Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BJ2468

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
08-07-2009
Datum publicatie
14-07-2009
Zaaknummer
87663 / HA ZA 08-477
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanbouw buren. Onrechtmatige daad. Inbreuk eigendomsrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROERMOND

Sector civielrecht

zaaknummer / rolnummer: 87663 / HA ZA 08-477

Vonnis van 8 juli 2009

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. H.J.J.M. van der Bruggen,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. T.J.A. Iding.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 5 november 2008

- het proces-verbaal van comparitie van 9 december 2008.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] is eigenaar van het door hem bewoonde pand aan de [adres] te [woonplaats]. [gedaagde] is eigenaar van en woonachtig op de [adres] te [woonplaats]. Beide percelen grenzen aan elkaar.

2.2. [gedaagde] heeft tussen de gevel van de woning van [eiser] en de gevel van zijn garage een overkapping geplaatst. Deze overkapping rust op een balk aan de muur van de garage van [eiser], op een tussen de gevel van de woning van [eiser] en de gevel van de garage van [gedaagde] door [gedaagde] gemetselde muur, welke hij heeft verankerd in de muur van de woning van [eiser] alsmede op een penant die [gedaagde] heeft verankerd in de muur van de woning van [eiser].

2.3. De overkapte ruimte is aan drie zijden door muren afgesloten namelijk de muren van de woning van [eiser], van de garage van [gedaagde] en de eerdergenoemde door [gedaagde] gemetselde muur tussen de gevels. De vierde zijde van de overkapte ruimte wordt afgesloten door middel van een deur.

2.4. In opdracht van partijen gezamenlijk is door Ruijsenaars Expertises op 12 juni 2006 een rapport uitgebracht. In dat rapport is onder andere het volgende opgenomen:

‘De structurele inwerking van vocht op de achtergevel is af te leiden aan de

hand van het schadebeeld aan de binnenzijde. Ook zijn de recentelijk uitgevoerde reparaties aan het stucwerk duidelijk herkenbaar.

Aan de buitenzijde van de achtergevel valt het direct op dat delen van het gevelmetselwerk zijn verzadigd met vocht.

Het gaat dan om … een strook direct onder de overkapping van circa 100 – 140 cm1

hoogte (b).

Beschouwing

…..

vochtstrook b

In dit geval is de verzadiging van het metselwerk veroorzaakt door een voeding van bovenaf. Er is geen reden om aan te nemen dat er zich in de achtergevel een leiding of afvoer zou bevinden van waaruit langdurig water in de muur stroomt.

De andere mogelijke voedingsbron die de aangetroffen verzadiging kan veroorzaken is de indringing van neerslag in de gemetselde achtergevel.

Indringende neerslag in de anderhalf steens dikke massieve muur van de achtergevel zal in het metselwerk zakken onder invloed van de zwaartekracht, om uiteindelijk weer aan het oppervlak van de achtergevel uit te treden door verdamping.

Dit natuurlijke proces van uittreding van vocht vindt nu niet meer, of in onvoldoende mate plaats aan het muuroppervlak wat is gelegen onder de overkapping.

De toetreding van vocht door neerslag wordt echter niet geremd, ook niet door de ingeslepen loodslabbe, zodat er na verloop van tijd een verzadiging zal plaatsvinden, hetgeen ook is geconstateerd.’

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordertvordert samengevat - bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

1. voor recht te verklaren dat het litigieuze afdak tussen de garage van [gedaagde] en de woning van [eiser] op onrechtmatige wijze is aangebracht,

2. [gedaagde] te veroordelen om binnen drie weken na betekening van het in deze te wijzen vonnis het litigieuze afdak op deugdelijke wijze te verwijderen en verwijderd te houden, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 250,00 per dag voor iedere dag dat gedaagde in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen, met een maximum van EUR 10.000,00,

3. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van en bedrag van EUR 2.965,00, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag, ter zake schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 juni 2006, dan wel een in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening alsmede tot betaling van een bedrag van EUR 1.016,11 ter zake deskundigenkosten en buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening,

met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

3.2. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [eiser] heeft aan zijn vordering een onrechtmatige daad zijdens [gedaagde] ten grondslag gelegd. In verband daarmee heeft [eiser] primair aangevoerd, dat [gedaagde] de overkapping zonder toestemming van [eiser] heeft verankerd in de muur van het woonhuis van [eiser]. Door de overkapping zijn er voor [eiser] vochtproblemen ontstaan, doordat ten gevolge van de overkapping de benodigde natuurlijke ventilatie wordt gehinderd. Subsidiair heeft [eiser] daaraan hinder ten grondslag gelegd.

