Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BI3447

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
08-05-2009
Datum publicatie
11-05-2009
Zaaknummer
04/860042-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een werkstraf voor het opzettelijk aanwezig hebben van een grote hoeveelheid hennepafval. In de onderhavige zaak is de strafmaat niet in overwegende mate bepaald naar gelang de omvang van de partij van verdovende middelen. Bij de vaststelling van de strafmaat heeft de rechtbank primair gekeken naar de gedraging van verdachte ten aanzien van de partij en de omvang van zijn strafbare betrokkenheid. Daarnaast komt tevens betekenis toe aan het antwoord op de vraag of het gaat om hennep bestemd voor de handel, of om hennepafval. In de eis van de officier van justitie komen deze uitgangspunten onvoldoende tot uitdrukking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Parketnummer : 04/860042-09

Uitspraak d.d. : 8 mei 2009

TEGENSPRAAK

VONNIS

van de rechtbank Roermond,

meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

naam : [Verdachte]

voornamen : [voornamen]

geboren op : [geboortedatum]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 april 2009.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

hij op of omstreeks 15 januari 2009 te America, in elk geval in de gemeente Horst aan de Maas, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 340 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

artikel 3 van de Opiumwet.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen

7.1 Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 24 april 2009 gevorderd dat het ten laste gelegde feit bewezen zal worden verklaard.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat gelet op onzorgvuldige wijze van het onderzoek van de monsters en de onnauwkeurige weegmethode - niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte de ten laste gelegde 340 kilogram hennep opzettelijk aanwezig heeft gehad. Dat verdachte een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep opzettelijk aanwezig heeft gehad, kan daarentegen wel wettig en overtuigend worden bewezen.

7.2 Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de navolgende bewijsmiddelen.

Aanleiding

Verbalisant [verbalisant 1] relateert dat hij op 28 november 2008 via Meld Misdaad Anoniem (MMA) een melding binnenkreeg, inhoudende dat in de drie loodsen van verdachtes oom, medeverdachte [medeverdachte] weedplanten stonden. [verbalisant 1] heeft op 11 december 2008 telefonisch contact gehad met [medewerker[medewerker gemeente], werkzaam op de afdeling veiligheid en handhaving van de gemeente Venray. Tijdens dit gesprek vertelde [medewerker gemeente] dat hij eerder inspecties heeft gehouden in de loodsen van [medeverdachte], maar dat hij tijdens deze inspecties geen hennep in de loodsen had aangetroffen. [medewerker gemeente] deelde mede dat hij op 15 januari 2009 wederom een inspectie zou houden. Er is toen door [verbalisant 1] en [medewerker gemeente] afgesproken dat op het moment dat tijdens de inspectie zou blijken dat op het terrein van [medeverdachte] activiteiten zouden zijn ontplooid die duidden op hennepteelt, [medewerker gemeente] dan contact met verbalisant [verbalisant 1] zou opnemen. Op 15 januari 2009 werd [verbalisant 1] gebeld door [medewerker gemeente], met de mededeling dat hij tijdens de inspectie op het perceel [adres] te America een ruimte had aangetroffen, waarvan de vloer gedeeltelijk was afgedekt met zwart plastic. In deze ruimte waren filters opgehangen en lagen twintig grote blauwe zakken, die waren gevuld met plantendelen en plantenafval.

Op grond van deze mededeling is verbalisant [verbalisant 1] op 15 januari 2009 samen met zes andere verbalisanten naar het adres van [medeverdachte], gelegen aan de [adres] te America, gegaan.

Hennepafval dat is aangetroffen in de witte bestelbus en in de loods die was ingericht als knipruimte

Verbalisanten [verbalisant 2], [verbalisant 3] en [verbalisant 4] relateren dat zij in het kader van de controle op het terrein van [medeverdachte], naar de achterzijde van een aldaar gelegen stal zijn gegaan. Aan de achterzijde van deze stal zagen zij een witte Mercedes-bus staan, voorzien van het Poolse kenteken OPO 7EV. De schuifdeur van deze bestelbus stond open in de richting van de achterzijde van de stal. De verbalisanten zagen dat verdachte vanaf de geopende zijde van de bus wilde weglopen in de richting van de achterzijde van de stal. Zij zagen in en bij de bus grote blauwe zakken staan die gevuld waren met takken/delen van vermoedelijk hennepplanten. Vervolgens is verdachte aangehouden.

Verbalisant [verbalisant 5] relateert dat in en bij de witte bus in beslag zijn genomen:

- tien identieke, blauwe containerzakken vermoedelijk gevuld met hennep (in beslag genomen onder voorwerpnummer 23505300-2009004876-16514).

