Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BJ3866

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
05-08-2009
Datum publicatie
10-08-2009
Zaaknummer
87362 / HA ZA 08-436
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Finale verrekening. De vrouw vordert van de rechtbank de man te veroordelen tot betaling van primair een bepaald bedrag en subsidiair een bedrag dat de rechtbank in goede justitie meent te moeten vaststellen. Het primaire bedrag is lager dan het bedrag waarop de vrouw op grond van finale verrekening recht heeft. De rechtbank is van oordeel dat in de (formuleringswijze van de) vordering besloten ligt dat zij de vrijheid heeft zelf naar billijkheid een bedrag vast te stellen en zij wijst het bedrag toe waarop de vrouw recht heeft. De rechtbank baseert zich daarbij op de MvA I, Parlementaire Geschiedenis: herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg: wetsvoorstel 26 855, p. 161, 162)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROERMOND

Sector civielrecht

zaaknummer / rolnummer: 87362 / HA ZA 08-436

Vonnis van 5 augustus 2009

in de zaak van

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. S.J.M.P. Hoppers,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. M.J.L. van den Aker- Groffen.

Partijen zullen hierna [de vrouw] en [de man] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met bijlagen;

- de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie

met bijlagen;

- de conclusie van antwoord in reconventie tevens akte wijziging van eis;

- de akte van [de man];

- de beslissing van de rolrechter, waarbij de veranderde eis van [de vrouw] is

toegelaten;

- het ambtshalve tussenvonnis van de rechtbank van 28 januari 2009;

- de akte van [de man] van 13 maart 2009 met bijlagen;

- het proces-verbaal van comparitie van 26 maart 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

Partijen zijn op 17 oktober 1986 met elkaar onder huwelijkse voorwaarden gehuwd.

Voor zover van belang houden die huwelijkse voorwaarden het volgende in:

Artikel 1.

Tussen de echtgenoten zal geen enkele gemeenschap van goederen bestaan.

Ieder van de echtgenoten behoudt derhalve de zaken, welke hij of zij ten huwelijk heeft aangebracht en die, welke gedurende het huwelijk door erfenis legaat of schenking aan hem of haar opkomen of zijn opgekomen, alsmede de zaken welke door hem of haar worden verkregen door belegging of wederbelegging of door ruiling van ieders bijzonder vermogen.

De schulden waaruit ook voortspruitende en voor of na het aangaan van het huwelijk gemaakt – voor zover zij niet betreffen de kosten bedoeld in artikel 4 van de akte van huwelijkse voorwaarden – zullen zijn ten laste van diegene van de echtgenoten die ze mocht hebben aangegaan. Belastingschulden zijn steeds een privéschuld ten laste van degene aan wie de aanslag is opgelegd, ook als zij op het inkomen drukken, behoudens de interne draagplicht zoals in voormeld artikel 4 is geregeld.

Zaken welke gedurende het huwelijk worden verkregen door belegging of wederbelegging of door ruiling zijn eigendom van degene op wiens naam zij zijn gesteld of die deze in bezit heeft, ook indien de verkrijging geheel of gedeeltelijk is gefinancierd met geleende gelden.

Artikel 2.

Na afloop van elk kalenderjaar zijn de echtgenoten gehouden hetgeen van hun inkomsten over dat kalenderjaar onverteerd is, bij helfte te verdelen. (…)

Artikel 4.

De kosten van de huishouding en opvoeding van de kinderen uit het huwelijk geboren, evenals alle gewone lasten en belastingen, zullen door partijen worden gedragen in evenredigheid van ieders inkomsten, met dien verstande, dat indien dit evenredig deel van die kosten de inkomsten van één van de echtelieden te boven gaat, de andere het meerdere zal moeten dragen, voor zover diens inkomsten daartoe toereikend zijn.

Door elk van partijen zijn de goederen aangebracht, zoals deze zijn vermeld op de aan de akte van huwelijkse voorwaarden gehechte staat.

Tijdens hun huwelijk zijn partijen het periodiek verrekenbeding van artikel 2 van hun huwelijkse voorwaarden nimmer nagekomen.

Het huwelijk van partijen is op 30 mei 2006 geëindigd door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

De voormalige echtelijke woning van partijen, gelegen aan de [adres] te [woonplaats] is gezamenlijk eigendom van partijen.

Op de rekening bij de Rabobank nummer 3675.5.854 is op 16 november 2005 een bedrag van € 4.303,00 gestort, welk bedrag een schenking aan [de man] betrof.

