Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BI9121

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
19-06-2009
Datum publicatie
22-06-2009
Zaaknummer
04/850983-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Strafmaat ontucht jonge dochter

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector strafrecht

Parketnummer : 04/850983-08

Datum uitspraak : 19 juni 2009

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboortedatum en plaats],

wonende te[plaatsnaam] en woonplaats].

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 juni 2009.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

hij (meermalen) in of omstreeks de periode van 29 december 1998 tot en met 28 december 2004 in de gemeente [plaatsnaam] (telkens) ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarige dochter, [slachtoffer], geboren op [geboortedatum], bestaande die ontucht hierin dat hij, verdachte, die [slachtoffer] (telkens) ontuchtig over haar bil(len) en/of buik en/of vagina heeft gestreeld, in elk geval (telkens) ontuchtig de bil(len) en/of buik en/of vagina van die [slachtoffer] heeft betast en/of bevoeld, en/of (telkens) ontuchtig het geslachtsdeel van hem, verdachte, door die [slachtoffer] heeft doen of laten vastpakken en/of (telkens) ontuchtig in het bijzijn van die [slachtoffer] zichzelf heeft afgetrokken;

(artikel 249 Wetboek van Strafrecht).

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen

7.1. Standpunten van de officier van justitie en de verdediging.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 5 juni 2009 gevorderd dat het ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

Ook de verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, met dien verstande dat een kortere periode bewezen kan worden verklaard, te weten de periode van 29 december 1998 tot en met 10 augustus 2004. Het slachtoffer heeft immers verklaard dat zij op 10 augustus 2004 een relatie kreeg met haar vriend en dat de ontucht toen is gestopt. De vriend van het slachtoffer heeft ook verklaard dat hij op 10 augustus 2004 een relatie met haar kreeg.

7.2. Samenvatting van de bewijsmiddelen en standpunten van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen :

- de aangifte van [slachtoffer] ;

- de aanvullende verklaring van [slachtoffer] ;

- de geboorteakte van [slachtoffer] ;

- de bekennende verklaring van verdachte bij de politie en ter terechtzitting (“Het feit zoals het ten laste is gelegd klopt. Ik heb alle handelingen zoals omschreven bij/met [slachtoffer] verricht.”).

Het slachtoffer heeft verklaard dat zij op 10 augustus 2004 een relatie kreeg met haar huidige vriend (wat door hem ook wordt bevestigd ) en dat verdachte sedertdien haar niet meer heeft misbruikt. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de ten laste gelegde periode dient te worden ingekort tot 10 augustus 2004.

7.3. Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij meermalen in de periode van 29 december 1998 tot en met 10 augustus 2004 in de gemeente [plaatsnaam] ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarige dochter, [slachtoffer], geboren op [geboortedatumm], bestaande die ontucht hierin dat hij, verdachte, die [slachtoffer] ontuchtig over haar billen en buik en vagina heeft gestreeld en ontuchtig het geslachtsdeel van hem, verdachte, door die [slachtoffer] heeft doen of laten vastpakken en ontuchtig in het bijzijn van die [slachtoffer] zichzelf heeft afgetrokken.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

8.1. Kwalificatie

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op het navolgende misdrijf:

ontucht plegen met zijn minderjarig kind, meermalen gepleegd.

De misdrijven zijn strafbaar gesteld bij artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10. De straffen en/of maatregelen

10.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op de terechtzitting van 5 juni 2009 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van 3 jaren, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 2 jaren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde (ook als dat inhoudt het volgen van een behandeling gericht op het voorkomen van seksueel grensoverschrijdend gedrag).

De officier van justitie heeft -zakelijk weergegeven- aangegeven bij haar strafeis in aanmerking te hebben genomen dat verdachte gedurende een lange periode van zes jaren een grove inbreuk heeft gemaakt op de integriteit van zijn dochter. Verdachte heeft het vertrouwen van zijn dochter ernstig geschaad. Voorts acht de officier van justitie het zorgelijk dat verdachte heeft verklaard zijn dochter niet te hebben gedwongen en dat hij haar zelfs heeft betaald voor de handelingen. De officier van justitie twijfelt er aan of verdachte daadwerkelijk inzicht heeft in de ernst van zijn handelen. Anderzijds heeft de officier van justitie in overweging genomen dat verdachte nooit eerder met politie of justitie in aanraking is geweest en dat de reclassering blijkens het voorlichtingsrapport het recidiverisico laag acht.

10.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft -zakelijk weergegeven- aangevoerd dat verdachte in een hele moeilijke en drukke periode zat na het overlijden van zijn echtgenote. Hij beseft nu dat hij fout zat en heeft veel spijt. Buiten het ten laste gelegde feit is er op verdachte niets aan te merken; hij heeft geen strafblad en werkt al vanaf 1980 bij dezelfde werkgever. Er bestaat voorts geen recidivegevaar, aangezien verdachte nu een vriendin heeft. De raadsman heeft verzocht om verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Dat dient immers geen redelijk doel meer, aangezien vergelding voor het slachtoffer na al die jaren niet meer aan de orde is. Bovendien zou een onvoorwaardelijke gevangenisstraf tot gevolg hebben dat verdachte zijn baan verliest. Op zijn leeftijd is de kans klein dat hij een andere baan vindt. Dit zou derhalve een te zware bestraffing zijn. De raadsman heeft gelet op het bovenstaande verzocht om een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde. Verdachte staat voorts niet afwijzend tegen het advies van de reclassering om als bijzondere voorwaarde storting van een waarborgsom voor de Stichting Slachtofferhulp op te leggen. Verzocht wordt echter om dit bedrag niet te hoog vast te stellen, gelet op verdachtes financiële situatie.

