Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BJ4262

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
29-07-2009
Datum publicatie
30-07-2009
Zaaknummer
AWB 09/737, 09/739, 09/738, 07/745
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Projectbesluit en bouwvergunning voor outdoorcenter te Roermond. Beroepen ongegrond en voorlopige voorzieningen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht

Procedurenummers: AWB 09 / 737 en 09 / 739 (voorlopige voorzieningen) en

AWB 09 / 738 en 09 / 745 (beroepszaken)

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) met toepassing van artikel 8:86 van de Awb

inzake

[verzoekster]

[gemachtigde verzoekster]

tegen

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Roermond, verweerder.

1. Procesverloop

1.1. Bij besluit van 14 april 2009 heeft verweerder op verzoek van [vergunninghoudster] een projectbesluit genomen ten behoeve van de realisatie van een outdoorcenter te Roermond, bestaande uit een grootschalige kampeerwinkel, een tentenzaak, een ruitersportzaak en infrastructurele maatregelen en minimaal 420 parkeerplaatsen. Bij besluit van 21 april 2009 heeft verweerder aan [vergunninghoudster], hierna te noemen vergunninghoudster, vergunning verleend voor het bouwen van een outdoorcenter met winkelvoorziening.

1.2. Tegen deze besluiten zijn door verzoekster beroepschriften op grond van de Awb ingediend bij deze rechtbank. Tevens heeft verzoekster zich tot de rechtbank gewend met verzoeken met betrekking tot het projectbesluit en de bouwvergunning voorlopige voorzieningen te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb.

1.3. Met toepassing van artikel 8:26 van de Awb is vergunninghoudster in de gelegenheid gesteld als partij aan de gedingen deel te nemen.

1.4. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83 van de Awb ingezonden stukken en een verweerschrift, ingediend in de beroepszaken, zijn in afschrift aan de gemachtigden van verzoekster en van vergunninghoudster gezonden.

1.5. De verzoeken zijn behandeld ter zitting van 15 juli 2009, waar verzoekster is verschenen bij [vertegenwoordiging verzoekster], bijgestaan door verzoeksters gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door [vertegenwoordiging verweerder] Vergunninghoudster is verschenen bij [vertegenwoordiging vergunninghoudster] en bijgestaan door [gemachtigde vergunninghoudster].

2. Overwegingen

2.1. In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit beroep is ingesteld bij de rechtbank, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2. De rechter ziet geen beletselen verzoekster in haar verzoek om een voorlopige voorziening te ontvangen. Ook acht de rechter de onverwijlde spoed genoegzaam aangetoond nu vergunninghoudster sinds eind april al bouwactiviteiten verricht en de voortgang van de bouw aan het spoedeisend belang niet afdoet.

2.3. De verzoeken als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb zijn gedaan terwijl beroep is ingesteld bij de rechtbank. Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter alsdan onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak indien hij na de behandeling van het verzoek ter zitting van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Op deze bevoegdheid van de rechter is partijen gewezen in de kennisgeving van behandeling ter zitting.

Na de kennisneming van de stukken en na de behandeling van het verzoek ter zitting is de rechter van oordeel dat nader onderzoek aan de behandeling van de zaak niet kan bijdragen. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden die zich tegen de toepassing van het bepaalde in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb verzetten. De rechter doet dan ook onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak.

2.4. Bij de beoordeling van de hoofdzaak wordt uitgegaan van de navolgende als vaststaand, en voor wat betreft het bestreden projectbesluit en bouwvergunning als relevant aan te merken feiten en omstandigheden.

