Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BI6712

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
13-05-2009
Datum publicatie
05-06-2009
Zaaknummer
AWB 08/1820
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijstelling ex artikel 19, tweede lid, van de WRO ten behoeve van een vliegveld voor ultra-light vliegtuigen en een verkeerseducatiecentrum.

Diverse omwonenden en de Stichting Milieufederatie Limburg hebben beroep ingesteld tegen deze vrijstelling. De rechtbank is van oordeel dat verweerders bevoegd waren om de vrijstelling te verlenen op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO. Het vrijstellingsbesluit is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. De rechtbank acht niet aannemelijk dat met de effecten van het te realiseren vliegveld en verkeerseducatiecentrum op het gebied van onder andere licht, geluid, privacy, veiligheid en natuur een dusdanig onevenredige inbreuk wordt gemaakt op de belangen van eisende partijen dat verweerders in redelijkheid niet tot verlening van vrijstelling hadden mogen overgaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht, meervoudige kamer

Procedurenummer: AWB 08 / 1820

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

[eisers],

gemachtigde mr. [gemachtigde]

tegen

Burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo en Maasbree, verweerders.

1. Procesverloop

1.1. Bij besluit van 7 oktober 2008 hebben verweerders aan [vrijstellinghouder], hierna te noemen vrijstellinghouder, vrijstelling verleend als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) voor het realiseren van een Micro Light Aviation (MLA) vliegveld en een verkeerseducatiecentrum in Maasbree en Venlo zoals aangegeven op de bij het besluit behorende tekening.

1.2. Tegen dit besluit is namens eisers bij schrijven van 14 november 2008 op grond van de Awb rechtstreeks beroep ingesteld bij de rechtbank.

1.3. Met toepassing van artikel 8:26 van de Awb is vrijstellinghouder in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen.

1.4. De door verweerders ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken zijn in afschrift aan zowel de gemachtigde van eisers als aan vrijstellinghouder gezonden.

1.5. Het beroep is gevoegd behandeld met de zaken met procedurenummers 08/1784, 08/1786, 08/1789, 08/1791 en 08/1835 ter zitting van 2 april 2009, waar eisers zich hebben laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde en waar verweerders zich hebben laten vertegenwoordigen. Vrijstellinghouder is verschenen bij de heer [naam] en heeft zich laten bijstaan door diens gemachtigde. Zijdens vrijstellinghouder zijn tevens als medegemachtigden verschenen.

Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst en wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

2. Overwegingen

2.1. [Bedrijf] exploiteert een bedrijf dat zich hoofdzakelijk bezig houdt met import, export, verkoop, design, assemblage, onderhoud en reparaties van MLA vliegtuigen. [Bedrijf] is ook eigenaar van een MLA-vliegveld en vliegschool. Het vliegveld wordt ook gebruikt door een vereniging van MLA-vliegers.

2.2. In verband met de ontwikkeling van het grootschalig glastuinbouwgebied Californië dient het bedrijf van [Bedrijf] verplaatst te worden. De keuze voor de nieuwe locatie is gevallen op een terrein dat is gelegen in de gemeenten Maasbree en Venlo, parallel aan de noordzijde van de A67 en ten westen van het bedrijventerrein Trade Port West. Naast een MLA-vliegveld is op deze locatie ook een verkeerseducatiecentrum voorzien.

2.3. De onder 2.2. weergegeven voorgenomen ontwikkeling van het vliegveld en verkeerseducatiecentrum is in strijd met het vigerende bestemmingplan Buitengebied Maasbree van de gemeente Maasbree en (voor zover het de toegangsweg naar het vliegveld en verkeerseducatiecentrum betreft) het bestemmingsplan Trade Port West deelplan II van de gemeente Venlo.

2.4. Op 8 april 2008 heeft vrijstellinghoudster ten behoeve van de realisatie van het vliegveld en het verkeerseducatiecentrum een aanvraag voor een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO ingediend. De bij deze aanvraag behorende ruimtelijke onderbouwing wordt gevormd door het voorontwerp bestemmingsplan Traffic Port van juli 2007.

2.5. Bij besluit van 9 juli 2008 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat vergunning verleend voor het gebruik en het inrichten van het MLA-vliegveld (BIGNAL vergunning). Bij besluit van 9 januari 2009 heeft de Minister de tegen deze BIGNAL vergunning gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

2.6. Na publicatie van het voornemen van verweerders om vrijstelling te verlenen zijn door eisers, die in de directe omgeving van de projectlocatie wonen en daar ook een nertsenfarm exploiteren, zienswijzen ingediend. Deze, maar ook de door anderen ingediende zienswijzen, hebben niet geleid tot aanpassing van het ontwerpbesluit. Bij besluit van 7 oktober 2008 hebben verweerders de gevraagde vrijstelling verleend. Van dit besluit maakt het zienswijzenrapport van 15 september 2008 onderdeel uit.

