Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BJ4268

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
30-07-2009
Datum publicatie
30-07-2009
Zaaknummer
AWB 09/1063
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 juli 2009 heeft de burgemeester van Venray naar aanleiding van een schietincident op 26 juli 2009 op basis van de Algemene Plaatselijke Verordening in het belang van de openbare orde en veiligheid besloten de onmiddellijke sluiting van discotheek Zenith te Oostrum te bevelen. Het sluitingsbevel geldt tot en met 9 augustus 2009.

De voorzieningenrechter heeft in zijn uitspraak van 30 juli 2009 overwogen dat de burgemeester in het kader van de openbare orde een discretionaire bevoegdheid heeft die zwaar weegt. Het besluit om de onmiddellijke sluiting van de discotheek te gelasten dient het resultaat te zijn van een duidelijke en kenbare belangenafweging. Uit het besluit van de burgemeester blijkt niet of en op welke wijze en in welke mate de belangen van de exploitant van de discotheek zijn gewogen. De belangen van de exploitant van de discotheek in aanmerking nemend, acht de voorzieningenrechter het aannemelijk dat het beoogde doel ook kan worden bereikt met een minder vergaande maatregel dan sluiting van de discotheek.

Omdat op geen enkele wijze gewicht is toegekend aan de belangen van de exploitant van de discotheek, heeft de voorzieningenrechter het besluit van de burgemeester van 27 juli 2009 geschorst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 09 / 1063

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

[verzoekster],

[gemachtigde]

tegen

de Burgemeester van de gemeente Venray, verweerder.

1. Procesverloop

1.1. Bij besluit van 27 juli 2009 heeft verweerder verzoekster op basis van artikel 2.3.1.12 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) in het belang van de openbare orde en veiligheid bevolen het horecabedrijf [bedrijfsnaam] aan [adres] tot en met 9 augustus 2009 te sluiten .

1.2. Tegen voornoemd besluit is door verzoekster bij schrijven van 28 juli 2009 een beroep op grond van de Awb ingesteld. Tevens heeft verzoekster zich tot de rechtbank gewend met het verzoek ter zake een voorlopige voorziening te treffen ex artikel 8:81 van de Awb.

1.3. Het verzoek is behandeld ter zitting van 29 juli 2009, waar verzoekster, bijgestaan door haar gemachtigde, is verschenen en waar verweerder, [naam verweerder], in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde [gemachtigde verweerder]. Voorts was verweerder vergezeld van [naam].

2. Overwegingen-

2.1. Op 27 juli 2009 heeft de brigadier van politie, wijkagent Venray-centrum,

[naam wijkagent], namens de Chef Basiseenheid Venray Centrum, de Hoofdinspecteur van politie, aan verweerder gerapporteerd. In het rapport wordt melding gemaakt van een schietincident op 26 juli 2009 om 4.00 uur, waarbij is geschoten op deuren en ramen van [bedrijfsnaam] . Bij het opstellen van het rapport had onderzoek nog niet geleid tot opsporing van de dader(s) van het schietincident.

2.2. Naar aanleiding van het voornemen van verweerder om [bedrijfsnaam] tot en

met 9 augustus 2009 te sluiten is verzoekster op 27 juli 2009 gehoord en voorts is verzoekster op dezelfde dag in de gelegenheid gesteld haar schriftelijke zienswijze kenbaar te maken.

2.3. Vervolgens heeft verweerder bij voornoemd besluit van 27 juli 2009 - gehoord de zogenoemde Driehoek - in het belang van de openbare orde en veiligheid besloten de onmiddellijke sluiting van de door verzoekster geƫxploiteerde discotheek te bevelen. Het sluitingsbevel geldt tot en met 9 augustus 2009. Indien de noodzaak daartoe mocht blijken kan de sluiting worden verlengd. Op 7 augustus 2009 zal overleg plaatsvinden met de politie en het openbaar ministerie op basis van de dan bekend zijnde feiten. Mocht uit het onderzoek van de politie blijken dat sluiting niet langer noodzakelijk is, zal op een eerder tijdstip een besluit worden genomen.

2.4. Tegen het besluit van 27 juli 2009 is door verzoekster beroep ingesteld, dat, zoals verzoekster ter zitting heeft erkend, als bezwaar dient te worden aangemerkt. Op grond van artikel 6:15 van de Awb zal dit worden doorgezonden aan verweerder. Tevens heeft verzoekster bij de voorzieningenrechter van de rechtbank een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 8:81 van de Awb ingediend.

2.5. In bezwaar heeft verzoekster - onder meer en kort samengevat - aangevoerd dat verweerder in zijn besluit voorbij is gegaan aan hetgeen verzoekster met name in de zienswijze naar voren heeft gebracht. Verzoekster wijst op alle door haar genomen veiligheidsmaatregelen en wijst er voorts op dat buiten de discotheek ten tijde van het incident, in tegenstelling tot hetgeen hieromtrent was afgesproken, geen politietoezicht aanwezig was. Verzoekster, zo wordt gesteld, kan er niet verantwoordelijk voor worden gehouden dat vanuit de openbare ruimte wordt geschoten op het pand van verzoekster. Verweerder dient oog te hebben voor de gevolgen van de sluiting voor verzoeksters bedrijf, aldus verzoekster.

