Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BJ1608

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
29-06-2009
Datum publicatie
06-07-2009
Zaaknummer
AWB 08/1768 en 08/1769
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onbevoegdheid wegens delegatiegebrek. De rechtbank is van oordeel dat, voor zover het verzoek om vrijstelling de opstallen betreft, enkel het gebruik van een deel van het woonhuis voor horecadoeleinden is aan te merken als wijziging van het gebruik als in punt vijf van het delegatiebesluit bedoeld. Voor zover de vrijstelling erop is gericht dat alsnog bouwvergunning wordt verleend ter legalisatie van de eerder zonder vergunning opgerichte -in totaal dertien- dierenverblijven, betreft dat echter niet wijziging van gebruik maar oprichting van bouwwerken. Het bouwen van de dierenverblijven kan evenmin worden gebracht onder wijziging van het gebruik van gronden als bedoeld onder het vierde punt van het delegatiebesluit, nu daaronder redelijkerwijs enkel kan worden begrepen gebruik anders dan het verrichten van bouwvergunningplichtige activiteiten. De rechtbank stelt vast dat verweerder niet bevoegd was om vrijstelling te verlenen voor het oprichten van de beoogde dierenverblijven. Tot het verlenen van vrijstelling voor wijziging van het gebruik van het woonhuis voor horecavoorzieningen en voor wijziging van het gebruik van de gronden als dierenweide, speelveld en parkeerplaats was verweerder wel bevoegd, maar gelet op het feit dat deze deel uitmaken van het totaalplan voor een kinderboerderij waarvan de dierenverblijven een wezenlijk onderdeel zijn, is het niet mogelijk een splitsing te maken tussen een bevoegdelijk en een onbevoegdelijk tot stand gekomen deel van het vrijstellingsbesluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht, meervoudige kamer

Procedurenummer: AWB 08 / 1768 en 08 / 1769

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht ([Eiser]ke

1. [Eiser]

gemachtigde mr. S.N. Mulder

2. [Eiseres]

gemachtigde mr. F.J.M. Raijer

tegen

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Bergen (L.), verweerder.

1. Procesverloop

1.1. Bij besluit van 4 juni 2007 heeft verweerder aan [Eiseres] vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en bouwvergunning verleend (het primaire besluit) voor het oprichten van een kinderboerderij met bijbehorende horecavoorzieningen en dierenverblijven aan de [adres].

1.2. Bij besluit van 23 september 2008, verzonden op 30 september 2008 (het bestreden besluit), heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het onder 1.1. genoemde besluit deels gegrond verklaard, met dien verstande dat nadere voorwaarden aan de vrijstelling zijn gesteld. Tegen dat besluit hebben [Eiser] en [Eiseres] afzonderlijk bij deze rechtbank beroep ingesteld.

1.3. Met toepassing van het bepaalde in artikel 8:26, eerste lid, van de Awb zijn [Eiser] en [Eiseres] over en weer in de gelegenheid gesteld als partij deel te nemen aan het door de ander ingestelde beroep. Zij hebben daarvan gebruik gemaakt.

1.4. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan partijen gezonden.

1.5. De beroepen zijn behandeld ter zitting van de rechtbank op 2 juni 2009, waar zijn verschenen [Eiser], bijgestaan door zijn gemachtigde mr. S.N. Mulder, en [Eiseres], bijgestaan door haar gemachtigde mr. F.J.M. Raijer. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door ir. W.E. Bemelmans en drs. E.R.M. Kuiper.

2. Overwegingen

2.1. In juli 2004 is [Eiseres] een kinderboerderij gestart op het perceel aan de [adres]. De kinderboerderij bestaat voor circa 5000 m2 uit dierenweides, dierenverblijven, volières en een natuurlijke vijver. Verder is er een kantine met terras (circa 100 m2) en een speelveldje met enkele speeltoestellen.

2.2. Op 3 maart 2006 heeft [Eiseres] een bouwvergunning aangevraagd voor het realiseren van een kinderboerderij met bijbehorende horecavoorzieningen en dierenverblijven op het perceel kadastraal bekend gemeente Bergen, sectie S, nummers 1997 en 1998, gelegen aan de [adres].

2.3. Ter plaatste geldt het bestemmingsplan “Buitengebied” met de bestemming “woondoeleinden”. Ingevolge artikel 20 zijn de op de plankaart als zodanig aangewezen gronden bestemd voor wonen en de daarbij behorende voorzieningen. In het bestemmingsplan zijn geen vrijstellings- of wijzigingsmogelijkheden opgenomen die de realisatie van de kinderboerderij mogelijk maken.

2.4. Ten behoeve van het verzoek om vrijstelling ex artikel 19, eerste lid van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) is een ruimtelijke onderbouwing opgesteld.

