Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BJ2557

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
08-07-2009
Datum publicatie
15-07-2009
Zaaknummer
94496 / JE RK 09-841
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek machtiging tot (spoed)uithuisplaatsing bij de andere met gezag belaste ouder.

Geen feiten of omstandigheden die ingrijpende maatregel als de uithuisplaatsing rechtvaardigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector civielrecht

Zaak-/rolnummer: 94496 / JE RK 09-841

Beschikking van 8 juli 2009 betreffende een jeugdbeschermingsmaatregel

in de zaak van

[minderjarige], geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 2004, hierna te noemen de minderjarige.

De kinderrechter merkt naast de minderjarige en verzoeker als belanghebbenden aan:

- [moeder],

wonende te [woonplaats],

[adres], hierna te noemen de moeder

- [vader],

wonende te [woonplaats],

[adres], hierna te noemen de vader.

Het ouderlijk gezag wordt uitgeoefend door de ouders [moeder] en [vader].

1. Het verloop van de procedure

1.1. De minderjarige is ondertoezicht gesteld van de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, mede kantoorhoudende te Weert. De ondertoezichtstelling loopt door tot 12 april 2010.

1.2. De voornoemde stichting heeft op 25 juni 2009 een verzoekschrift met bijlage(n) ingediend, strekkende tot verlening van een machtiging tot (spoed)uithuisplaatsing van voornoemde minderjarige bij een andere met het gezag belaste ouder voor de duur van de ondertoezichtstelling tot en met 11 april 2010.

1.3. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verzocht in het belang van de verzorging en de opvoeding van de minderjarige.

1.4. Bij beschikking van 25 juni 2009 heeft de kinderrechter reeds machtiging verleend tot plaatsing van de minderjarige bij de andere ouder met het gezag belast, met ingang van 25 juni 2009 voor de duur van twee weken en heeft de kinderrechter de beslissing voor het overige aangehouden.

1.5. Op 6 juli 2009 is door de advocaat van de moeder een verweerschrift tegen de machtiging uithuisplaatsing ingediend.

1.6. Op 7 juli 2009 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De griffier heeft daarvan aantekening gehouden.

Bij de behandeling zijn verschenen:

- de moeder, bijgestaan door mw. mr. Peeters,

- de vader, bijgestaan door mw. mr. Burhenne,

- de heer [gezinsvoogd], gezinsvoogd, vertegenwoordiger van de stichting.

-

2. De vaststellingen en overwegingen

2.1. De gezinsvoogd heeft gepersisteerd bij de inhoud van het verzoekschrift.

[minderjarige] is een vijfjarig meisje dat opgroeit als kind van gescheiden ouders.

Onlangs is de ondertoezichtstelling voor de derde keer verlengd. Er zijn volgens de gezinsvoogd momenteel toenemende zorgen over de psychische gesteldheid van de moeder, die erg wisselend zou zijn. De moeder heeft een belast verleden en heeft twee jonge kinderen van twee verschillende partners. Zij staat onder constante invloed van haar huidige partner (de vader van haar jongste dochter), met wie ze een wisselvallige en naar het oordeel van de gezinsvoogd zorgelijke relatie (van constant aantrekken en afstoten) onderhoudt. Hij zou softdrugs gebruiken en geen onbekende zijn van de politie. Er zouden meerdere voorvallen zijn geweest, waarbij sprake was van huiselijk geweld, bedreigingen en stalking, waarvan de moeder aangifte bij de politie zou hebben gedaan. Kort daarna echter werkt moeder weer toe naar relatieherstel. Het is onduidelijk in hoeverre [minderjarige] daarvan iets heeft meegekregen, maar er zijn voldoende signalen merkbaar bij [minderjarige] die erop duiden dat ze in een behoorlijke spannende en zorgelijke situatie opgroeit bij de moeder. De gezinsvoogd heeft zich bij een huisbezoek door de partner van moeder een keer geïntimideerd gevoeld door de wijze waarop hij door de partner van de moeder werd bejegend.

De aanhoudende strijd tussen de ouders (ex-partnerproblematiek) leidt ertoe dat [minderjarige] in een loyaliteitsconflict verkeert en het wordt steeds duidelijker dat [minderjarige] last heeft van dit loyaliteitsconflict, hetgeen ook door school bevestigd zou worden. [minderjarige] is een meisje dat haar beide ouders niet wil afvallen. In vertrouwelijke gesprekken die de gezinsvoogd met de onderwijzeres van [minderjarige] heeft gehad wordt zijn visie bevestigd, hetgeen school vervolgens kennelijk niet tegen de moeder durft kenbaar te maken.

