Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BI5334

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
21-01-2009
Datum publicatie
29-05-2009
Zaaknummer
AWB 07 / 1216
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bijzondere bijstand voor vrijwillig budgetbeheer. Vervolg op uitspraak van de CRvB van 5 augustus 2008 (LJN BD9635). Criteria om noodzaak aan te tonen; noodzaak om vrijwillig budgetbeheer aan te gaan niet aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht, enkelvoudige kamer

Procedurenummer: AWB 07 / 1216

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

[eiser] te [woonplaats], eiser,

gemachtigde mr. J.H.M. Verstraten

tegen

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Venlo, verweerder.

1. Procesverloop

1.1. Bij besluit van 14 augustus 2007 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen een weigering hem bijzondere bijstand toe te kennen voor de kosten van vrijwillig budgetbeheer, ongegrond verklaard. Tegen dat besluit is bij deze rechtbank beroep ingesteld.

1.2. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiser gezonden.

1.3. Het beroep is, gevoegd met de zaak onder registratienummer 2007/1859, behandeld ter zitting van de rechtbank op 11 april 2008, waar eiser in persoon is verschenen bijgestaan door zijn raadsvrouwe en door de budgetbeheerder [budgetbeheerder A]. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.H.L. Bovee.

1.4. Met toepassing van het bepaalde in artikel 8:68 van de Awb is het onderzoek in de zaak heropend en heeft de rechtbank bepaald dat partijen nader standpunt innemen naar aanleiding van recente jurisprudentie.

1.5. Het beroep is, thans gevoegd met de zaken onder registratienummers 2007/1859, 2008/328, 330, 620, 682, 693, 698, 993, 994 en 1330, opnieuw behandeld ter zitting van de rechtbank op 10 december 2008, waar eiser is verschenen bij zijn gemachtigde, bijgestaan door budgetbeheerders [budgetbeheerder B] en [budgetbeheerder A] voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. Bovee voornoemd en C.W.M.G. Volleberg. Na sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegd behandelde zaken weer gesplitst en doet de rechtbank in alle zaken afzonderlijk uitspraak.

2. Overwegingen

2.1. Op 22 juni 2007 heeft budgetbeheerder [budgetbeheerder A] –kennelijk- voor eiser bijzondere bijstand verzocht voor de kosten van budgetbeheer ten bedrage van EUR 341,40 voor intake en maandelijks EUR 56,90 vanaf 1 april 2007. Daarbij is aangegeven dat en waarom eiser in financiële problemen is gekomen en in verband waarmee hij op 1 maart 2007 een overeenkomst tot budgetbeheer is aangegaan.

2.2. Bij besluit van 12 juli 2007 heeft verweerder eisers verzoek afgewezen omdat deze algemeen gebruikelijke kosten in zijn omstandigheden niet als bijzondere kosten kunnen worden aangemerkt.

2.3. Bij het thans bestreden besluit is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat voor zover bijzondere bijstand wordt gevraagd voor ondersteuning bij schuldaflossing, het bepaalde in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet werk en bijstand (Wwb) aan bijstandverlening in de weg staat. Voorts is verweerder van mening dat eiser gebruik had kunnen maken van een kostenloze, passende en toereikende, voorliggende voorziening van budgetbeheer door de Stichting Wel.kom (en later vervangen door verwijzing naar de gemeentelijke afdeling schuldhulpverlening). Ten overvloede heeft verweerder gesteld dat van belanghebbende kan worden gevraagd de kosten van vrijwillig budgetbeheer zelf te dragen voor zover budgetbeheer preventief wordt ingezet om financiële problemen te voorkomen. Tot slot is verweerder van mening dat niet is gebleken van zeer dringende redenen die nopen tot bijstandsverlening. Bij verweerschrift heeft verweerder aan het vorenstaande toegevoegd dat hij van opvatting is dat de kosten van budgetbeheer in het algemeen niet behoren tot de noodzakelijke kosten van het bestaan, en dat niet is gebleken van kosten die uit bijzondere individuele omstandigheden voortvloeien.

