Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BI4877

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
20-05-2009
Datum publicatie
26-05-2009
Zaaknummer
93065 / JE RK 09-480
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Art. 1:261. Machtiging uithuisplaatsing. Plaatsing bij de andere gezaghebbende ouder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector civielrecht

Zaak-/rolnummer: 93065 / JE RK 09-480

Beschikking van 20 mei 2009 betreffende een jeugdbeschermingsmaatregel

in de zaak van

[minderjarige], geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1994, hierna te noemen de minderjarige.

De rechtbank merkt naast de minderjarige en verzoeker als belanghebbenden aan:

- [moeder],

wonende te [woonplaats], [adres],

hierna te noemen de moeder,

- [vader],

wonende te [woonplaats], [adres],

hierna te noemen de vader.

1. Het verloop van de procedure

1.1. De Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, mede kantoorhoudende te Venlo, heeft op 10 april 2009 een verzoekschrift met bijlage(n) ingediend, strekkende tot verlenging van de ondertoezichtstelling alsmede tot verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing van voornoemde minderjarige voor de periode van één jaar.

1.2. Het plan van aanpak en het verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling, alsmede het indicatiebesluit zijn bij het verzoekschrift overgelegd.

1.3. Op 12 mei 2009 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden.

Bij de behandeling zijn verschenen:

- de minderjarige,

- de moeder,

- [A], namens de stichting.

De vader, ofschoon behoorlijk opgeroepen, is niet verschenen.

1.4. De kinderrechter verwijst de zaak – in de stand waarin het zich bevindt – ten behoeve van de uitspraak naar de meervoudige kamer van deze rechtbank.

1.5. De ter zitting verschenen belanghebbenden hebben te kennen gegeven afstand te doen van een nadere mondelinge behandeling voor de meervoudige kamer.

2. De vaststellingen en overwegingen

2.1. Het ouderlijk gezag wordt uitgeoefend door de ouders.

De minderjarige is ondertoezicht gesteld van de stichting. De ondertoezichtstelling loopt tot 29 mei 2009.

2.2. Op grond van de verkregen informatie van de stichting zoals in opgemelde stukken aangegeven en hetgeen tijdens de terechtzitting nog naar voren is gebracht, is de kinderrechter van oordeel dat in het belang van de minderjarige de termijn van de ondertoezichtstelling met één jaar dient te worden verlengd, nu de gronden voor de ondertoezichtstelling nog aanwezig zijn.

2.3. Met betrekking tot de ontvankelijkheid van de stichting in haar verzoek tot verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing, overweegt de rechtbank als volgt.

2.4. De ouders zijn van echt gescheiden en bij rechterlijke beslissing is de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bepaald bij de vader.

2.5. De rechtbank ziet zich ten formele geplaatst voor de vraag of het verzoek van de stichting, de minderjarige van de ene gezaghebbende ouder te plaatsen bij de andere gezaghebbende ouder, een verzoek is in de zin van artikel 1:261 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).

2.6. Indien de ouders - zoals in het onderhavige geval - gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag , het niet eens zijn over een wijziging van de verblijfplaats van de minderjarige, terwijl dit noodzakelijk is te achten in het belang van zijn verzorging en opvoeding, staan, naar het oordeel van de rechtbank letter noch strekking van artikel 1:261 BW, gelezen in samenhang met artikel 1:263, tweede lid en onder c, BW, noch artikel 1: 253a BW of overige wettelijke bepalingen, er aan in de weg dat een machtiging wordt verzocht tot plaatsing van de minderjarige bij de andere gezaghebbende ouder dan die waar de minderjarige - al dan niet op grond van een rechterlijke beslissing - tot op dat moment de gewone verblijfplaats heeft. Voor dit standpunt sluit de rechtbank aan bij de beschikking van het Gerechtshof 's-Gravenhage van 24 september 2008 (LJN: BG3928).

Als uitgangspunt voor de jeugdbeschermingsmaatregelen geldt immers dat de zorg die de minderjarige nodig heeft, het belang van een onbedreigde ontwikkeling moet dienen en moet aansluiten bij zijn behoefte, terwijl de zorg in verband hiermee niet ingrijpender dan noodzakelijk mag zijn (artikel 5, vierde lid, van de Wet op de jeugdzorg). Om die reden valt niet in te zien dat een minderjarige op grond van artikel 1:261 BW niet zou kunnen worden geplaatst bij de andere ‘gezaghebbende’ ouder, maar wel bij een niet gezaghebbende derde.

2.7. Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank thans de stichting ontvankelijk in haar verzoek.

2.8. Ten materiële overweegt de rechtbank als volgt.

Gebleken is dat de minderjarige sinds begin februari 2009 feitelijk bij de moeder verblijft en sedertdien geen contact meer heeft gehad met de vader.

2.9. De stichting heeft ter onderbouwing van haar verzoek naar voren gebracht dat er thans geen procedure aanhangig is met betrekking tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige, maar dat de stichting de plaatsing bij de moeder noodzakelijk acht in het belang van de minderjarige. De minderjarige is bij de vader weggelopen in verband met hoog oplopende spanningen binnen dat gezin. Gevoelens van onveiligheid en onzekerheid overheersen bij haar. Voor de minderjarige is van belang dat haar huidige verblijfplaats gewaarborgd wordt. De vader heeft een ambivalente houding jegens de hulpverlening en jegens het in Nederland geldende rechtssysteem.

2.10. De moeder en de minderjarige zijn het eens met het verzoek van de stichting.

2.4. De rechtbank maakt de overwegingen van de stichting tot de hare en is op grond daarvan van oordeel dat gelet op het bepaalde in artikel 1:261, lid 1, BW, de uithuisplaatsing van de minderjarige noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.

2.5. Aan deze plaatsing zijn kosten verbonden, in welke kosten de ouders dienen bij te dragen, conform de daarvoor geldende regeling.

3. De beslissing

De rechtbank:

3.1. verlengt de termijn waarvoor de minderjarige voornoemd onder toezicht is gesteld van voormelde stichting, met één jaar, ingaande 29 mei 2009;

3.2. verklaart de stichting ontvankelijk in haar verzoek tot verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing;

3.3. verleent machtiging tot plaatsing van de minderjarige bij de ander met gezag belaste ouder, tot uiterlijk 29 mei 2010;

3.4. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven door mrs. P.C.G. Brants, R.H.A.M. Beaumont en

J.J.M. Wassenberg, kinderrechters, en ter openbare terechtzitting van 20 mei 2009 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak kan beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze uitspraak is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening van de uitspraak of nadat de uitspraak hun op andere wijze bekend is geworden.