3. Het geschil

in conventie

3.1. [de vrouw] vordert – na vermeerdering van eis en samengevat – [de man] te veroordelen om:

1. op straffe van een te verbeuren dwangsom zijn medewerking te verlenen aan de overschrijving van de echtelijke woning, te bepalen dat [de vrouw] de helft van de overwaarde van die woning ad € 58.750,00 aan [de man] dient te voldoen en dat [de man] aan [de vrouw] de helft van de tussen partijen vastgestelde waarde van de door [de man] over te nemen en op zijn naam te stellen beleggingsrekening dient te voldoen;

2. aan [de vrouw] te voldoen een bedrag van primair € 76.895,16 op grond van verdeling en subsidiair € 68.063,27 op grond van verrekening;

3. op straffe van een te verbeuren dwangsom de in de akte vermeerdering van eis genoemde inboedelzaken bij [de vrouw] op te halen tegen betaling aan [de vrouw] van

€ 5.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente;

4. aan [de vrouw] de buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.158,00 te betalen;

5. aan [de vrouw] de proceskosten te betalen.

3.2. [de vrouw] heeft haar vorderingen als volgt onderbouwd.

[de vrouw] is primair van mening dat partijen de vermogensrechtelijke gevolgen van hun huwelijk dienen af te rekenen als waren zij in gemeenschap van goederen gehuwd, omdat partijen tijdens hun huwelijk hebben geleefd alsof zij in gemeenschap van goederen waren gehuwd. Subsidiair is [de vrouw] van mening dat partijen overeenkomstig de huwelijkse voorwaarden dienen af te rekenen met elkaar.

3.3. [de man] voert verweer. [de man] betwist dat partijen gedurende hun huwelijk hebben geleefd als waren zij in gemeenschap van goederen gehuwd. [de man] stelt zich op het standpunt dat nu partijen hun periodiek verrekenbeding niet zijn nagekomen, het aanwezige vermogen dient te worden vastgesteld per 15 november 2005 en tussen partijen bij helfte verdeeld dient te worden, met uitzondering van hetgeen door hem is aangebracht, de vruchten daarvan en van hetgeen door hem is verkregen krachtens gift en de vruchten daarvan. De voormalige echtelijke woning aan de [adres] te [woonplaats] en de daarop rustende hypotheek dient tussen partijen te worden verdeeld.

3.4. Op de (overige) stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5. [de man] vordert – samengevat – [de vrouw] te veroordelen om:

1. aan [de man] te betalen een bedrag van € 29.128,16, vermeerderd met de wettelijke rente;

2. op straffe van een te verbeuren dwangsom de aan [de man] toebehorende persoonlijke zaken aan hem af te geven.

3.6. [de man] heeft zijn vorderingen als volgt onderbouwd.

Alle inboedelzaken, met uitzondering van de persoonlijke spullen, foto´s en video´s en overige op een lijst vermelde roerende zaken van [de man], die aan hem afgegeven dienen te worden, kunnen aan [de vrouw] worden toebedeeld tegen betaling wegens overbedeling van een bedrag van € 5.000,00. [de man] heeft voor een bedrag van € 12.347,50 aan rekeningen en kosten betaald, die geheel dan wel voor de helft voor rekening van [de vrouw] komen. Aan [de man] komt een gebruiksvergoeding toe van € 9.430,66 voor de duur van de periode dat [de vrouw] in de echtelijke woning verblijft en ten slotte komt [de man] toe een bedrag van

€ 2.350,00 omdat hij is onderbedeeld met een bedrag van € 58.750,00.

3.7. [de vrouw] voert verweer. Zij stelt dat [de man] de inboedel, met uitzondering van de zaken van de kinderen, dient over te nemen tegen betaling aan haar van een bedrag van € 5.000,00. Door betaling van de kosten heeft [de man] voldaan aan een natuurlijke verbintenis ten opzichte van [de vrouw] en de kinderen, omdat [de vrouw] geen mogelijkheden had om meteen na het vertrek van [de man] uit de echtelijke woning inkomsten uit arbeid te genereren. Partijen waren toen bovendien nog steeds gehuwd en reeds op deze basis bestond een verplichting voor [de man] om daaraan zijn bijdrage te leveren. Niet eerder dan in deze procedure heeft [de man] een gebruiksvergoeding voor de echtelijke woning gevorderd. Vanaf 1 januari 2007 heeft [de vrouw] gezorgd voor betaling van de lasten van de echtelijke woning, waaronder de hypotheekrente van € 10.836,00 per jaar. Een gebruiksvergoeding voor [de man] is dan niet redelijk. De door [de vrouw] gevorderde vergoeding ter zake van de onderbedeling komt overeen met de door [de man] gevorderde gebruiksvergoeding.

