Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BI6699

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
13-05-2009
Datum publicatie
05-06-2009
Zaaknummer
AWB 08/1791
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijstelling ex artikel 19, tweede lid, van de WRO ten behoeve van een vliegveld voor ultra-light vliegtuigen en een verkeerseducatiecentrum.

Diverse omwonenden en de Stichting Milieufederatie Limburg hebben beroep ingesteld tegen deze vrijstelling. De rechtbank is van oordeel dat verweerders bevoegd waren om de vrijstelling te verlenen op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO. Het vrijstellingsbesluit is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. De rechtbank acht niet aannemelijk dat met de effecten van het te realiseren vliegveld en verkeerseducatiecentrum op het gebied van onder andere licht, geluid, privacy, veiligheid en natuur een dusdanig onevenredige inbreuk wordt gemaakt op de belangen van eisende partijen dat verweerders in redelijkheid niet tot verlening van vrijstelling hadden mogen overgaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht, meervoudige kamer

Procedurenummer: AWB 08 / 1791

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

Stichting Milieufederatie Limburg e.a. te Roermond, eisers,

gemachtigde ir. [naam gemachtigde 1]

tegen

Burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo en Maasbree, verweerders.

1. Procesverloop

1.1. Bij besluit van 7 oktober 2008 hebben verweerders aan [naam vrijstellinghouder], hierna te noemen vrijstellinghouder, vrijstelling verleend als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) voor het realiseren van een Micro Light Aviation (MLA) vliegveld en een verkeerseducatiecentrum in Maasbree en Venlo zoals aangegeven op de bij het besluit behorende tekening.

1.2. Tegen dit besluit is namens eisers bij schrijven van 11 november 2008 op grond van de Awb rechtstreeks beroep ingesteld bij de rechtbank.

1.3. Met toepassing van artikel 8:26 van de Awb is vrijstellinghouder in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen.

1.4. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken zijn in afschrift aan zowel de gemachtigde van eisers als aan vrijstellinghouder gezonden.

1.5. Het beroep is gevoegd behandeld met de zaken met procedurenummers 08/1784, 08/1786, 08/1789, 08/1820 en 08/1835 ter zitting van 2 april 2009, waar eisers zich hebben laten vertegenwoordigen door mr. [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] en waar verweerders zich hebben laten vertegenwoordigen door mr. [vertegenwoordiger 3], [vertegenwoordiger 4] en ing. [vertegenwoordiger 5]. Vrijstellinghouder is verschenen bij de heer [naam] en heeft zich laten bijstaan door diens gemachtigde mr. [gemachtigde 2]. Zijdens vrijstellinghouder zijn tevens als medegemachtigden verschenen [gemachtigde 3], [gemachtigde 4] en [gemachtigde 5], AA.

Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst en wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

2. Overwegingen

2.1. [Naam bedrijf] exploiteert een bedrijf dat zich hoofdzakelijk bezig houdt met import, export, verkoop, design, assemblage, onderhoud en reparaties van MLA vliegtuigen. [Naam bedrijf] is ook eigenaar van een MLA-vliegveld en vliegschool aan de Horsterweg te Grubbenvorst. Het vliegveld wordt ook gebruikt door een vereniging van MLA-vliegers.

2.2. In verband met de ontwikkeling van het grootschalig glastuinbouwgebied Californië dient het bedrijf van [Naam bedrijf] verplaatst te worden. De keuze voor de nieuwe locatie is gevallen op een terrein dat is gelegen in de gemeenten Maasbree en Venlo, parallel aan de noordzijde van de A67 en ten westen van het bedrijventerrein Trade Port West. Naast een MLA-vliegveld is op deze locatie ook een verkeerseducatiecentrum voorzien.

2.3. De onder 2.2. weergegeven voorgenomen ontwikkeling van het vliegveld en verkeerseducatiecentrum is in strijd met het vigerende bestemmingplan Buitengebied Maasbree van de gemeente Maasbree en (voor zover het de toegangsweg naar het vliegveld en verkeerseducatiecentrum betreft) het bestemmingsplan Trade Port West deelplan II van de gemeente Venlo.

