Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BI4899

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
20-05-2009
Datum publicatie
26-05-2009
Zaaknummer
91675 / JE RK 09-146
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zie BI 4898

Hoewel de situatie van de minderjarige bij de moeder thuis niet zonder zorgen is, is de kinderrechter niet tot de overtuiging kunnen geraken dat de maatregel tot ondertoezichtstelling ontoereikend is om de bedreigde ontwikkeling van de minderjarige te keren. Een duidelijk beeld van afspraken tussen de gezinsvoogd en de moeder, en welke afspraken zouden zijn geschonden, ontbreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector civielrecht

Zaak-/rolnummer: 91675 / JE RK 09-146

Beschikking van 20 mei 2009 betreffende een jeugdbeschermingsmaatregel

in de zaak van

[minderjarige], geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1995, hierna te noemen de minderjarige.

De kinderrechter merkt naast de minderjarige en verzoeker als belanghebbenden aan:

- [moeder],

wonende te [woonplaats], [adres],

hierna te noemen de moeder,

- [vader],

wonende te [woonplaats], [adres],

hierna te noemen de vader,

- [partner van vader],

wonende te [woonplaats], [adres],

hierna te noemen de partner van vader.

1. Het verloop van de procedure

1.1. Bij beschikking van 17 februari 2009 heeft de kinderrechter de behandeling van en de beslissing over het verzoek tot uithuisplaatsing aangehouden tot uiterlijk 17 mei 2009.

1.2. Op 7 mei 2009 is bij de rechtbank binnengekomen het Evaluatie hulpverleningsplan d.d. 24 april 2009 van Rubicon jeugdzorg.

1.3. Op 12 mei 2009 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden.

Bij de behandeling zijn verschenen:

- de minderjarige,

- de moeder, bijgestaan door mr. M.M.T.H. Janssen

- de vader en diens partner, bijgestaan door mr. D.J.P.H. Stoelhorst

- [S], namens de stichting Bureau Jeugdzorg Limburg (hierna: de stichting),

- [M], zorgcoördinator van Rubicon jeugdzorg.

2. De vaststellingen en overwegingen

2.1. Het ouderlijk gezag wordt uitgeoefend door de ouders.

De minderjarige is ondertoezicht gesteld van voornoemde stichting. De ondertoezichtstelling loopt tot 20 december 2009.

2.2. Uit het ‘evaluatie hulpverleningsplan’ van Rubicon jeugdzorg blijkt dat er een stijgende lijn te zien is in de ontwikkeling van de minderjarige, waarbij de nieuwe huisvesting en de verbeterde houding van de moeder ten aanzien van de verzorging en opvoeding een rol hebben gespeeld. Ook komt naar voren dat de ouders samen moeten gaan werken ter bevordering van de ontwikkeling van de kinderen.

2.3. Namens de stichting is ter zitting naar voren gebracht dat zij haar verzoek handhaaft, ondanks de ogenschijnlijke verbeterde situatie bij de moeder thuis.

De moeder lijkt open en eerlijk, maar uit de gesprekken met beide kinderen blijkt dat zij dat niet is. Daarnaast moet de minderjarige geheimpjes bewaren en wordt ze als volwassene behandeld door de moeder. De stichting ziet in het gedrag van de moeder een terugkerend patroon. Zodra er een nieuwe partner in haar leven is, kan de moeder het niet meer opbrengen om voldoende tijd en aandacht aan de minderjarige te besteden. De stichting heeft aanwijzingen dat de moeder thans een nieuwe partner heeft.

Voorts is het de vraag of de minderjarige vanuit een gezonde reactie bij de moeder wil verblijven.

2.4. Door de moeder wordt betwist dat zij een nieuwe partner heeft. Degene op wie de stichting doelt, is een huisvriend.

2.5. Mr. Janssen heeft ter zitting gevraagd het verzoek van de stichting af te wijzen, gelet op het verslag van Rubicon jeugdzorg en gelet op het feit dat er thans een nieuwe gezinsvoogd is, waar de moeder meer vertrouwen in heeft. Sinds het samenwonen met de ex-partner (dhr. [W]) van moeder is beëindigd, is er verbetering te zien in de thuissituatie en het contact tussen de moeder en de minderjarige.

2.6. Mr. Stoelhorst heeft ter zitting gesteld dat de vader achter het verzoek van de stichting staat. Voorts is gevraagd, indien de kinderrechter niet tot toewijzing van het verzoek kan komen, de beslissing aan te houden tot de volgende evaluatie van de hulpverlening, nu uit het verslag van Rubicon jeugdzorg blijkt dat de ontwikkeling positief, maar ook broos is.

2.7. [minderjarige] heeft buiten aanwezigheid van de andere belanghebbenden met de kinderrechter gesproken. [minderjarige] heeft inderdaad gemeld dat zij van de moeder geheimpjes moet bewaren. Als [minderjarige] dan toch uit huis moet worden geplaatst dan geeft zij er de voorkeur aan bij de vader te gaan wonen.

2.8. Met verwijzing naar de eerder, hiervoor onder rubriek 1.1. aangehaalde beschikking van de kinderrechter van 17 februari 2009, moet worden vastgesteld dat de resultaten van het ingezette IAG-traject positief worden gewaardeerd door de IAG-medewerker de heer [M]. Ook heeft de moeder de relatie met de heer [W] verbroken en beschikt de moeder over zelfstandige woonruimte. Voorts is de moeder actief op de arbeidsmarkt. Deze positieve verbetering bij de moeder thuis is naar het oordeel van de stichting en ook de vader maar schijn nu moeder onverbeterlijk lijkt in het voorop stellen van het belang van de minderjarige ten opzichte van haar eigen belang. Dat laatste zou met name blijken indien een (nieuwe)partner van de moeder in het spel is. Dat thans sprake is van een nieuwe partner zou de stichting zijn gebleken uit informatie van de kinderen. De moeder ontkent.

De kinderrechter is uit het gesprek met de minderjarige gebleken dat de minderjarige door de moeder wordt belast met het bewaren van ‘geheimpjes’ voor de hulpverlening.

2.9. Gelet op het vorenstaande is de kinderrechter – hoewel de situatie van de

minderjarige bij de moeder niet zonder zorgen is – niet tot de overtuiging kunnen

geraken dat de maatregel van ondertoezichtstelling ontoereikend is om de bedreigde

ontwikkeling van de minderjarige te keren en aldus dat de zorgen met betrekking tot de

minderjarige bij de moeder thuis dusdanig groot zijn, en de moeder dusdanig onwelwillend

is, dat het uiterste middel van een uithuisplaatsing op dit moment gerechtvaardigd is.

De kinderrechter heeft noch uit de rapportages, noch uit de verklaringen van de gezinsvoogd ter zitting, een duidelijk beeld gekregen van de afspraken die er thans zijn gemaakt en bestaan tussen de gezinsvoogd en de moeder en voorts welke afspraken, wanneer en op welke wijze door de moeder zouden zijn geschonden.

De stichting heeft de moeder - zonodig in de vorm van een aanwijzing - in helder te

formuleren bewoordingen duidelijk te maken aan welke voorwaarden zij heeft te voldoen

om een uithuisplaatsing van de minderjarige af te wenden.

2.10. De kinderrechter zal het verzoek van de stichting dan ook afwijzen.

3. De beslissing

De kinderrechter

3.1. wijst het verzoek van de stichting af.

Deze beslissing is gegeven door mr. P.C.G. Brants, kinderrechter, en ter openbare terechtzitting van 20 mei 2009 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak kan beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze uitspraak is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening van de uitspraak of nadat de uitspraak hun op andere wijze bekend is geworden.