Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BJ1209

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
01-07-2009
Datum publicatie
06-07-2009
Zaaknummer
233296 \ CV EXPL 09-441
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding en ontruiming vanwege aangetroffen (hard)drugs in de woning

Bij een huiszoeking worden (hard)drugs, te weten 70 gram heroïne en 0,4 gram cocaine, aangetroffen. De verhuurder vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. De huurder betoogt dat een artikel in algemene huurvoorwaarden onredelijk bezwarend is, nu blijkens dit artikel elke aanwezigheid van verboden middelen op grond van de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet kan leiden tot onmiddellijke ontbinding van de huurovereenkomst. De kantonrechter verwerpt dit beroep. Voorts heeft de huurder aangevoerd dat de aangetroffen verboden middelen niet aan hem toebehoorden. De kantonrechter passeert dit verweer met verwijzing naar artikel 7:219 BW.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 233
Burgerlijk Wetboek Boek 6 265
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 213
Burgerlijk Wetboek Boek 7 219
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JHV 2009/184 met annotatie van Cor Goudriaan/Daniël de Vries
WR 2010, 17

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector kanton

Zaaknummer: 233296 \ CV EXPL 09-441

Vonnis van de kantonrechter te Venlo d.d. 1 juli 2009

in de zaak van:

de rechtspersoonlijkheid bezittende stichting Woningstichting Venlo-Blerick, gevestigd te Venlo,

eiseres,

gemachtigde: mr. H. van Berkum,

tegen:

[gedaagde], wonende te [woonplaats] aan de [adres],

gedaagde,

gemachtigde: mr. A.C.J. Lina.

1. Het verloop van de procedure

1.1. Dit blijkt uit het navolgende:

- de inleidende dagvaarding met producties;

- de conclusie van antwoord met producties;

- de conclusie van repliek met een productie;

- de conclusie van dupliek met een productie.

1.2. Vervolgens is de zaak op vonnis gesteld, waarvan de uitspraak is bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

2.1. Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

2.2. Eiseres is eigenaresse van de woning, staande en gelegen te [woonplaats] aan de [adres]. Eiseres heeft de woning bij huurovereenkomst d.d. 1 september 2006 voor onbepaalde tijd verhuurd aan gedaagde. Op de huurovereenkomst zijn de algemene huurvoorwaarden d.d. 1 juli 2005 van toepassing.

2.3. Ingevolge artikel 6 van de algemene huurvoorwaarden is gedaagde jegens eiseres gehouden:

A) Het gehuurde te gebruiken en te onderhouden zoals het een goed huurder betaamt.

B) Is het huurder ten strengste verboden om in het gehuurde, dan wel in de directe woonomgeving van het gehuurde, middelen als bedoeld in de artt. 2 en 3 der Opiumwet te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken, te vervoeren, aanwezig te hebben dan wel te vervaardigen zulks op straffe van onmiddellijke ontbinding van de huurovereenkomst.

2.4. Tijdens een huiszoeking door de politie in de onderhavige woning op 22 oktober 2008 werden aangetroffen en in beslag genomen:

a. hoeveelheid bruinkleurig poeder, groot 70 gram; bevat heroïne;

b. hoeveelheid bruinkleurig poeder, groot 48 gram; bevat coffeïne en paracetamol;

c. witkleurig brokje van 0,2 gram; bevat cocaïne;

d. witkleurig brokje van 0,2 gram; bevat cocaïne;

e. brief- en muntgeld ter waarde van EUR 3.096,07.