10.3. De overwegingen van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met zijn minderjarige dochter. Dit gedurende een lange periode van bijna zes jaren en met een hoge frequentie (ongeveer één keer per week ). De dochter verkeerde in een zeer kwetsbare positie, nu zij toen de ontucht begon (blijkens de verklaring van verdachte) pas elf of twaalf jaar oud was en bovendien net haar moeder was overleden.

Verdachte is gedurende die zes jaren zeer doortrapt te werk gegaan, door in zijn handelingen doelbewust steeds een stapje verder te gaan en zodoende haar te bewerken om in zijn seksuele verlangens tegemoet te komen. Bovendien heeft verdachte telkens zelf bewust de voor een jong meisje bedreigende omstandigheden gecreëerd om het misbruik mogelijk te maken. Zo vond het misbruik altijd plaats als de zoons van verdachte niet thuis waren en deed hij de achterdeur op slot met de sleutel nog in het slot , zodat niemand (onverwachts) binnen kon komen. Verdachte was zich derhalve terdege bewust van de onjuistheid van zijn handelen, maar dit heeft hem er niet van weerhouden.

Door zijn handelwijze heeft verdachte misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in hem als vader van het slachtoffer mocht worden gesteld. Verdachtes handelen vormt een ernstige aantasting van de geestelijke en lichamelijke integriteit van het slachtoffer en kan, naar de ervaring leert, voor haar ernstige psychische gevolgen hebben. Zo heeft het slachtoffer blijkens de verklaring van haar vriend tegen hem gezegd dat haar hele leven verpest was door het misbruik. Bovendien heeft zij tegen hem gezegd dat ze het nooit tegen iemand had durven vertellen, omdat ze bang was geweest dat haar vader haar zou slaan en mogelijk het huis uit zou zetten.

Verdachte heeft zich van deze ernstige gevolgen voor zijn dochter geen enkele rekenschap gegeven en heeft zich kennelijk slechts laten leiden door zijn eigen seksuele verlangens.

Ook nadat het slachtoffer in 2008 alsnog aangifte deed, heeft verdachte zich een houding aangemeten die erop duidt dat hij zich enkel druk maakt om zijn eigen situatie; hij vindt dat hem onrecht is aangedaan. Dit blijkt ook uit de door hem aan zijn dochter verstuurde sms-berichten waarin hij zich als slachtoffer durft op te stellen.

Kortom, verdachte heeft een bedreigende situatie gecreëerd voor zijn zeer jonge dochter en haar gemanipuleerd om aan zijn seksuele wensen te voldoen. En dat in de periode dat zijn dochter qua leeftijd en qua omstandigheden (overlijden van haar moeder) zeer kwetsbaar was. In plaats van zijn dochter tot steun te zijn heeft hij haar misbruikt. De rechtbank rekent dit verdachte zeer zwaar aan.

De rechtbank houdt bij de strafoplegging verder rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die onder meer zijn vermeld in het door de reclassering uitgebrachte Voorlichtingsrapport d.d. 4 juni 2009 en zoals die overigens zijn gebleken tijdens het onderzoek ter terechtzitting.

De rechtbank houdt voorts ten voordele van verdachte rekening met de omstandigheid dat de verdachte blijkens het uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister d.d. 9 mei 2009 niet eerder (ter zake van strafbare feiten) is veroordeeld.

De rechtbank is gelet op alle bovenomschreven omstandigheden en de ernst van het feit van oordeel dat met het oog op een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lagere straf dan de hierna vermelde vrijheidsstraf.

Voorts overweegt de rechtbank dat de reclassering het recidiverisico weliswaar laag acht, maar dat de rechtbank een voorwaardelijke vrijheidsstraf met reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde toch geïndiceerd acht, gelet op de opstelling van verdachte dat hem onrecht is aangedaan en dat het hem allemaal is overkomen. Door deze voorwaardelijke vrijheidsstraf wordt de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

11. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 57, 249.

12. Beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 24 maanden;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

beveelt dat van deze gevangenisstraf 6 maanden niet zullen worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende die proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die hem zullen worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland, arrondissement Roermond, -ook als dat inhoudt een behandeling gericht op het voorkomen van seksueel grensoverschrijdend gedrag bij CLASS dan wel enige andere door de Reclassering aan te wijzen instelling gedurende maximaal de periode van de proeftijd, waarbij verdachte zich heeft te houden aan de aanwijzingen van de behandelaars-, zolang deze instelling dit noodzakelijk acht, met opdracht aan de Reclassering aan de verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze bijzondere voorwaarde.

Vonnis gewezen door mrs. L.P. Bosma, A.K. Kleine en W.A.H.J. Poppeliers,

rechters, van wie mr. A.K. Kleine voorzitter, in tegenwoordigheid van

mr. I.E.A. van Eijk-Bronkhorst als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 19 juni 2009.