2.4. In reactie op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 5 augustus 2008 (LJN BD9635) heeft verweerder bij brief van 13 augustus 2008 aangegeven dat moet worden onderzocht of de kosten van vrijwillig budgetbeheer noodzakelijk zijn alsmede of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Vervolgens heeft verweerder zich dienaangaande op het standpunt gesteld dat de in geding zijnde kosten niet noodzakelijk zijn omdat een inkomen ter hoogte van (of boven) de bijstandsnorm voldoende is om in het levensonderhoud te voorzien en schulden te voorkomen, terwijl voorts niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die de kosten van vrijwillig budgetbeheer noodzakelijk maken.

2.5. In bezwaar, herhaald in beroep, is van de zijde van eiser -kort samengevat- aangevoerd dat mensen die (tijdelijk) hulp nodig hebben bij het opnieuw structureren en in balans brengen van hun financiën, oneigenlijk beroep gaan doen op door de kantonrechter ingesteld beschermingsbewind omdat de (hogere) kosten daarvan wel worden vergoed in het kader van bijzondere bijstand. Beschermingsbewind is echter een te zware, voor die gevallen oneigenlijke, maatregel en bovendien is het geen maatregel die is gericht op ontwikkeling van financiële zelfstandigheid. In beroep is daarnaast nog bestreden dat het bepaalde in de artikelen 13, eerste lid, aanhef en onder f, en 15, eerste lid, van de Wwb aan bijstandsverlening in de weg staat. Aanvullend is nog aangevoerd dat de omstandigheden van eiser, zijn onder druk staande inkomenspositie en zijn psychische situatie, het noodzakelijk maakten dat hij concrete hulp zocht bij een budgetbeheerder opdat hem wordt geleerd zijn financiën te beheren. Tot slot is door de gemachtigde betoogd dat de kosten van budgetbeheer, gelet op de noodzaak en de doelstelling daarvan in algemene zin, kosten zijn die uit bijzondere omstandigheden voortvloeien en als noodzakelijke kosten van het bestaan dienen te worden aangemerkt, waarvoor door verweerder bijzondere bijstand dient te worden verleend.

2.6. De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

2.7. Vooropgesteld daarbij zij dat voor zover in de besluitvorming het bepaalde in de artikelen 13, eerste lid, aanhef en onder f, en 15, eerste lid, van de Wwb aan de orde is geweest, verweerder ter zitting op 10 december 2008 heeft verklaard het standpunt dat het bepaalde in die artikelen aan verlening van bijzondere bijstand in de weg staat, niet te handhaven. Dat betekent dat nog slechts aan de orde is beantwoording van de vraag of verweerder op goede gronden bijzondere bijstand heeft geweigerd op de grond dat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 35 van de Wwb.

2.8. Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de WWB heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Voor de vaststelling van de middelen en van het vermogen zijn artikel 31, tweede lid en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing.

Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de WWB dient eerst beoordeeld te worden (1) of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens (2) of die kosten in het individuele geval van de alleenstaande of het gezin noodzakelijk zijn en daarna (3) of die kosten voortvloeien uit bijzondere individuele omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord (4) of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, op welk punt verweerder ingevolge genoemde bepaling een zekere beoordelingsvrijheid heeft. De omstandigheid dat de alleenstaande of het gezin al dan niet de mogelijkheid heeft gehad te reserveren voor de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd, is een aspect dat moet worden beoordeeld in het kader van de vraag of de zich voordoende, noodzakelijke kosten, voortvloeien uit bijzondere individuele omstandigheden.

2.9. Op 5 augustus 2008 heeft de Centrale Raad van Beroep in de uitspraak die is gepubliceerd onder ljn BD9635 het volgende overwogen:

In het kader van de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de Wwb dient het College immers aan de hand van de individuele omstandigheden van het geval te beoordelen of sprake is van noodzakelijke kosten in de zin van deze bepaling. Weliswaar vormt de aanstelling van een bewindvoerder, bij voorbeeld in het kader van een schuldsanering, een stevige aanwijzing dat daaraan verbonden, nog voor eigen rekening van de betrokkene blijvende kosten als noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35, eerste lid, van de Wwb kunnen worden bestempeld, maar dat betekent niet dat voor iemand die vrijwillig en op eigen initiatief hulp zoekt voor een oplossing van zijn (dreigende) financiële problemen de weg naar bijzondere bijstandsverlening zonder meer is afgesloten. Ook in dat geval zal het College zich na gedegen onderzoek naar alle relevante feiten en omstandigheden (waaronder in het onderhavige geval de voorgeschiedenis, de mate van urgentie van hulpverlening via BIB, eventuele wachttijden bij andere instanties e.d.) een oordeel dienen te vormen over de noodzaak van de kosten en –in dit geval in samenhang daarmee- over de vraag of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.

