Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BI6724

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
13-05-2009
Datum publicatie
05-06-2009
Zaaknummer
AWB 08/1789
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijstelling ex artikel 19, tweede lid, van de WRO ten behoeve van een vliegveld voor ultra-light vliegtuigen en een verkeerseducatiecentrum.

Diverse omwonenden en de Stichting Milieufederatie Limburg hebben beroep ingesteld tegen deze vrijstelling. De rechtbank is van oordeel dat verweerders bevoegd waren om de vrijstelling te verlenen op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO. Het vrijstellingsbesluit is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. De rechtbank acht niet aannemelijk dat met de effecten van het te realiseren vliegveld en verkeerseducatiecentrum op het gebied van onder andere licht, geluid, privacy, veiligheid en natuur een dusdanig onevenredige inbreuk wordt gemaakt op de belangen van eisende partijen dat verweerders in redelijkheid niet tot verlening van vrijstelling hadden mogen overgaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht, meervoudige kamer

Procedurenummer: AWB 08 / 1789

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

[Eisers] te Sevenum, eisers,

gemachtigde mr. [gemachtigde 1]

tegen

Burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo en Maasbree, verweerders.

1. Procesverloop

1.1. Bij besluit van 7 oktober 2008 hebben verweerders aan [naam vrijstellinghouder], hierna te noemen vrijstellinghouder, vrijstelling verleend als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) voor het realiseren van een Micro Light Aviation (MLA) vliegveld en een verkeerseducatiecentrum in Maasbree en Venlo zoals aangegeven op de bij het besluit behorende tekening.

1.2. Tegen dit besluit is namens eisers bij schrijven van 10 november 2008 op grond van de Awb rechtstreeks beroep ingesteld bij de rechtbank.

1.3. Met toepassing van artikel 8:26 van de Awb is vrijstellinghouder in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen.

1.4. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken zijn in afschrift aan zowel de gemachtigde van eisers als aan vrijstellinghouder gezonden.

1.5. Het beroep is gevoegd behandeld met de zaken met procedurenummers 08/1784, 08/1786, 08/1791, 08/1820 en 08/1835 ter zitting van 2 april 2009, waar eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde en waar verweerders zich hebben laten vertegenwoordigen door mr. [vertegenwoordiger 1], [vertegenwoordiger 2] en ing. [vertegenwoordiger 3]. Vrijstellinghouder is verschenen bij de heer [naam] en heeft zich laten bijstaan door diens gemachtigde mr. [gemachtigde 2]. Zijdens vrijstellinghouder zijn tevens als medegemachtigden verschenen [gemachtigde 3], [gemachtigde 4] en [gemachtigde 5], AA.

Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst en wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

2. Overwegingen

2.1. [Naam bedrijf] exploiteert een bedrijf dat zich hoofdzakelijk bezig houdt met import, export, verkoop, design, assemblage, onderhoud en reparaties van MLA vliegtuigen. [Naam bedrijf] is ook eigenaar van een MLA-vliegveld en vliegschool aan de Horsterweg te Grubbenvorst. Het vliegveld wordt ook gebruikt door een vereniging van MLA-vliegers.

2.2. In verband met de ontwikkeling van het grootschalig glastuinbouwgebied Californië dient het bedrijf van [Naam bedrijf] verplaatst te worden. De keuze voor de nieuwe locatie is gevallen op een terrein dat is gelegen in de gemeenten Maasbree en Venlo, parallel aan de noordzijde van de A67 en ten westen van het bedrijventerrein Trade Port West. Naast een MLA-vliegveld is op deze locatie ook een verkeerseducatiecentrum voorzien.

2.3. De onder 2.2. weergegeven voorgenomen ontwikkeling van het vliegveld en verkeerseducatiecentrum is in strijd met het vigerende bestemmingplan Buitengebied Maasbree van de gemeente Maasbree en (voor zover het de toegangsweg naar het vliegveld en verkeerseducatiecentrum betreft) het bestemmingsplan Trade Port West deelplan II van de gemeente Venlo.

2.4. Op 8 april 2008 heeft vrijstellinghoudster ten behoeve van de realisatie van het vliegveld en het verkeerseducatiecentrum een aanvraag voor een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO ingediend. De bij deze aanvraag behorende ruimtelijke onderbouwing wordt gevormd door het voorontwerp bestemmingsplan Traffic Port van juli 2007.

