenuitvoerlegging

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf niet in combinatie met de oplegging van een voorwaardelijke ISD-maatregel kan worden bevolen. Het gaat immers niet om het opleggen van een nieuwe gevangenisstraf in combinatie met een voorwaardelijke ISD voor hetzelfde feitencomplex, maar om het executeren van een voorwaardelijke gevangenisstraf waartoe de feiten waarvoor verdachte thans wordt berecht enkel de aanleiding vormen in combinatie met het opleggen van een voorwaardelijke ISD. De situatie als bedoeld in voornoemd arrest van de Hoge Raad d.d. 21 maart 2006 doet zich derhalve niet voor.

Nu de verdachte zich voor het einde van de proeftijd opnieuw aan strafbaar feiten heeft schuldig gemaakt, ziet de rechtbank aanleiding de tenuitvoerlegging van twee weken zoals opgelegd in het vonnis van 13 oktober 2008 van de politierechter Roermond te gelasten.

13.Beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het sub 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaar;

bepaalt dat deze maatregel niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende die proeftijd

zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die haar zullen worden

gegeven door of namens de Reclassering Nederland, arrondissement Roermond, -ook

als dat inhoudt een ambulante behandeling bij FPP De Horst dan wel enige andere

door de reclassering aan te wijzen instelling gedurende maximaal de periode van

de proeftijd, waarbij verdachte zich heeft te houden aan de aanwijzingen van de

behandelaars-, zolang deze instelling dit noodzakelijk acht, met opdracht aan

de Reclassering aan de verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van

deze bijzondere voorwaarde;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden;

ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 6 maanden;

Beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging .

gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de Politierechter te Roermond

d.d. 13 oktober 2008 in de zaak met parketnummer 861003-08 aan de veroordeelde opgelegde doch voorwaardelijk niet tenuitvoergelegde straf, te weten:

Gevangenisstraf voor de duur van 2 weken.

Vonnis gewezen door mrs. L.P. Bosma, N.I.B.M. Buljevic en W.A.H.J. Poppeliers,

rechters, van wie N.I.B.M. Buljevic voorzitter, in tegenwoordigheid van

mr. I.E.A. van Eijk-Bronkhorst als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting

van de rechtbank op 4 augustus 2009.

Mr. W.A.H.J. Poppeliers is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.