Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BI6697

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
27-05-2009
Datum publicatie
05-06-2009
Zaaknummer
AWB 08/13333
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep niet-ontvankelijk. De door verweerder verleende vrijstelling ex artikel 19, eerste lid, van de WRO ziet alleen op het oprichten van bebouwing voor het truffelteeltbedrijf en niet op andere activiteiten die met de vestiging van de truffelkwekerij zullen gaan plaatsvinden. Gelet op artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet kan eiseres pas opkomen tegen de vrijstelling als de bouwvergunning is verleend. Vergoeding griffierecht omdat verweerder in de rechtsmiddelenclausule ten onrechte heeft vermeld dat beroep kan worden ingesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht, meervoudige kamer

Procedurenummer: AWB 08 / 1333

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

Stichting Werkgroep Behoud de Peel te Deurne, eiseres,

gemachtigde [gemachtigde]

tegen

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Nederweert, verweerder.

1. Procesverloop

1.1.Op 1 juli 2008, verzonden op 9 juli 2008, heeft verweerder aan belanghebbende een vrijstelling ex artikel 19, eerste lid,

van de toentertijd geldende Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) verleend (het bestreden besluit).

1.2. Op 19 augustus 2008 heeft eiseres beroep ingesteld tegen voornoemde vrijstelling.

1.3. Met toepassing van het bepaalde in artikel 8:26, eerste lid, van de Awb zijn [belanghebbende] en Gedeputeerde Staten (GS) in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen.

1.4. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift

aan partijen gezonden.

1.5. Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 7 mei 2009, waar namens eiseres [gemachtigde] en mr.

[gemachtigde 2] zijn verschenen. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door [een werknemer], werkzaam bij verweerders gemeente, en [een werknemer], werkzaam bij de Dienst Landelijk Gebied. Tevens is verschenen [vertegenwoordiger ]namens [belanghebbende] (hierna te noemen: belanghebbende). Namens GS is niemand verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op 10 april 2007 heeft belanghebbende een aanvraag ingediend voor vrijstelling ex artikel 19, eerste lid, van de WRO

voor de oprichting van een truffelteeltbedrijf op het perceel, plaatselijk bekend als [adres] te [gemeente], kadastraal bekend gemeente [kenmerk kadaster]

2.2. In het ter plaatse geldende bestemmingsplan Buitengebied 1998 heeft perceel R1493 de bestemming ‘Agrarisch gebied’, meer in het bijzonder ‘Open gebied/ heideontginning’. Het perceel is op de kaart behorend bij het

bestemmingsplan niet voorzien van een agrarisch bouwblok als bedoeld in planvoorschrift 1, onder 7. In artikel 4.5.2 van

de bestemmingsplanvoorschriften is de bevoegdheid van Burgemeester en Wethouders opgenomen om het

bestemmingsplan te wijzigen ten behoeve van de (nieuw)vestiging van een agrarisch bedrijf, mits aan een aantal nader

bepaalde voorwaarden is voldaan. Een van die voorwaarden is dat in de differentiatie ‘Open gebied/ heideontginning’

een onderlinge afstand tussen agrarische bouwblokken of tussen agrarische bedrijven en de bestaande bebouwing van

burgerwoningen, niet-agrarische bedrijven, recreatieve doeleinden of bijzondere doeleinden is vereist van 300 meter,

tenzij het een situatie betreft als nader omschreven. Omdat het te vestigen bouwblok voor het truffelteeltbedrijf niet aan

deze afstandseis voldoet en het geen situatie betreft als nader omschreven, was het niet mogelijk om van deze

binnenplanse wijzigingsbevoegdheid gebruik te maken. Derhalve is verweerder overgegaan tot de vrijstellingsprocedure

ex artikel 19, eerste lid, van de WRO. GS hebben op 17 juni 2008 een verklaring van geen bezwaar afgegeven. Op 1 juli

2008 heeft verweerder aan belanghebbende een vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO verleend

voor het oprichten van een truffelteeltbedrijf, waarbij het kaartje dat bij de aanvraag was gevoegd, onderdeel uitmaakt van

het besluit.

2.3.Op het bij de aanvraag gevoegde kaartje is niet enkel een bouwblok met voorgenomen bebouwing ten behoeve van het

truffelteeltbedrijf ingetekend, maar tevens het gehele te vestigen bedrijf, waaronder de beplanting en verharding.

In de bij de vrijstelling behorende ruimtelijke onderbouwing is – onder meer – het volgende opgenomen:

“Realisatie van de nieuwbouw op de geplande plek is in strijd met de geldende planologische regeling. (…)

Omdat geconcludeerd is, dat de bedrijfsvestiging wel voldoet aan het door de gemeenteraad eind 2006 vastgestelde “Kwaliteitsprogramma landelijk gebied”, heeft de gemeente zich bereid verklaard om medewerking te verlenen aan de wijziging van het bestemmingsplan teneinde tot realisatie van het geplande bedrijf te komen. Hiertoe is een verzoek om vrijstelling ex artikel 19, eerste lid, WRO ingediend. Het verzoek heeft concreet betrekking op de toekenning van een agrarisch bouwblok op maat, waarbinnen ruimte is voor de bouw van bedrijfsondersteunende bebouwing zoals een opslagloods, kweekkas en bedrijfswoning”.