- één doorzichtige plastic zak die opvallend groter was dan de blauwe plastic containerzakken (in beslag genomen onder voorwerpnummer 23505300-2009004876-16514).

Van zowel de inhoud van de doorzichtige plastic zak (GL code 452.442) als van de inhoud van de tien blauwe containerzakken (GL code 452.329 tot en met 452.335 en GL codes 452.440, 452.457 en 452.448) is een monster genomen.

Vervolgens is de derde loods vanaf de openbare weg onderzocht. In deze ruimte, die was ingericht voor de be- en/of verwerking van hennepplanten, werd onder meer een vloer aangetroffen die was afgedekt met een plastic zeil. In een hoek van deze ruimte stonden blauwe containerzakken die identiek waren aan de blauwe containerzakken die in de witte bestelbus zijn aangetroffen. Deze zakken waren gevuld met delen van vermoedelijk hennepplanten. De verbalisant herkende deze hennepplanten aan de specifieke geur en vorm van het blad. Van de inhoud van de zes zakken met vermoedelijk hennepafval zijn monsters genomen (GL codes 452.327, 452.328, 452.396, 452.432, 452.443 en 452.456).

Van de in totaal zestien blauwe zakken afkomstig uit de bestelbus en de loods, is één zak op een niet geijkte weegschaal gewogen. Deze zak had een totaal gewicht van twintig kilo. Verbalisant [verbalisant 5] relateert dat alle zakken ongeveer een gelijk gewicht hadden. Dat geldt ook voor de doorzichtige zak die in of bij de witte bestelbus is aangetroffen.

Alle bovengenoemde monsters zijn afzonderlijk getest . Deze test betreft een cannabis test van MMC International. Uit het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen blijkt dat zeventien monsters een positieve reactie gaven op de aanwezigheid van THC, een stof die indicatief is voor de aanwezigheid van hennep. Tien codes van de geteste monsters komen overeen met de codes van de monsters die zijn afgenomen van de zakken met vermoedelijk hennepafval. Dit betreffen de monsters met de GL codes: 452.327, 452.328, 452.329, 452.330, 452.331, 452.332, 452.333, 452.334, 452.335, en 452.396.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 15 januari 2009 op het terrein van [medeverdachte] was. [medeverdachte] heeft hem op een gegeven moment gebeld en heeft toen aan hem gevraagd om de containerzakken in de loods op te ruimen. In de loods heeft hij het plastic zeil in de ruimte gezien. Hij zag en rook tevens dat in de containerzakken takken en delen van hennepplanten zaten. Omdat hij geen “nee” kon zeggen tegen zijn oom, heeft hij besloten om ondanks het feit dat hij wist dat er hennepafval in de zakken zat, toch de zakken met hennepafval op te ruimen. Hij wilde het hennepafval naar de gemeentelijke bladkorven brengen. Toen de politie hem aanhield was hij doende om het hennepafval vanaf de loods in de witte bestelbus te laden. Deze verklaring vindt steun in de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] . [medeverdachte] verklaart dat alvorens de politie ter plaatse zou komen hij verdachte de opdracht heeft gegeven om de containerzakken in de loods op te ruimen.

Overweging van de rechtbank

Met betrekking tot het verweer van de raadsman - inhoudende dat gelet op onzorgvuldige wijze van het onderzoek van de monsters en de onnauwkeurige weegmethode niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte de ten laste gelegde 340 kilogram hennep aanwezig heeft gehad - overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank is op grond van de hierboven weergegeven bewijsmiddelen van oordeel dat verdachte het hennepafval dat is aangetroffen in de witte bestelbus en in de loods die was ingericht als knipruimte, opzettelijk aanwezig heeft gehad. Met betrekking tot de hoeveelheid hennep die verdachte opzettelijk aanwezig heeft gehad overweegt de rechtbank als volgt.

Er zijn tien zakken aangetroffen met plantenresten/plantendelen in de loods die was ingericht als knipruimte en zeven zakken in de witte bestelbus. Van tien van deze zakken is aan de hand van de henneptest gebleken dat deze zakken hennep bevatten. De inhoud van de zeven andere zakken is wel bemonsterd, maar deze codes komen niet terug in het proces-verbaal van het onderzoek naar verdovende middelen. Voorts blijkt uit de bewijsmiddelen dat van deze zeventien zakken, maar één zak is gewogen op een goed werkende, maar niet geijkte weegschaal. Vervolgens wordt gerelateerd door een verbalisant dat de overige zestien zakken van ongeveer gelijk gewicht zijn.