2.5. Het in beslag genomen brief- en muntgeld is alweer aan gedaagde teruggegeven.

3. De vordering van eiseres

3.1. Eiseres vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de tussen partijen bestaande huurovereenkomst te ontbinden c.q. ontbonden te verklaren en gedaagde te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis de woning, staande en gelegen te [woonplaats] aan de [adres] aldaar, te verlaten en te ontruimen met medeneming van al de zijnen en al het zijne en het gehuurde leeg en in goede staat ter algehele en vrije beschikking van eiseres te stellen onder afgifte der sleutels, zulks met machtiging op eiseres om na het verstrijken van die termijn de ontruiming zonodig zelf te bewerkstelligen met behulp van de deurwaarder en zonodig de sterke arm, alles op kosten van gedaagde alsmede gedaagde te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2. Gedaagde heeft zijn verplichtingen op grond van artikel 7:213 BW grovelijk geschonden. Gedaagde heeft wanprestatie gepleegd nu hij heeft gehandeld in strijd met de algemene huurvoorwaarden en met zijn activiteiten zorgt voor algehele verloedering van de woonomgeving. Dat gedaagde door de politierechter te Roermond stelt te zijn vrijgesproken, is in deze procedure niet relevant. Iedere aanwezigheid van verdovende middelen, als bedoeld in de artikelen. 2 en 3 van de Opiumwet, is verboden en rechtvaardigt de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. Of de verboden middelen aan gedaagde toebehoorden is evenmin relevant; gedaagde is immers ook aansprakelijk voor derden in het gehuurde.

3.3. Voor de overige stellingen van eiseres verwijst de kantonrechter naar de dagvaarding en de conclusie van repliek. De inhoud daarvan dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

4. Het verweer van gedaagde

4.1. Gedaagde heeft ter afwering van de vordering het volgende aangevoerd. Er is geen sprake van enige wanprestatie. Op 22 januari 2009 is gedaagde vrijgesproken van het bezit van een hoeveelheid heroïne van ongeveer 70 gram op 22 oktober 2008 in zijn woning. Gedaagde had geen weet van de aanwezigheid van (hard)drugs in zijn woning. Een vriend van gedaagde zou de verboden middelen buiten enige wetenschap van gedaagde in de woning hebben neergelegd. Voor de gedragingen van zijn vriend kan gedaagde niet aansprakelijk worden gesteld. Er moet immers voldoende verband bestaan tussen die gedragingen en het gebruik van het gehuurde. Van belang is of gedaagde zich als een goed huurder heeft gedragen, hetgeen het geval is.

4.2. Voorts heeft gedaagde aangevoerd dat zo er al sprake zou zijn van het voorhanden hebben van (hard)drugs, er slechts sprake is van een uiterst geringe, verwaarloosbare gebruikshoeveelheid cocaïne. Dit kan niet leiden tot wanprestatie op grond waarvan een ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde gerechtvaardigd is. De algemene huurvoorwaarden verbieden geenszins het voorhanden hebben van een gebruikershoeveelheid.

4.3. Tot slot heeft gedaagde aangevoerd dat artikel 6.7 van de algemene huurvoorwaarden onredelijk bezwarend is, nu deze bepaling een ernstige beperking inhoudt op het aanwezig hebben of gebruik van minieme hoeveelheden genotmiddelen ten aanzien waarvan krachtens de thans vigerende regelgeving geen vervolging plaatsvindt. Derhalve kan dit ook nimmer leiden tot een enige tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst.

5. De beoordeling van het geschil

5.1. Tussen partijen staat vast dat er een huurovereenkomst tot standpunt is gekomen waar de algemene huurvoorwaarden op van toepassing zijn. Gedaagde heeft echter aangevoerd dat artikel 6.7 van de algemene huurvoorwaarden onredelijk bezwarend is. Daartoe overweegt de kantonrechter als volgt.

5.2. Volgens artikel 6:233 sub a BW is een beding in algemene voorwaarden vernietigbaar indien het, gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden tot stand zijn gekomen, de wederzijdse kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval onredelijk bezwarend is voor de wederpartij. Bij de toetsing van een beding in algemene voorwaarden moet worden beoordeeld of het beding bezwarend is voor de wederpartij en wel in zodanige mate dat die ‘bezwaring’ onredelijk is.