2.6. In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter (hierna: de rechter) van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de toetsing aan het in dit artikel neergelegde criterium meebrengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van de rechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend in die procedure.

2.7. De rechter concludeert dat aan de eerste twee in artikel 8:81 van de Awb geformuleerde formele eisen is voldaan. De rechtbank te Roermond moet bevoegd worden geacht om van de hoofdzaak kennis te nemen. Ook acht de rechter, gelet op de periode waarin de sluiting van de discotheek plaatsvindt, de vereiste onverwijlde spoed genoegzaam aangetoond.

2.8. Ingevolge artikel 2.3.1.12, eerste lid, van de APV kan de burgemeester in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of ingeval van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, tijdelijk sluitingsuren vaststellen of al dan niet voor een bepaalde duur algehele sluiting van een of meer horecabedrijven bevelen.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.9. Uit het bestreden besluit blijkt, dat nu bij verweerder niet bekend is of het voorval een incidentele dan wel een structurele actie betrof en of de actie gericht was tegen de onderneming, ondernemer dan wel een bezoeker, hij het veiligheidsrisico in de directe omgeving van de discotheek onverantwoord hoog acht. De rechter begrijpt uit het bestreden besluit dat met de sluiting wordt beoogd de veiligheid van verzoekster, het personeel en bezoekers te waarborgen. De duur van de sluiting is gerelateerd aan het tijdstip waarop het resultaat van het onderzoek naar de toedracht van het incident en het opsporen van de dader(s) bekend zal zijn.

2.10. Het onderzoek naar motieven van het schietincident ligt, zo stelt de rechter vast, in het bijzonder op het terrein van de officier van justitie. Zoals verweerder ter zitting heeft aangegeven, denkt de officier van justitie twee weken nodig te hebben voor dit onderzoek. Op advies van de officier van justitie is verweerder dan ook overgegaan tot de voorliggende maatregel om de discotheek twee weken te sluiten.

2.11. De voorzieningenrechter overweegt dat de officier in het kader van het strafrechtelijk onderzoek naar het schietincident, een eigen bevoegdheid heeft. De bevoegdheid van de burgemeester is echter een andere, die wordt ontleend aan artikel 2.3.1.12, eerste lid, van de APV. Dit betekent, zo is de rechter van oordeel, dat de burgemeester, verweerder, een eigen afweging moet maken.

2.11.1. In het kader van de openbare orde heeft verweerder een discretionaire bevoegdheid die zwaar weegt. Dit laat onverlet dat het besluit om de onder 2.3. genoemde maatregel op te leggen het resultaat dient te zijn van een deugdelijke en kenbare belangenafweging. Of en op welke wijze en in welke mate de aangevoerde belangen van verzoekster als exploitant van de discotheek zijn gewogen bij de door verweerder getroffen maatregel is de rechter echter niet gebleken.

2.11.2. Zoals hiervoor onder 2.9 is overwogen strekt de maatregel tot het zoveel mogelijk waarborgen van de veiligheid van ondernemer en onderneming, alsmede van de bezoekers van discotheek Zenith. De aangevoerde belangen in aanmerking nemend, die verzoekster stelt te hebben bij het kunnen voortzetten van de exploitatie van haar onderneming - en welke belangen de rechter aannemelijk acht - is naar het voorlopig oordeel van de rechter de opgelegde maatregel te vergaand om het beoogde doel te bereiken..

2.12. De rechter acht aannemelijk dat het beoogde doel ook kan worden bereikt met een minder vergaande maatregel dan sluiting tot en met 9 augustus 2009. Daarbij denkt de rechter aan meer beveiligingsmaatregelen gedurende het onderzoek door inzet van extra politie enerzijds gecombineerd met extra beveiliging die is ingeschakeld door verzoekster. In dat kader zou een overleg tussen partijen in de rede liggen.

2.13. Het vorengaande houdt in dat het besluit van 27 juli 2009 onvoldoende is gemotiveerd, nu op geen enkele wijze is gebleken dat enig gewicht is toegekend aan de belangen van verzoekster. De voorzieningenrechter zal het bestreden besluit dan ook schorsen.

2.14. De rechter acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in de artikelen 8:84, vierde lid, en 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die verzoekster redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit verzoek, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden twee punten toegekend. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld , hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

schorst het besluit tot zes weken na bekendmaking van het te nemen besluit op bezwaar;

veroordeelt verweerder in de kosten van onderhavige procedure, aan de zijde van verzoekster begroot op EUR 644,- aan verzoekster;

bepaalt dat verweerder aan verzoekster het door of namens deze betaalde griffierecht ten bedrage van EUR 297,- volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. A.W.P. Letschert in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Utteren-Hoving als griffier en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2009

w.g. mr. M.M. van Utteren-Hoving,

griffier w.g. mr. A.W.P. Letschert,

voorzieningenrechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

verzonden op: 30 juli 2009

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.