Ten aanzien van de basale verzorging van [minderjarige] bestaan er geen zorgen bij Bureau Jeugdzorg. [minderjarige] krijgt bij haar een goede verzorging. De moeder accepteert de hulpverlening en de adviezen zoals door Bureau Jeugzdorg gegeven en zij laat zich ook aansturen, maar de resultaten blijven volgens de gezinsvoogd uit; de inzet is volgens de gezinsvoogd minimaal en de zorgen bij de ambulante medewerker van Rubicon, de school, Bureau jeugdzorg en de vader nemen toe.

Bureau Jeugdzorg zou graag zien dat eerst de privé situatie van moeder goed in kaart wordt gebracht (onder andere met een diagnostisch onderzoek naar haar psychische toestand) en dat zij over een langere periode stabiel is, alvorens [minderjarige] naar haar terug kan.

Bureau Jeugdzorg is van mening dat de vader (die bij zijn ouders inwoont) op dit moment de beste zorg aan [minderjarige] kan bieden.

2.2. De vader (en zijn ouders) zijn akkoord met het ingediende verzoek.

In 2006 is voor de eerste keer een ondertoezichtstelling uitgesproken en [minderjarige] verblijft sedertdien al voor de derde keer bij de ouders van de vader, bij wie hij zelf inwoont. De vader heeft veel zorg om [minderjarige], met name sinds de moeder een - naar zijn oordeel - wisselvallige en zorgelijke relatie met haar nieuwe partner heeft. Naar het oordeel van de vader is geen sprake van een stabiele relatie en is er sprake geweest van mishandeling. De moeder heeft al vaker met [minderjarige] bij de ouders van vader verbleven, die zich over hen ontfermd hebben. Dit is altijd goed verlopen, maar de moeder is toch weer teruggekeerd naar haar huidige partner.

De moeder houdt zich niet aan afspraken en heeft een zeer wispelturig karakter. School heeft gezegd dat het beter zou gaan met [minderjarige] sinds ze weer bij de ouders van vader verblijft.

Volgens vader mogen er nu ook kinderen komen spelen, die van hun ouders niet bij de moeder mogen spelen vanwege de partner van moeder.

2.3. De moeder is het niet eens met het verzoek. Zij wil dat [minderjarige] zo spoedig

mogelijk weer teruggeplaatst wordt bij haar. Door en namens de moeder is aangevoerd dat zowel Rubicon als school tegen haar hebben gezegd dat het goed gaat met [minderjarige]. Het is een vrolijk meisje en ze doet het heel goed op school.

De moeder werkt altijd goed mee aan de hulpverlening die haar in het kader van de ondertoezichtstelling wordt geboden en zij spant zich hiertoe in, waarbij zij enkel het belang van [minderjarige] voor ogen heeft. De moeder doet al het mogelijke om haar beide kinderen een goed thuis te bieden. Ze heeft een eigen zelfstandige woonruimte en biedt [minderjarige] (en haar jongste dochtertje [dochter]) voldoende stabiliteit.

De moeder heeft contact gezocht met de huisarts, die -blijkens een overgelegde schriftelijke verklaring- schrijft dat er geen aanwijzingen zijn om aan te nemen dat er zorgen zijn over de psychische gesteldheid van de moeder, zoals Bureau Jeugdzorg heeft aangevoerd. Ook met betrekking tot de (psychische) gezondheid van [minderjarige] zijn volgens de huisarts geen aanwijzingen dat er iets aan de hand is.

De moeder heeft altijd de omgang tussen [minderjarige] en haar vader gestimuleerd en de

vader heeft ook vaker omgang met zijn dochter dan de bij echtscheiding afgesproken omgangsregeling van één weekend per 14 dagen. In dat kader verbleef [minderjarige] ook nu weer twee weken bij haar vader. Omdat zij een blaasontsteking had gekregen vond de moeder het goed dat ze langer bij haar vader bleef, totdat plotseling bleek dat [minderjarige] uit huis geplaatst werd, een gebeurtenis waardoor de moeder totaal werd overvallen en waarvan zij vindt dat die op een stiekeme wijze achter haar rug om is voorbereid. Daar was totaal geen aanleiding toe.