5.3. De kantonrechter overweegt dat een beding bezwarend is als het nadelig is voor in dit geval gedaagde. In artikel 6.7 is opgenomen dat onder meer het aanwezig hebben van de in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet genoemde middelen bestraft zal worden met onmiddellijke ontbinding van de huurovereenkomst. Nu ontbinding van de huurovereenkomst ertoe leidt dat gedaagde in beginsel zonder woning komt te zitten, kan dit artikel in de algemene huurvoorwaarden niet anders uitgelegd worden als zijnde bezwarend.

5.4. Dit betekent echter nog niet dat dit artikel onredelijk bezwarend is. De kantonrechter overweegt hieromtrent dat in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet is opgenomen dat het verboden is om de bepaalde middelen, zoals heroïne en cocaïne, aanwezig te hebben. Eiseres heeft deze verbodsbepaling overgenomen in artikel 6.7 van de algemene huurvoorwaarden. Naar het oordeel van de kantonrechter kan niet van eiseres verwacht worden dat zij een huurovereenkomst voortzet als gebleken is dat er verboden middelen in het gehuurde aanwezig zijn, behoudens zeer bijzondere omstandigheden. Het beding kan worden gezien als een uitwerking van artikel 7:213 BW (goed huurderschap). De verhuurder en huurder komen dan in de algemene voorwaarden overeen dat het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet een tekortkoming is. Wat dáár nu onredelijk bezwarend aan is, valt niet in te zien. De kantonrechter acht het toestaan en/of gedogen van deze misdrijven in strijd met de Nederlandse rechtsorde. Dan mag civielrechtelijk het plegen van Opiumwet-misdrijven als een tekortkoming worden overeengekomen.

5.5. Eiseres vordert de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. Ter rechtvaardiging van deze vordering heeft eiseres aangevoerd dat gedaagde in strijd met de algemene huurvoorwaarden heeft gehandeld. Reeds op grond van de schending van artikel 6.7 van de algemene huurvoorwaarden kan de huurovereenkomst ontbonden worden. Daarbij is niet relevant of de verboden middelen al dan niet aan gedaagde toebehoorden en welke hoeveelheden zijn aangetroffen. Voorts heeft eiseres het standpunt ingenomen dat voor zover gedaagde gevolgd moet worden in zijn stelling dat hij geen weet had van het aanwezig zijn van verboden middelen in het gehuurde, hij op grond van artikel 7:219 BW aansprakelijk is voor derden in het gehuurde en op die grond ook de ontbinding van de huurovereenkomst dient te worden toegewezen.

5.6. De kantonrechter gaat bij de beoordeling van de vordering van eiseres onder meer uit van de volgende feiten. Bij de politie-inval op 22 oktober 2008 zijn de volgende verboden middelen aangetroffen: 70 gram heroïne en 0,4 gram cocaïne. Met betrekking tot de in het gehuurde aangetroffen cocaïne heeft gedaagde tijdens het proces-verbaal van gehoor op 23 oktober 2008 aangegeven dat hij dit zelf heeft gekocht op het station in Venlo. Ook is gedaagde bij de politie bekend als drugsdealer. Een hoeveelheid van 70 gram heroïne kan bezwaarlijk als enkel voor eigen gebruik worden aangemerkt.

5.7. Tussen partijen is in geschil of de aangetroffen verboden middelen de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde rechtvaardigen.

5.8. Ingevolge artikel 6:265 lid 1 BW geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.

5.9. Voor een beroep op ontbinding op de voet van artikel 6:265 BW is wel vereist dat de partij tegen wie op die bepaling een beroep wordt gedaan in de nakoming van haar verplichtingen tekort is geschoten, maar niet dat de tekortkoming ook aan die partij toerekenbaar is. Dit wordt ondervangen doordat de huurder ook aansprakelijk kan worden gesteld voor gedragingen van hen die met goedvinden van de huurder het gehuurde gebruiken of zich met zijn goedvinden daarop bevinden op grond van artikel 7:219 BW.