3.8. Op de (overige) stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. De woning aan de [adres] te [woonplaats] is gemeenschappelijk eigendom van partijen. Partijen zijn met elkaar overeengekomen dat deze woning voor een bedrag van € 320.000,00 en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening ad € 202.500,00 aan [de vrouw] kan worden toebedeeld. [de vrouw] zal aan [de man] de helft van de overwaarde ad € 58.750,00 voldoen. [de vrouw] heeft gevorderd [de man] te veroordelen zijn medewerking te verlenen aan de overschrijving van de woning op naam van haar. Deze vordering is door [de man] niet betwist en daarom zal de rechtbank deze toewijzen.

4.2. Partijen bezitten ook nog een zogenaamde beleggingsconstructie Hypotheek RABO Op Maat, waarvan zij de waarde stellen op € 25.500,00. Partijen zijn het er met elkaar over eens dat deze constructie zal worden afgekocht en dat de netto contante waarde (dat wil zeggen na aftrek van belastingen en kosten) tussen hen beide verdeeld zal worden. Met betrekking tot deze beleggingsconstructie heeft [de vrouw] gevorderd [de man] te veroordelen om aan haar een bedrag van € 12.750,00 te betalen. Ook deze vordering is toewijsbaar, zij het dat de rechtbank genoemd bedrag bruto zal toewijzen. [de vrouw] zal er dus rekening mee moeten houden dat de helft van de aan de afkoop verbonden belasting en kosten nog voor haar rekening komt.

4.3. De gevorderde dwangsom zal de rechtbank matigen en maximeren.

4.4. [de vrouw] heeft primair gesteld dat partijen de vermogensrechtelijke gevolgen van de echtscheiding dienen af te rekenen als waren zijn in algehele gemeenschap van goederen gehuwd geweest.

4.5. In een geval waarin partijen met elkaar huwelijkse voorwaarden zijn aangegaan, kan afrekening als waren zij in algehele gemeenschap van goederen gehuwd geweest, alleen dan plaatsvinden als de toepassing van de huwelijkse voorwaarden in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid tot een onaanvaardbaar resultaat zou leiden. Daarbij kan betekenis toekomen aan onderling overeenstemmend gedrag tijdens het huwelijk, dat afweek van de huwelijkse voorwaarden. De stelling van [de vrouw] dat partijen hebben geleefd alsof zij in gemeenschap van goederen waren gehuwd en niet overeenkomstig de huwelijkse voorwaarden jaarlijks hebben verrekend, acht de rechtbank in dit verband onvoldoende om tot de conclusie te kunnen komen dat toepassing van de huwelijkse voorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Bepaald niet ongebruikelijk is immers dat echtelieden leven alsof zij in gemeenschap van goederen zijn gehuwd en gedurende het huwelijk geen uitvoering geven aan het verrekenbeding, dat zij met elkaar in de huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen. De rechtbank zal de vordering van [de vrouw] onder 2 primair dan ook afwijzen.

4.6. Met uitzondering van de voormalige echtelijke woning aan de [adres] te [woonplaats], die het gemeenschappelijk eigendom is van partijen, alsmede de daaraan verbonden hypothecaire lening en de zogenaamde beleggingsconstructie Hypotheek RABO Op Maat, zal de afrekening (mede) aan de hand van de huwelijkse voorwaarden moeten plaatsvinden.

4.7. De rechtbank komt thans te spreken over de vordering van [de vrouw] onder 2 subsidiair. Deze vordering merkt de rechtbank aan als een verrekeningsvordering ten aanzien waarvan het volgende geldt. Op 1 september 2002 is de Wet van 14 maart 2002 tot wijziging van titel 8 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW), houdende invoering van algemene regels voor verrekenbedingen, in werking getreden. Krachtens artikel IV (Overgangsrecht) heeft deze wettelijke regeling onmiddellijke werking, hetgeen betekent dat deze ook van toepassing is op de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk van partijen dat - zoals in dit geval - vóór 1 september 2002 is gesloten.

4.8. In artikel 2 van hun huwelijkse voorwaarden zijn partijen overeengekomen dat zij na afloop van elk kalenderjaar datgene zullen verrekenen dat van hun inkomsten over dat kalenderjaar onverteerd is gebleven. Deze periodieke verrekenplicht zijn partijen niet nagekomen. Als een periodieke verrekeningsplicht niet is nageleefd, dan wordt deze omgezet in een finale verrekeningsplicht. Alsdan wordt het bij het einde van het huwelijk aanwezige vermogen - dit is het geheel van goederen en schulden - ingevolge artikel 1:141 lid 3 BW vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit. Dit laatste is gesteld noch gebleken, zodat sprake is van een finale verrekeningsplicht.

