Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BI6008

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
27-05-2009
Datum publicatie
02-06-2009
Zaaknummer
91400 FA RK 09-68
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 8 EVRM familiy life, artikel 1:377a BW nauwe persoonlijke betrekking.

Afwijzing van het verzoek van de biologische vader om voor recht te verklaren dat er sprake is van family life en/of van een nauwe persoonlijke betrekking.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 377f
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2009/519
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector civielrecht

Zaaknummer: 91400 / FA RK 09-68

Beschikking van 27 mei 2009 betreffende ouderlijke verantwoordelijkheden

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats], [adres],

hierna te noemen verzoeker,

advocaat: mr.drs. K. Moene;

Belanghebbenden:

- [moeder],

wonende te [woonplaats], [adres],

hierna te noemen de moeder en verweerder,

advocaat mr. B.R.M. de Bruijn;

- [juridische vader],

wonende te [woonplaats], [adres],

hierna te noemen de juridische vader en verweerder,

advocaat mr. B.R.M. de Bruijn,

hierna ook te noemen de verweerders.

1. Het verloop van de procedure

1.1. Dit blijkt uit het volgende:

- het verzoekschrift, binnengekomen bij de rechtbank op 19 januari 2009;

- het verweerschrift, binnengekomen bij de rechtbank op 25 maart 2009;

- de brief d.d. 6 april 2009, met bijlagen, van mr.drs. K. Moene;

- de pleitaantekeningen van mr.drs. K. Moene;

- de mondelinge behandeling, welke heeft plaatsgevonden op 9 april 2009 en waarbij zijn verschenen:

- verzoeker, bijgestaan door mr.drs. K. Moene;

- de moeder en de juridische vader, bijgestaan door mr. B.R.M. de Bruijn;

- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming te Roermond

2. De vaststaande feiten

2.1. Moeder en verzoeker hebben een buitenhuwelijkse relatie gehad.

Uit deze relatie is het minderjarige kind geboren:

- [minderjarig kind], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2007.

Verzoeker is de biologische vader van [minderjarig kind].

2.2. Moeder was ten tijde van de geboorte van [minderjarig kind] gehuwd met [juridische vader], zijnde de juridische vader van [minderjarig kind].

2.3. [minderjarig kind] verblijft bij zijn moeder en juridische vader.

3. Het verzoek

3.1. Verzoeker heeft gevraagd, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- te verklaren voor recht dat tussen [minderjarig kind] en hem sprake is van family life in de zin van

artikel 8 EVRM, althans dat sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking in de

zin van artikel 1:377f BW;

- de vaststelling van een omgangsregeling;

- de vaststelling van een informatieregeling.

3.2. Verzoeker heeft gesteld dat er sprake is van family life tussen [minderjarig kind] en hem.

Naast zijn biologisch ouderschap zou dat blijken uit bijkomende omstandigheden. Verzoeker stelt dat hij en de moeder gedurende zes jaar een bestendige affectieve relatie hebben gehad. Hij en de moeder hebben voor en na de bevalling regelmatig contact gehad, via sms, email en persoonlijk, waarbij de moeder aan verzoeker informatie heeft gegeven over de ongeboren vrucht. Voorts is de moeder samen met verzoeker en zijn moeder naar het ziekenhuis geweest voor het maken van een echo. Verzoeker heeft de originele foto’s van de echo gekregen van de moeder. De moeder heeft verzoeker gebeld op de dag van de geboorte en hem de geboorte medegedeeld. Vier maanden na de geboorte heeft verzoeker [minderjarig kind] voor het eerst gezien. Vervolgens zag verzoeker [minderjarig kind] ongeveer twee maal per maand in Roermond. De laatste keer bij verzoeker thuis in [woonplaats] van 14 september tot 17 september 2007.

Verzoeker stelt ook geregeld telefonisch contact te hebben gehad met [minderjarig kind].

Verzoeker ontkent ter zitting dat de contacten tussen de moeder en hem onder bedreiging door verzoeker tot stand zijn gekomen.

4. Het verweer

4.1. Verweerders hebben primair geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek aangaande de verklaring voor recht en tot niet-ontvankelijk verklaring van verzoeker in zijn verzoeken aangaande de omgangsregeling en informatieplicht.

Subsidiair hebben verweerders geconcludeerd tot afwijzing van de verzoeken.

4.2. Verweerders stellen dat er geen sprake is (geweest) van een nauwe persoonlijke betrekking of family life tussen verzoeker en [minderjarig kind]. Verzoeker en de moeder hebben niet samengeleefd of daar plannen voor gemaakt. Hun relatie was niet bestendig te noemen en er was slechts sprake van incidenteel contact. Ook gedurende de zwangerschap is er geen sprake geweest van omstandigheden die tot de aanname zouden moeten leiden dat van een nauwe persoonlijke betrekking sprake zou kunnen zijn. De zwangerschap was voor de moeder een grote schok. Zij was niet voornemens om zwanger te raken. De moeder erkent dat zij samen met verzoeker en zijn moeder naar het ziekenhuis is geweest voor het maken van een echo. Voor het overige is er tijdens de zwangerschap nauwelijks contact geweest tussen verzoeker en de moeder. De contacten die er waren betroffen niet het ongeboren kind als zodanig. De contacten waren op initiatief van verzoeker en gingen vrijwel uitsluitend om verzoekers wens om de relatie met de moeder te continueren en uit te breiden. Verzoeker bedreigde en chanteerde de moeder, zowel tijdens de zwangerschap als na de geboorte van [minderjarig kind].