2.5. Op 29 oktober 2008 heeft vergunninghoudster verzocht om een projectbesluit te nemen en op 19 december 2008 is een bouwvergunning gevraagd ten behoeve van de realisatie van een Outdoorcenter aan de [adres] te Roermond, bestaande uit circa 11.000 m² perifere detailhandel (hoofdgebouw uit twee verdiepingen) en circa 450 m² horeca (bijgebouw, inclusief parkeerterrein en parkeergarage (onderdeel hoofdgebouw). De detailhandel is, in drie winkels, met name gericht op outdoor-activiteiten. Het bouwplan is strijdig met het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Rijksweg 73 Zuid Noordelijke deel”, nu de planlocatie voor een deel is gelegen in deelgebied 3 “Broekhin”met de bestemming Agrarische doeleinden I A1, Verkeersdoeleinden 3 – V3 en Openbaar Groen II, en deels in deelgebied 1 “Buitengebied Swalmen”met de bestemming Agrarisch gebied met hoge landschappelijke waarden –Ah-. Op 15 mei 2008 heeft de gemeenteraad van Roermond verklaard dat er een nieuw bestemmingsplan wordt voorbereid voor het plangebied van de Noordelijke en de Oostelijke stadsrandzone en op 8 oktober 2008 is het betreffende voorbereidingsbesluit in werking getreden, in verband waarmee een aanhoudingsplicht voor de te verlenen bouwvergunning is ontstaan.

Ten behoeve van het projectbesluit heeft vergunninghoudster een ruimtelijke onderbouwing, met deelonderzoeksrapporten, laten opstellen en overgelegd.

2.6. Het voornemen om een projectbesluit te nemen is bekend gemaakt in de Staatscourant van 20 januari 2009 en het voornemen heeft ter inzage gelegen gedurende zes weken na 21 januari 2009. Het voornemen om de bouwvergunning te verlenen is bekend gemaakt in “De Roermond” van 20 januari 2009 en dat voornemen heeft ter inzage gelegen van 21 januari 2009 tot en met 3 maart 2009. Onder meer verzoekster heeft zienswijzen ingediend.

2.7. Naar aanleiding van de ingebrachte zienswijzen van de zijde van Prorail Railinfrabeheer B.V., Rijkswaterstaat en VROM Inspectie is het bouwplan aangepast in die zin dat de horecavoorziening in het bijgebouw in de oorspronkelijke opzet in zijn geheel is komen te vervallen en dat de situering van het hoofdgebouw is verschoven in zuidwestelijke richting.

2.8. Op 14 april 2009 heeft verweerder het projectbesluit genomen ten behoeve van de realisatie van een outdoorcenter te Roermond, bestaande uit een kampeerwinkel (8.000 m²) een tentenzaak (1.500 m²) een ruitersportzaak (1.500 m²), en infrastructuur en minimaal 430 parkeerplaatsen.

2.9. Op 21 april 2009 heeft verweerder bouwvergunning verleend voor het oprichten van een outdoorcenter met winkelvoorziening op het adres [adres], [kadastrale registratie adres], gemeente Roermond. Verweerder heeft daarbij verwezen naar het projectbesluit van 14 april 2009 en de aanhoudingsplicht op grond van artikel 50, derde lid, onderdeel b, van de Woningwet doorbroken.

2.10. Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het projectbesluit en tegen de bouwvergunning en de voorzieningenrechter ziet zich in de eerste plaats gesteld voor beantwoording van de door verweerder opgeworpen vraag of verzoekster in haar beroep kan worden ontvangen. Dienaangaande is de rechter van oordeel dat, nu er in elk geval enige overlap is van verzoeksters assortiment met het assortiment dat in de nieuw te vestigen winkels in het outdoorcenter te koop zal worden aangeboden, verzoekster reeds op die grond als belanghebbende bij de aangevochten besluiten dient te worden aangemerkt. Bovendien is verzoeksters winkel gevestigd in de onmiddellijke nabijheid van het in geding zijnde bouwplan, zodat verzoekster ook daaraan belang kan ontlenen.

2.11. De voorzieningenrechter dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan. Daarbij is aan de orde de toetsing van een projectbesluit op grond van artikel 3.10. van de op 1 juli 2008 in werking getreden Wet ruimtelijke ordening (Wro) en een bouwvergunning op grond van artikel 40 van de Woningwet.