4.9. Als peildatum voor de samenstelling van hetgeen verrekend moet worden, hebben partijen op de comparitie gekozen voor 15 november 2005 en als peildatum voor de waarde die verrekend moet worden voor 31 december 2005. De rechtbank zal partijen in deze peildata volgen, zij het dat partijen in de processtukken met betrekking tot de waarde niet telkens van laatstgenoemde datum zijn uitgegaan. Dit is het geval bij de Nupps-rekening (18 november 2005), ABN spaarloon (11 november 2005) en ABN premiespaarrekening (11 november 2005). Over de waarde zelf verschillen partijen echter niet van mening, zodat de rechtbank van de door partijen genoemde waarde zal uitgaan. Wat betreft de Robecorekening zal de rechtbank uitgaan van het door [de man] genoemde bedrag per 18 november 2005, omdat [de man] dit bedrag met een overzicht van de Rebecogroep heeft onderbouwd, terwijl [de vrouw] het door haar vermelde bedrag niet met bescheiden heeft onderbouwd.

4.10. Allereerst zal de rechtbank het aanwezige vermogen aan het einde van het huwelijk vaststellen. Daarbij zullen de ledencertificaten op naam van de kinderen ter waarde van € 3.326,40 buiten beschouwing worden gelaten. Daarna zal de rechtbank aandacht besteden aan de vraag of en zo ja in hoeverre aanbrengsten, erfenissen en schenkingen, voor zover deze nog te traceren zijn, in mindering komen op het aanwezige vermogen.

4.11. Aan de hand van hetgeen partijen daarover (niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken) hebben gesteld en met bescheiden gestaafd, bestaat dat vermogen uit de volgende componenten:

a. Rabobankrekening 3675.59.854 € 3.491,49

b. Internetspaarrekening 1573.153.044 10.980,00

c. Nupps-rekening 2710.71.699 20.404,65

d. Rabo effectenrekening 1060.64.665 58.207,83

e. Robeco rekening 2757.24.018 16.463,90

f. Nutreco aandelen personeelsplan 22.478,98

g. Beleggingsrekening 1060.64.665 374,10

h. Robeco koopsomrekening 12.102,58

i. ABN koopsomrekening 69342026 6.214,05

j. ABN spaarloon 888,25

k. ABN premiespaarrekening 618423087 1.252,50

l. Rekening Canada 3.400,00

Totaal: € 156.258,33

4.12. Ten aanzien van de hierboven genoemde vermogensbestanddelen onder c, f, g, h, j, k en l heeft [de vrouw] gesteld dat zij geen bewijzen heeft gezien waaruit de daadwerkelijke saldi van de rekeningen blijkt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de man] deze saldi voldoende aangetoond met de bijlagen 12, 13, 17, 18, 19 en 20 bij zijn conclusie van 22 oktober 2008, waarvan [de vrouw] kennis heeft kunnen nemen.

4.13. De rechtbank zal nu nagaan of aanbrengsten, erfenissen en schenkingen, voor zover deze nog te traceren zijn, in mindering komen op het aanwezige vermogen. [de man] is van mening dat de bedragen die hiervoor zijn vermeld onder 4.11. sub a, d, e, g en l niet verrekend moeten worden.

4.13.1. De op naam van [de man] staande en door deze aangebrachte bankrekening bij de Rabobank nummer 3675.59.854 was een zogenaamde betaalrekening, waarvan betalingen voor het huishouden werden gedaan. Partijen zijn van mening dat het saldo op deze rekening verrekend moet worden. [de vrouw] is van mening dat [de man] alleen recht heeft op het aangebrachte saldo op deze rekening, te weten € 2.265,72. De rechtbank zal [de vrouw] in die stelling niet volgen. Gezien de aard van deze rekening - een betaalrekening voor huishoudelijke uitgaven die ook anderszins werd gevoed, waardoor de aanbrengst is vermengd met andere bedragen en daardoor als aanbrengst niet meer geïndividualiseerd kan worden - moet het ervoor worden gehouden dat het aangebrachte bedrag in de loop der jaren in het huwelijk verteerd is. In elk geval blijkt niet (meer) dat dit bedrag is gesepareerd. Met de aanbreng zal derhalve geen rekening worden gehouden. Partijen zijn het erover eens dat op deze rekening op 16 november 2005 een schenking van € 4.303,00 aan [de man] is gestort. Deze schenking dient buiten de verrekening te vallen.