2.5. Het besluit tot vrijstelling is ingevolge artikel 19a van de WRO voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb. Het voornemen van verweerder om vrijstelling te verlenen is op 26 juli 2006 gepubliceerd en de stukken hebben op 27 juli 2006 gedurende zes weken voor eenieder ter inzage gelegen. Daarop zijn op 30 augustus 2006 zienswijzen ingediend door onder meer [Eiser], waarin verweerder is gevraagd met diens belangen op de punten schaalgrootte van de kinderboerderij, privacy en verkeershinder rekening te houden. Verweerder is gedeeltelijk aan de zienswijzen tegemoet gekomen door in de vrijstelling de voorwaarde op te nemen dat [Eiseres] een natuurlijke erfafscheiding dient aan te leggen en 10 extra parkeerplaatsen beschikbaar dient te stellen op piekdagen.

2.6. Nadat het College van Gedeputeerde Staten van Limburg een verklaring van geen bezwaar heeft afgegeven, is door verweerder op 4 juni 2007 vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een kinderboerderij met bijbehorende horecavoorzieningen en dierenverblijven.

2.7. Tegen dit besluit heeft de gemachtigde van [Eiser] op 12 juli 2007, aangevuld op 21 en 28 augustus 2007, een bezwaarschrift ingediend. Daarin is onder meer aangevoerd dat de verzochte vrijstelling en bouwvergunning dienen te worden geweigerd, omdat met de belangen van [Eiser] onvoldoende rekening is gehouden.

2.8. In het kader van de bezwaarschriftenprocedure heeft op 15 oktober en 17 december 2007 een hoorzitting plaatsgevonden.

2.9. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren deels gegrond verklaard, waarbij het advies van de commissie bezwaarschriften gemeente Bergen van 22 februari 2008 deels is overgenomen. Dit heeft er enerzijds toe geleid dat verweerder een geluidsmeting heeft laten uitvoeren door de provincie Limburg, die in juni 2008 een rapport heeft uitgebracht. Anderzijds, naar aanleiding van de conclusies van de geluidsmeting, heeft verweerder de vrijstelling aangepast, met dien verstande dat - samengevat weergegeven - de openingstijden zijn gewijzigd, de perioden van de schoolvakanties zijn genuanceerd en is bepaald dat [Eiseres] te allen tijde 24 parkeerplaatsen beschikbaar dient te hebben.

2.10. Zowel [Eiser] als [Eiseres] hebben op daartoe aangevoerde gronden beroep ingesteld. [Eiser] omdat hij zich verzet tegen het verlenen van een vrijstelling als zodanig en [Eiseres] omdat zij het niet eens is met de aan de vrijstelling verbonden voorschriften.

2.11. De rechtbank oordeelt als volgt.

2.12. Ingevolge artikel 44, aanhef en onder c, van de Woningwet mag alleen en moet de bouwvergunning worden geweigerd indien, voor zover hier van belang, het bouwwerk in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gesteld eisen.

2.13. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO, zoals die wet ten tijde hier van belang luidde, kan de gemeenteraad, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen dat zij tegen het verlenen van de vrijstelling geen bezwaar hebben.

2.14. De rechtbank dient allereerst te beoordelen of verweerder bevoegd was het bestreden besluit te nemen. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO is immers de gemeenteraad bevoegd vrijstelling te verlenen, zij het dat deze bevoegdheid kan worden gedelegeerd aan het college van burgemeester en wethouders.

2.15. Op verzoek van de rechtbank heeft verweerder het delegatiebesluit van 6 april 2004 van de raad van diens gemeente (hierna: de raad) overgelegd. Daarbij heeft de raad besloten:

… de bevoegdheid om te besluiten over het verlenen van vrijstelling ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in de volgende gevallen over te dragen aan het college van burgemeester en wethouders;

Categorie buitengebied:

• Het verzoek om vrijstelling dat betrekking heeft op splitsing van burgerwoningen;

• Het verzoek om vrijstelling dat betrekking heeft op uitbreiding van agrarische en niet agrarische bedrijven;

• Het verzoek om vrijstelling dat betrekking heeft op uitbreiding van gebouwen, niet zijnde bedrijfsgebouwen;

• Het verzoek om vrijstelling dat betrekking heeft op wijziging van het gebruik van gronden;

• Het verzoek om vrijstelling dat betrekking heeft op wijziging van het gebruik van opstallen.