2.4. Op 8 april 2008 heeft vrijstellinghoudster ten behoeve van de realisatie van het vliegveld en het verkeerseducatiecentrum een aanvraag voor een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO ingediend. De bij deze aanvraag behorende ruimtelijke onderbouwing wordt gevormd door het voorontwerp bestemmingsplan Traffic Port van juli 2007.

2.5. Bij besluit van 9 juli 2008 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat vergunning verleend voor het gebruik en het inrichten van het MLA-vliegveld (BIGNAL vergunning). Bij besluit van 9 januari 2009 heeft de Minister de tegen deze BIGNAL vergunning gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

2.6. Na publicatie van het voornemen van verweerders om vrijstelling te verlenen zijn door eisers zienswijzen ingediend. Deze, maar ook de door anderen ingediende zienswijzen, hebben niet geleid tot aanpassing van het ontwerpbesluit. Bij besluit van 7 oktober 2008 hebben verweerders de gevraagde vrijstelling verleend. Van dit besluit maakt het zienswijzenrapport van 15 september 2008 onderdeel uit.

2.7. Bij besluit van 4 november 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasbree aan vrijstellinghoudster de voor het MLA-vliegveld en het verkeerseducatiecentrum benodigde milieuvergunning verleend.

2.8. In beroep hebben eisers aangevoerd dat verweerders geen vrijstelling hadden mogen verlenen op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO omdat het project niet voorkomt op de lijst van door Gedeputeerde Staten aangegeven categoriën van gevallen. Verder is de vrijstelling volgens eisers niet voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. De door eisers aangevoerde gronden hebben betrekking op de locatiekeuze, het Rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid, de natuur, de Flora- en Faunawet, het geluid, de luchtkwaliteit, de externe veiligheid, de economische uitvoerbaarheid, landschappelijke inpassing en de planvoorschriften.

2.9. Het oordeel van de rechtbank.

2.9.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.9.2. Ingevolge artikel 1:2, derde lid, van de Awb worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

2.9.3. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder te noemen de Afdeling) moet het bij belangen van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, van de Awb in elk geval gaan om een aan een statutaire doelstelling ontleend collectief belang, dat door een besluit direct wordt of dreigt te worden aangetast, waarbij het belang los kan worden gezien van dat van individuele leden, en waarvan de behartiging de trekken dient te vertonen van behartiging van boven-individuele belangen.

2.9.4. De rechtbank stelt vast dat door Groengroep Sevenum, I.V.N. Maasbree/Baarlo, I.V.N. Helden, N.H.G. kring Venlo en Milieudefensie Venlo geen statuten zijn overgelegd. De rechtbank is gelet hierop alsmede gelet op hetgeen onder 2.9.3. is overwogen van oordeel dat deze eisers in het kader van deze procedure niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb kunnen worden aangemerkt.

2.9.5. Vogelwerkgroep ’t Hökske Sevenum & Horst heeft blijkens artikel 2 eerste lid van de statuten als doel het voortbestaan en beschermen van vogels, het inventariseren van vogels en het geven van voorlichting over vogels. In het tweede lid wordt een opsomming gegeven van de activiteiten waarmee de vereniging dit doel wil bereiken. Gezien deze beoogde activiteiten is de rechtbank van oordeel dat Vogelwerkgroep ’t Hökske Sevenum & Horst in deze procedure evenmin als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb kan worden aangemerkt.

2.9.6. De rechtbank acht het beroep van de onder 2.9.4. en 2.9.5. genoemde eisers dan ook niet ontvankelijk.

2.9.7. Ten aanzien van het door de overige, wel als belanghebbende aan te merken, eisers ingestelde beroep overweegt de rechtbank als volgt.