4.13.2. [de man] heeft aandelen UT-Delfia aangebracht. Deze behoren in beginsel buiten de verrekening te vallen. [de vrouw] heeft onbetwist gesteld dat [de man] deze aandelen op 5 juli 1998 heeft verkocht voor de prijs van ƒ43.894,00 en dat op 1 juni 2001 een bedrag van ƒ 9.220,80 ter zake van deze aandelen op de gezamenlijke internetspaarrekening is gestort. Uit door [de man] overgelegde bankafschriften (bijlage 22 bij de conclusie van antwoord in conventie/eis in reconventie) blijkt dat deze bedragen zijn bijgeschreven op de rekening bij de Rabobank nummer 3675.59.854. Uit andere door [de man] overgelegde afschriften van die rekening blijken zeven betalingen naar een rekening 4696.29.436 met omschrijving “Hendrix UTD B.V. Aandelen”. De rechtbank gaat ervan uit dat UTD staat voor UT Delfia, omdat [de man] in de processtukken in verband met de aandelen ook de afkorting UTD gebruikt. Laatstgenoemde rekening komt in geen van de overige processtukken van partijen voor; met uitzondering van de betaling van 1 mei 2001 blijkt niet in welk jaar of welke jaren die betalingen zijn gedaan, waardoor ook niet kan worden vastgesteld of de betalingen in guldens of in euro’s hebben plaatsgevonden. Genoemde bedragen zijn vervolgens niet meer te traceren. Het had op de weg gelegen van [de man], die deze bedragen buiten de verrekening wil laten, om de verdere stroom van deze gelden inzichtelijk te maken. Met de aanbreng van deze aandelen zal de rechtbank in verband met de vele onduidelijkheden daarover geen rekening houden.

4.13.3. Volgens [de man] dient ook de Rabo effectenrekening 1060.64.665 buiten de verrekening gelaten te worden. [de man] voert daartoe aan dat hij meent dat deze rekening uitsluitend is gevoed met gelden die privé aan hem toebehoorden, zoals de verkoop van een deel van het pakket aandelen UTD, en de dollarrekening die hij heeft aangebracht alsmede met gelden afkomstig uit Canada. In 2001, zo vervolgt [de man], heeft hij van de internetspaarrekening 1573.153.044 aandelen gekocht en die staan op de effectenrekening. Nu [de man] niet stellig is in zijn standpunt over de voeding van deze rekening en bovendien daarin op geen enkele wijze inzicht heeft verschaft, zal de rechtbank deze rekening niet buiten de verrekening laten.

4.13.4. [de man] stelt dat de Robeco rekening 2757.24.018, die op zijn naam is gesteld, niet in de verrekening betrokken moet worden. Allereerst constateert de rechtbank dat die stelling onjuist is. Uit dagafschriften betreffende die rekening, die door [de man] zijn overgelegd, blijkt dat die rekening ook op naam van [de vrouw] is gesteld, in elk geval nog op 18 november 2005. [de man] stelt dat op deze rekening zijn gestort de verkoopopbrengsten van het eerste pakket UTD aandelen, van de zaken uit Canada en van het huis van [de man] in Maarssen. [de man] heeft de geldstromen met betrekking tot deze rekening op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt aan de hand van justificatoire (bank-)bescheiden; de eigenhandig door [de man] opgestelde mutatie-overzichten, die [de man] in het geding heeft gebracht, acht de rechtbank onvoldoende. De rechtbank zal het saldo van de onderhavige rekening in de verrekening betrekken.

4.13.5. [de man] wenst de beleggingsrekening 1060.64.665 buiten de verrekening te laten. De enige reden die hij daarvoor aanvoert is dat die rekening uitsluitend zijn eigendom is. Dit enkele feit acht de rechtbank geen reden om het saldo op deze rekening buiten de verrekening te laten.

4.13.6. Uit de stellingen van [de man] leidt de rechtbank af dat de Rekening Canada betrekking heeft op een buitenlands ouderdomspensioen ten behoeve van de [de man]. [de man] heeft voorgesteld deze rekening aan hem toe te scheiden. Naar het oordeel van de rechtbank is op het huwelijksvermogensregime van partijen Nederlands recht van toepassing. Alsdan is de Wet verevening pensioenrechten bij echtscheiding ook van toepassing op een buitenlandse pensioenregeling, die - nu in dit geval niet anders is gesteld of gebleken - niet een pensioenregeling is als bedoeld in het vierde tot en met het zesde lid van artikel 1 van genoemde wet. In dit geval zal te zijner tijd voor [de vrouw] een recht op uitbetaling van een deel van het pensioen bestaan jegens [de man], maar niet jegens een uitvoeringsorgaan. De rechtbank is van oordeel dat het saldo op de rekening Canada thans buiten de verrekening moet vallen.

4.14. Op grond van het geen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, komt voor verrekening in aanmerking een bedrag van € 148.555,33 (€ 156.258,33 - € 4.303,00 - € 3.400,00). De verrekening van het vermogen geschiedt bij helfte, zodat elk van partijen recht heeft op een bedrag van € 74.277,66.