2.11.1. Verzoekster heeft aangevoerd dat verweerder in strijd heeft gehandeld met verplichtingen met betrekking tot openbaarmaking en ter inzage legging op grond van artikel 3:11 van de Awb, met verplichtingen van openbare kennisgeving op grond van artikel 3:12 van de Awb, en met verplichtingen van melding, burgerparticipatie en verantwoording op grond van het Besluit ruimtelijke ordening en de gemeentelijke inspraakverordening. Ter zitting heeft verzoekster desgevraagd erkend dat zij uiteindelijk volledig inzage heeft gehad in alle relevante stukken en dat zij zich uiteindelijk volledig voor- en ingelicht heeft geacht, maar dat zij deze beroepsgrond handhaaft omdat door schending van de voorschriften derden in hun belangen kunnen zijn geschaad. De rechter stelt vast dat verzoekster steeds alle relevante stukken heeft verkregen dan wel kunnen inzien en steeds voldoende op de hoogte is geweest van de aard, inhoud en strekking van de bouwplannen en verweerders standpunt daaromtrent. Op die grond is verzoekster naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook niet benadeeld en slaagt die grief niet. Voorts is ook niet gebleken dat derden in hun belangen zijn geschaad.

2.12. Artikel 3.10., tweede lid, van de Wro bepaalt dat het projectbesluit een goede ruimtelijke onderbouwing van het project bevat. Verzoekster heeft bestreden dat hiervan sprake is en heeft daartoe in algemene zin aangevoerd dat aan het projectbesluit geen goede ruimtelijke onderbouwing en geen deugdelijke en gemotiveerde belangenafweging ten grondslag ligt. Meer gericht heeft verzoekster de hierna volgende onderdelen van de ruimtelijke onderbouwing en de daaraan ten grondslag liggende deelrapporten aangevochten.

2.12.1. Voor zover verzoekster heeft gesteld dat er sprake is van strijd met provinciaal beleid zoals neergelegd in het “Provinciaal Omgevingsplan Limburg” (POL), is de voorzieningenrechter van oordeel, onder verwijzing naar de brief van 30 juni 2009 van Gedeputeerde Staten, dat vestiging van een outdoorcenter op het als stedelijk dienstenterrein aangewezen gebied op de beoogde locatie in overeenstemming is met het POL en past binnen het provinciale detailhandelsbeleid en de provinciale Handreiking ruimtelijke ontwikkeling.

2.12.2. Verzoekster heeft voorts gesteld dat de vestiging van het outdoorcenter voor haar zal leiden tot distributieplanologische nadelen en tot duurzame ontwrichting van de voorzieningenstructuur. Verzoekster heeft daarbij overgelegd een beoordeling door Adviesbureau Kardol (Kardol) van het door verweerder aan de besluitvorming ten grondslag gelegde rapport van WPM planontwikkeling B.V. (WPM) en gesteld dat het rapport van WPM onzorgvuldig is. Verweerder heeft zich dienaangaande op het standpunt gesteld dat de vestiging van een outdoorcenter niet zal leiden tot duurzame ontwrichting van de bestaande voorzieningenstructuur, waarbij toekomstige ontwikkelingen als mutaties in assortimenten buiten beschouwing blijven.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat met het onderzoeksrapport van WPM deugdelijk is gemotiveerd dat de vestiging van het outdoorcenter niet zal leiden tot duurzame ontwrichting van de voorzieningenstructuur. Het rapport van Kardol zet wel kanttekeningen bij uitgangspunten in het rapport van WPM, maar komt niet tot de conclusie dat de door WPM gemaakte gevolgtrekkingen niet deugdelijk of onvoldoende onderbouwd zijn of dat het rapport van WPM niet zorgvuldig is. In die omstandigheden heeft verweerder het rapport van WPM aan zijn besluitvorming ten grondslag kunnen leggen.