2.7. Bij besluit van 4 november 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasbree aan vrijstellinghoudster de voor het MLA-vliegveld en het verkeerseducatiecentrum benodigde milieuvergunning verleend.

2.8. In beroep hebben eisers aangevoerd dat met het verlenen van de vrijstelling een onevenredige inbreuk wordt gemaakt op de belangen van eisers. Met name zullen eisers overlast gaan ondervinden van een toename van fijnstof en geluid. Volgens eisers zal ook hun privacy worden aangetast, alsmede het welzijn van dieren en zal de realisatie van het plan leiden tot een vermindering van hun uitbreidingsmogelijkheden en vermindering van de waarde van hun pand.

2.9. Het oordeel van de rechtbank.

2.9.1. Het thans bestreden besluit heeft betrekking op een door verweerders krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO verleende vrijstelling van het bestemmingsplan. Het betreft hier een discretionaire bevoegdheid van verweerder, zodat de rechtbank dient te beoordelen of aan de wettelijke bevoegdheidsvoorwaarden is voldaan en voor het overige het besluit van verweerder heeft te respecteren, tenzij gezegd moet worden dat verweerder bij de uitoefening van die bevoegdheid in strijd heeft gehandeld met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

2.9.2. Vrijstellinghouder heeft een verzoek ingediend ter verkrijging van vrijstelling van het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 19, tweede lid van de WRO.

De provincie Limburg heeft zich in het advies d.d. 22 mei 2008 over het ontwerpbestemmingsplan Traffic Port op het standpunt gesteld dat dit advies, gezien de zwaarte van de daarin gemaakte opmerkingen, voldoende grondslag biedt voor de toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO, zoals bedoeld in de “lijst van gevallen ex artikel 19, lid 2” van de Handreiking Ruimtelijke Ontwikkeling Limburg. Het advies heeft de instemming van de VROM-inspectie Regio Zuid. De rechtbank is gelet hierop alsmede gelet op het bepaalde onder C op de “lijst van gevallen van ex artikel 19, lid 2” van oordeel dat verweerders toepassing hebben mogen gegeven aan artikel 19, tweede lid van de WRO.

2.9.3. Ten aanzien van de voorwaarde dat een vrijstelling voorzien dient te zijn van een goede ruimtelijke onderbouwing, overweegt de rechtbank in de eerste plaats dat daaronder blijkens voormelde wettelijke bepaling bij voorkeur wordt verstaan een (inter)gemeentelijk structuurplan, terwijl tevens is vereist dat daarbij in elk geval moet worden ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan dan wel de toekomstige bestemming. De bij de vrijstelling behorende ruimtelijke onderbouwing wordt gevormd door een voorontwerp bestemmingsplan.

2.9.4. Blijkens de geldende bestemmingsplannen en de ruimtelijke onderbouwing is de projectlocatie gelegen op gronden die zijn bestemd als “agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarde”. In de ruimtelijke onderbouwing wordt in voldoende mate ingegaan op het rijksbeleid, het provinciaal beleid, het gemeentelijk beleid en de ruimtelijke inpassing van het project. In de ruimtelijke onderbouwing zijn met name de nabije ligging van het industriegebied Trade Port West en de toekomstige ontwikkelingen in de directe omgeving zoals die voortvloeien uit het regionale samenwerkingsverband “Klavertje 4” betrokken. Door eisers zijn op dit punt geen (specifieke) gronden ingebracht. De rechtbank is gelet hierop dan ook van oordeel dat de vrijstelling is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing zodat verweerders bevoegd waren de vrijstelling te verlenen.

2.9.5. Ten aanzien van de door eisers aangevoerde (maar niet nader onderbouwde) grond dat bij het verlenen van de vrijstelling onvoldoende rekening is gehouden met de belangen van eisers voor wat betreft de door het project te veroorzaken geluidhinder, toename van de fijnstof en aantasting van de privacy overweegt de rechtbank als volgt.

2.9.6. In het kader van de ruimtelijke onderbouwing is een akoestisch onderzoek uitgevoerd waaruit volgt dat met name de MLA’s van belang zijn voor de geluidproductie. Blijkens dit rapport kan het vliegveld worden gerealiseerd. Niet aannemelijk is gemaakt dat het onderzoek naar inhoud of wijze van totstandkoming ondeugdelijk is. Door eisers zijn geen rapporten van een akoestisch onderzoek (met andere uitkomst) overgelegd. Voorts heeft verweerder ter zitting verklaard, en ook uit het rapport blijkt dat het rapport is gemaakt overeenkomstig de handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999 waarin de gehanteerde ISO norm is opgenomen. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat voldoende controleerbaar is welke norm is gehanteerd. De rechtbank acht het, gelet op de conclusie van vorenbedoeld rapport, niet aannemelijk dat eisers onevenredige geluidshinder zullen ondervinden van de MLA’s. Daarbij komt dat de in de voor het vliegveld afgegeven milieuvergunning opgenomen geluidsnormen afdwingbaar zijn en dat de door eisers gestelde nadelige gevolgen van het geluid niet zijn onderbouwd.