2.4. De rechtbank overweegt dat uit de vrijstelling en de daarbij behorende kaartje en ruimtelijke onderbouwing niet eenduidig valt af te leiden of enkel vrijstelling is verleend voor het oprichten van de bebouwing voor het truffelteeltbedrijf of dat vrijstelling is verleend voor het vestigen van het gehele truffelteeltbedrijf. Om te beoordelen of het beroep van eiseres al dan niet ontvankelijk is, is het van belang om vast te stellen waarop de vrijstelling ziet. In artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet (Ww), zoals dat luidde ten tijde van het nemen van het besluit, is immers neergelegd dat de verlening van vrijstelling voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht wordt geacht deel uit te maken van de beschikking, waarop zij betrekking heeft. Hieruit volgt dat als de vrijstelling niet (ook) ziet op andere activiteiten dan bouwactiviteiten tegen de vrijstelling geen afzonderlijke rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. Uit artikel 49, vijfde lid, van de Ww moet worden afgeleid dat de wetgever een concentratie van rechtsbescherming voor ogen heeft gehad om onnodige procedures te voorkomen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft dit in meerdere uitspraken overwogen, zie onder meer de uitspraak van 19 november 2008, LJN: BG4701.

2.5. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd uitdrukkelijk verklaard dat de vrijstelling alleen ziet op het oprichten van bebouwing voor het truffelteeltbedrijf en niet op de andere activiteiten die met de vestiging van het truffelteeltbedrijf zullen gaan plaatsvinden. Verweerder heeft daar expliciet desgevraagd nog aan toegevoegd dat met de thans verleende vrijstelling het aanlegvergunningenstelsel zoals dat in het bestemmingsplan is opgenomen niet opzij wordt gezet, zodat voor alle activiteiten, zoals het ophogen van grond en het aanplanten van bomen, die voor het oprichten van de truffelkwekerij nog moeten plaatsvinden, te zijner tijd nog aanlegvergunningen zijn vereist en alsdan een toetsing van dit kader zal plaatsvinden. Verweerder heeft zich evenwel op het standpunt gesteld dat het beroep ontvankelijk is, omdat met de vrijstelling een bouwtitel wordt gecreëerd. Er kan een knip plaatsvinden tussen het toelaten van bebouwing ter plaatse en het feitelijk bouwen als zodanig, aldus verweerder. Belanghebbende sluit zich aan bij het standpunt van verweerder.

2.6. Eiseres heeft hierop aangegeven dat in de vrijstelling staat dat vrijstelling wordt verleend voor het oprichten van een truffelteeltbedrijf en niet enkel voor het oprichten van bebouwing voor het truffelteeltbedrijf en dit dan ook zo opgevat.

2.7.De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiseres niet-ontvankelijk moet worden verklaard en overweegt daartoe als volgt. Nu verweerder heeft aangegeven dat de vrijstelling alleen is verleend voor het toekennen van een agrarisch bouwblok ten behoeve van het oprichten van de bebouwing voor het truffelteeltbedrijf en niet (ook) ter oprichting van het truffelteeltbedrijf in zijn geheel, kan eiseres pas opkomen tegen de vrijstelling als de bouwvergunning is verleend. De vrijstelling om ter plaatse bebouwing te mogen oprichten is immers onlosmakelijk verbonden met een nog aan te vragen bouwvergunning. Nu de vrijstelling ziet op een concreet project, kan verweerder ook niet worden gevolgd in zijn standpunt dat de beoordeling van het bouwblok onafhankelijk van het bouwen ten behoeve van het truffelteeltbedrijf zou moeten worden beoordeeld. Voor wat betreft het instellen van rechtsmiddelen schrijft artikel 49, vijfde lid, van de Ww een koppeling van het vrijstellingsbesluit en de bouwvergunning ook dwingend voor.

2.7.1.Dit betekent niet dat eiseres een beroepsmogelijkheid wordt ontnomen. Immers, er is nu dan wel vrijstelling verleend voor het oprichten van bebouwing voor het truffelteeltbedrijf op het onderhavige perceel, maar zonder een bouwvergunning mag niet worden gebouwd. Met andere woorden, de verleende vrijstelling tot het oprichten van bebouwing kan alleen effect hebben als er ook een bouwvergunning is verleend, waar eiseres dan integraal in rechte tegen kan opkomen. Voor de andere activiteiten die met de vestiging van het truffelteeltbedrijf gepaard gaan, kan eiseres daarenboven opkomen in het kader van de vereiste aanlegvergunning.

2.8.De rechtbank ziet aanleiding te gelasten dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht vergoedt, omdat verweerder in de rechtsmiddelenclausule in het bestreden besluit ten onrechte heeft vermeld dat tegen de vrijstelling beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep niet ontvankelijk;

bepaalt dat verweerders gemeente aan eiseres het door of namens haar betaalde griffierecht ten bedrage van EUR 288,00 volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mrs. G. Letschert, C.M.W. Nobis (voorzitter) en L.M.J.A. van Hövell tot Westerflier-Dassen, in tegenwoordigheid van mr. K.M.P. Jacobs als griffier en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2009.

w.g. mr. K.M.P. Jacobs,

griffier w.g. mr. C.M.W. Nobis,

voorzitter

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 27 mei 2009.

Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.