2.12.3. Verzoekster heeft met betrekking tot het aan de besluitvorming ten grondslag gelegde akoestisch onderzoek van DHV B.V. gesteld dat dit onderzoek onzorgvuldig is. Voor zover daartoe is gesteld dat er door het bouwplan een toename van geluidbelasting optreedt van 1 tot 63 dB, berust dat standpunt op onjuiste lezing van het rapport nu daarin is vermeld dat de berekende geluidbelasting op de woningen aan de Broekhin Noord inclusief de planontwikkeling 62 dB bedraagt (incidenteel tot 63 dB) en gelijk is aan de autonome ontwikkeling in 2020. Ook overigens is niet aannemelijk geworden dat het onderzoeksrapport van DHV B.V. zodanige gebreken vertoont wat betreft de wijze van totstandkoming en de inzichtelijkheid van conclusies of leemten in het verrichte onderzoek dat verweerder zich daarop bij het nemen van het bestreden besluit niet heeft mogen baseren.

2.12.4. Verzoekster heeft ter zitting op 15 juli 2009 de grief ten aanzien van de conclusies van het flora- en faunaonderzoek en de daaruit voortvloeiende opdracht een dassentunnel en –rasters aan te leggen, ingetrokken nu aan die opdracht is voldaan.

2.12.5. Verzoekster is daarnaast van mening dat ten aanzien van het aspect archeologie nog steeds geen definitief rapport beschikbaar is zodat niet kan worden gesteld dat er geen archeologische belemmeringen voor de realisering van het outdoorcenter bestaan. Verweerder heeft voor zijn conclusie dat er geen archeologische belemmeringen bestaan verwezen naar een rapport van BAAC B.V., inhoudende dat op grond van geringe waardering en het geringe oppervlak waarbinnen sporen zijn aangetroffen de vindplaats niet behoudenswaardig wordt geacht. Dat dit rapport ten tijde van de besluitvorming slechts in conceptversie beschikbaar was, betekent naar het oordeel van de rechter niet dat daarmee de conclusie van het onderzoek niet vaststaat. Het opstellen van de definitieve versie ziet enkel op redactionele aanpassingen en niet op inhoudelijke wijzigingen.

2.12.6. Verzoekster heeft gesteld dat er ten onrechte geen voorwaarden of voorschriften aan het projectbesluit zijn verbonden in verband met goed waterbeheer. De voorzieningenrechter stelt vast dat in het projectbesluit wordt verwezen naar de ruimtelijke onderbouwing met de bijbehorende onderzoeken, zodat daarmee voldoende is gewaarborgd dat de door DHV B.V. en het Waterschap Roer en Overmaas beschreven noodzakelijke maatregelen ook zijn overgenomen door verweerder en daarmee opgedragen aan vergunninghoudster.

2.12.7. Verzoekster heeft met betrekking tot het luchtkwaliteitsonderzoek gesteld dat dit onzorgvuldig is omdat niet inzichtelijk is gemaakt op welke basisjaar-gegevens de gebruikte verkeersintensiteiten zijn gebaseerd. Verder is daartoe aangevoerd dat bij de berekening van de verkeersintensiteiten alle relevante en redelijkerwijs te voorziene ruimtelijke ontwikkelingen dienen te zijn ingevoerd die van invloed zijn op de te verwachten verkeersintensiteiten en dat tevens de uitstoot van in de nabijheid gelegen bedrijven/industrie dient te worden betrokken bij het onderzoek. De voorzieningenrechter stelt vast dat DHV B.V. heeft geconcludeerd dat door de realisatie van het plan, met medeneming van de mogelijke ontwikkeling van de spoorlijn de IJzeren Rijn, er geen overschrijdingen van jaargemiddelde grenswaarden optreden die een belemmering vormen voor realisatie van het plan. Naar het oordeel van de rechter is niet aannemelijk gemaakt dat de onderzoeksrapporten van DHV B.V. zodanige gebreken vertonen wat betreft de wijze van totstandkoming en de inzichtelijkheid van conclusies of leemten in de verrichte onderzoeken dat verweerder zich daarop bij het nemen van het bestreden besluit niet heeft mogen baseren.