2.10. Het bestreden besluit van 14 augustus 2007 is tot stand gekomen zonder gedegen en volledig onderzoek naar de relevante feiten en omstandigheden met betrekking tot de noodzaak van de kosten van vrijwillig budgetbeheer als aangeduid in voormelde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Hierin ziet de rechtbank reeds voldoende reden om het beroep van eiser gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen. Verweerders nadere standpuntbepaling en onderzoek in de respectieve zaken naar aanleiding van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 5 augustus 2008 is echter voor de rechtbank aanleiding om te onderzoeken of er aanleiding is met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, derde dan wel vierde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten dan wel zelf in de zaak te voorzien.

2.11. Verweerder heeft in dat kader onderzocht of de kosten van vrijwillig budgetbeheer en –begeleiding noodzakelijk zijn, alsmede of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. In opdracht van verweerder zijn in een ambtelijke notitie criteria beschreven die daarbij worden gehanteerd. Hoewel in onderhavige zaak niet expliciet aangegeven, gaat de rechtbank er van uit dat ook hier die criteria als uitgangspunt zijn gehanteerd. Verweerder heeft kennelijk ingestemd met het in die notitie opgenomen voorstel over te gaan tot het verstrekken van bijzondere bijstand in de kosten van vrijwillig budgetbeheer/begeleiding in die situaties waarin wordt voldaan aan de genoemde criteria, zodat ervan uitgegaan mag worden dat daarin het beleid ten aanzien van de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de Wwb bij aanvragen om bijzondere bijstand in de kosten van vrijwillig budgetbeheer is neergelegd.

In bedoelde notitie, van 27 augustus 2008, zijn de volgende criteria vermeld:

- onafhankelijk onderbouwd advies waarmee de noodzaak wordt aangetoond;

- bewindvoerder moet zijn aangesloten bij branchevereniging;

- periode van het verlenen van bijzondere bijstand wordt vastgesteld op maximaal één jaar;

- bij verlenging na een jaar zal de bewindvoerder schriftelijk verantwoording moeten afleggen en aangeven waarom belanghebbende na een jaar nog niet in staat is om zelfstandig zijn financiën te beheren.

2.12. De rechtbank stelt vast dat met deze criteria ten dele invulling is gegeven aan de uit artikel 35, eerste lid, van de Wwb voortvloeiende onderzoeksplicht ter beoordeling van de noodzaak van kosten van vrijwillig budgetbeheer en in samenhang daarmee beantwoording van de vraag of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Alleen van het eerste criterium in de notitie van 27 augustus 2008 kan worden gezegd dat dit ziet op de noodzakelijkheid van de kosten. De andere drie criteria zijn daarvoor niet onderscheidend, en ook niet onderscheidend gebruikt, en hebben, wat daar overigens ook van zij, betrekking op te stellen voorwaarden nadat is komen vaststaan dat de vragen naar noodzaak en bijzondere omstandigheden bevestigend moeten worden beantwoord.

Voor zover verweerders beleid -alsnog- een onafhankelijk onderbouwd advies verlangt als basis voor het aannemen van de noodzakelijkheid van kosten van vrijwillig budgetbeheer, wordt daarbij terecht gezocht naar enige vorm van objectivering voor de beantwoording van de thans relevante vragen. De rechtbank is echter ten aanzien van het in de notitie van 27 augustus 2008 genoemde eerste criterium van oordeel dat die noodzaak ook kan blijken uit andere feiten of omstandigheden en dat bovendien de duiding van het gevraagde advies als “onafhankelijk” niet adequaat is, nu bijvoorbeeld ook een interne doorverwijzing door de eigen gemeentelijke afdeling schuldhulpverlening naar een budgetbeheerder die noodzaak kan aantonen.

