Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BI4898

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
17-02-2009
Datum publicatie
26-05-2009
Zaaknummer
91675 / JE RK 09-146
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zie BI 4899

Aanhouding verzoek tot machtiging uithuisplaatsing voor de duur van drie maanden .

De kinderrechter is niet overtuigd dat er geen andere middelen zijn die de noodzaak tot een uithuisplaatsing kunnen afwenden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector civielrecht

Zaak-/rolnummer: 91675 / JE RK 09-146

Beschikking van 17 februari 2009 betreffende een jeugdbeschermingsmaatregel

in de zaak van

[minderjarige], geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1995, hierna te noemen de minderjarige.

De kinderrechter merkt naast de minderjarige en verzoeker als belanghebbenden aan:

- [moeder],

wonende te [woonplaats],

[adres],

- [vader],

wonende te [woonplaats],

[adres],

- [partner van vader],

wonende te [woonplaats],

[adres].

Het ouderlijk gezag wordt uitgeoefend door de ouders [moeder] en [vader].

1. Het verloop van de procedure

1.1. De minderjarige is ondertoezicht gesteld van de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, mede kantoorhoudende te Roermond. De ondertoezichtstelling loopt tot 20 december 2009.

1.2. De voornoemde stichting heeft op 3 februari 2009 een verzoekschrift met bijlage(n) ingediend, strekkende tot verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing

van voornoemde minderjarige.

1.3. Het plan van aanpak en het verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling, alsmede het indicatiebesluit zijn bij het verzoekschrift overgelegd.

1.4. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verzocht in het belang van de verzorging en de opvoeding van de minderjarige.

1.5. Op 17 februari 2009 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De griffier heeft van de inhoud daarvan aantekening gehouden.

Bij de behandeling zijn verschenen:

- de minderjarige,

- [moeder], bijgestaan door mr. Janssen;

- [vader] en zijn partner, bijgestaan door mr. Stoelhorst;

- de gezinsvoogdes, mevrouw [A] en haar collega de heer [S],

- de heer [M], hulpverlener Rubicon.

2. De vaststellingen en overwegingen

2.1. De gezinsvoogdes heeft verklaard dat uit het rapport van het persoonlijkheidsonderzoek van de minderjarige blijkt dat zij 24-uurs behandeling nodig heeft. Dit kan niet geboden worden in de thuissituatie.

Voorts heeft de gezinsvoogdes verklaard dat de ingezette ambulante hulpverlening onvoldoende is om een uithuisplaatsing af te wenden.

2.2. Moeder heeft desgevraagd verklaard dat zij geen partner (de heer [W]) meer heeft en dat zij sinds december 2008 niet meer met hem samenwoont.

Zij verblijft thans met de kinderen in een chalet op een camping in Echt en staat ingeschreven op een urgentielijst voor een woning in de gemeente Echt-Susteren. Voorts heeft moeder verklaard dat zij alleen telefonisch contact heeft met de heer [W].

2.3. De advocaat van moeder heeft verklaard dat de argumenten die de stichting aanvoert in het verzoekschrift grotendeels hetzelfde zijn als de argumenten die zij aanvoerde bij haar eerdere verzoek tot uithuisplaatsing dat door de kinderrechter destijds werd afgewezen, met dien verstande dat er inmiddels een persoonlijkheidsonderzoek heeft plaatsgevonden. Ten aanzien van de heer [W] is namens moeder verklaard dat zij niet meer bij hem thuis komt met de kinderen en dat zij nog spullen heeft staan bij hem thuis.

De advocaat van moeder concludeert tot aanhouding van het verzoek voor een bepaalde duur. Hij voert daartoe aan dat er pas ambulante hulpverlening van Rubicon is ingezet bij moeder thuis die eerst een kans van slagen moet krijgen.

2.4. De advocaat van vader heeft verklaard dat vader niet tegen het verzoek van de stichting is, omdat de situatie heel zorgelijk is en zelfs slechter is geworden. Namens vader is opgemerkt dat de relatie van moeder met de heer [W] nog steeds een zorgpunt is, omdat er tegenstrijdige berichten zijn daarover. Voorts is namens vader verklaard dat indien de kinderen uithuisgeplaatst worden, zij bij vader kunnen wonen. Vader heeft eerder voor hen gezorgd.

2.5. De heer [M] heeft verklaard dat de intensieve ambulante gezinsbegeleiding (hierna, IAG) op 5 januari 2009 is gestart. Dit traject is voor de duur van zes maanden.

Er zijn IAG-doelen opgesteld. Met moeder zal hieraan worden gewerkt. Voorts heeft de heer [M] desgevraagd verklaard dat moeder en de kinderen meewerken en dat hij inschat dat deze hulpverlening kans van slagen heeft.

2.6. De minderjarige heeft buiten aanwezigheid van de overige belanghebbenden met de kinderrechter gesproken. Zij heeft verklaard dat zij het liefst bij haar moeder wil blijven wonen. Indien dit niet mogelijk is dan wil zij bij haar vader wonen.

2.7. Gelet op het verhandelde ter zitting en de ingebrachte gedingstukken is de kinderrechter van oordeel dat de behandeling van en de beslissing over het verzoek tot uithuisplaatsing van de minderjarige aangehouden dient te worden voor de duur van drie maanden, te weten tot uiterlijk op 17 mei 2009.

De kinderrechter overweegt daartoe dat hij niet overtuigd is dat er geen

andere middelen zijn die de noodzaak tot een uithuisplaatsing zouden kunnen afwenden. De kinderrechter wil alvorens een beslissing te nemen op het verzoek tot uithuisplaatsing eerst de resultaten van de IAG afwachten. Voorts wil de kinderrechter helderheid krijgen over de woonruimte van moeder en de stand van zaken van haar relatie met haar partner of ex de heer [W]. Ter zitting is afgesproken dat de heer [M] een verslag zal maken over de resultaten van de IAG. Dit verslag zal hij doen toekomen aan de gezinsvoogdes, zij zal verder zorg dragen voor het versturen naar de kinderrechter. De kinderrechter verzoekt de gezinsvoogdes te rapporteren over de actuele stand van zaken – voorzover dit aanvullend is op het verslag van de heer [M] - en de consequenties daarvan op het onderhavige verzoek.

De kinderrechter zal voorts een nadere behandeling bepalen.

2.8. Mitsdien wordt als volgt beslist.

3. De beslissing

De kinderrechter

3.1. houdt aan de behandeling van en de beslissing over het verzoek tot uithuisplaatsing van de minderjarige tot uiterlijk op 17 mei 2009;

3.2. bepaalt dat de nadere behandeling op 12 mei 2009 zal plaatsvinden op een nog nader te bepalen tijdstip, welke zitting wordt gehouden in het gerechtsgebouw te Roermond, Willem II Singel 67;

3.3. verzoekt de gezinsvoogdes om het verslag van de heer [M] aan de kinderrechter te doen toekomen, uiterlijk op 7 mei 2009;

3.4. verzoekt de gezinsvoogdes te rapporteren over de actuele stand van zaken

- voorzover dit aanvullend is op het verslag van de heer [M] - en de

consequenties daarvan op het onderhavige verzoek, uiterlijk op 7 mei 2009.

Deze beslissing is uitgesproken ter terechtzitting van 17 februari 2009 door mr. P.C.G. Brants, kinderrechter, in tegenwoordigheid van de griffier en op schrift gesteld en ondertekend op 25 februari 2009 door de kinderrechter voornoemd.

Tegen deze uitspraak kan beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze uitspraak is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening van de uitspraak of nadat de uitspraak hun op andere wijze bekend is geworden.