2.12.8. In het kader van de externe veiligheid heeft vergunninghoudster een rapport, definitieve versie van april 2009, ingebracht als onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing waarin is geconcludeerd dat door de realisatie van het bouwplan en toename van het aantal transporten van gevaarlijke stoffen over omliggende wegen en een (toekomstige) spoorlijn

het groepsrisico toeneemt ten opzichte van de bestaande situatie. Over de toename van het groepsrisico dient verweerder verantwoording af leggen die moet worden opgenomen in het projectbesluit. Daarvoor heeft de regionale brandweer op 3 maart 2009 een in conceptadvies, bevestigd bij brief van 14 april 2009, verzonden aan vergunninghoudster op 27 mei 2009 en in het definitieve advies van de brandweer van 15 juni 2009, aangegeven welke bouwkundige en installatietechnische maatregelen moeten worden getroffen die de zelfredzaamheid van bezoekers en personeel verbeteren.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat nu het rapport inzake de externe veiligheid onderdeel uitmaakt van de ruimtelijke onderbouwing, ook de uitwerking van dat rapport in de door de brandweer gegeven bouwkundige en installatietechnische maatregelen, onderdeel uitmaken van de ruimtelijke onderbouwing. Daarmee is voldoende gewaarborgd dat de door de brandweer voorgeschreven noodzakelijke maatregelen ook zijn overgenomen door verweerder en daarmee opgedragen aan vergunninghoudster. Dat ten tijde van de besluitvorming geen definitief advies van de brandweer voorlag doet aan het vorenstaande niet af nu in de definitieve versie geen inhoudelijke wijzigingen aan de orde zijn geweest.

2.12.9. Verzoekster heeft met betrekking tot de verkeersafwikkeling, de ontsluiting en de parkeervoorzieningen aangevoerd dat er reeds zonder het te vestigen outdoorcenter sprake is van een onaanvaardbare verkeerscongestie en een tekort aan parkeerplaatsen. Voorts heeft verzoekster gesteld dat in het verkeersonderzoek, en het daarbij gebruikte verkeersmodel, de gegevens van het basisjaar ontbreken, een onjuiste parkeernorm is gebruikt en ook overigens onzorgvuldig is. Verzoekster is van mening dat in het projectbesluit geen juridische en financiële waarborg is opgenomen ter zekerstelling van de infrastructurele maatregelen en parkeervoorzieningen.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in het aan de besluitvorming ten grondslag gelegde onderzoeksrapport van DHV B.V. inzichtelijk gemaakt op welke wijze de door de vestiging van het outdoorcenter verwachte verkeersstromen en parkeerdruk worden ingeschat, afgewikkeld en opgevangen zonder ontwrichting van het verkeer in de onmiddellijke omgeving van het plangebied. Voor zover verzoekster opmerkingen heeft gemaakt met betrekking tot toekomstige (al dan niet onzekere) gebeurtenissen neemt de rechter die bij de beoordeling van het onderzoeksrapport buiten beschouwing. Met verweerder gaat de rechter er voorts vanuit dat de problemen op en rond het parkeerterrein van het naastgelegen Retailpark worden opgelost door de daarvoor verantwoordelijken. Voor de voorzieningenrechter is niet aannemelijk geworden dat bij de opstelling van het onderzoeksrapport is uitgegaan van onjuiste cijfers, waarden en beoordelingen en is ook overigens niet aannemelijk geworden dat de conclusies met betrekking tot verkeer en parkeren niet deugdelijk of onvoldoende zijn onderbouwd of dat het rapport van DHV B.V. niet zorgvuldig is. In die omstandigheden heeft verweerder het rapport van DHV B.V. aan zijn besluitvorming ten grondslag kunnen leggen.