2.9.8. Het thans bestreden besluit heeft betrekking op een door verweerders krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO verleende vrijstelling van het bestemmingsplan. Het betreft hier een discretionaire bevoegdheid van verweerder, zodat de rechtbank dient te beoordelen of aan de wettelijke bevoegdheidsvoorwaarden is voldaan en voor het overige het besluit van verweerder heeft te respecteren, tenzij gezegd moet worden dat verweerder bij de uitoefening van die bevoegdheid in strijd heeft gehandeld met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

2.9.9. Vrijstellinghouder heeft een verzoek ingediend ter verkrijging van vrijstelling van het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 19, tweede lid van de WRO.

De provincie Limburg heeft zich in het advies d.d. 22 mei 2008 over het ontwerpbestemmingsplan Traffic Port op het standpunt gesteld dat dit advies, gezien de zwaarte van de daarin gemaakte opmerkingen, voldoende grondslag biedt voor de toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO, zoals bedoeld in de “lijst van gevallen ex artikel 19, lid 2” van de Handreiking Ruimtelijke Ontwikkeling Limburg. Het advies heeft de instemming van de VROM-inspectie Regio Zuid. De rechtbank is gelet hierop, alsmede gelet op het bepaalde onder C op de “lijst van gevallen van ex artikel 19, lid 2”, van oordeel dat verweerders toepassing hebben mogen geven aan artikel 19, tweede lid van de WRO. Artikel 19, vierde lid, van de WRO ziet enkel op de toepassing van het eerste lid en niet op de toepassing van het tweede lid van dat artikel. Een bestemmingsplan ouder dan 10 jaar staat aan de toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO dan ook niet in de weg. Hetgeen eisers hieromtrent hebben aangevoerd treft dan ook geen doel.

2.9.10. Ten aanzien van de voorwaarde dat een vrijstelling voorzien dient te zijn van een goede ruimtelijke onderbouwing, overweegt de rechtbank in de eerste plaats dat daaronder blijkens voormelde wettelijke bepaling bij voorkeur wordt verstaan een (inter)gemeentelijk structuurplan, terwijl tevens is vereist dat daarbij in elk geval moet worden ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan dan wel de toekomstige bestemming. De bij de vrijstelling behorende ruimtelijke onderbouwing wordt gevormd door een voorontwerp bestemmingsplan.

Met betrekking tot de door eisers in beroep tegen de afzonderlijke onderdelen van de ruimtelijke onderbouwing aangevoerde gronden overweegt de rechtbank als volgt.

2.9.11. Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid

Eisers hebben ter zitting erkend dat het plan niet in strijd is met het Rijksbeleid zodat de daaromtrent aangevoerde gronden, nu de rechtbank ook niet van strijdigheid met dit beleid is gebleken, falen.

Blijkens de ruimtelijke onderbouwing is de locatiekeuze voor Traffic Port in overleg met de Provincie en betrokken gemeenten binnen het samenwerkingsverband Klavertje 4 tot stand gekomen. De rechtbank acht voorts, gelet op de brief van Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg van 10 maart 2009, die is geschreven naar aanleiding van door de vrijstellinghouder ingediende zienswijzen ten aanzien van het ontwerp POL-aanvulling gebiedsontwikkeling Klavertje 4, het plan niet strijdig met provinciaal beleid. Blijkens die brief heeft Gedeputeerde Staten het standpunt ingenomen dat het eerder genomen vrijstellingsbesluit ex artikel 19, tweede lid, van de WRO voor de provincie een hard uitgangspunt is en dat in het te zijner tijd vast te stellen provinciaal inpassingsplan, het nog nader te bepalen tracé van de Greenportlane wordt aangepast op het vrijstellingsbesluit van Traffic Port.

De toegangsweg naar Traffic Port doorsnijdt een gedeelte van de huidige Provinciale Ontwikkelingszone Groen (POG). Het plan voorziet blijkens de ruimtelijke onderbouwing in oppervlaktecompensatie door aanleg van een nieuwe groenstructuur aan de zuidzijde van het plangebied. In de Integrale Natuurvisie Venlo wordt aangesloten bij de ecologische verbindingszone die onderdeel vormt van de POG. Verweerder heeft ter zitting onweersproken betoogd dat in het ontwerp-POL aanvulling Klavertje vier, de POG wordt verschoven naar het westen van het plangebied zodat dan geen sprake meer zal zijn van een doorsnijding van het POG.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken van strijdigheid met provinciaal- of gemeentelijk beleid, waardoor realisatie van het plan zou worden belemmerd.