Ook de feitelijke omstandigheden van na de geboorte kunnen naar het oordeel van verweerders niet leiden tot de conclusie dat er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking. Verzoeker en de moeder hebben niet samen overlegd of plannen gemaakt over het kind en zijn verzorging en opvoeding. Verzoeker heeft de minderjarige driemaal gezien. De eerste twee keer bij de moeder thuis. En de laatste keer in het huis van de ouders van verzoeker in [woonplaats]. De moeder betwist dat verzoeker telefonisch contact heeft gehad met de minderjarige

5. Het oordeel van de rechtbank

5.1. Uit het verhandelde ter zitting en de ingebrachte stukken stelt de rechtbank vast dat verzoeker en de moeder gedurende enkele jaren een - voor de moeder buitenechtelijke - relatie met elkaar hebben gehad en dat er na de geboorte van [minderjarig kind] enkele contactmomenten hebben plaatsgevonden tussen verzoeker en [minderjarig kind], voor het laatst in 2007.

5.2. Family life

Van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de biologische vader en het kind in de zin van (thans) artikel 1:377a of ‘’family life’’ in de zin van artikel 8 EVRM, is sprake indien naast het biologisch vaderschap er bijkomende omstandigheden zijn, waaruit voortvloeit dat er tussen de biologische vader en het kind een band bestaat die kan worden aangemerkt als een nauwe persoonlijke betrekking in de zin van genoemd artikel. Zowel de aard van de relatie tussen de biologische vader en de moeder vóór de geboorte van het kind als omstandigheden die zijn ontstaan na de geboorte van het kind kunnen gelden als bijkomende omstandigheden die de conclusie kunnen rechtvaardigen dat er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking (family life) tussen de biologische vader en het kind. Ook een combinatie van omstandigheden die deels betrekking hebben op de periode vóór de geboorte van het kind en deels op de periode na de geboorte van het kind, kan gelden als bijkomende omstandigheden.

5.3. De rechtbank is gelet op de ingebrachte gedingstukken en het verhandelde ter zitting van oordeel dat er geen sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen verzoeker en [minderjarig kind] die kan worden aangemerkt als “family life”.

De rechtbank overweegt daartoe het navolgende.

Er was geen sprake van een relatie tussen verzoeker en de moeder welke in voldoende mate met die van een huwelijk op één lijn valt te stellen. Immers was de moeder gedurende de relatie met verzoeker gehuwd met de juridische vader en heeft zij ook steeds onafgebroken met hem en hun minderjarige dochter in gezinsverband samengeleefd. De verwekking van [minderjarig kind] was niet gepland en de rechtbank is niet uit concrete aanwijzingen gebleken dat de moeder en verzoeker gezamenlijke toekomstplannen hebben gemaakt. Voorts heeft de moeder de relatie met verzoeker vlak voor of vlak na de geboorte van [minderjarig kind] beëindigd en heeft zij met de juridische vader besloten om samen zorg te gaan dragen voor de verzorging en opvoeding van [minderjarig kind].

Ook de omstandigheden van na de geboorte van [minderjarig kind] kunnen niet in voldoende mate gelden als bijkomende omstandigheden die de conclusie kunnen rechtvaardigen dat er sprake is van family life, daarvoor is het contact te incidenteel geweest. Ook een combinatie van omstandigheden die deels betrekking hebben op de periode vóór de geboorte van het kind en deels op de periode na de geboorte van het kind rechtvaardigen die conclusie niet.

Er is geen enkele vorm van familie- en gezinsleven (family life) tot stand gekomen tussen verzoeker en [minderjarig kind] zodat er in dit verband ook niet kan worden gesproken van family life dat respect en bescherming behoeft.

Dat is anders ten aanzien van het gezin van de moeder en de juridische vader waar [minderjarig kind] wordt verzorgd en opgevoed. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het bepaalde in artikel 8 EVRM, het huidige familie- en gezinsleven waarin [minderjarig kind] opgroeit, respect en bescherming behoeft. Inmenging van verzoeker in het huidige familie- en gezinsleven van [minderjarig kind] en zijn ouders zou gepaard gaan met veel onrust en onduidelijkheid voor [minderjarig kind] en derhalve in strijd komen met de zwaarwegende belangen van [minderjarig kind].

Mitsdien beslist de rechtbank als volgt.

6. De beslissing

De rechtbank:

6.1. wijst af het verzoek om te verklaren voor recht dat er sprake is van family life of van een nauwe persoonlijke betrekking;

6.2. verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoeken ter zake de omgangs- en de informatieregeling.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.C.G. Brants, kinderrechter en ter openbare terechtzitting van 27 mei 2009 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

no

Tegen deze uitspraak kan beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof te 's Hertogenbosch door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze uitspraak is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening van de uitspraak of nadat de uitspraak hun op andere wijze bekend is geworden.