2.12.10. Verzoekster heeft haar stelling dat de economische uitvoerbaarheid onzeker is, niet onderbouwd en gestaafd. Het louter poneren van de stelling dat de economische uitvoerbaarheid door het huidige financiële klimaat en de economische situatie onder druk komt, is daarvoor onvoldoende. Ook overigens is niet gebleken dat verweerder ten tijde van de besluitvorming niet heeft mogen uitgaan van een voldoende waarborg van de economische uitvoerbaarheid.

2.12.11. Op grond van het voorgaande oordeelt de voorzieningenrechter dat verweerder aan zijn projectbesluit een goede, volledige en deugdelijke ruimtelijke onderbouwing ten grondslag heeft gelegd. Verweerder was dan ook bevoegd een projectbesluit te nemen.

2.13. Voor zover verzoekster heeft gesteld dat het door verweerder gevoerde bestuurlijk overleg onvoldoende ruim is uitgezet nu er met de omliggende betrokken gemeenten in de regio en met de Rijksinspectie VROM geen overleg is gevoerd, is de rechter van oordeel dat verweerder bij de voorbereiding van het projectbesluit niet in strijd is gekomen met de zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb. Met verweerder is de rechter van oordeel dat onderhavig projectplan niet leidt tot een beperking van of ongewenste interferentie met taken of verantwoordelijkheden van de gemeenten in de regio waardoor overleg met die instanties noodzakelijk is geweest. Dat het outdoorcenter een (gemeente)grensoverschrijdende uitstraling heeft, betekent niet dat die uitstraling de gemeenten in de regio daadwerkelijk raakt in hun taken en verantwoordelijkheden. De Rijksinspectie VROM controleert en inspecteert op eigen initiatief en is niet afhankelijk van overleg dat door verweerder zou zijn geïnitieerd, zodat ook niet gezegd kan worden dat verweerder heeft verzuimd dat overleg aan te gaan.

2.14. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de wijziging van het bouwplan, bestaande uit het vervallen van een losstaand gebouw waarin een horecafunctie was voorzien en de verschuiving van het hoofdgebouw, van ondergeschikte aard, nu de aard, omvang en impact in ruimtelijk opzicht hierdoor, hoewel ten opzichte van het oorspronkelijke plan beperkter, niet wezenlijk is veranderd. Verzoekster wordt dan ook niet gevolgd in haar stelling dat de gehele procedure opnieuw doorlopen moest worden.

2.15. Met verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat gelet op de omschrijving de reikwijdte, aard en inhoud van projectbesluit voldoende duidelijk is en voldoende rechtszekerheid biedt ten aanzien van hetgeen op grond van dat besluit is toegestaan. Voor zover verzoekster heeft gesteld dat in het projectbesluit een beperking van het assortiment van de te vestigen winkels in het outdoorcenter moet worden opgenomen, volgt de rechter haar niet nu in het projectbesluit geen distributieplanologie behoort te worden bedreven.

2.16. Verweerder heeft in het verweerschrift uitgebreid gemotiveerd dat en op welke gronden er geen sprake is van een m.e.r. (beoordelings) plicht voor of naar aanleiding van onderhavig bouwplan. De voorzieningenrechter onderschrijft de conclusie dat gezien de drempelwaarden in de onderdelen C en D van de bijlage behorende bij het Besluit milieu-effectrapportage 1994 in relatie tot het bouwplan (op zich zelf dan wel cumulatief), geen sprake is van een m.e.r.plicht of een m.e.r.beoordelingsplicht geldt als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, aanhef en onder a. en b. van de Wet Milieubeheer.

2.17. Concluderend met betrekking tot het projectbesluit is de voorzieningenrechter van oordeel niet kan worden gezegd dat verweerder bij de uitoefening van de bevoegdheid om een projectbesluit te nemen in strijd heeft gehandeld met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. Meer in het bijzonder is de rechter van oordeel dat verweerder bij de besluitvorming volledig zicht heeft gehad op alle relevante feiten en af te wegen belangen. Verzoeksters beroep tegen het projectbesluit is dan ook ongegrond.