2.16. Ter zitting is namens verweerder desgevraagd het standpunt ingenomen dat verweerder op grond van het vijfde punt van voornoemd delegatiebesluit bevoegd was om op het vrijstellingsverzoek van [Eiseres] te beslissen. De rechtbank is evenwel van oordeel dat, voor zover het verzoek om vrijstelling de opstallen betreft, enkel het gebruik van een deel van het woonhuis voor horecadoeleinden is aan te merken als wijziging van het gebruik als in punt vijf van het delegatiebesluit bedoeld. Voor zover de vrijstelling erop is gericht dat alsnog bouwvergunning wordt verleend ter legalisatie van de eerder zonder vergunning opgerichte -in totaal dertien- dierenverblijven, betreft dat echter niet wijziging van gebruik maar oprichting van bouwwerken. Het bouwen van de dierenverblijven kan evenmin worden gebracht onder wijziging van het gebruik van gronden als bedoeld onder het vierde punt van het delegatiebesluit, nu daaronder redelijkerwijs enkel kan worden begrepen gebruik anders dan het verrichten van bouwvergunningplichtige activiteiten. De rechtbank tekent hierbij aan dat uit het voorstel aan de gemeenteraad betreffende het delegatiebesluit blijkt dat de raad het realiseren van nieuwbouw buiten de bebouwde kom bewust heeft uitgesloten van delegatie aan het college van burgemeester en wethouders. Dat in dit geval sprake is van bouwwerken van betrekkelijk geringe betekenis maakt dat niet anders. Ook onder één van de andere categorieën van het delegatiebesluit is vrijstelling voor het bouwen van de dierenverblijven in kwestie niet te vatten. De rechtbank moet derhalve vaststellen dat verweerder niet bevoegd was om vrijstelling te verlenen voor het oprichten van de beoogde dierenverblijven. Tot het verlenen van vrijstelling voor wijziging van het gebruik van het woonhuis voor horecavoorzieningen en voor wijziging van het gebruik van de gronden als dierenweide, speelveld en parkeerplaats was verweerder wel bevoegd, maar gelet op het feit dat deze deel uitmaken van het totaalplan voor een kinderboerderij waarvan de dierenverblijven een wezenlijk onderdeel zijn, is het niet mogelijk een splitsing te maken tussen een bevoegdelijk en een onbevoegdelijk tot stand gekomen deel van het vrijstellingsbesluit.

2.17. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit wegens het voormelde bevoegdheidsgebrek moet worden vernietigd. Nu hetzelfde gebrek kleeft aan het primaire besluit tot verlening van vrijstelling en bouwvergunning, zal de rechtbank met gebruikmaking van de bevoegdheid ex artikel 8:72, vierde lid van de Awb om te bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, ook het besluit van 4 juni 2007 herroepen. Dit betekent dat de gemeenteraad zich alsnog zal moeten beraden over de vrijstellingsaanvraag en daarover een beslissing zal moeten nemen. Vervolgens zal verweerder over de aanvraag om bouwvergunning moeten beslissen. Aan bespreking van de beroepsgronden van [Eiser] en [Eiseres] komt de rechtbank niet toe. Hun standpunten en argumenten zullen door de gemeenteraad in zijn overwegingen moeten worden betrokken.

2.18. Het voorgaande zou als consequentie hebben dat de kinderboerderij geen legale status meer heeft. Nu het voormeld bevoegdheidsgebrek [Eiseres] niet is aan te rekenen, acht de rechtbank het, mede gelet op de belangen van [Eiser], aangewezen om de situatie die is ontstaan door het bestreden besluit op bezwaar te bevriezen totdat op het verzoek om vrijstelling zal zijn beslist. De rechtbank zal daartoe gebruik maken van de bevoegdheid ex artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb om in de uitspraak een voorlopige voorziening te treffen. Ten slotte geeft de rechtbank partijen in overweging om, voor zover zij zich in het te nemen besluit niet zouden kunnen vinden, ter bekorting van de rechtsgang gebruik te maken van de mogelijkheid van artikel 7:1a van de Awb om een nieuwe bezwaarprocedure over te slaan.

2.19. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs hebben moeten maken, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen is 2 punten toegekend. Het gewicht van de zaak is bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1.

3. Beslissing

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart de beroepen van [Eiser] en [Eiseres] gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

herroept het primaire besluit van 4 juni 2007 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

bepaalt dat bij wijze van voorlopige voorziening tot de gemeenteraad een besluit heeft genomen op het verzoek om vrijstelling wordt gehandeld alsof vrijstelling is verleend conform de inhoud van het vernietigde besluit van 23 september 2008;

veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van [Eiser] en [Eiseres] begroot op EUR 644, (zijnde de kosten van rechtsbijstand) te vergoeden door verweerders gemeente;

bepaalt dat verweerders gemeente aan [Eiser] en [Eiseres] het door dezen gestorte griffierecht ten bedrage van EUR 288, volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mrs. Th.M. Schelfhout (voorzitter), A.W.P. Letschert en L.A. Gruiters, in tegenwoordigheid van mr. P. Lanslots als griffier en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2009.

w.g. mr. P. Lanslots,

griffier w.g. mr. Th.M. Schelfhout,

voorzitter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Verzonden: 29 juni 2009

Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.