[gedaagde] heeft betwist dat er sprake zou zijn van enige verankering in de muur van de woning van [eiser]. Tevens heeft hij betwist dat er sprake zou zijn van schade.

4.2. De rechtbank overweegt het volgende. De rechtbank zal allereerst hebben te beoordelen of er sprake is van een onrechtmatige daad van [gedaagde] jegens [eiser]. Ingevolge artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden. Tevens dient ingevolge artikel 6:163 BW voldaan te zijn aan het relativiteitsvereiste.

onrechtmatige daad, toerekening en relativiteit

4.3. Ingevolge artikel 6:162, tweede lid, levert een inbreuk op een recht van een ander zonder meer een onrechtmatige daad op, behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond.

Van een inbreuk op een recht is onder meer sprake indien een inbreuk wordt gemaakt op de eigendom van een ander. Tussen partijen staat vast, gelet op het verhandelde tijdens de comparitie, dat de ondersteuning van het litigieuze afdak (overkapping) mede door middel van verankering in de muur van het woonhuis van [eiser] is geconstrueerd, alsmede dat voor deze verankering door [eiser] geen toestemming is gegeven. De rechtbank is van oordeel dat de bevestiging aan de muur van [eiser] door middel van verankering in die muur – bij afwezigheid van de daartoe vereiste instemming van [eiser] - inbreuk maakt op het eigendomsrecht van [eiser]. Tevens is niet gesteld of anderszins gebleken, dat er sprake zou zijn van een rechtvaardigingsgrond. Verder is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van deze daad aan [gedaagde] een verwijt gemaakt kan worden, omdat hij zich van te voren had dienen te verzekeren van de instemming van [eiser], hetgeen hij niet heeft gedaan. Tevens is de rechtbank van oordeel dat voldaan is aan het uit artikel 6:163 BW voortvloeiende vereiste van relativiteit, nu ten gevolge van de inbreuk op het eigendomsrecht sprake is van een schending van het belang ter bescherming waarvan het eigendomsrecht strekt. Concluderend is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een aan [gedaagde] toerekenbare onrechtmatige daad jegens [eiser], zodat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die daaruit voor [eiser] voortvloeit.

Aan het subsidiair ten aanzien van de onrechtmatige daad gestelde komt de rechtbank niet meer toe.

4.4. Op grond van bovenstaande kan de gevorderde verklaring voor recht worden toegewezen.

Schade en causaal verband

4.5. [eiser] heeft gesteld dat hij ten gevolge van het afdak last heeft van vochtproblemen, ten gevolge waarvan op de betreffende muur vochtplekken zijn ontstaan.

Ter onderbouwing daarvan heeft hij onder andere verwezen naar het rapport van de door partijen gezamenlijk benoemde deskundige Ruijsenaars Expertises van 12 juni 2006 (productie 8 bij de dagvaarding). In dit rapport staat onder andere vermeld, dat bij een schouwing ter plaatse op 9 juni 2006 is waargenomen dat de structurele inwerking van vocht aan de betreffende gevel is af te leiden aan de hand van het schadebeeld aan de binnenzijde, alsmede dat aan de buitenzijde van de betreffende gevel direct opvalt dat delen van het gevelmetselwerk zijn verzadigd met vocht, waarbij het onder andere gaat om een strook direct onder de overkapping. Met betrekking tot deze vochtstrook wordt in het rapport gesteld, dat die verzadiging wordt veroorzaakt door een voeding van bovenaf, zijnde – bij afwezigheid van een reden om aan te nemen, dat er zich in de betreffende gevel een leiding of afvoer zou bevinden van waaruit langdurig water in de muur stroomt - de indringing van neerslag in de gemetselde gevel. Volgens het rapport zal de indringende neerslag onder invloed van de zwaartekracht in het metselwerk zakken, om uiteindelijk weer aan het oppervlak van de gevel uit te treden door verdamping. Dit natuurlijk proces van uittreding van vocht vindt niet meer, of in onvoldoende mate plaats aan het muuroppervlak wat is gelegen onder de overkapping.

Op grond van de weergegeven inhoud van het rapport is de rechtbank van oordeel, dat [eiser] de stelling dat hij tengevolge van de overkapping schade lijdt in de vorm van vochtoverlast door middel van dit rapport voldoende heeft onderbouwd. [gedaagde] heeft ter betwisting van die stelling volstaan met de blote mededeling dat hij het niet eens is met de conclusies uit dit rapport, zonder daaraan enig feit of enige omstandigheid ten grondslag te leggen die die betwisting zou kunnen dragen. De rechtbank is dan ook van oordeel, dat [gedaagde] de door [eiser] voldoende onderbouwde stelling onvoldoende heeft betwist, zodat voldoende is komen vast te staan, dat [eiser] ten gevolge van de door [gedaagde] aangebrachte overkapping vochtschade leidt.

