Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BI3652

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
12-05-2009
Datum publicatie
13-05-2009
Zaaknummer
AWB 08 / 1641
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 26 van de Awir bepaalt dwingendrechtelijk dat indien een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming leidt tot een terug te vorderen bedrag, de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel is verschuldigd en dat in de Awir geen bepaling is opgenomen op grond waarvan verweerder van terugvordering kan afzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht, enkelvoudige kamer

Procedurenummer: AWB 08 / 1641

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

[eiseres] te [woonplaats], eiseres,

tegen

de Voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Toeslagen, verweerder.

1. Procesverloop

1.1. Bij besluit van 14 oktober 2008 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de beschikking zorgtoeslag over 2006 ongegrond verklaard. Tegen dat besluit is bij deze rechtbank beroep ingesteld.

1.2. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan eiseres gezonden.

1.3. Partijen zijn ter comparitie op 21 januari 2009 verschenen en gehoord.

1.4. Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 8 april 2009, waar eiseres in persoon is verschenen, en waar verweerder zich niet heeft doen vertegenwoordigen.

2. Overwegingen

2.1. Eiseres heeft bij formulier gedateerd 19 september 2005 zorgtoeslag aangevraagd. Daarbij heeft zij aangegeven dat zij per ingangsdatum 1 januari 2006 geen toeslagpartner heeft. Aan eiseres is op die aanvraag een voorschot zorgtoeslag uitbetaald tot een bedrag van EUR 403,00 over het jaar 2006.

2.2. Bij beschikking van 15 april 2008 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat over het jaar 2006 de zorgtoeslag definitief is vastgesteld op een bedrag van EUR 86,00 en dat het te veel betaalde aan toeslag, EUR 317,00, moet worden terugbetaald. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat bij het in aanmerking te nemen toetsingsinkomen voor de zorgtoeslag waar eiseres aanspraak op maakt, ook het inkomen van haar toeslagpartner moet worden betrokken.

2.3. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de in aanmerking genomen toeslagpartner, [naam A], geheel 2006 op hetzelfde woonadres stond ingeschreven en dat zij samen twee kinderen hebben.

2.4. In beroep heeft eiseres bestreden dat de heer [naam A] haar toeslagpartner is. Zij huurt slechts een kamer van hem, leidt al achttien jaar een eigen huishouden en heeft geen economische of andere band met hem. Eiseres voert aan dat zij geen woning kon krijgen nadat zij vele jaren in een inrichting heeft gezeten. Eiseres stelt tot slot naar eer en geweten te hebben gehandeld en dat door toedoen van de belastingdienst schuld is ontstaan.

2.5. Bij verweerschrift heeft verweerder zijn standpunt gehandhaafd en het bestreden besluit gecorrigeerd voor zover daarin een onjuiste verwijzing naar een artikelnummer is opgenomen.

2.6. Ter comparitie heeft eiseres een brief overgelegd van verweerder gedateerd 30 oktober 2008 met de mededeling dat aan het bezwaar van eiseres tegemoet zal worden gekomen en dat eiseres daarover nog een beslissing op bezwaar zal ontvangen. Bij brief van 23 januari 2009 is van de zijde van verweerder aan eiseres uitgelegd dat de brief van 30 oktober 2008 is gebaseerd op een foutieve beoordeling en dat die brief wordt ingetrokken.

2.7. De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan. Daartoe wordt overwogen als volgt.

2.7.1. Artikel 14 bepaalt dat een tegemoetkoming als thans in geding op aanvraag wordt toegekend door verweerder. Artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) bepaalt dat indien de tegemoetkoming naar verwachting niet binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag zal worden toegekend, verweerder de belanghebbende een voorschot verleent tot het bedrag waarop de tegemoetkoming vermoedelijk zal worden vastgesteld. Artikel 26 van de Awir bepaalt dat, indien een herziening van een tegemoetkoming of een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag dan wel een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming daartoe leidt, de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel is verschuldigd.

2.7.2. Het voorgaande betekent dat, nu eiseres bestrijdt dat de heer [naam A] haar toeslagpartner is, de rechtbank heeft te beoordelen of verweerder op goede gronden bij de toekenning van de zorgtoeslag rekening heeft gehouden met het inkomen van de heer [naam A].

2.8. Op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b., aanhef en 3º van de Awir wordt als partner van de belanghebbende aangemerkt degene die op hetzelfde woonadres als de belanghebbende staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en uit wiens relatie met de belanghebbende een kind is geboren. De rechtbank stelt vast dat aan deze omschrijving volledig wordt voldaan, nu eiseres met de heer [naam A] getrouwd is geweest, met hem kinderen heeft en nu op hetzelfde woonadres als de heer [naam A] staat ingeschreven. Bovendien laat de wettekst geen ruimte om een situatie als door eiseres geschetst op een andere wijze in aanmerking te nemen dan zoals door verweerder is gedaan overeenkomstig het bepaalde in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b., aanhef en 3º van de Awir. Dat eiseres andere intenties heeft en feitelijk geen –economische- gezamenlijke huishouding zou voeren met de heer [naam A], doet aan vorenstaande conclusie niet af. Voor verweerder en voor de rechtbank is er voor de vaststelling van zorgtoeslag in de onderhavige situatie geen andere mogelijkheid dat het gezamenlijke toetsingsinkomen van eiseres en de heer [naam A] in aanmerking te nemen. Niet gesteld of gebleken is dat verweerder dat op een onjuiste wijze heeft gedaan.

2.9. Uit het vorenstaande concludeert de rechtbank dat uitbetaling van het voorschot tot een bedrag van EUR 403,00 en de definitieve vaststelling van de zorgtoeslag voor het jaar 2006 naar een lager bedrag (EUR 86,00) leidt tot een verrekening van het voorschot en de tegemoetkoming tot een bedrag van EUR 317,00. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 december 2008 (LJN BG8262) stelt de rechtbank vast dat artikel 26 van de Awir dwingendrechtelijk bepaalt dat indien een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming leidt tot een terug te vorderen bedrag, de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel is verschuldigd en dat in de Awir geen bepaling is opgenomen op grond waarvan verweerder van terugvordering kan afzien.

2.10. Het beroep van eiseres komt op grond van het vorenstaande dan ook in aanmerking voor ongegrondverklaring. Mitsdien wordt beslist als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. B.W.P.M. Corbey-Smits, in tegenwoordigheid van J.N. Buddeke als griffier en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2009.

w.g. J.N. Buddeke, griffier

w.g. mr. B.W.P.M. Corbey-Smits, rechter

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 12 mei 2009

Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.