4.14.1. De rechtbank merkt nog het volgende op. [de man] heeft voor het geval dat op hem de bewijslast zou rusten, aangeboden zijn stellingen nader te bewijzen door het overleggen van overige schriftelijke bewijsstukken en door verklaringen van getuigen, te weten zijn moeder en hijzelf. Dit bewijsaanbod zal de rechtbank niet honoreren, omdat het niet voldoende is gespecificeerd. Bovendien heeft de rechtbank partijen bij tussenvonnis van 28 januari 2009 in de gelegenheid gesteld om nadere producties in het geding te brengen, maar die gelegenheid heeft [de man] onvoldoende te baat genomen.

4.15. De vordering van [de vrouw] onder 2 subsidiair houdt in [de man] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 68.063,27 dan wel een bedrag dat de rechtbank in goede justitie meent te moeten vaststellen. [de vrouw] vordert aldus een lager bedrag dan waarop zij op grond van de finale verrekening recht heeft. Nu in de (formuleringswijze van de) vordering besloten ligt dat de rechtbank de vrijheid heeft een bedrag zelf naar billijkheid vast te stellen en aldus toewijzing van een hoger dan het gevorderde bedrag toelaat (zie MvA I, Parlementaire geschiedenis: herziening van het burgerlijk procesrecht voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg : wetsvoorstel 26 855), zal zij het onder 4.14. genoemde bedrag, waarop [de vrouw] recht heeft, toewijzen.

4.16. De vordering [de man] te veroordelen tot het ophalen van inboedelzaken, die [de vrouw] bij wijze van vermeerdering van eis heeft ingesteld, zal de rechtbank afwijzen op grond van haar overwegingen, zoals hierna in reconventie vermeld.

4.17. Bij de beoordeling van de vraag of de gevorderde buitengerechtelijke kosten voor vergoeding in aanmerking komen, hanteert de rechtbank het uitgangspunt, dat verrichtingen voorafgaand aan het geding worden gezien als voorbereiding van de gedingstukken en instructie van de zaak. Bij afzonderlijk voor vergoeding in aanmerking komende kosten moet het gaan om verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Daarvan is in deze zaak niet gebleken. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal daarom worden afgewezen.

in reconventie

4.18. De reconventionele geldvordering heeft betrekking op de (verdeling van de) inboedel, de door [de man] betaalde kosten en de gebruiksvergoeding annex vergoeding ex artikel 3:169 BW. Deze onderdelen zal de rechtbank hieronder afzonderlijk bespreken.

4.19. de (verdeling van de) inboedel

4.19.1. [de man] heeft gesteld dat de inboedel aan partijen in onverdeelde eigendom toebehoort. [de vrouw] heeft deze stelling niet weersproken. [de man] is van mening dat alle inboedelzaken, waarvan hij de waarde stelt op € 10.000,00, aan [de vrouw] toebedeeld dienen te worden en dat [de vrouw] hem daarvoor een bedrag van

€ 5.000,00 dient te betalen. [de vrouw] stelt zich op het standpunt dat [de man] de inboedel maar moet overnemen en dan aan haar een bedrag van € 5.000,00 moet voldoen.

4.19.2. De rechtbank is van oordeel dat de inboedel tussen partijen verdeeld moet worden. De inboedel bevindt zich in de voormalige echtelijke woning van partijen aan de [adres] te [woonplaats], die gemeenschappelijk eigendom is van partijen. Tot nu toe heeft [de vrouw] deze woning samen met de vier kinderen van partijen bewoond en al die tijd gebruik gemaakt van de inboedel. [de man] woont sinds hij de woning heeft verlaten, bij zijn nieuwe partner. [de vrouw] zelf, die van mening was dat de inboedel weinig waarde vertegenwoordigt, heeft de verdeling van de inboedel aanvankelijk niet gevorderd, althans niet in die zin dat deze aan [de man] toebedeeld zou moeten worden. Hieruit leidt de rechtbank af dat [de vrouw] de bestaande situatie heeft willen laten voortbestaan. Pas toen [de man] zich op het standpunt stelde dat de inboedel aan [de vrouw] moest worden toebedeeld en hij ter zake van de overbedeling van [de vrouw] een bedrag van € 5.000,00 vorderde, wenste [de vrouw] dat de inboedel aan [de man] toebedeeld zou worden en dat [de man] haar

€ 5.000,00 zou betalen. Gelet op deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de inboedel niet aan [de man] toebedeeld moet worden, maar dat de bestaande situatie in stand gelaten moet worden. De vordering van [de man] is in elk geval voor een bedrag van € 5.000,00 toewijsbaar.