Schadevergoeding

4.6. [eiser] heeft zowel verwijdering van de overkapping binnen drie weken na betekening van het vonnis op straffe van een dwangsom van EUR 250,00 per dag met een maximum van EUR 10.000,00 als vermogensschade van een bedrag van EUR 2.965,00 ter zake van herstel en een bedrag van EUR 248,11 ter zake van kosten rapportage door Drie-M Bouwsupport gevorderd.

[gedaagde] heeft de verschuldigdheid van de gevorderde schadevergoeding alsmede de dwangsom betwist althans verzocht deze te matigen . De gevorderde termijn van verwijdering heeft hij niet betwist.

verwijderen overkapping

4.7. De rechtbank overweegt dat de strekking van het bepaalde in artikel 6:162 BW is om de benadeelde zoveel mogelijk te brengen in de vroegere toestand, althans in de toestand die (vermoedelijk) zou bestaan, indien de onrechtmatige daad niet was gepleegd. Verder overweegt de rechtbank dat blijkens het bepaalde in artikel 6:103 BW schadevergoeding in een andere vorm dan vermogensschade mogelijk is. Die andere vorm van schadevergoeding kan onder andere bestaan uit feitelijk herstel. Naar het oordeel van de rechtbank biedt de vastgestelde inbreuk op het eigendomsrecht in combinatie met de uit de aanwezigheid van de overkapping voortvloeiende vochtoverlast voor [eiser] - mede gezien de strekking van artikel 6:162 BW zoals hiervoor weergegeven - voldoende grondslag voor feitelijk herstel, zodat de vordering tot verwijdering van de overkapping zal worden toegewezen.

4.8. [eiser] heeft de verwijdering op verbeurte van een dwangsom gevorderd.

[gedaagde] heeft primair geconcludeerd tot afwijzing van de gevorderde dwangsom en subsidiair tot matiging daarvan.

De rechtbank overweegt dat [gedaagde] slechts heeft aangevoerd dat de dwangsom te hoog is zonder nader aan te geven waarom dat zo zou zijn. De rechtbank zal de betwisting van [gedaagde] alsmede het verzoek om matiging dan ook als onvoldoende onderbouwd passeren en de vordering – mede gezien het belang [eiser] bij verwijdering van de overkapping in verband met de ten gevolge van die overkapping door [eiser] ondervonden vochtoverlast – toewijzen zoals verzocht.

vermogensschade

4.9. Met betrekking tot het gevorderde bedrag van EUR 2.965,00 constateert de rechtbank dat dit bedrag gelijk is aan het door Drie-M Bouwsupport genoemde bedrag in haar rapport van 27 april 2006 (productie 3 bij de dagvaarding) in samenhang met het aanvullend rapport van 24 mei 2006 (productie 5 bij de dagvaarding), tezamen te noemen het rapport Bouwsupport. De rechtbank gaat er dan ook van uit, dat [eiser] zich ter onderbouwing van het bedrag baseert op het rapport Bouwsupport. Uit dat rapport blijkt dat het bedrag van EUR 2.965,00 is samengesteld uit een bedrag van EUR 1.785,00 ter zake herstel van schade aan het stucwerk en een bedrag van EUR 1.180,00 ter zake herstel van scheurvorming.

4.10. Met betrekking tot het bedrag ad EUR 1.785,00 constateert de rechtbank dat dit bedrag afwijkt van het in het rapport van Ruijsenaars Expertises ter zake genoemde bedrag van EUR 1.500,00. Gezien deze tegenstrijdigheid in de rapportages en bij gebreke van een daarnaast nog aanwezige onderbouwing is de rechtbank van oordeel, dat [eiser], mede gezien de betwisting door [gedaagde], dit bedrag onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank komt dan ook niet meer toe aan bewijslevering op dit punt, zodat het bedrag aan schade van EUR 1.785,00 onvoldoende is komen vast te staan. De rechtbank zal de vordering met betrekking tot dit bedrag afwijzen.