2.18. Op grond van het projectbesluit van 14 april 2009 heeft verweerder aan vergunninghoudster de gevraagde bouwvergunning verleend voor het aangepaste bouwplan.

Een bouwvergunning kan alleen worden geweigerd indien zich een van de in artikel 44 van de Woningwet – limitatief en imperatief – genoemde weigeringsgronden voordoet. De voorzieningenrechter is met betrekking tot de welstandstoets van oordeel dat de Commissie Beeldkwaliteit al in een vroeg stadium haar definitieve akkoord heeft gegeven aan het bouwplan en enkel met betrekking tot de bemonstering van de beplating en de kleur terugkoppeling naar de Commissie toe heeft gevraagd. Als gesteld bij rechtsoverweging 2.11.1. is de rechter ook ten aanzien van het advies van de welstandscommissie van oordeel dat verzoekster dat advies heeft kunnen inzien en derhalve geacht kan zijn op de hoogte te zijn geweest van de inhoud. Op die grond is verzoekster naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook niet benadeeld en slaagt die grief niet. Anders dan verweerder is de rechter overigens van oordeel dat voor niet-ontvankelijk verklaring van die grief geen plaats is. Dat zou eerst anders zijn indien verzoekster in beroep een ander (besluit)onderdeel aanvecht dan in de zienswijzeprocedure is gedaan.

2.18.1. Nu er naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake is geweest van een wijziging van het bouwplan van ingrijpende aard, is ook een nieuwe of nadere beoordeling van de welstandsaspecten van het gewijzigde plan niet aan de orde.

2.18.2. Door verzoeksters zijn geen andere gronden aangevoerd die tot weigering van de gevraagde bouwvergunning zouden moeten leiden.

2.18.3. Met betrekking tot de doorbreking van de aanhoudingsplicht overweegt de voorzieningenrechter dat op grond van artikel 50, derde lid, van de Woningwet met doorbreking van die plicht de bouwvergunning kan worden verleend indien het een bouwwerk betreft ten aanzien waarvan artikel 3.10 van de Wro wordt toegepast. Verweerder was derhalve bevoegd de aanhoudingsplicht te doorbreken. In de reactie op de zienswijzen heeft verweerder aangegeven dat, gelet op de omstandigheid dat de realisatie van een outdoorcenter past in de door de gemeenteraad vastgestelde visie op de Noordelijke en Oostelijke stadsrandzone en nu insprekers geen gronden hebben aangedragen voor een ander standpunt, gebruik is gemaakt van die bevoegdheid. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan niet worden gezegd dat verweerder bij de uitoefening van de bevoegdheid om de aanhoudingsplicht te doorbreken in strijd heeft gehandeld met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

2.19. Nu ook voor het overige niet is gebleken van gronden waarom de bouwvergunning op grond van het projectbesluit van 14 april 2009 niet verleend had mogen worden, dient ook het beroep van verzoekster tegen het besluit van 21 april 2009 ongegrond te worden verklaard.

2.20. Onder verwijzing naar het oordeel in de hoofdzaken dienen de verzoeken om voorlopige voorzieningen te treffen ook te worden afgewezen.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

verklaart de beroepen tegen het projectbesluit van 14 april 2009 en de bouwvergunning van 21 april 2009 voor het outdoorcenter in Roermond ongegrond;

wijst de verzoeken om voorlopige voorzieningen ten aanzien van die besluiten af.

Aldus gedaan door mr.drs. E.J. Govaers in tegenwoordigheid van J.N. Buddeke als griffier en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2009.

w.g. J.N. Buddeke,

griffier w.g. mr.drs. E.J. Govaers,

voorzieningenrechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

verzonden op: 29 juli 2009

Tegen het gedeelte van de uitspraak waarin de voorlopige voorziening wordt afgewezen staat geen rechtsmiddel open.

Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen het gedeelte van de uitspraak waarin het beroep ongegrond is verklaard binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.