2.5. Bij besluit van 9 juli 2008 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat vergunning verleend voor het gebruik en het inrichten van het MLA-vliegveld (BIGNAL vergunning). Bij besluit van 9 januari 2009 heeft de Minister de tegen deze BIGNAL vergunning gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

2.6. Na publicatie van het voornemen van verweerders om vrijstelling te verlenen zijn door eisers, die in de directe omgeving van de projectlocatie wonen, zienswijzen ingediend. Deze, maar ook de door anderen ingediende zienswijzen, hebben niet geleid tot aanpassing van het ontwerpbesluit. Bij besluit van 7 oktober 2008 hebben verweerders de gevraagde vrijstelling verleend. Van dit besluit maakt het zienswijzenrapport van 15 september 2008 onderdeel uit.

2.7. Bij besluit van 4 november 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasbree aan vrijstellinghoudster de voor het MLA-vliegveld en het verkeerseducatiecentrum benodigde milieuvergunning verleend.

2.8. In beroep hebben eisers aangevoerd dat verweerders geen gebruik hadden mogen maken van de vrijstellingsprocedure vanwege de met het plan gemoeide ingrijpende feitelijke en planologisch verandering. Verder zijn eisers bevreesd voor aantasting van hun privacy en voor neerstortende vliegtuigen. Eisers betwijfelen voorts of verweerder wel voldoende voorlichting heeft gegeven aan de omwonenden.

2.9. Het oordeel van de rechtbank.

2.9.1. Het thans bestreden besluit heeft betrekking op een door verweerders krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO verleende vrijstelling van het bestemmingsplan. Het betreft hier een discretionaire bevoegdheid van verweerder, zodat de rechtbank dient te beoordelen of aan de wettelijke bevoegdheidsvoorwaarden is voldaan en voor het overige het besluit van verweerder heeft te respecteren, tenzij gezegd moet worden dat verweerder bij de uitoefening van die bevoegdheid in strijd heeft gehandeld met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

2.9.2. Vrijstellinghouder heeft een verzoek ingediend ter verkrijging van vrijstelling van het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 19, tweede lid van de WRO. De WRO maakt een dergelijk verzoek mogelijk. Dat aanvankelijk was gekozen voor een procedure tot wijziging van het bestemmingsplan maar in verband met tijdsdruk alsnog is gekozen voor een vrijstellingsprocedure, doet daaraan niet af. De rechtbank verwijst voor dit oordeel mede naar de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie onder andere ABRS 8 september 2004, LJN: AR2204) waaruit volgt dat de wet geen rangorde kent tussen deze procedure en de procedure tot wijziging van een bestemmingsplan. Verweerders hebben zich overigens terecht op het standpunt gesteld dat ook de vrijstellingsprocedure met voldoende waarborgen is omkleed.

De provincie Limburg heeft zich in het advies d.d. 22 mei 2008 over het ontwerpbestemmingsplan Traffic Port op het standpunt gesteld dat dit advies, gezien de zwaarte van de daarin gemaakte opmerkingen, voldoende grondslag biedt voor de toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO, zoals bedoeld in de “lijst van gevallen ex artikel 19, lid 2” van de Handreiking Ruimtelijke Ontwikkeling Limburg. Het advies heeft de instemming van de VROM-inspectie Regio Zuid. De rechtbank is gelet hierop alsmede gelet op het bepaalde onder C op de “lijst van gevallen van ex artikel 19, lid 2” van oordeel dat verweerders toepassing hebben mogen gegeven aan artikel 19, tweede lid van de WRO. Hetgeen eisers hieromtrent hebben aangevoerd treft dan ook geen doel.

2.9.3. Ten aanzien van de voorwaarde dat een vrijstelling voorzien dient te zijn van een goede ruimtelijke onderbouwing, overweegt de rechtbank in de eerste plaats dat daaronder blijkens voormelde wettelijke bepaling bij voorkeur wordt verstaan een (inter)gemeentelijk structuurplan, terwijl tevens is vereist dat daarbij in elk geval moet worden ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan dan wel de toekomstige bestemming. De bij de vrijstelling behorende ruimtelijke onderbouwing wordt gevormd door een voorontwerp bestemmingsplan.