4.20. De kosten

4.20.1. [de man] stelt dat hij zowel vóór als na de inschrijving van de echtscheidings-beschikking in de registers van de burgerlijke stand kosten met een totaalbedrag van € 12.347,50 heeft betaald, die geheel dan wel voor de helft voor rekening van [de vrouw] komen. [de man] heeft deze kosten gespecificeerd in bijlage 25 bij zijn conclusie van 22 oktober 2008. [de vrouw] heeft niet betwist dat [de man] de kosten als vermeld op die bijlage heeft betaald.

4.20.2. Voor de vraag voor wiens rekening deze kosten komen, is bepalend hetgeen partijen in de huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen. Op grond van het bepaalde in artikel 4 van die voorwaarden worden de kosten van de huishouding en die van de opvoeding van de kinderen van partijen, evenals alle gewone lasten en belastingen, gedragen door partijen in evenredigheid van ieders inkomsten, met dien verstande dat indien dit evenredig deel van die kosten de inkomsten van één der echtelieden te boven gaat, de andere het meerdere zal moeten dragen, voor zover diens inkomsten daartoe toereikend zijn. Uit de processtukken leidt de rechtbank af dat [de man] tijdens het huwelijk heeft gezorgd voor het gezinsinkomen en dat [de vrouw] geen inkomen uit arbeid heeft gegenereerd. Gesteld noch gebleken is dat [de vrouw] tijdens het huwelijk andere inkomsten heeft verworven. Nu de in artikel 4 genoemde kosten door partijen niet in evenredigheid van ieders inkomsten gedragen kunnen worden, komen deze ten laste van [de man], wiens inkomen de rechtbank toereikend voorkomt.

4.20.3. De op de bijlage 25 vermelde kosten onder 1 t/m 3 en 5 t/m 10 merkt de rechtbank aan als kosten van de huishouding; de kosten vermeld onder 12 als kosten die in verband staan met de opvoeding van de kinderen. De premiebetalingen voor de Opmaatverzekering onder punt 4 laat de rechtbank buiten beschouwing nu partijen op de comparitie hebben aangegeven dat zij over deze verzekering inmiddels een regeling hebben getroffen.

4.20.4. De rechtbank is van oordeel dat de kosten onder 1 t/m 3, 5 t/m 10 en 12 op grond van de huwelijkse voorwaarden voor rekening komen van [de man] voor zover die kosten vóór 30 mei 2006 - de datum waarop het huwelijk van partijen is geëindigd - zijn betaald of op de periode vóór die datum betrekking hebben. De kosten van de huishouding die betrekking hebben op de periode na 30 mei 2006 komen ten laste van [de vrouw], omdat het kosten zijn die verband houden met de woning, waarvan [de vrouw] samen met de kinderen het alleengebruik heeft. De kosten die betrekking hebben op de echtscheiding als vermeld onder punt 11 dienen naar het oordeel van de rechtbank door elk van partijen voor de helft te worden gedragen.

4.20.5. De volgende kostenposten zijn toewijsbaar voor het daarachter vermelde bedrag:

1. € 240,00

7. € 755,33

8. € 140,88

9. € 505,35

10. € 268,65

11. € 2.180,91

Totaal € 4.091,12

4.21. Gebruiksvergoeding woning / vergoeding ex artikel 3:169 BW

4.21.1. [de man] is van mening dat [de vrouw] hem een vergoeding dient te betalen voor het gebruik van de voormalige echtelijke woning over de periode van 30 mei 2006 tot 1 januari 2007.

4.21.2. [de vrouw] is van mening dat [de man] niet-ontvankelijk is in zijn vordering omdat hij die vergoeding, die hij in de echtscheidingsprocedure niet heeft gevorderd, nu niet meer kan vorderen. Subsidiair is [de vrouw] van mening dat het niet redelijk en billijk is van haar te verlangen dat zij een gebruiksvergoeding aan [de man] moet voldoen. Meer subsidiair vindt [de vrouw] dat de gebruiksvergoeding 4% per jaar van de overwaarde en niet van de vrije verkoopwaarde van de woning moet bedragen. Verder vindt [de vrouw] de gevorderde vergoeding als bedoeld in artikel 3:169 BW naast de gebruiksvergoeding als bedoeld in artikel 1:165 BW dubbelop.

4.21.3. De rechtbank is van oordeel dat [de man] de gebruiksvergoeding ook in deze procedure nog kan vorderen. Gelet op het feit dat de woning een aanzienlijke

(over-)waarde vertegenwoordigde en [de vrouw] in de door [de man] genoemde periode het alleengebruik van de woning had, had zij met een dergelijke vordering steeds rekening kunnen en behoren te houden.