5.10. Bij toepassing van het bepaalde in artikel 7:219 BW dient met het volgende rekening te worden gehouden. De Hoge Raad heeft in zijn arrest d.d. 22 juni 2007 (LJN-nummer AZ8743) overwogen dat het bepaalde in artikel 7:219 BW niet met zich brengt dat een verzoek tot beëindiging van een huurovereenkomst reeds toewijsbaar is op de enkele grond dat personen die met goedvinden van de huurder het gehuurde gebruiken of zich daarop bevinden gedragingen hebben verricht die, als zij zouden zijn verricht door de huurder, in strijd zouden zijn met diens verplichting zich als een goed huurder te gedragen en bovendien voldoende ernstig zijn om beëindiging van de huurovereenkomst te rechtvaardigen. Beslissend is of geoordeeld moet worden dat de huurder zich, in het licht van die gedragingen zèlf niet als een goed huurder heeft gedragen. Daarvan is in elk geval sprake indien de huurder van (het voornemen tot) die gedragingen op de hoogte was of daarmee ernstig rekening had te houden, maar heeft nagelaten de in verband daarmee redelijkerwijs van hem te verlangen maatregelen te treffen.

5.11. De kantonrechter is van oordeel dat eiseres voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er een voldoende verband bestaat tussen de gedragingen van derden, die bestaan in het meebrengen/aanwezig doen zijn/achterlaten van harddrugs – in substantiële hoeveelheden – in dier voege dat gedaagde van die gedragingen op de hoogte was dan wel op zijn minst genomen daarmee ernstig rekening diende te houden, maar heeft nagelaten in dit verband redelijkerwijs te verlangen maatregelen te treffen.

5.12. De kantonrechter heeft daarbij van belang geacht dat uit de politierapportage d.d.

6 december 2008 blijkt dat gedaagde veel contact heeft met personen bekend uit de drugswereld in Venlo. Menigmaal heeft de politie bezoekers aan de woning van gedaagde na vertrek uit de woning aangehouden in het bezit van drugs. Verder heeft gedaagde verklaard dat er veel gebruikers bij hem over de vloer komen. Daarmee aanvaardt gedaagde het risico dat zijn bezoek verboden middelen mee in de woning nemen. Ook heeft gedaagde erkend dat de aangetroffen cocaïne van hem was. Daarbij komt vervolgens dat op 24 oktober 2008 een vriend van gedaagde bij het politiebureau heeft aangegeven dat de gevonden verboden middelen van gedaagde waren. Gedaagde heeft zich de avond voor de inval met vrienden volstrekt onbekwaam gedronken en aldus de woning zonder zijn toezicht overgelaten aan zijn vriendenkring. Gedaagde heeft geen enkele maatregelen getroffen om de aanwezigheid/gebruik van verboden middelen in de gevonden omvang in het gehuurde te verhinderen.

5.13. Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat de vordering van eiseres op grond van artikel 6:265 lid 1 BW juncto artikel 7:219 BW dient te worden toegewezen. De ontruimingstermijn zal worden vastgesteld op 8 dagen na betekening van dit vonnis. Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

5.14. De kantonrechter zal dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

6. De beslissing

6.1. Ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats].

6.2. Veroordeelt gedaagde om deze woning met personen en zaken te ontruimen en te verlaten en met afgifte van de sleutels ter vrije beschikking aan eiseres op te leveren.

6.3. Machtigt eiseres in het geval gedaagde nalaat om binnen 8 dagen na betekening van dit vonnis aan de veroordeling tot ontruiming te voldoen, om deze ontruiming zelf op kosten van gedaagde uit te voeren door middel van een deurwaarder die zonodig wordt bijgestaan door de politie.

6.4. Veroordeelt gedaagde tenslotte in de kosten van de procedure aan de zijde van eiseres gevallen en aan die zijde tot op vandaag begroot op een bedrag van EUR 682,98, waarin begrepen een bedrag van EUR 300,00 als salaris voor de gemachtigde van eiseres.

6.5. Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

6.6. Wijst -voor zoveel nodig- het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. O.M. de Lange, kantonrechter, en ter openbare civiele terechtzitting op 1 juli 2009 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.