2.9.4. Blijkens de geldende bestemmingsplannen en de ruimtelijke onderbouwing is de projectlocatie gelegen op gronden die zijn bestemd als “agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarde”. In de ruimtelijke onderbouwing wordt in voldoende mate ingegaan op het rijksbeleid, het provinciaal beleid, het gemeentelijk beleid en de ruimtelijke inpassing van het project. In de ruimtelijke onderbouwing zijn met name de nabije ligging van het industriegebied Trade Port West en de toekomstige ontwikkelingen in de directe omgeving zoals die voortvloeien uit het regionale samenwerkingsverband “Klavertje 4” betrokken. Door eisers zijn op dit punt geen (specifieke) gronden ingebracht. De rechtbank is gelet hierop dan ook van oordeel dat de vrijstelling is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing zodat verweerders bevoegd waren de vrijstelling te verlenen.

2.9.5. Ten aanzien van de door eisers aangevoerde grond dat bij het verlenen van de vrijstelling onvoldoende rekening is gehouden met de belangen van eisers voor wat betreft de door het project te veroorzaken aantasting van de privacy en de toename van het risico van neerstortende vliegtuigen, overweegt de rechtbank als volgt.

2.9.6. Blijkens de BIGNAL vergunning van 9 juli 2008 geldt voor het buitengebied een vlieghoogte van minimaal 150 meter en voor de bebouwde kom een vlieghoogte van minimaal 300 meter. In het besluit waarbij de BIGNAL vergunning is verleend is overwogen dat het vanaf een dergelijke hoogte en met horizontale verplaatsing zeer moeilijk is om gericht specifieke woningen en de zich daarin of daarbuiten bevindende personen te observeren. Tevens wordt de vergelijking gemaakt met een auto die met een normale snelheid langs woningen rijdt. Verweerder heeft deze overwegingen overgenomen in het bij de vrijstelling behorende zienswijzerapport. Blijkens dit zienswijzerapport heeft de vrijstellinghouder toegezegd dat in het vliegveldreglement zal worden opgenomen dat boven woonbebouwing in het buitengebied een minimale vlieghoogte van 1000 voet (300 meter) dient te worden aangehouden. Dit betekent dat voor het buitengebied (waarin de woning van eisers is gelegen) dezelfde hoogte wordt aangehouden als de hoogte die geldt voor de bebouwde kom. Gezien de evenwijdig aan de A67 gepositioneerde de start- en landingsbaan zullen de MLA’s landen en opstijgen in de lengterichting van de A67.

Gelet op de afstand van de landingsbaan tot de dichtstbijzijnde woningen en gelet op de overige hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat, indien en voor zover door de realisatie van het vliegveld al een inbreuk wordt gemaakt op de privacybelangen van eisers, deze inbreuk onevenredig is.

2.9.7. In de door de Minister bij besluit van 9 juli 2008 verleende BIGNAL vergunning worden ten behoeve van de veiligheid voorwaarden gesteld. Daarnaast is ten behoeve van het voorontwerp bestemmingsplan een onderzoek naar veiligheid gedaan. Uit het rapport verantwoording Groepsrisico “Bestemmingsplan Traffic Port” volgt niet dat het plan grote risico’s met zich meebrengt. Door eisers is gesteld noch uit de stukken is gebleken dat de gemaakte inschatting van de risico’s en/of de daaromtrent te nemen veiligheidsmaatregelen onjuist of onvoldoende zijn en verweerder zich daar bij de besluitvorming niet op had mogen baseren.

2.9.8. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat naar aanleiding van hetgeen eisers hebben aangevoerd niet gezegd kan worden dat sprake is van een zodanig onevenwichtige belangenweging dat verweerder in redelijkheid niet tot het verlenen van vrijstelling heeft mogen overgaan.

Het beroep is ongegrond.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mrs. L.M.J.A. barones van Hövell tot Westerflier-Dassen (voorzitter), Th.M. Schelfhout en N.J.J. Derks-Voncken, in tegenwoordigheid van mr. C.H.M. Bartholomeus als griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2009.

w.g. mr. C.H.M. Bartholomeus,

griffier w.g. mr. L.M.J.A. barones van Hövell tot Westerflier-Dassen,

voorzitter

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 13 mei 2009

Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.