Omdat de vader momenteel nog inwoont bij zijn ouders en fulltime werkzaam is, is de oma momenteel erg betrokken op de opvoeding van [minderjarige]. Door de invloed van de oma ontstaan er spanningen tussen vader en moeder, waardoor de communicatie tussen beide ouders niet naar wens verloopt.

Naar het oordeel van de moeder levert een uithuisplaatsing geen verbetering op als het gaat om het loyaliteitsconflict waarin [minderjarige] zich bevindt, doch zouden beide ouders er samen aan dienen te werken dat de communicatie tussen hen zal verbeteren.

Volgens de moeder is haar relatie met de nieuwe partner herstellende, heeft zij inderdaad een keer aangifte gedaan van bedreiging door middel van sms-jes, maar heeft ze dit mede gedaan met het oog op Bureau Jeugdzorg teneinde te laten zien dat ze in het belang van de kinderen handelt. Zij heeft gezegd door haar partner nooit mishandeld of anderszins bedreigd te zijn.

2.4. De kinderrechter is van oordeel dat noch uit de onderliggende dossierstukken, noch uit het onderzoek ter zitting gebleken is van zodanige zwaarwegende feiten en omstandigheden, dat die de conclusie rechtvaardigen dat een uithuisplaatsing van de minderjarige noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding, zoals is bepaald in artikel 1: 261, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek.

Op grond van de verkregen inlichtingen is de kinderrechter niet tot de overtuiging

gekomen dat de maatregel van ondertoezichtstelling ontoereikend is om de bedreigde

ontwikkeling van de minderjarige te keren en dat de zorgen met betrekking tot de

minderjarige bij de moeder thuis zodanig groot zouden zijn of de moeder onwelwillend

staat ten opzichte van de hulpverleningsinstanties, dat het uiterste middel van

een uithuisplaatsing op dit moment gerechtvaardigd is. Er is geenszins gebleken dat de

moeder de hulpverlening in haar gezin buiten de deur houdt of anders tegenwerkt.

Het door de gezinsvoogd aangevoerde ‘bestwil-criterium’, namelijk dat [minderjarige] op dit

moment naar zijn mening beter af is bij haar vader dan bij haar moeder, is naar het oordeel

van de kinderrechter niet voldoende om een ingrijpend middel als een uithuisplaatsing onder

de gegeven omstandigheden te rechtvaardigen.

De kinderrechter overweegt daarbij dat ten aanzien van de basale verzorging van [minderjarige]

er geen zorgen bestaan bij Bureau Jeugdzorg. De moeder accepteert ook de aangereikte hulp en volgt alle gegeven aanwijzingen en adviezen van Bureau Jeugdzorg aan haar op. Van het bestaan van zorgen over [minderjarige] bij de school en bij Rubicon, en concreet waaruit die zorgen dan zouden bestaan, is feitelijk noch uit het dossier, noch uit de behandeling ter terechtzitting gebleken. Dat er zodanige zorgen zouden zijn heeft de moeder ter zitting gemotiveerd weersproken.

Blijkens de schriftelijke verklaring van de huisarts d.d. 5 juli 2009 is het psychische functioneren van moeder, voor zover hij dit kan beoordelen, adequaat en is er bij haar geen sprake van een psychische stoornis, zodat de door Bureau Jeugdzorg geuite zorgen over de psychische gesteldheid van moeder niet door de huisarts worden bevestigd.

Verder heeft de huisarts verklaard dat [minderjarige] een goede lichamelijke gezondheid heeft, dat de moeder goed voor [minderjarige] zorgt en de huidige gezinssituatie (waarin moeder een nieuwe partner heeft) zijns inziens momenteel goed is.

De kinderrechter zal, nu er niet is gebleken van feiten of omstandigheden die een uithuisplaatsing van de minderjarige noodzakelijk maken, het verzoek van de stichting dan ook voor het overige afwijzen.

3. De beslissing

De kinderrechter

3.1. wijst voor het overige het verzoek van de stichting af.

Deze beslissing is gegeven door mr. R.H.A.M. Beaumont, kinderrechter, en ter openbare terechtzitting van 8 juli 2009 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak kan beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze uitspraak is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening van de uitspraak of nadat de uitspraak hun op andere wijze bekend is geworden.