4.11. Met betrekking tot het ter zake van herstel scheurvorming gestelde bedrag van EUR 1.180,00 overweegt de rechtbank het volgende. In het rapport Bouwsupport is aangegeven dat de betreffende gevel ooit is vernieuwd en dat er toen ook extra ankers zijn aangebracht. Vervolgens vermeldt het rapport in de daaropvolgende passage, dat het risico op scheurvorming door de verankering weer zal toenemen. De rechtbank overweegt dat uit het rapport voor haar niet duidelijk wordt of dit risico op scheurvorming verband houdt met de verankering die in het kader van de overkapping heeft plaats gevonden dan wel met de extra verankering zoals die volgens het rapport bij een eerdere vernieuwing van de gevel is aangebracht. Derhalve kan dit rapport niet dienen ter onderbouwing van het bedrag van EUR 1.180,00 als schade voortvloeiend uit de verankering zoals die door toedoen van [gedaagde] heeft plaats gevonden. Aangezien [eiser] aan de vordering van het bedrag van EUR 1.180,00 naast dit rapport geen andere feiten of omstandigheden ten grondslag heeft gelegd, is de rechtbank van oordeel dat [eiser] zijn stelling onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank komt dan ook niet meer toe aan bewijslevering op dit punt, zodat het bedrag van EUR 1.180,00 onvoldoende is komen vast te staan. De rechtbank zal de vordering afwijzen.

4.12. Met betrekking tot het gevorderde bedrag van EUR 248,11 ter zake van kosten rapportage Bouwsupport overweegt de rechtbank het volgende. Ingevolge artikel 6:96, tweede lid sub b, BW vallen onder vermogensschade tevens de redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. Expertisekosten vallen onder de reikwijdte van deze bepaling. [eiser] heeft het rapport laten opstellen ter onderbouwing van de door hem gestelde relatie tussen de overkapping en de vochtproblemen alsmede ter onderbouwing van de daaruit voor hem voortvloeiende schade. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er sprake is van het ingevolge artikel 6:96 BW vereiste causale verband tussen het rapport en de aan de orde zijnde handelwijze van [gedaagde]. De rechtbank overweegt echter dat voor zover uit het rapport een verband tussen de overkapping en de door [eiser] gestelde vochtproblemen wordt vastgesteld, deze constatering gebaseerd lijkt te zijn op de mededeling van [eiser] en niet op een eigen deskundig oordeel van Bouwsupport, althans kan de rechtbank dat laatste niet uit de rapportage afleiden, zodat het gestelde verband tussen de overkapping en de vochtproblemen niet hierop kan worden gebaseerd. Tevens kan het rapport zoals onder 4.10 en 4.11 overwogen niet dienstbaar zijn aan de vaststelling van de geleden schade. Op grond van vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat er met betrekking tot het rapport Bouwsupport geen sprake is van redelijke kosten zoals bedoeld in artikel 6:96, tweede lid, sub b, BW, zodat [eiser] op grond van die bepaling geen aanspraak kan maken op vergoeding van die kosten. De rechtbank zal de vordering afwijzen.

Buitengerechtelijke kosten

4.13. [eiser] maakt aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke kosten ten bedrage van EUR 768,00 conform de aanbevelingen onder punt 2 van het rapport

Voorwerk II.

[gedaagde] heeft de buitengerechtelijke kosten betwist.

De rechtbank overweegt dat zij bij de beoordeling van de vraag of de gevorderde buitengerechtelijke (incasso-) kosten voor vergoeding in aanmerking komen, het uitgangspunt hanteert, dat verrichtingen voorafgaand aan het geding worden gezien als voorbereiding van de gedingstukken en instructie van de zaak. Bij afzonderlijk voor vergoeding in aanmerking komende kosten moet het gaan om verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Hetgeen [eiser] ter zake heeft aangevoerd is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende.

De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal daarom worden afgewezen.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 85,44

- vast recht 254,00

- salaris advocaat 904,00(2 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.243,44

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verklaart voor recht dat het litigieuze afdak tussen de garage van [gedaagde] en de woning van [eiser] op onrechtmatige wijze is aangebracht,

5.2. veroordeelt [gedaagde] om binnen drie weken na betekening van dit vonnis het litigieuze afdak tussen de garage van zijn woning en de woning van [eiser], op deugdelijke wijze te verwijderen en verwijderd te houden,

5.3. veroordeelt [gedaagde], indien hij na betekening van dit vonnis in gebreke blijft aan de hiervoor onder 5.2 vermelde veroordeling te voldoen dan wel uitvoering te geven om aan [eiser] een dwangsom te betalen van EUR 250,00 per dag per overtreding,

5.4. bepaalt dat boven een bedrag van EUR 10.000,00 met betrekking tot de hiervoor onder 5.3. vermelde veroordeling geen dwangsom meer wordt verbeurd,

5.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van [eiser], welke kosten tot aan deze uitspraak worden begroot op EUR 1.243,44,

5.7. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.C.M. Bomans en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2009.?