De rechtbank zal met betrekking tot de hoeveelheid aangetroffen hennep niet uitgaan van onnauwkeurige wegingen en van de grove schattingen van de verbalisanten. Daarnaast kan van zeven zakken niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat deze zakken gevuld waren met hennep(afval). De rechtbank is derhalve van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte 340 kilo van een materiaal bevattende hennep aanwezig heeft gehad. Het verweer treft dus doel.

7.3 Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 15 januari 2009 te America, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op het navolgende misdrijf:

medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 11 van de Opiumwet juncto 47 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde, nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10. De straffen en/of maatregelen

10.1 De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 24 april 2009 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Bij de hoogte van deze eis heeft de officier van justitie als uitgangspunt genomen een oriëntatiepunt voor artikel 3 onder C van de Opiumwet, zoals deze is opgesteld door het Hof ’s-Hertogenbosch. Dit oriëntatiepunt houdt in dat voor de aanwezigheid van iedere 25 kilogram softdrugs een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden moet worden opgelegd. In een recent vonnis van deze rechtbank is dit oriëntatiepunt overgenomen. Met betrekking tot de in beslag genomen goederen heeft de officier van justitie gevorderd dat deze goederen zullen worden onttrokken aan het verkeer.

10.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de gevorderde straf aangevoerd dat hij de gevorderde straf in verhouding tot de feitelijke strafbare gedraging disproportioneel hoog vindt. De raadsman vindt het feit dat de officier van justitie in deze zaak onverkort uitgaat van het voornoemde oriëntatiepunt totaal niet gepast. Er moet naar de mening van de raadsman bij de bepaling van de straf in deze zaak gekeken worden naar de feitelijke gedraging en de omstandigheden van het feit in plaats van alleen naar de hoeveelheid hennep die is aangetroffen. Gelet op de minimale rol van verdachte bij het ten laste gelegde feit, het feit dat er sprake is van hennepafval, hetgeen niet als verdovend middel gebruikt kan worden, en het blanco strafblad van verdachte, verzoekt de raadsman te volstaan met een werkstraf. Ten aanzien van de hoogte van de werkstraf refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

10.3 De overwegingen van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat bij de bepaling van een strafmaat het gebruik van in de rechtspraktijk ontwikkelde uitgangspunten, ook wel oriëntatiepunten genoemd, behulpzaam kunnen zijn bij het voorkomen van onverklaarbare ongelijkheid in bestraffing bij veroordeling van verdachten voor gelijke strafbare feiten. Het kan echter niet zover gaan dat de bepaling van strafmaat een met name mathematische gevolgtrekking wordt van een beperkt aantal objectief te bepalen omstandigheden in een strafbare gedraging. De belangrijkste factor bij de bepaling van de strafmaat in een concrete zaak is naar het oordeel van de rechtbank de strafwaardigheid van de specifieke gedraging die bij de verdachte wordt bewezen verklaard in relatie tot de persoon van de verdachte.

Dat leidt er in gevallen als de onderhavige toe dat de strafmaat niet in overwegende mate dient te worden bepaald naar gelang de omvang van de partij verdovende middelen. Voor de vaststelling dient primair gekeken te worden naar de gedraging van verdachte ten aanzien van de partij en de omvang van zijn strafbare betrokkenheid, daarbij komt tevens betekenis toe aan het antwoord op de vraag of het gaat om hennep bestemd voor de handel, of om hennepafval.

In de eis van de officier van justitie komen deze uitgangspunten onvoldoende tot uitdrukking.

Bij de oom van verdachte zijn grote hoeveelheden hennep aangetroffen, waaronder hennepafval in een ruimte die was ingericht als een knipruimte voor hennep. Verdachte heeft in opdracht van zijn oom containerzakken met hennepafval ingeladen in een witte bestelbus, teneinde deze op te ruimen, voordat de politie zou arriveren.

Bij de oom van verdachte zijn grote hoeveelheden softdrugs aangetroffen, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank erop duidt dat zijn oom actief betrokken is bij de handel in softdrugs. Verdachte wilde zijn oom behulpzaam zijn. Hij probeerde door zijn gedraging te verbergen dat zijn oom betrokken is bij de handel in softdrugs. Indien dit verdachte gelukt was, dan zouden er waarschijnlijk geen consequenties volgen op het illegale handelen van zijn oom, waardoor hij straffeloos verdovende middelen op de markt zou kunnen brengen. Het in de handel brengen van verdovende middelen levert naar het oordeel van de rechtbank een onaanvaardbaar risico en economische ontwrichting op van de maatschappij. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat de handel in verdovende middelen gepaard gaat met vele vormen van criminaliteit, zowel bij degene die het verspreiden als bij de degene die om deze middelen te kunnen bekostigen vaak overgaan tot criminele activiteiten.

