Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BI4881

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
27-05-2009
Datum publicatie
02-06-2009
Zaaknummer
91592 / JE RK 09-134
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hoewel de opgroei- en opvoedingsproblemen niet geheel zijn geweken is de kinderrechter van oordeel dat die problemen niet noodzaken tot een langer verblijf van de jeugdige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg, nu de jeugdige zich aan de zorg die zij nodig heeft niet zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector civielrecht

Zaak-/rolnummer: 91592 / JE RK 09-134

Beschikking van 27 mei 2009 betreffende een jeugdbeschermingsmaatregel

in de zaak van

[minderjarige], geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1993, hierna te noemen de minderjarige.

De kinderrechter merkt naast de minderjarige en verzoeker als belanghebbenden aan:

- [moeder],

wonende te [woonplaats], [adres],

hierna te noemen de moeder,

- [vader],

wonende te [woonplaats], [adres],

hierna te noemen de vader,

- [vader],

wonende te [woonplaats], [adres],

hierna te noemen de partner van vader.

1. Het verloop van de procedure

1.1. De kinderrechter verwijst naar zijn uitspraak van 11 februari 2009, waarbij hij een machtiging heeft verleend tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg tot uiterlijk 1 juni 2009 en het verzoek van de stichting Bureau Jeugdzorg Limburg voor het overige heeft aangehouden.

1.2. Op 24 april 2009 is ter griffie van de rechtbank binnengekomen de brief, met bijlage, van 23 april 2009 van de gezinsvoogdes.

1.3. Op 12 mei 2009 heeft de nadere mondelinge behandeling plaatsgevonden.

Bij de behandeling zijn verschenen:

- de minderjarige, bijgestaan door de aan haar toegevoegde raadsvrouw mr. L.H. Janssen-Dekkers,

- de vader en diens partner,

- [R] en [T], namens de stichting.

2. De vaststellingen en overwegingen

2.1. Het ouderlijk gezag wordt uitgeoefend door de vader.

De minderjarige is ondertoezicht gesteld van de stichting. De ondertoezichtstelling loopt tot 21 oktober 2009.

2.2. Ter (nadere) onderbouwing van haar verzoek stelt de stichting dat [minderjarige] binnen de structuur en veiligheid van Icarus goed functioneert. [minderjarige] heeft haar verlof opgebouwd en op school gaat het goed. Evenwel wordt verzocht de plaatsing bij Icarus te verlengen tot het einde van de ondertoezichtstelling, omdat een thuisplaatsing nog niet in het belang van [minderjarige] kan worden geacht.

Naast het feit dat het te vroeg is voor [minderjarige] om naar huis te gaan, moet er thuis ook het nodige veranderen. De gezinsvoogdes ziet telkens hetzelfde terugkerende patroon van hulp accepteren, starten met hulpverlening en het hulpverleningstraject weer afbreken. De moeder lijkt daarbij telkens de storende factor te zijn.

Bij de vader in het gezin zal in de toekomst IAG of MST moeten worden ingezet.

2.3. Namens en door [minderjarige] is gesteld dat zij goed functioneert binnen haar groep van Icarus. Zij heeft geen contact meer met haar moeder. Het eindexamen gaat ze halen en daarna wil ze gaan starten met de opleiding SPW. Met deze laatste opleiding kan geen begin worden gemaakt zolang zij gesloten is geplaatst. [minderjarige] ziet in dat hulp voor haar en het gezin van de vader nodig is. Daarnaast ziet [minderjarige] in dat mocht het wederom fout gaan, zij weer gesloten zal worden geplaatst.

[minderjarige] heeft onweersproken gesteld dat zij vanuit Icarus in Roermond naar school gaat en dat zij zelfs op schooldagen bij haar vader heeft mogen overnachten.

2.4. Door de vader is ter zitting naar voren gebracht dat de houding van [minderjarige] ten positieve is veranderd. Daarnaast zal de gezinsvoogd IAG in kunnen zetten om de thuisplaatsing te begeleiden.

2.5. Blijkens artikel 29b, derde lid, van de Wet op de jeugdzorg kan een machtiging tot plaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg naast de overige vereisten slechts worden verleend indien er sprake is van ernstige opgroei of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en om te voorkomen dat de minderjarige zich aan de zorg die de minderjarige nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken.

2.6. De kinderrechter stelt naar aanleiding van de gedingstukken en met name naar aanleiding van de mondelinge behandeling ter zitting vast dat [minderjarige] goed functioneert binnen de structuur van Icarus maar dat er nog zorgpunten zijn met betrekking tot haar opvoeding. [minderjarige] is toekomstgericht bezig en haar wordt middels vrijheden de gelegenheid geboden aan die toekomst te werken. Zowel [minderjarige] als de vader hebben ter zitting expliciet de bereidheid uitgesproken alle hulp in de thuissituatie te accepteren die nodig is om de opgroei- en opvoedingsproblemen het hoofd te bieden.

2.7. Hoewel de opgroei- en opvoedingsproblemen niet geheel zijn geweken komt de kinderrechter, gelet op het vorenstaande, tot het oordeel dat die problemen het verblijf van [minderjarige] in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg niet langer noodzakelijk maken. Zorg en structuur die [minderjarige] nodig heeft kan haar ook in de thuissituatie bij vader worden geboden. Gelet op de voorgeschiedenis spreekt uit de huidige opstelling van [minderjarige] en de vader voldoende vertrouwen dat [minderjarige] zich aan de zorg die zij nodig heeft niet zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken. Het belang van [minderjarige] is erg gebaat bij toekomstgericht bezig zijn vanuit de thuissituatie.

2.8. De kinderrechter zal het verzoek dan ook voor het overige afwijzen.

3. De beslissing

De kinderrechter

3.1. wijst het verzoek van de stichting voor het overige af.

Deze beslissing is gegeven door mr. P.C.G. Brants, kinderrechter, en ter openbare terechtzitting van 27 mei 2009 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak kan beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze uitspraak is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening van de uitspraak of nadat de uitspraak hun op andere wijze bekend is geworden.