Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BI6016

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
03-06-2009
Datum publicatie
08-06-2009
Zaaknummer
93722 / JE RK 09-636 en 93725 / JE RK 09-637
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

1:261 BW; verzoek machtiging uithuisplaatsing; verzoek betreft partiële plaatsing gedurende één weekend per veertien dagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector civielrecht

Zaak-/rolnummer: 93722 / JE RK 09-636 en 93725 / JE RK 09-637

Beschikking van 3 juni 2009 betreffende een jeugdbeschermingsmaatregel

in de zaak van

[minderjarige], geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 2006, hierna te noemen de minderjarige.

De kinderrechter merkt naast de minderjarige en verzoeker als belanghebbenden aan:

- [moeder],

wonende te [woonplaats],

[adres],

- [vader],

wonende te [woonplaats],

[adres].

Het ouderlijk gezag wordt uitgeoefend door de moeder, [moeder].

1. Het verloop van de procedure

1.1. De minderjarige is ondertoezicht gesteld van de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, mede kantoorhoudende te Weert. De ondertoezichtstelling loopt tot 15 juli 2009.

1.2. De voornoemde stichting heeft op 14 mei 2009 een verzoekschrift met bijlage(n) ingediend, strekkende tot verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing

van voornoemde minderjarige.

1.3. De voornoemde stichting heeft op 14 mei 2009 eveneens een verzoekschrift met bijlage(n) ingediend, strekkende tot verlenging van de ondertoezichtstelling alsmede tot verlening van een machtiging tot verlenging uithuisplaatsing van voornoemde minderjarige voor de periode van één jaar.

1.4. Het plan van aanpak en het verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling, alsmede het indicatiebesluit zijn bij het verzoekschrift overgelegd.

1.5. Op 26 mei 2009 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De griffier heeft van de inhoud daarvan aantekening gehouden.

Bij de behandeling zijn verschenen:

- [moeder], bijgestaan door mr. E.W.M. ter Meulen Mouwen;

- [vader],

- de gezinsvoogdes, mevrouw [R].

1.6. Mr. E.W.M. ter Meulen Mouwen heeft ter zitting pleitaantekeningen overgelegd.

2. De vaststellingen en overwegingen

2.1. Mr. E.W.M. ter Meulen Mouwen heeft verzocht de pleitaantekeningen in het dossier te voegen, omdat moeder zich niet geheel kan vinden in het evaluatieverslag van de stichting. Volgens moeder is de ‘’actie-agenda’’ waarin de eisen en werkdoelen worden beschreven niet actueel meer.

Daarnaast heeft moeder aangegeven dat zij het eens is met de verzoeken van de stichting. Doch merkt moeder wel op dat zij niet akkoord gaat met een uithuisplaatsing van de minderjarige, indien zij een zogenaamde ouderbijdrage dient te betalen, omdat zij geen financiële middelen heeft daarvoor.

2.2. De gezinsvoogdes heeft naar voren gebracht dat de gevraagde machtiging een

een partiële pleegzorgplaatsing betreft. Het is de bedoeling dat de minderjarige gedurende één weekend per veertien dagen van vrijdag tot en met zondag zal verblijven bij een ouder echtpaar. De stichting is reeds begonnen met het opbouwen van de contacten tussen de minderjarige en het echtpaar.

2.3. Het oordeel van de kinderrechter.

2.3.1. Op grond van de verkregen informatie van de stichting zoals in opgemelde stukken aangegeven en hetgeen tijdens de terechtzitting nog naar voren is gebracht, is de kinderrechter van oordeel dat in het belang van de minderjarige de termijn van de ondertoezichtstelling met één jaar dient te worden verlengd, nu de gronden voor de ondertoezichtstelling nog aanwezig zijn.

2.3.2. Op grond van de voorhanden gegevens en het verhandelde ter zitting oordeelt de kinderrechter als volgt ten aanzien van de verzoeken tot machtiging tot uithuisplaatsing.

Artikel 1:261, lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna BW) bepaalt onder meer dat de kinderrechter een stichting kan machtigen een minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige.

Van noodzaak tot uithuisplaatsing is derhalve sprake als de nagestreefde doelen niet bereikt kunnen worden indien de minderjarige thuis bij zijn ouders blijft wonen.

In het onderhavige geval wordt de machtiging tot uithuisplaatsing verzocht voor een partiële pleegzorgplaatsing. De plaatsing geschiedt gedurende één weekend per veertien dagen van vrijdag tot en met zondag en heeft onder meer tot doel de moeder te ontlasten. Voor het overige blijft de minderjarige thuis wonen.

Het systeem van regelgeving met betrekking tot de uithuisplaatsing is er naar het oordeel van de kinderrechter niet op gericht tijdelijk, gedurende een steeds terugkerende korte periode, de minderjarige onder de invloedssfeer van een derde te brengen en de minderjarige overigens thuis bij zijn ouders te laten opgroeien. In dat geval wordt de minderjarige niet onttrokken aan de zorg van de ouders nu er in casu geen sprake is van een gedeelde verantwoordelijkheid voor de dagelijkse gang van zaken.

Een uithuisplaatsing is voor deze situatie niet het geëigende middel.

Indien het noodzakelijk wordt geoordeeld dat het belang van de minderjarige is gediend met een steeds terugkerend verblijf buiten het gezin gedurende een korte periode terwijl de met het gezag belaste ouder niet instemt met die plaatsing, dan kan worden volstaan met een aanwijzing op de voet van artikel 1:258 BW.

De kinderrechter zal de verzoeken tot machtiging tot uithuisplaatsing derhalve afwijzen.

3. De beslissing

De kinderrechter

3.1. verlengt de termijn waarvoor de minderjarige voornoemd onder toezicht is gesteld van voormelde stichting, met één jaar, ingaande 15 juli 2009;

3.2. wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beslissing is gegeven door mr. P.C.G. Brants, kinderrechter, en ter openbare terechtzitting van 3 juni 2009 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak kan beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze uitspraak is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening van de uitspraak of nadat de uitspraak hun op andere wijze bekend is geworden.