Bij de bepaling van de hoogte van de straf houdt de rechtbank ten voordele van verdachte rekening met de omstandigheid dat verdachte blijkens een hem betreffend uitreksel uit het Algemeen Documentatieregister d.d. 28 maart 2009 niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld, alsmede met de persoonlijke omstandigheden zoals die door de raadsman ter terechtzitting naar voren zijn gebracht.

Daarnaast houdt de rechtbank ten voordele van verdachte rekening met de over verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapportage d.d. 20 april 2009, opgemaakt door [reclasseringsmedewerker], reclasseringsmedewerker. [reclasseringsmedewerker] merkt op dat verdachte beïnvloedbaar is en moeite heeft om afstand te nemen van zijn oom. Verdachte weet echter dat hij fout is geweest en wordt in staat geacht om vaardig genoeg te zijn om in de toekomst zich niet wederom negatief te laten beïnvloeden door zijn oom. Er zijn verder geen problemen geconstateerd die ten grondslag liggen aan het ten laste gelegde feit. Het recidiverisico is derhalve laag en reclasseringstoezicht of andere bijzondere voorwaarden is niet geïndiceerd.

De rechtbank zal volstaan met het opleggen van een deels onvoorwaardelijke werkstraf. De rechtbank is van oordeel dat een taakstraf in de vorm van een werkstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, een gepaste bestraffing vormt en in dit geval een bijdrage kan leveren aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. De rechtbank zal het aantal te werken uren werkstraf stellen op 100 en bevelen dat, voor het geval de taakstraf niet naar behoren wordt verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 50 dagen, hiervan zal de rechtbank 50 uren subsidiair 25 dagen vervangende hechtenis voorwaardelijk opleggen.

10.4 Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank is van oordeel dat de navolgende in beslag genomen goederen dienen te worden onttrokken aan het verkeer:

- zestien monsters, afkomstig van de blauwe containerzakken met hennepafval;

- één monster, afkomstig van de doorzichtige plastic zak met hennepafval;

- acht koolstoffilters;

- vier jerrycans onder andere gevuld met groeimiddel;

- één zwarte slang ten behoeve van de afzuiging;

- één weegschaal (merk RIBA);

- één blauwe cementmolen (merk RAPID cement), met daarin henneprestanten;

- één oranje cementmolen, met daarin henneprestanten;

- twee emmers gevuld met wit poeder.

Genoemde voorwerpen zijn in hun gezamenlijkheid van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet, terwijl die voorwerpen bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane misdrijf zijn aangetroffen en kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke misdrijven.

11. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 36b, 36c, 47, 91;

Opiumwet art. 3, 11.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder ten laste gelegde feit heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een taakstraf, te weten een werkstraf voor de duur van 100 uren, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid;

beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 50 dagen zal worden toegepast;

bepaalt dat van deze taakstraf een gedeelte, groot 50 uren, bij niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 25 dagen vervangende hechtenis, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

verstaat dat het onvoorwaardelijke gedeelte van de taakstraf uiterlijk 1 jaar nadat dit vonnis onherroepelijk is geworden, zal zijn voltooid;

beveelt dat de tijd door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht en bepaalt dat de aftrek aldus zal geschieden dat tegenover één dag inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis welke verdachte heeft ondergaan twee uren taakstraf worden gesteld.

ontrekt aan het verkeer:

- zestien monsters, afkomstig van de blauwe containerzakken met hennepafval;

- één monster, afkomstig van de doorzichtige plastic zak met hennepafval;

- acht koolstoffilters;

- vier jerrycans onder andere gevuld met groeimiddel;

- één zwarte slang ten behoeve van de afzuiging;

- één weegschaal (merk RIBA);

- één blauwe cementmolen (merk RAPID cement), met daarin henneprestanten;

- één oranje cementmolen, met daarin henneprestanten;

- twee emmers gevuld met wit poeder.

Vonnis gewezen door mrs. F. Oelmeijer, A.K. Kleine en E.A.M. van Oorschot, rechters, van wie mr. A.K. Kleine voorzitter, in tegenwoordigheid van

mr. R.P. van der Pijl als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 8 mei 2009.

Mr. A.K. Kleine is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

typ: PIJL