2.9.7. Ten behoeve van de vrijstelling is tevens een onderzoek uitgevoerd naar de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit. Op grond van dit onderzoek is geconcludeerd dat de normen voor de luchtkwaliteit geen belemmering vormen voor de uitvoering van het plan. Tevens heeft bij memo van 19 januari 2009 een actualisering van dit rapport plaatsgevonden. Hierin wordt geconcludeerd dat het vervallen van het Besluit luchtkwaliteit 2005 en de invoering van de Wet luchtkwaliteit en het gebruik van de meest recente emissiefactoren en achtergrondconcentraties geen verandering brengt in de conclusie van het eerdere rapport.

Door eisers zijn geen deskundige rapporten overgelegd waaruit blijkt dat het door verweerder gehanteerde rapport naar wijze van totstandkoming of inhoud ondeugdelijk is. Van strijdigheid van het plan met de geldende wet- en regelgeving is dan ook niet gebleken.

2.9.8. Blijkens de BIGNAL vergunning van 9 juli 2008 geldt voor het buitengebied een vlieghoogte van minimaal 150 meter en voor de bebouwde kom een vlieghoogte van minimaal 300 meter. In het besluit waarbij de BIGNAL vergunning is verleend is overwogen dat het vanaf een dergelijke hoogte en met horizontale verplaatsing zeer moeilijk is om gericht specifieke woningen en de zich daarin of daarbuiten bevindende personen te observeren. Tevens wordt de vergelijking gemaakt met een auto die met een normale snelheid langs woningen rijdt. Verweerder heeft deze overwegingen overgenomen in het bij de vrijstelling behorende zienswijzerapport. Blijkens dit zienswijzerapport heeft de vrijstellinghouder toegezegd dat in het vliegveldreglement zal worden opgenomen dat boven woonbebouwing in het buitengebied een minimale vlieghoogte van 1000 voet (300 meter) dient te worden aangehouden. Dit betekent dat voor het buitengebied (waarin de woning van eisers is gelegen) dezelfde hoogte wordt aangehouden als de hoogte die geldt voor de bebouwde kom. Gezien de evenwijdig aan de A67 gepositioneerde de start- en landingsbaan zullen de MLA’s landen en opstijgen in de lengterichting van de A67.

Gelet op de afstand van de landingsbaan tot de dichtstbijzijnde woningen alsmede gelet op de overige hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden waaronder het ontbreken van een onderbouwing door eisers van de ernst van de gestelde schending van privacy, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat, indien en voor zover door de realisatie van het vliegveld al een inbreuk wordt gemaakt op de privacybelangen van eisers, deze inbreuk onevenredig is.

2.9.9. Eisers hebben de door hun in bezwaar en beroep gestelde aantasting van het welzijn van dieren niet toegelicht en onderbouwd. De gemachtigde van eisers heeft ter zitting volstaan met een enkele verwijzing naar de standpunten van andere eisers. De rechtbank zal gelet op de algemeenheid van deze grond en het ontbreken van duidelijkheid tegen welk onderdeel van het bestreden besluit deze stelling zich richt, deze grond verder buiten bespreking laten. Hetzelfde geldt voor het door eisers gestelde bederf aan woongenot en de waardevermindering van panden en percelen. Verweerder heeft met betrekking tot de uit de bestemmingswijziging voortvloeiende schade in het zienswijzerapport overigens terecht verwezen naar de daarvoor toepasselijke wettelijke planschaderegeling.

2.9.10. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat naar aanleiding van hetgeen eisers hebben aangevoerd niet gezegd kan worden dat sprake is van een zodanig onevenwichtige belangenweging dat verweerder in redelijkheid niet tot het verlenen van vrijstelling heeft mogen overgaan.

Het beroep is ongegrond.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mrs. L.M.J.A. barones van Hövell tot Westerflier-Dassen (voorzitter), Th.M. Schelfhout en N.J.J. Derks-Voncken, in tegenwoordigheid van mr. C.H.M. Bartholomeus als griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2009.

w.g. mr. C.H.M. Bartholomeus,

griffier w.g. mr. L.M.J.A. barones van Hövell tot Westerflier-Dassen,

voorzitter

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 13 mei 2009

Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.