4.21.4. Voormalige echtgenoten moeten jegens elkaar de eisen van redelijkheid en billijkheid in acht nemen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de man] op grond van die eisen in beginsel recht op een gebruiksvergoeding. Een dergelijke vergoeding in een geval als dit, strekt immers tot compensatie van het gemis van het gebruik en genot van de woning die aan beide partijen in gelijke mate toekomen. Dat gebruik en genot ontbeert [de man].

4.21.5. De rechtbank is van oordeel dat [de man] niet gelijktijdig aanspraak heeft op zowel een gebruiksvergoeding op grond van artikel 1:165 BW als een vergoeding op grond van artikel 3:169 BW. [de man] heeft over de gevorderde periode aanspraak op een vergoeding op grond van laatstgenoemd artikel. In de gegeven omstandig-heden acht de rechtbank het redelijk en billijk het gemis van het gebruik en genot van de echtelijke woning voor [de man] te waarderen op 4% per jaar van de helft van de overwaarde van die woning, te weten € 58.750,00. Dit komt neer op een vergoeding van € 1.380,83 over de gevorderde periode.

4.22. Ter zake van de inboedel, de kosten en de vergoeding ex artikel 3:169 BW is de geldvordering van [de man] op grond van de voorgaande overwegingen toewijsbaar tot een bedrag van € 10.471,95.

4.23. [de man] heeft ook wettelijke rente gevorderd over de door hem gevorderde hoofdsom. Voor toewijzing van de wettelijke rente is verzuim vereist. Nu de verplichtingen van [de vrouw] nog niet eerder (definitief) zijn vastgesteld, kan [de vrouw] nog niet in verzuim zijn met betrekking tot de betaling van het gevorderde en toegewezen bedrag. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente afwijzen.

4.24. [de man] heeft gevorderd dat [de vrouw] de persoonlijke zaken, die aan hem toebehoren, zal afgeven. Als zodanig noemt [de man] een oud horloge dat in zijn familie overgaat van oudste zoon op oudste zoon, een geldkistje met oude munten en documenten dat zich in een kluis bevindt. [de vrouw] heeft als verweer gevoerd dat [de man] inmiddels al veel persoonlijke zaken in zijn bezit heeft, dat zij niet in bezit is van de sleutel van de kluis, die altijd in beheer bij [de man] is geweest, dat de inhoud van de kluis haar niet bekend is en dat zij betwist het familiehorloge in bezit te hebben. Tegen het verweer van [de vrouw] heeft [de man] niets meer ingebracht. Dat [de vrouw] in het bezit is van de zaken, waarvan [de man] de afgifte vordert, staat in rechte niet vast. Een specifiek bewijsaanbod van [de man] ten aanzien van dat bezit ligt niet voor. De rechtbank kan [de vrouw] niet veroordelen tot afgifte van zaken, waarvan niet vast staat dat deze in het bezit zijn van [de vrouw]. De betreffende vordering van [de man] zal worden afgewezen.

in conventie en reconventie

4.25. De rechtbank is van oordeel dat elk van partijen de eigen proceskosten moet -dragen, omdat zij gewezen echtgenoten van elkaar zijn en bovendien omdat zij in de procedure op enige punten over en weer in het ongelijk zijn gesteld.

5. De beslissing

De rechtbank:

in conventie

5.1. veroordeelt [de man] zijn medewerking te verlenen aan de overschrijving van de echtelijke woning aan de [adres] te [woonplaats] op naam van [de vrouw];

5.2. veroordeelt [de man] tot betaling van een dwangsom van € 100,00 voor elke dag of gedeelte van een dag voor het geval hij weigerachtig blijft die medewerking te verlenen;

5.3. bepaalt dat boven een bedrag van € 25.000,00 geen dwangsom meer wordt verbeurd;

5.4. bepaalt dat [de vrouw] aan [de man] zal betalen een bedrag van € 58.750,00, zijnde de helft van de overwaarde van de echtelijke woning, te verminderen met de helft van de kosten van de overdracht van die woning;

5.5. bepaalt dat [de man] aan [de vrouw] zal betalen een bruto bedrag van € 12.750,00, zijnde de helft van de tussen partijen vastgestelde waarde van de beleggingsconstructie Hypotheek RABO Op Maat, welke constructie door [de man] zal worden overgenomen en op zijn naam zal worden gesteld;

5.6. veroordeelt [de man] aan [de vrouw] te betalen een bedrag van € 74.277,66;

in reconventie

5.7. veroordeelt [de vrouw] aan [de man] te betalen een bedrag van € 10.471,95;

in conventie en reconventie

5.8. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.9. compenseert de proceskosten in die zin dat elk van partijen de eigen kosten draagt;

5.10. wijst af het meer of anders gevorderde;

Dit vonnis is gewezen door mr. K.A.J.C.M. van den Berg Jeths en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2009.

lghc