2.9.12. Natuur

In opdracht van vrijstellinghouder is in aanvulling op het ten behoeve van de vrijstelling verrichte onderzoek naar de verstorende effecten van het plan in de directe omgeving van het plan (deel uitmakende van de ontheffingsaanvraag Flora- en faunawet), op 15 maart 2009 door Bureau Waardenburg het rapport “Verstorende effecten van MLA Venlo in relatie tot groene wet- en regelgeving” uitgebracht. In dit rapport wordt geconcludeerd dat in zijn algemeenheid overvlucht van beschermde gebieden tot verstoring van fauna, waaronder vogels kan leiden. In het onderhavige geval is de intensiteit van het verkeer in beschermde gebieden volgens dit rapport echter zodanig laag dat deze verstoring niet tot aan meetbare afname van relevante soorten zal leiden. De instandhoudingsdoelen voor die gebieden zijn daarom niet in het geding; ook niet bij verdere toename van het verkeer vanuit Venlo. Eenzelfde conclusie wordt getrokken voor de gebieden die deel uitmaken van de ecologische hoofdstructuur.

De rechtbank is van oordeel dat met dit rapport, waarvan niet is gebleken dat dit inhoudelijk of ten aanzien van de wijze van totstandkoming onzorgvuldig is, aannemelijk is gemaakt

dat de door eisers gestelde verstorende effecten op de buiten het plangebied gelegen natuurgebieden zich niet zullen voordoen. Uit het door eisers overgelegde rapport “Ecologisch veldonderzoek greenportlane” van 6 mei 2008, dat betrekking heeft op een ander plangebied blijkt niet dat in de directe nabijheid van het MLA-vliegveld vleermuizen voorkomen. Voorts zullen de door eisers in het beroepschrift gestelde aanvaringen met vleermuizen –indien zij al aanwezig zouden zijn- zich niet voordoen aangezien de vliegtuigen enkel tijdens de daglichturen zullen vliegen.

Tussen partijen is niet in geschil dat in het plangebied geen dassenburcht is gelegen. In de bij de ruimtelijke onderbouwing behorende “Aanvulling op de ontheffingsaanvraag ex artikel 75 Flora- en faunawet” wordt beschreven dat het plangebied geen leefgebied is van de das. De maatregelen om te voorkomen dat de das in de toekomst als gevolg van getroffen natuurcompensatiemaatregelen het plangebied zal betreden kunnen dan ook niet worden aangemerkt als een beperking van het leefgebied van de das zodat het ontbreken van een ontheffing voor de das geen belemmering vormt voor het verlenen van vrijstelling.

Blijkens de afwijzing van de ontheffingsaanvraag in het kader van de Flora- en Faunawet van 12 maart 2007 is tijdens een op 23 januari 2007 gehouden veldonderzoek naar beschermde diersoorten in de Lage Heidelossing, geen beschermde diersoort aangetroffen. Dat dit veldonderzoek onvoldoende is geweest omdat de kleine modderkruiper in de Lage Heidelossing voor zou komen is door eisers niet aannemelijk gemaakt. Uit de bij het beroepschrift overgelegde bijlage van de Stichting Natuurbank Limburg blijkt niet dat de exemplaren zijn aangetroffen in de Lage Heidelossing.

2.9.13. Geluid

Er is een akoestisch onderzoek uitgevoerd waaruit volgt dat met name de MLA’s van belang zijn voor de geluidproductie. Blijkens dit rapport kan het vliegveld worden gerealiseerd. Niet aannemelijk is gemaakt dat het onderzoek naar inhoud of wijze van totstandkoming ondeugdelijk is. Door eisers zijn geen rapporten van een akoestisch onderzoek (met andere uitkomst) overgelegd. Voorts heeft verweerder ter zitting verklaard, en ook uit het rapport blijkt, dat het rapport is gemaakt overeenkomstig de handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999 waarin de gehanteerde ISO norm is opgenomen. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat voldoende controleerbaar is welke norm is gehanteerd.