2.13. Zoals volgt uit voormelde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, en zoals de gemachtigde van eiser ook heeft betoogd, zijn er situaties waarin budgetbeheer en begeleiding naar financiële zelfstandigheid al dan niet gecombineerd met schuldsanering, als tijdelijke hulpverleningsvoorziening anders dan beschermingsbewind en wettelijke schuldsanering, noodzakelijk is. Die noodzaak kan onder meer blijken uit een gemotiveerde verwijzing of advies van een deskundige instantie of hulpverlener, maar kan ook anderszins blijken uit de voorgeschiedenis en de feitelijke situatie en de mate van urgentie daarbij, van de betrokkene. Verweerder moet daartoe zicht krijgen op de (on)mogelijkheid van de betrokkene om voor hem/haar beschikbare budgetadviezen toe te passen op zijn eigen financiële huishouding en dient derhalve daarop, alsmede op beantwoording van de vraag of er anderszins adequate (kostenloze) alternatieven zijn, ook het onderzoek vanaf de aanvraag te richten. Verdere beleidsontwikkeling is voor volledige en zorgvuldige beoordeling van aanvragen gericht op bijzondere bijstand voor kosten van vrijwillig budgetbeheer nodig. De rechtbank denkt dan ook aan een aanpassing van het aanvraagformulier met gerichte vragen, eventueel afspraken (procedureel en inhoudelijk) met de budgetbeheerders die actief zijn in de gemeente en met degenen die verwijzen naar budgetbeheerders. Voor zover verweerder de eigen dienstverlening bij de afdeling schuldhulpverlening wenst uit te breiden en daarmee een beroep op commerciële budgetbeheerders wil verminderen, is dat een factor die in de beoordeling dient te worden betrokken, maar betekent dat niet dat er geen enkele ruimte meer is voor het honoreren van aanvragen gericht op bijzondere bijstand voor kosten van vrijwillig budgetbeheer.

2.14. Als is vastgesteld dat kosten van budgetbeheer voor een betrokkene noodzakelijk zijn, is de rechtbank vervolgens van oordeel dat deze kosten normaliter niet geacht kunnen worden in de bijstandsnorm te zijn verdisconteerd, zodat er geen aanleiding is voor de conclusie dat die kosten uit de norm kunnen worden voldaan. Veeleer is er aanleiding voor de conclusie dat kosten van vrijwillig budgetbeheer, mits noodzakelijk, op één lijn zijn te stellen met kosten van beschermingsbewind.

2.15. De rechtbank is in onderhavige zaak, mede op basis van hetgeen ter zitting is verklaard, tot de conclusie gekomen dat weliswaar begrijpelijk is dat eiser de hulp van een budgetbeheerder heeft ingeroepen, maar dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat daartoe ook een noodzaak heeft bestaan. Eisers gemachtigde en de budgetbeheerder hebben in de loop van de procedure volop gelegenheid gekregen om die noodzaak alsnog aannemelijk te maken, maar de rechtbank is enkel gebleken van een algemene, niet nader onderbouwde en geconcretiseerde, stelling dat eiser in verband met zijn inkomenspositie, de aanleiding daarvoor, en zijn psychische situatie aangewezen was op budgetbeheer en begeleiding. Die stelling, ter zitting door de budgetbeheerder aangevuld met een beschrijving van zijn manier van werken, is onvoldoende om daaruit de noodzaak van vrijwillig budgetbeheer af te leiden.

2.16. Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand zullen worden gelaten.

2.17. De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen wordt 2,5 punt toegekend (voor het beroepschrift 1 punt, voor de eerste zitting 1 punt en voor de nadere zitting 0,5 punt). Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1.

3. Beslissing

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op EUR 805,00 (zijnde de kosten van rechtsbijstand EUR) te vergoeden door verweerders gemeente aan de griffier der gerechten in het arrondissement Roermond;

bepaalt dat verweerders gemeente aan eiser het door of namens deze gestorte griffierecht ten bedrage van EUR 39,00 volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. T.M. Schelfhout in tegenwoordigheid van J.N. Buddeke als griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2009.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 23 januari 2009

Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.