Voor wat betreft de geluidseffecten van de MLA’s op de flora- en fauna verwijst de rechtbank voorts naar hetgeen daarover onder 2.9.12 is overwogen.

2.9.14. Luchtkwaliteit

In het kader van de vrijstelling is een onderzoek uitgevoerd naar de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit. Op grond van dit onderzoek is geconcludeerd dat de normen voor de luchtkwaliteit geen belemmering vormen voor de uitvoering van het plan. Tevens heeft bij memo van 19 januari 2009 een actualisering van dit rapport plaatsgevonden. Hierin wordt geconcludeerd dat het vervallen van het Besluit luchtkwaliteit 2005 en de invoering van de Wet luchtkwaliteit en het gebruik van de meest recente emissiefactoren en achtergrondconcentraties geen verandering brengt in de conclusie van het eerdere rapport.

Door eisers zijn geen deskundige rapporten overgelegd waaruit blijkt dat het door verweerder gehanteerde rapport naar wijze van totstandkoming of inhoud ondeugdelijk is. Van strijdigheid van het plan met de geldende wet- en regelgeving is dan ook niet gebleken.

2.9.15. Externe veiligheid

Door de Minister is de BIGNAL vergunning verleend. Hierbij worden ten behoeve van de veiligheid voorwaarden gesteld. Ten behoeve van het voorontwerp bestemmingsplan is een onderzoek naar veiligheid gedaan. Uit het rapport verantwoording Groepsrisico “Bestemmingsplan Traffic Port” volgt niet dat het plan grote risico’s met zich meebrengt.

2.9.16. Economische haalbaarheid

Bij brief van 3 februari 2009 heeft [gemachtigde 5], accountant, verklaard dat de economische uitvoerbaarheid van Trafficport, gezien de toekomstige positieve geprognosticeerde resultaten voldoende gewaarborgd is. De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid van deze verklaring te twijfelen.

2.9.17. Bestemmingsplanvoorschriften

In artikel 4.1. van de planvoorschriften is bepaalde dat de gronden zijn bestemd voor “horecavoorzieningen ten behoeve van aan de bestemming gerelateerde bedrijfsactiviteiten” Dit betekent dat de horecavoorziening beperkt is tot die voorziening die ten dienste staat aan het bedrijf (vliegveld en verkeerseducatiecentrum). Gelet hierop valt niet in te zien dat deze bestemming onduidelijk is of te ruim is geformuleerd. Overigens hangt dit gebruik samen met een te verlenen bouwvergunning en kan hiertegen (evenals de andere met betrekking tot de planvoorschriften aangevoerde gronden), gelet op de concentratie van beroep, eerst worden opgekomen bij een op dat gebruik betrekking hebbende bouwvergunning.

2.9.18. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de vrijstelling is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing zodat verweerder bevoegd was de vrijstelling te verlenen. De hiertegen gerichte beroepsgronden falen.

2.9.19. In het vorenoverwogene ligt tevens besloten dat hetgeen eisers hebben aangevoerd niet kan leiden tot de conclusie dat sprake is van een zodanig onevenwichtige belangenweging dat verweerder in redelijkheid niet tot het verlenen van vrijstelling heeft mogen overgaan.

2.9.20. Het beroep is ongegrond.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mrs. L.M.J.A. barones van Hövell tot Westerflier-Dassen (voorzitter), Th.M. Schelfhout en N.J.J. Derks-Voncken, in tegenwoordigheid van mr. C.H.M. Bartholomeus als griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2009.

w.g. mr. C.H.M. Bartholomeus,

griffier w.g. mr. L.M.J.A. barones van Hövell tot Westerflier-Dassen,

voorzitter

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 13 mei 2009

Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.